Psychologie van de soldaat in het gevecht

In 1918 bracht De Amsterdammer, Weekblad voor Nederland een speciaal nummer uit over ‘Onze Weermacht van 1914 tot 1918’. Officieren van de verschillende eenheden geven daarin de stand van zaken van hun krijgsmachtonderdeel weer. Allerlei aspecten komen daarbij aan de orde, van de wapenontwikkeling tot de geestelijke verzorging van de soldaat. Eén bijdrage is niet geschreven door een Nederlander, maar door een in Nederland verblijvende Fransman. Tweede luitenant Gustave Cohen schreef op basis van zijn eigen ervaringen een artikel over de psychologie van de soldaat in het gevecht. Het artikel werd gedigitaliseerd met behoud van de oorspronkelijke spelling en is als pdf-bestand te downloaden: Weermacht 1914-1918 Gustave Cohen

Gustave Cohen (1879-1958) werd geboren in Brussel en had een Franse vader en een Belgische moeder. Hij was een historicus met als specialiteit de Middeleeuwen en kreeg in 1912 een aanstelling aan de Universiteit van Amsterdam om de Franse taal- en letterkunde te doceren. Toen in augustus 1914 de oorlog uitbrak meldde hij zich bij het Franse leger en werd ingedeeld bij het 46e infanterieregiment. Hij vocht in de Argonne en raakte in mei 1915 zwaargewond. Na verpleging in ziekenhuizen keerde hij in 1916 terug naar Amsterdam waar hij tot 1919 doceerde. Hij is opgenomen in het Album Academicum van de Universiteit van Amsterdam. In de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren zijn enkele teksten van en over hem te lezen. Ook in Nederlandse kranten figureert hij zoals in de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 16 januari 1918 waarin een verslag staat van een lezing die hij hield voor het Genootschap Nederland-Frankrijk over de oorlogservaringen (bron: KB/Delpher).

Het artikel ‘Iets over de psychologie van de soldaat in het gevecht’ is sterk Frans nationalistisch. De Duitsers zijn de kwaden, zij zijn de oorlog begonnen en de Fransen verdedigen het recht. Cohen is duidelijk een ‘Soldat du Droit’ zoals uitgebeeld op het monument op de heuvel van Douaumont bij Verdun. Toch werd zijn artikel opgenomen in het speciale nummer uit 1918 over ‘Onze Weermacht van 1914 tot 1918’. Het paste bij het overwegend negatieve Duitslandbeeld van De Amsterdammer, zoals beschreven door Marjet Brolsma in De Grote Oorlog, Kroniek nr. 6.

Verplaatsen in de gedachten van de soldaten van de Eerste Wereldoorlog is moeilijk. Over het oorlogsenthousiasme van 1914 schreef Ewoud Kieft in 2014 een omvangrijk boek waarin hij ingaat op de vraag waarom kunstenaars, schrijvers en wetenschappers in 1914 euforisch de oorlog begroetten. Hoe konden zoveel intelligente, vooruitstrevende en sociaal geëngageerde mannen en vrouwen veranderen in militante, oorlogsverheerlijkende radicalen? Cohen komt niet voor in Kiefts boek maar behoorde ook tot hen en dat klinkt duidelijk door in het artikel.

In Cohens artikel komt echter ook het aspect van de samenhorigheid van de soldaten naar voren. Iets dat met enige regelmaat wordt genoemd in discussies over de vraag waarom de soldaten vochten. Zie het citaat: ‘Naast de onmiddellijke plicht is er de solidariteit van de vechtenden. Men verlaat zijn kameraden niet, men verlaat de “copains” nooit.’ Zestig jaar later schreef Denis Winter in Death’s Men, Soldiers of the Great War een zin in dezelfde trant: ‘Men stood by their country as they might have stood by a pal whose luck was out.’

Maar tegen Cohens nationalistische visie zijn die van andere Franse soldaten te plaatsen. Jacques Meyer citeerde in zijn boek Les soldats de la Grande Guerre uit 1966 een aantal meningen onder de titel ‘Pourquoi combat on?’ Een daarvan luidde: ‘Rien n’est plus doux que la patrie. Mais que mourir (pour elle) soit le sort le beau, cela n’est pas vrai. Le sort le plus heureux c’est de vivre longtemps et d’être heureux. Pourquoi mentir?’ Zoals Wilfred Owen ook dichtte: ‘That old Lie: Dulce et decorum est – Pro patria mori’.

overzicht: