Tentoonstelling over de luchtvaart in het Museum aan de IJzer

Tot augustus 2018 loopt in het Museum aan de IJzer in Diksmuide de tentoonstelling ‘Wanneer de dood uit de hemel kwam’ over de ontwikkeling van de militaire luchtvaart in de Eerste Wereldoorlog. Ingericht op een etage in de IJzertoren en dat biedt rond de liftschacht en trappenhuis slechts beperkte ruimte. Derhalve zijn er geen vliegtuigen zoals een Franse Nieuport of een Duitse Fokker te zien, al hangt er wel een model van een Britse Bristol in de hal. In de loop van de luchtoorlog werden er tal van zaken ontwikkeld of sterk verbeterd. Bombarderen vanuit de lucht was in 1914 begonnen vanuit Zeppelins, maar in 1918 wierpen viermotorige vliegtuigen hun honderden kilogram zware bommen af. Luchtfotografie maakte sterke vorderingen om de stellingen van de vijand te observeren en zo in kaart te brengen. Luchtgevechten veranderden van karakter door het kunnen schieten met een mitrailleur door de propeller. En ook de luchtdoelartillerie ontstond.

De ontwikkeling van de luchtmachten uitte zich in de sterke toename van het personeel in de oorlog. De Duitse luchtmacht breidde zich uit van enkele honderden, bij het begin van de oorlog, tot 80.000 man in 1918 waarvan 5000 vliegers. De tentoonstelling richt zich primair op al die zaken die van belang waren om de Belgische, Britse, Duitse en Franse piloten in de lucht te houden en op de taken die ze moesten uitvoeren. Er is voor ieder van die vier luchtmachten een vitrine ingericht met onder meer uniformen en vliegtuigkleding. En daarbij tal van kleinere voorwerpen als hoogtemeters, journaals en verrekijkers. De tentoonstelling maakt ook duidelijk dat de militaire luchtvaart meer was dan alleen de luchtazen. Die worden vanzelfsprekend niet vergeten met speciale aandacht voor de Franse kapitein Georges Guynemer die op 11 september 1917 bij Poelkapelle werd neergeschoten en wiens lichaam nooit werd gevonden.

overzicht: