Het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog 1870 – 1914

Een onderzoek naar de volledigheid van schoolboeken aan de hand van hedendaagse literatuur

door R.J. Poortvliet

Met plezier publiceren wij hier de afstudeerscriptie Lerarenopleiding Geschiedenis Hogeschool Rotterdam/2009

De scriptie vergelijkt een aantal studies over het ontstaan van de eerste wereldoorlog van de hand van een aantal historici w.o David Fromkin, John Keegan, Hew Strachan, Ruth Henig, Henk Wesseling, Jan van Oudheusden, Maarten van Rossum en Hans Andriessen in relatie tot enkele schoolboeken w.o de methodes Sporen (1999), Sfinx (2004), Bronnen (2007), Fenix (2008) en Bronwijzer (2008) en komt daarbij tot interessante conclusies.

Juist gezien in het licht van de eerder op deze website gevoerde discussie over dit onderwerp achten wij Poortvliets studie belangwekkend genoeg om (met uitzondering van de foto’s ivm de rechten) tot publicatie over te gaan. Ook hebben wij hier en daar een opmerking toegevoegd.

De conclusies uit de scriptie komen voor verantwoording van de schrijver.

 

========000000=======

Inhoudsopgave

Voorwoord 1
Inleiding 2
Introductie van historici en schoolboeken 4
Hoofdstuk 1 8
De moord op Franz Ferdinand als aanleiding voor de oorlog  
Hoofdstuk 2 15
De bondgenootschappen als oorzaak van de Eerste Wereldoorlog  
Hoofdstuk 3 21
De wapenwedloop als oorzaak van de Eerste Wereldoorlog  
Hoofdstuk 4 30
Imperialisme als oorzaak van de Eerste Wereldoorlog  
Hoofdstuk 5 34
Nationalisme als oorzaak van de Eerste Wereldoorlog  
Hoofdstuk 6 39
Herziening van de schoolboeken  
Conclusie 51
Notenlijst 53
Literatuuropgave 58
Bijlagen 60
Tabel 1: De verschuivende machtsverhoudingen in Europa  
Teksten uit schoolboeken 61
Teksten uit werkboeken 81
Reflectie 91

Voorwoord

Deze scriptie is geschreven voor de 2e graads lerarenopleiding Geschiedenis aan de Hogeschool Rotterdam. Het vormt een deel van mijn afstudeeropdracht. Naast deze scriptie heb ik werkvormen bedacht die het lesgeven over het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog leuker en interessanter maken. Deze scriptie is een kritische beschouwing over het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog in de schoolboeken, zoals deze gebruikt worden in VMBO-2 kgt in het hedendaagse onderwijs.

            De keuze om af te studeren op dit onderwerp was voor mij snel gemaakt. Sinds een aantal jaren verdiep ik mij dagelijks in de Eerste Wereldoorlog. Het bijzondere van deze oorlog is dat de gevolgen en resten ervan nog zo duidelijk zichtbaar zijn. De meeste fronten zijn door mij bezocht en iedere keer raak ik weer onder de indruk van de zichtbare tekenen in het landschap en van de indrukwekkende musea. Toch was het ontstaan van deze belangrijke oorlog voor mij een raadsel. Door het lezen van het controversiële boek De andere waarheid van Hans Andriessen, werd mij duidelijk dat er over dit onderwerp veel discussie is. Juist die discussie is zo interessant, dat ik deze centraal heb gesteld in mijn scriptie. Door deze scriptie te schrijven heb ik mijn kennis over de Eerste Wereldoorlog vergroot. Daarnaast heb ik geleerd kritisch te kijken naar historische literatuur en schoolboeken.

            Mijn dank gaat uit naar Annemarie van der Burg. Zij heeft mij tijdens het schrijven van deze scriptie begeleid als docent Geschiedenis aan de Hogeschool Rotterdam. De vele overlegmomenten, correctiepapieren en herziene versies hebben veel tijd van haar geëist. Ik kijk terug op een zeer prettige samenwerking. Door haar waardevolle adviezen en kritiek is de scriptie een werk geworden waar ik trots op ben. Daarnaast bedank ik Hermi Wattel als Neerlandicus voor het vele correctiewerk op het gebied van spelling en doorlezen van de afzonderlijke hoofdstukken.

Robbert-Jan Poortvliet
Goes, mei 2009

Inleiding

Tijdens het lesgeven over de Eerste Wereldoorlog viel mij op hoeveel kleine fouten er in de schoolboeken staan. Dit bracht mij op het idee om de historische onwaarheden uit diverse schoolboeken op een rij te zetten en te proberen de waarheid te vermelden. Al is de waarheid vaak subjectief, door het bestuderen van verschillende bronnen kon ik pogen dicht in de buurt te komen. Deze scriptie gaat dus over herziening van de informatie die schoolboeken over de Eerste Wereldoorlog geven. De tijd en ruimte van deze scriptie liet mij niet toe de gehele Eerste Wereldoorlog in de schoolboeken te analyseren. Daarom heb ik gekozen voor het aspect ‘het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog’. Dit thema is actueel, omdat historici er nog steeds verschillende visies op hebben. Juist vanwege deze discussie tussen historici is het de moeite waard om informatie uit de schoolboeken naast de hedendaagse literatuur te leggen. Deze scriptie is dus een kritische beschouwing van de schoolboeken over het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog. Het kan samengevat worden in deze centrale vraag:

In hoeverre kan het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog, zoals opgenomen in de schoolboeken voor VMBO-2 kgt, herzien worden aan de hand van recent historisch onderzoek?

In de schoolboeken zijn een aantal hoofdlijnen te zien. De meeste schoolboeken geven aan dat respectievelijk de bondgenootschappen, de wapenwedloop, de strijd om koloniën en het nationalisme oorzaken zijn van de Eerste Wereldoorlog. Ze beschrijven ook de moord op Franz Ferdinand en zijn vrouw en noemen dit vooral als aanleiding van deze oorlog. Over veel van deze zaken verschillen historici van mening. In deze scriptie ga ik per hoofdstuk in op deze hoofdonderwerpen en geef daarbij de discussie tussen de historici weer. Deze hoofdonderwerpen en de aanleiding van de Eerste Wereldoorlog vormen mijn deelvragen. De schoolboeken beschrijf ik, na deze uiteenzetting, apart en voorzie ik van commentaar. De schoolboeken beschrijf ik, na deze uiteenzetting, apart en voorzie ik van inhoudelijk commentaar.

In deze scriptie beperk ik me tot de periode 1870 tot 1914. Het jaartal 1870 is gekozen omdat Duitsland toen de oorlog met Frankrijk won en zich vanaf die tijd een plaats in Europa wilde verzekeren. Het jaartal 1914 kan nog nauwkeuriger omschreven worden; ik beperk me tot 4 augustus 1914, de dag waarop Groot-Brittannië de oorlog aan Duitsland verklaarde. Ik ga in mijn scriptie dus niet in op het oorlogsenthousiasme, ook wel Kriegsbegeisterung genoemd, dat ontstond na deze oorlogsverklaring in de diverse landen. Ook beperk ik me tot een aantal landen. Ik zal vooral ingaan op de landen Frankrijk, Groot-Brittannië, Rusland, Duitsland en Oostenrijk-Hongarije.

Er wordt vaak gesteld dat het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog het boeiendste maar ook het grootste vraagstuk van de moderne geschiedenis is. Eigenlijk wacht de overgang van een rustige zomer in 1914 naar een gewelddadige algemene oorlog nog steeds op een bevredigende verklaring. Wat hier in deze scriptie volgt is een poging om visies van verschillende historici tegenover elkaar te zetten. Door dit te doen kan ik concluderen welke zaken echt van belang zijn om het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog in schoolboeken te beschrijven. Dit kan ik mede doen door bij de deelvragen een aantal hoofdonderwerpen op te stellen, waarover ik de historici aan het woord laat. Zo zet ik bijvoorbeeld bij het onderwerp imperialisme de visies van historici over Duitslands Weltpolitik uiteengezet. Vanwege mijn overzicht van de visies op de hoofdonderwerpen, kan ik kijken in hoeverre de schoolboeken herzien moeten worden.

Laten wij nu kijken hoe de Europese politiek en samenleving in de periode 1870 tot 1914 veranderde. Want dat er veranderingen gaande waren, is een feit. Maar zag de bevolking van Europa deze veranderingen ook? De bekende schrijver Stefan Zweig herinnerende zich in 1943: “Wanneer ik probeer een simpele typering te vinden voor de periode voorafgaande aan de Eerste Wereldoorlog, waarin ik ben opgegroeid, hoop ik de volheid ervan over te brengen door haar de Gouden Eeuw van de Zekerheid te noemen. Alles in onze bijna duizend jaren oude Oostenrijkse monarchie leek gestoeld op eeuwigheid.”[i]

Introductie van historici en schoolboeken

Voordat u mijn uiteenzetting gaat lezen, is het noodzakelijk dat u zich een beeld vormt van wat er in de schoolboeken over de genoemde vijf onderwerpen wordt geschreven. Dit vormt immers de ruggengraat van deze scriptie. Daarom heb ik alle gegevens uit de schoolboeken in een overzichtelijke tabel gezet. Deze is hieronder te vinden. Eerst krijgt u een introductie van de auteurs van recente historische literatuur. Deze vijf historici citeer ik voortdurend in mijn scriptie. Het is daarom van belang dat u ze kunt plaatsen. Daarom vermeld ik hieronder kort welke visie de historici hebben.

Introductie op de recente literatuur en historici

Omdat ik veel citeer uit een beperkt aantal boeken, wil ik hier een korte introductie geven van de schrijvers van deze boeken.

Hans Andriessen (1937) is een controversiële, Nederlandse kenner van de Eerste Wereldoorlog. In zijn boek De andere waarheid (1998)behandelt hij een nieuwe visie op het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog. Hij nuanceert de gangbare mening over de schuldvraag naar het uitbreken van de oorlog. Omdat hij de schuld van de Centralen wil ontlasten,(*a) wijst hij personen aan uit de geallieerde machten, die hij verantwoordelijk houdt voor het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog. Andriessen studeerde rechten in Willemstad en volgde colleges geschiedenis in Leiden. Momenteel is hij voorzitter van de Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog (SSEW), leidt hij studiereizen naar de slagvelden, geeft hij lezingen in binnen- en buitenland en is hij de redacteur van de populaire serie De Grote Oorlog – Kroniek 1914-1918. (hij schreef 8 boeken over de Eerste Wereldoorlog)

David Fromkin (1932) is een Amerikaans historicus en werkt als hoogleraar Geschiedenis en Internationale betrekkingen aan de universiteit van Boston. Na een carrière in het leger en de advocatuur begon hij historische studies te schrijven, waaronder het veel geprezen A Peace to End All Peace (1989) dat onder andere werd genomineerd voor de Pulitzer Prize. In zijn boek De laatste zomer (2004) schetst hij de juli-crisis van 1914 en trekt hieruit conclusies over de schuldvraag naar het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Fromkin heeft een traditionele visie op het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog, maar komt met nieuwe inzichten waardoor zijn boek een fascinerend verhaald wordt. Eén van zijn nieuwe inzichten is dat er in juli 1914 twee oorlogen ontstonden, waarbij de ene voor de andere moest worden opgeheven. De drijvende kracht hierachter was Duitsland.

John Keegan (1934) is een Brits historicus, die Militaire Geschiedenis doceerde aan diverse universiteiten. Daarnaast is hij defensiespecialist van The Daily Telegraph. Hij heeft op zijn vakgebied een lange reeks van werken gepubliceerd en wordt wel de bekendste historicus van de 20e eeuw genoemd. In zijn overzichtswerk De Eerste Wereldoorlog (1998) gaat hij uitgebreid in op het ontstaan van de oorlog. Keegan is een aanhanger van de traditionele Britse Eerste Wereldoorlog geschiedschrijving.

Maarten van Rossem (1943) is een Nederlands bijzonder hoogleraar Geschiedenis. Hij heeft zich gespecialiseerd in de geschiedenis en politiek van de Verenigde Staten. In zijn boek Drie oorlogen. Een kleine geschiedenis van de 20e eeuw (2007) geeft Van Rossem een heldere schets van de politieke machtsverhoudingen in Europa. Hij legt in dit boek een verband tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog en de Koude Oorlog. Hoewel Van Rossem een goed te lezen boek heeft geschreven, ontbreekt in zijn boek een notenapparaat. Hij komt met stellingen die nergens op lijken te berusten. In dat opzicht heb ik veel twijfels bij zijn boek. Maar omdat hij een vooraanstaand Nederlandse historicus is die zich in het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog heeft verdiept, is het zinvol om ook zijn visie te bespreken. Van Rossem heeft een traditionele visie op het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog: Duitsland was agressief en schuldig.

Hew Strachan (1949) is een Brits historicus. Hij is hoogleraar Militaire Geschiedenis aan de universiteit van Oxford. Hij geldt als één van ’s werelds meest vooraanstaande historicus op het gebied van de Eerste Wereldoorlog. In zijn boek De Eerste Wereldoorlog. Een geïllustreerde geschiedenis (2003) gaat hij uitgebreid in op het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog. Hij doorbreekt op sommige punten de traditionele Britse geschiedschrijving. Zijn boek is zeker met het oog op het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog een aanrader voor ieder die er nog meer over wil lezen.

*a) Opmerking van de auteur van de Andere Waarheid:  De auteur wilde de schuld van de Centralen niet ontlasten maar kwam aan het eind van zijn jarenlange studie over dit onderwerp tot de slotsom dat m.n Duisland minder schuldig was dan in het algemeen wordt beweerd,

Introductie en overzicht van de schoolboeken

Ik heb gekozen voor een vijftal schoolboeken. Dit zijn de methodes Sporen (1999), Sfinx (2004), Bronnen (2007), Feniks (2008) en Bronwijzer (2008). Van alle schoolboeken heb ik het niveau kgt van klas 2 gekozen. Dit is het gemiddelde VMBO niveau. De reden waarom ik dit niveau heb gekozen is omdat ik aan leerlingen van dit niveau lesgeef. Verdere gegevens van de schoolboeken kunt u vinden in de literatuurlijst.

Hieronder staan vijf onderwerpen: de aanleiding, bondgenootschappen, wapenwedloop, imperialisme en nationalisme. Deze onderwerpen worden in mijn scriptie in deze volgorde uitgewerkt. Hieronder staat in het kort aangegeven wat de schoolboeken over deze oorzaken van de Eerste Wereldoorlog zeggen. Daarnaast heb ik kopieën van de leerteksten uit de schoolboeken gemaakt, welke te vinden zijn in de bijlage. Het is noodzakelijk om de tabel goed door te lezen, zodat duidelijk wordt waarom mijn scriptie van belang is.

 


[i] Stefan Zweig, De wereld van gisteren. Herinneringen van een Europeaan (Amsterdam 1990) 1.

Methode Aanleiding Bondgenootschappen Wapenwedloop Imperialisme Nationalisme
Sfinx De moord op Franz Ferdinand was de lont in het kruitvat. Wie macht wil heeft vrienden nodig. Door de bondgenootschappen raakten veel landen in oorlog. Landen hebben ruzie over grenzen en koloniën. Daarom was er een wapenwedloop. Na Napoleon kwam er een machtsevenwicht. Koloniën zijn hierin belangrijk. Vooral in Duitsland en Frankrijk aanwezig.
Feniks Dat er oorlog kwam was duidelijk.Aanleiding is de moord op Franz Ferdinand.Duitsland zegt hulp toe aan Oostenrijk-Hongarije. Oorlog voeren kun je het best samen doen. De relatie tussen de bondgenootschappen verslechterde. De landen willen hun land groter en machtiger maken. Daarom was er een wapenwedloop. - Gekoppeld aan militarisme. De landen willen aan andere landen laten zien dat ze de beste zijn.
Sporen De oorlog begint om iets kleins: moord op Franz Ferdinand Door de bondgenootschappen raakten veel landen in oorlog. Volken waren bang voor elkaar. Daarom werden de legers versterkt. Omdat de koloniën van de oorlogsvoerende landen meedoen, wordt het een wereldoorlog. Na Napoleon kwam er nationalisme: dol op eigen land en bang voor het andere volk.
Bronnen Een Serviër vermoordt de kroonprins van Oostenrijk.Oostenrijk stelt een ultimatum aan Servië en verklaard enkele dagen later de oorlog. Rusland komt Servië te hulp na het ultimatum.Duitsland valt Rusland en Frankrijk aan. Daarom komt Engeland in de oorlog.Daarna wordt Europa verdeeld in bondgenootschappen. Nationalisme komt pas na de Eerste Wereldoorlog in de jaren ’20. - -
Bronwijzer Na de moord op Franz Ferdinand verklaarde Oostenrijk de oorlog aan Servië. Doordat Oostenrijk Servië de oorlog verklaarde, kwamen de andere landen in oorlog door de bondgenootschappen. Wedstrijd welk land de meeste wapens kon maken. Wedstrijd welk land de meeste koloniën kon bemachtigen. Vooral in Duitsland aanwezig: dit volk voelde zich beter dan het andere.

Hoofdstuk 1

De moord op Franz Ferdinand als aanleiding voor de Eerste Wereldoorlog

          ‘Sophie, liefje! Sophie, liefje! Ga niet dood! Blijf leven voor onze kinderen!’[i] Met deze woorden reageerde de troonopvolger Franz Ferdinand van de Oostenrijk-Hongaarse Dubbelmonarchie toen hij en zijn vrouw dodelijk geraakt werden. Men neemt aan dat deze moord de aanleiding vormde voor de Eerste Wereldoorlog. Het daarop volgende ultimatum van Oostenrijk-Hongarije aan Servië (een ultimatum dat zo was opgesteld, dat het onacceptabel was), de oorlogsverklaring die daarop volgde en de beslissing van Rusland om Servië te steunen, mondde uit in de Eerste Wereldoorlog. Het is van belang om de zaken rond deze moord te analyseren, omdat in de schoolboeken vaak te makkelijk wordt omgegaan met deze druppel die de emmer deed overlopen.

          Hieronder zal ik ingaan op de drie belangrijkste thema’s die noodzakelijk zijn om de moord op Franz Ferdinand in een juist perspectief te kunnen plaatsen. Deze thema’s zijn achtereenvolgens: de rol van de Servische regering in het moordcomplot dat al dan niet aanwezig was, de ‘blanco cheque’ die Duitsland aan Oostenrijk-Hongarije gaf en het ultimatum van Oostenrijk-Hongarije aan Servië.

          Voordat ik de gebeurtenissen rond de moordaanslag ga beschrijven, moet ik eerst twee misverstanden rechtzetten. De schoolboeken, op de methode Bronwijzer na, spreken over de kroonprins Franz Ferdinand. Dit is historisch incorrect. Franz Ferdinand was geen kroonprins maar troonopvolger. Kroonprins Rudolf pleegde op 30 januari 1889 zelfmoord, nadat hij eerst zijn maîtresse Mary Vetsera gedood had. Franz Ferdinand, de neef van keizer Frans Josef van Oostenrijk-Hongarije, werd hierdoor troonopvolger, maar geen kroonprins[ii]. Daarnaast spreken de schoolboeken, op Feniks en Sfinx na, over het keizerrijk Oostenrijk. Ook dit is historisch incorrect, omdat de officiële benaming sinds 1868 Oostenrijk-Hongarije was, ook wel de Dubbelmonarchie genoemd. Het was op Rusland na, het grootste land van Europa bestaande uit het keizerrijk Oostenrijk, het koninkrijk Hongarije en het geannexeerde Bosnië. Het staatshoofd Frans Josef was tegelijk keizer van Oostenrijk en koning van Hongarije.

De rol van de Servische regering

Het is een feit, dat op 28 juni 1914, de twintigjarige Bosnisch-Servische terrorist Gavrilo Princip in Sarajevo de Oostenrijks-Hongaarse troonopvolger Franz Ferdinand en diens echtgenote doodde. Toch bestaan er verschillende visies op de organisatie waar Gavrilo Princip aan verbonden was en de rol van de Servische regering in het complot. Er wordt aangenomen dat de samenzweerders geen lid waren van de Zwarte Hand maar zich enkel in verbinding stelden met deze Servische organisatie. De Zwarte Hand gaf technische ondersteuning, omdat de samenzweerders gebrek hadden aan materiaal.

Het is van belang om ons af te vragen of de Servische regering medeplichtig was aan de aanslag was. David Fromkin legt vooral de nadruk op de leider van de Zwarte Hand, Dragutin Dimitrijevic, bijgenaamd Apis. Hij was legerofficier en ook het hoofd van de machtige militaire inlichtingendienst.[iii] Ook de persoon Nikola Pasic, de premier van Servië, ziet Fromkin als een centrale figuur in het verhaal. Ook hij was op de hoogte van het doel van Princip. Fromkin veronderstelt dat Pasic een telegram heeft gestuurd, waarin hij de Oostenrijkse regering op de hoogte heeft gesteld over de mogelijke activiteiten rondom het bezoek van de aartshertog. Fromkin geeft hierbij echter geen bronvermelding.[iv] Hoewel Fromkin diverse hoge functionarissen in Servië aanwijst die van de moordaanslag afwisten, schrijft hij niet expliciet in zijn boek dat de Servische regering medeplichtig was. Hew Strachan beschrijft de situatie vrijwel identiek aan die van Fromkin. Hij stelt dat de beschuldiging van Servische medeplichtigheid niet werd ontkracht door Pasic en Dimitrijevic.[v]

De mate van voorkennis aan het complot die aan de Servische regering werd toegeschreven, is nooit vastgesteld, stelt John Keegan.[vi] Hij neemt genoegen met het feit dat op 2 juli drie van de moordenaars volledige bekentenissen aflegden. In deze bekentenissen kwam naar voren dat ze door Servische militairen van wapens waren voorzien en dat Servische grenswachten hen over de grens hadden geholpen. Hieruit maakte Oostenrijk-Hongarije op dat de Servische regering medeplichtig was.

Hans Andriessen gaat nog een stap verder. Hij stelt niet alleen dat Pasic en Dimitrijevic van de aanslag afwisten maar dat premier Pasic ook de aanslag gebruikte om Rusland achter Servië te krijgen. Hij wilde zijn Groot-Servisch ideaal dus realiseren door een confrontatie aan te gaan met Oostenrijk-Hongarije.[vii] Andriessen geeft aan dat de moord geschiedde onder de ogen van, maar ook met medeweten van de Servische minister-president en één of meer leden van de Servische regering.[viii]

Maarten van Rossem komt in zijn boek slechts met een korte zinsnede, namelijk dat ‘het van belang is te constateren dat de aanslag niet het werk van de Servische regering was.’[ix] Andriessen gaat hier tegenin door een citaat aan te halen van de voorzitter van het Servische parlement en minister van Educatie onder premier Pasic, dat luidt:

“Ik herinner mij dat op een dag, ergens eind mei of begin juni, mr. Pasitch [Pasic] ons mededeelde dat bepaalde personen op weg waren naar Serajevo om Franz Ferdinand te vermoorden die daar op St. Vitusdag ontvangen zou worden. Hij voegde daaraan toe dat deze criminelen tot een geheime organisatie van Bosnische studenten in Belgrado behoorden en dat de minister van Buitenlandse Zaken, Protitch order had gegeven aan de autoriteiten ze aan de grens tegen te houden maar dat deze autoriteiten zelf ook tot de samenzwering behoorden en ze hadden doorgelaten waarna ze aan Belgrado gemeld hadden dat het te laat was. [sic!][x]

Uit bovenstaande visies van de verschillende historici kan ik concluderen dat Andriessen een geheel andere visie heeft dan de andere historici. Andriessen geeft in zijn boek aan dat de Servische regering medeplichtig was. John Keegan lijkt te twijfelen, want hij stelt dat de medeplichtigheid nooit is vastgesteld. Wel geeft hij aan dat uit getuigenissen blijkt dat de Servische regering een rol speelde. David Fromkin en Hew Strachan achten niet de gehele regering verantwoordelijk, maar enkele leden van de regering. Dit was volgens Fromkin en Strachan vooral de Servische premier Nikola Pasic. Van Rossem stelt alleen dat de aanslag niet het werk was van de Servische regering. Aangezien Van Rossem geen bronnen vermeld en geen verdere toelichting geeft, vind ik dit een twijfelachtige stelling.

De ‘blanco cheque’

De periode tussen de moordaanslag op 28 juni 1914 en het uitvaardigen van het ultimatum op 23 juli 1914 is belangrijk geweest. In deze periode verzekerde Oostenrijk-Hongarije zich namelijk van Duitse steun. Hoewel deze tijdsperiode niet in de schoolboeken wordt beschreven, is het noodzakelijk om te kijken waarom Duitsland steun gaf aan Oostenrijk-Hongarije. Deze steun wordt in de literatuur beschreven als een ‘blanco cheque’. Dit is niets anders dan een steunbetuiging bij voorbaat aan de ander. In de schoolboeken komt het begrip ‘blanco cheque’ niet voor. Het is zinvol om te kijken hoe historici schrijven over de ‘blanco cheque’.

Maarten van Rossem spreekt niet over de ‘blanco cheque’, maar geeft aan dat de Duitsers Oostenrijk-Hongarije aanmoedigden om een oorlog met Servië te voeren. De Duitsers dachten dat zij in 1914 de beste kans hadden om een continentale oorlog te winnen.[xi] Van Rossem stelt dat de Duitsers, met medewerking van Oostenrijk-Hongarije, de diplomatieke crisis in juli 1914 moedwillig hebben aangescherpt. Daarbij namen ze welbewust het risico van een Europese oorlog.[xii] John Keegan kijkt juist meer naar de rol van Oostenrijk-Hongarije. Hij stelt dat Oostenrijk-Hongarije zonder Duitse steun niet durfde aan te vallen, terwijl het land dit wel kon. Keegan is van mening dat door deze gedachtengang van Oostenrijk-Hongarije, de oorlog, die lokaal gevoerd kon worden, uitgroeide tot een Europese.[xiii]

Hew Strachan ziet de ‘blanco cheque’ van Duitsland aan Oostenrijk-Hongarije als een cruciale stap in de escalatie naar de grote Europese oorlog.[xiv] Want eigenlijk moet vanuit de zwakte van het Oostenrijk-Hongaarse leger de ‘blanco cheque’ worden belicht, stelt Strachan. Het leger kon een oorlog op de Balkan nog wel aan, maar het zou onmogelijk tegen meer dan één vijand tegelijk kunnen vechten. Als Oostenrijk-Hongarije oorlog wilde voeren op de Balkan, had het Duitse rugdekking nodig tegen Rusland.

Hans Andriessen geeft als opmerking bij de ‘blanco cheque’ dat keizer Wilhelm II ervan overtuigd was dat de oorlog gelokaliseerd zou kunnen blijven, omdat hij dacht dat Rusland nog niet gereed was om in te grijpen.[xv] Dit was ook de visie van de Duitse rijkskanselier Bethmann-Hollweg. ‘Geen agressie, geen wens tot werelddominantie, geen fantastische oorlogsdoelen maar angst en diepe bezorgdheid waren de redenen voor Bethmann-Hollwegs handelen’, stelt Andriessen.[xvi] Door de ‘blanco cheque’ te geven, wilde Duitsland een einde maken aan de voor de Dubbelmonarchie levensbedreigende situatie, veroorzaakt door Servië en Rusland. Duitsland bevond zich, volgens Andriessen, op de ‘binnenlijnen’ en vreesde verpletterd te worden als het niet ingreep. Daarnaast merkt Andriessen op dat Duitsland de ‘blanco cheque’ gaf om te voorkomen dat Duitsland niet volstrekt van zijn bondgenoot zou vervreemden en geheel geïsoleerd zou raken.[xvii] Hoewel Bethmann-Hollweg er dus van uitging en hoopte dat de oorlog gelokaliseerd kon blijven, maakte hij volgens Andriessen een forse inschattingsfout. Rusland schrok namelijk deze keer niet terug voor oorlog, omdat het zich gesteund voelde door Frankrijk en Engeland.[xviii]

David Fromkin geeft een andere aanvulling op de ‘blanco cheque’ en stelt dat de cheque niet helemaal blanco was. De Duitse keizer had enkele voorwaarden in gedachten, zoals de voorwaarde dat Oostenrijk-Hongarije moest worden beschouwd als de geprovoceerde partij. Daarnaast moest Oostenrijk-Hongarije op eigen kracht snel handelen. Ook geloofde de Duitse keizer echt, dat Oostenrijk-Hongarije van plan was Servië wel voor de moorden te straffen maar het niet te vernietigen. Hij ging ervan uit dat de andere landen niet zouden interveniëren[xix] en dat ‘de zaak binnen een week geregeld zou zijn, omdat Servië zich zou overgeven.’[xx]

Kortom, de visie van Keegan en Strachan zijn identiek. Zij gaan uit van de ‘zwakte’ van Oostenrijk-Hongarije, dat best een oorlog had kunnen voeren zonder Duitsland. Door het verwerven van de Duitse steun, werd het een wereldoorlog. Van Rossem redeneert vanuit Duitsland. Hij noemt het geven van de ‘blanco cheque’ een doelbewust risico. Andriessen en Fromkin relativeren de ‘blanco cheque’. Andriessen ziet de ‘blanco cheque’ vooral als een inschattingsfout en Fromkin benadrukt de gedachtengang achter het uitvaardigen van de ‘blanco cheque’. Ook hij stelt dat de Duitse regering eigenlijk op een ander effect had gehoopt, zoals ik hierboven heb geschreven.

Het ultimatum van Oostenrijk-Hongarije aan Servië

Doordat Oostenrijk-Hongarije zich van de Duitse steun verzekerd voelde, kon het verder gaan met het afrekenen met Servië. Allereerst moet ik opmerken, dat de schoolboeken voorbij gaan aan het feit dat tussen de moordaanslag op 28 juni 1914 en het uitvaardigen van het ultimatum op 23 juli 1914 een krappe maand zat. De schoolboeken doen voorkomen alsof de gebeurtenissen snel op elkaar volgden. Dit was niet het geval. Hoe valt het dan te verklaren dat Oostenrijk-Hongarije zo lang heeft gewacht met het uitvaardigen van het ultimatum? Wel, men ontdekte dat een tijdelijk verlof voor de Oostenrijk-Hongaarse troepen tot 25 juli van kracht was. Dit was afgegeven om bij de oogst te kunnen helpen. Men moest alle schijn ophouden, aldus David Fromkin, omdat een plotselinge herroeping van het verlof de oorlogszuchtige bedoelingen van Wenen zou verraden.[xxi] Daarnaast bevonden de president en premier van Frankrijk zich in Rusland. Ze waren daar op staatsbezoek. De leiders van deze twee bondgenoten zouden dus bij elkaar zijn en hun reacties op elke beweging van Oostenrijk-Hongarije goed op elkaar kunnen afstemmen. De Oostenrijk-Hongaarse minister van Buitenlandse Zaken Leopold von Berchtold besloot te wachten tot de Fransen op de terugweg waren.[xxii]

            Het ultimatum is samen te vatten in drie punten. Ten eerste moest Servië een einde maken aan terroristische organisaties die vanuit eigen grondgebied opereerden. Ten tweede moest het anti-Oostenrijkse propaganda verbieden en ten derde moest Servië toestaan dat vertegenwoordigers van Oostenrijk-Hongarije deelnamen aan het eigen interne onderzoek naar de moordaanslagen.[xxiii] Servië gaf op alle punten toe, behalve op het punt dat Oostenrijk-Hongarije zich bemoeide met het intern onderzoek, want dat zou een ‘ schending van de Grondwet en van de strafrechtelijke rechtsgang zijn.’ Het was in strijd met Servië als onafhankelijk land.[xxiv]

            Hoe kijken de historici naar het ultimatum dat Oostenrijk-Hongarije uitvaardigde aan Servië? Maarten van Rossem stelt dat dit ultimatum in feite een verkapte oorlogsverklaring was. Oostenrijk-Hongarije eiste namelijk dat Oostenrijkse politiefunctionarissen in Servië onderzoek zouden doen naar de toedracht van de aanslagen. Dit betekende dat Servië wel een deel van zijn soevereiniteit moest prijsgeven. Hoewel Servië uiterst toegeeflijk op het ultimatum antwoordde, weigerde het Oostenrijkse agenten op zijn grondgebied toe te laten.[xxv]

            John Keegan velt geen oordeel over het ultimatum. Hij beschrijft vooral de situatie in Servië. Men zat daar namelijk verstoken van diplomatiek advies, omdat de Britse gezant in Belgrado ziek was, de Russische pas was overleden en nog niet vervangen, de Franse een zenuwinzinking had en zijn vervanger nog niet was gearriveerd.[xxvi] Hew Strachan velt, net als Keegan, geen oordeel over het ultimatum.

            David Fromkin stelt dat het ultimatum zo was opgesteld dat het wel afgewezen moest worden.[xxvii] Hij acht hier Leopold von Berchtold voor verantwoordelijk, omdat hij, volgens Fromkin, uit was op oorlog. Hans Andriessen tot slot vraagt om begrip voor de positie van Oostenrijk-Hongarije. Volgens Andriessen waren alle middelen uitgeput en bleef er eigenlijk geen andere keus over, dan die van oorlog.

Conclusie

Ik concludeer dat de Servische regering medeplichtig is aan de moordaanslag. Het valt te betwijfelen of heel de Servische regering afwist van de geplande moordaanslag maar het staat vast dat de premier Nikola Pasic en enkele andere ministers er vanaf wisten. Ik volg hierin de visie van Andriessen, die voor mij het meest overtuigend is.

De ‘blanco cheque’ is een discussiepunt waarover historici nog lang niet uitgepraat zijn. Ik heb vooral gekeken naar de motieven van Duitsland. Als ik de visie van Andriessen en Fromkin volg, moeten er kanttekeningen bij de ‘blanco cheque’ geplaatst worden. Daardoor wordt dit document overigens heel wat minder ‘blanco’. De visie van Keegan en Strachan geeft aan dat de ‘blanco cheque’ ook gezien kan worden als een keerpunt. Doordat Oostenrijk-Hongarije zich van Duitse steun verzekerde, kon de oorlog uitgroeien tot een Europese oorlog. Feit is dat de ‘blanco cheque’ een bijzonder belangrijk document is om de stappen van Oostenrijk-Hongarije in de maand juli 1914 te kunnen verklaren.

Ik concludeer dat het ultimatum een belangrijke factor is om het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog goed te begrijpen. De meeste historici vinden dat het ultimatum onacceptabel was. Het moest wel leiden tot oorlog. Opvallend is dat zowel John Keegan als Hew Strachan, twee vooraanstaande Britse historici, geen oordeel vellen over het ultimatum. Zij beschrijven meer de weg naar het uitvaardigen van het ultimatum en de reactie van Servië op het ultimatum. Hans Andriessen komt weer met een heel ander verhaal en draait de rollen om door te kijken naar de positie van Oostenrijk-Hongarije in Europa. Ik denk dat het zinvol is om het ultimatum in een schoolboek te vermelden. Of men echter in een schoolboek ook een oordeel over het ultimatum moet geven, is de vraag. Ik denk dat de essentie ligt in het feit dat Oostenrijk-Hongarije uit was op oorlog. De reden zou kunnen zijn dat Oostenrijk-Hongarije zich op de binnenlijnen bevond, zoals Andriessen stelt. Een andere reden zou kunnen zijn, dat men Servië wilde vernietigen. Het ultimatum is in ieder geval een belangrijke factor geweest voor het uitbreken van de oorlog. Toen de Britse minister van Marine, Churchill, van het ultimatum hoorde, schreef hij aan zijn vrouw: ‘Europa [balanceert] op de rand van een algehele oorlog, het Oostenrijkse ultimatum aan Servië [is] het meest schaamteloze document in zijn soort dat ooit vervaardigd is.’[xxviii] De minister van Buitenlandse Zaken in Rusland, Sergej Sazonov, ontplofte toen hij het nieuws over het Oostenrijks-Hongaarse ultimatum aan Servië hoorde. “Dat betekent een Europese oorlog” [xxix], riep hij uit. Hij kreeg gelijk.

Hoofdstuk 2

De bondgenootschappen als oorzaak van de Eerste Wereldoorlog

Ieder schoolboek geeft aan dat het ontstaan van bondgenootschappen een dieperliggende oorzaak van de Eerste Wereldoorlog is. De boeken kijken echter niet naar het ontstaan en de werking van de bondgenootschappen. Het is van belang om te kijken naar deze, bij uitstek politieke, oorzaak van de Eerste Wereldoorlog. Het heeft naar mijn mening geen zin om het ontstaan van de bondgenootschappen der Centralen en geallieerden te beschrijven. Het is echter wel zinvol om te kijken naar drie punten die het ontstaan en de werking van bondgenootschappen illustreren. Dit is ten eerste het Herverzekeringsverdrag van Bismarck dat niet verlengd werd na 1890. Daarnaast kan aan de hand van de Frans-Russische conventie uit 1893 de situatie rondom bondgenootschappen en geheime verdragen goed worden uitgelegd. Tot slot nog één belangrijk punt waarover historici veel discussie voeren: de neutraliteit van België. Ook dit punt zal hieronder besproken worden.

Bismarcks Herverzekeringsverdrag

In de periode vanaf 1871 tot 1914 kregen de bondgenootschappen vorm. De nieuwkomer, Duitsland, vormde een probleem. Het wilde een plaats krijgen in Europa. De centrale figuur die deze wens vorm moest geven, was Otto van Bismarck. Hij was de eerste kanselier van het keizerrijk en voerde een behoudende buitenlandse politiek, gericht op de consolidatie van de positie van het nieuwe Duitsland in Europa. Bismarck wilde een tweefrontenoorlog voorkomen. Dit deed hij door Frankrijk te isoleren en toenadering te zoeken tot Rusland en diens vijand Oostenrijk-Hongarije, opdat niet één van hen zich in een conflict over de Balkan met Frankrijk tegen Duitsland zou keren.

De periode van relatieve stabiliteit wordt ook wel het ‘Concert van Europa’ genoemd. Maar in 1878, bij het Congres van Berlijn, waren de eerste tekenen van verzwakking van het ‘Concert van Europa’ te zien. Rusland wilde de Balkan domineren. De grootmachten zagen dit als een verstoring van het machtsevenwicht. Vooral Oostenrijk-Hongarije kon deze Russische expansie niet toestaan. Omdat Rusland vaste voet aan de Middellandse Zee had gekregen, verzette Groot-Brittannië zich ook op dat moment. Koningin Victoria sprak naar aanleiding van deze gebeurtenis de volgende woorden: ‘Oh, if the Queen were a man, she would give the Russians a beating.’[xxx] De Russische winst, zo werd tijdens het Congres besloten, werd beperkt: er was geen toegang meer tot de Middellandse Zee voor Rusland en de overige grootmachten kregen compensatie. Hoewel het Congres van Berlijn het machtsevenwicht in de Balkan dus tijdelijk herstelde, was het tevens het begin van het einde van het ‘Drie Keizersverbond’ en van een toenemende verwijdering tussen de twee grote belanghebbende op de Balkan, Oostenrijk-Hongarije en Rusland.

In 1879 werd de ‘Tweebond’ gesloten tussen Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. Dit verdrag verzekerde de landen van wederzijdse steun bij een Russische aanval. De verhoudingen tussen Oostenrijk-Hongarije en Rusland verslechterden dermate, dat Bismarck het gevaar zag van een Frans-Russische toenadering. Daarom bood hij Rusland een apart bondgenootschap aan, dat hij later het ‘Rugdekkings-verdrag’ noemde, ook wel Herverzekeringsverdrag genaamd. Er wordt gesteld dat deze constructie een wankele constructie was. Alle voortekenen wezen erop dat Frankrijk en Rusland op termijn niet uit elkaar gehouden konden worden.

In 1890 is een duidelijk omslagpunt te zien, zodra de bejaarde Bismarck door de jonge keizer Wilhelm II wordt heengezonden. Want door deze wisseling van de wacht werd het Herverzekeringsverdrag met Rusland niet verlengd. Door het Herverzekeringsverdrag niet te verlengen, gaf Duitsland Frankrijk de mogelijkheid haar, door Bismarck zo noodzakelijk geachte isolement, te doorbreken. Het aftreden van Bismark markeerde dan ook het einde van een periode van betrekkelijke rust en het begin van een naderend en onafwendbaar drama.

De historici Van Rossem en Andriessen besteden in hun boeken als enigen aandacht aan deze ontwikkelingen. Volgens Van Rossem verlengde Duitsland het Herverzekeringsverdrag niet, omdat Duitsland, zo meende de politieke leiding, er beter aan deed zich te concentreren op de alliantie met Oostenrijk-Hongarije en Italië. Men zou op den duur kunnen streven naar een akkoord met Engeland.[xxxi] Ook was men van mening dat een oorlog met Rusland in de toekomst zowel onvermijdelijk als noodzakelijk was, omdat Rusland op termijn potentieel sterker zou zijn dan Duitsland. Voor het zover was, moest Duitsland definitief met Rusland afrekenen[xxxii].

Hans Andriessen heeft een andere mening hierover. De opvolger van Bismarck, Generaal Georg Leo, graaf van Caprivi, moest een keuze maken: het verdrag verlengen of niet. Hij besloot het verdrag niet te verlengen, omdat het niet strookte met de verdragen die binnen de Triple Alliantie (Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Italië) gesloten waren. Daarnaast zou het niet verlengen van het verdrag een goede indruk op Engeland maken.[xxxiii] Waar Van Rossem stelt dat Duitsland hierdoor streefde naar continentale hegemonie in Europa en het beleid uiterst offensief noemt[xxxiv], stelt Andriessen dat het een bewuste keuze was. Deze keuze was, volgens Andriessen, gebaseerd op de actuele situatie en de wens van de nieuwe kanselier om de Duitse politiek meer op samenwerking en goede verhoudingen met Engeland te richten.[xxxv]

De Frans-Russische conventie van 1893

Het Herverzekeringsverdrag werd niet verlengd. Zoals al eerder gezegd zou dit een keerpunt in de positie van Duitsland betekenen, overigens met zeer nadelige gevolgen. Frankrijk zag nu een kans om zich van haar isolement te ontworstelen en zocht toenadering tot Rusland, tijdens de Frans-Russische conventie in 1893. 

John Keegan, Hew Strachan, Maarten van Rossem en David Fromkin melden in hun werken weinig over de Frans-Russische conventie. Dit is opvallend, omdat Hans Andriessen aan de hand van dit verdrag juist belangrijke conclusies trekt, die hij goed onderbouwd met bronnenmateriaal. Andriessen geeft aan dat Frankrijk, na de nederlaag van de Frans-Duitse oorlog in 1871, uit was op revanche. De verdedigingsstrategie van het leger werd losgelaten en er kwam een offensief gerichte oorlogsmachine. Het primaire doel van deze activiteiten was het doorbreken van de isolatie van Frankrijk om daarna een alliantie tegen Duitsland te vormen. Zo kon Frankrijk uiteindelijk het verloren gebied Elzas-Lotharingen terug nemen.[xxxvi]

De eerste kans voor Frankrijk kwam in 1890, toen het Herverzekeringsverdrag van Duitsland met Rusland niet werd verlengd. Dit speelde Frankrijk in de kaart, volgens Andriessen, want zodra men vernam dat het Duits-Russische verdrag niet meer van kracht was, zond men in 1890 generaal Boisdeffre naar Rusland, om besprekingen te voeren over een mogelijk Russisch-Franse militaire samenwerking.[xxxvii] Boisdeffre bleef ruim twee weken in Sint-Petersburg en rondde de besprekingen af met een overeenkomst over militaire samenwerking als één van beide landen met Duitsland in oorlog zou komen. De essentie van dit verdrag lag in artikel 2. Dit artikel bepaalde dat de mobilisatie van slechts één van de Triple Alliantie landen (Duitsland, Oostenrijk-Hongarije of Italië), voldoende zou zijn voor Frankrijk en Rusland om direct Duitsland gelijktijdig en gezamenlijk aan te vallen. Dus zelfs als dit land zichzelf nog niet gemobiliseerd zou hebben.[xxxviii] Deze conventie moest strikt geheim blijven en in 1893 kwam het tot een officiële bevestiging van de Russen. Andriessen stelt dat het verdrag in feite de kiem van de Eerste Wereldoorlog bevatte, omdat het een uitermate agressieve strekking had. De verdragspartners waren zich toen planmatig op een oorlog aan het voorbereiden, volgens Andriessen.[xxxix]

Doelen van bondgenootschappen geïllustreerd

De hierboven beschreven zaken zijn met name van belang om het systeem van bondgenootschappen te kunnen begrijpen. Het was geen tijd van open diplomatie maar van geheime verdragen en afspraken. Het was geen structurele lijn, maar steeds een wisseling van vrienden. Daarnaast zijn de garanties, die de landen aan elkaar deden, belangrijk. Bondgenootschappen waren nooit vrijblijvend. Voor beide partijen moest er winst uit te halen zijn. In de schoolboeken wordt vaak gesteld dat bondgenootschappen natuurlijk waren. Samen stond je immers sterker. Men gaat hierbij voorbij aan het feit dat iedere deelnemer in een bondgenootschap altijd bepaalde doelen had. De deelnemer ging het bondgenootschap aan om dat doel te bereiken. Daarvoor zou meer aandacht kunnen komen in de schoolboeken.

Dat men een bondgenootschap aanging om er uiteindelijk winst uit te halen, kan ik illustreren aan de hand van de visie van David Fromkin. Aan het einde van de zijn boek De laatste zomer probeert hij de sleutel tot het ‘waardoor’ te vinden. Hij komt tot een bijzondere conclusie, welk ik niet terugvind in andere literatuur. Fromkin stelt dat er twee oorlogen waren, niet één. De eerste oorlog was de oorlog tussen Oostenrijk-Hongarije en Servië. De tweede oorlog was de oorlog tussen Duitsland en Rusland. Volgens Fromkin had Duitsland de touwtjes in handen. Het speelde in op de situatie in Oostenrijk-Hongarije en steunde dat land in een oorlog tegen Servië. Indirect steunde Duitsland dus de oorlog van Oostenrijk-Hongarije tegen Rusland, het land waarvoor Duitsland in de oorlog wilde komen. Zodra de Russen zich gedwongen voelde te mobiliseren, kon de lokaal beperkte, verhoudingsgewijs kleine Servische oorlog veronachtzaamd worden en kon de wereldoorlog tussen de grote mogendheden een aanvang nemen. Fromkin stelt dat historici onterecht stellen dat de lokale Servische oorlog uit de hand was gelopen en geëscaleerd was tot een wereldwijde oorlog. Volgens Fromkin kwam de ene oorlog niet voort uit de andere. Integendeel, de ene moest opzij geschoven worden om de andere te kunnen beginnen![xl]

Twee oorlogen, niet één. Dat is de sleutel voor David Fromkin. Hij beargumenteert dit door beslissingen van de Duitse generale staf uit te pluizen. Daar zat volgens Fromkin grote logica in. ‘De Duitse leiders hadden hun sluwe spel in juli niet gespeeld om Oostenrijk te steunen; het was precies andersom: om ervoor te zorgen dat Oostenrijk-Hongarije hen in hun eigen oorlog zou steunen. De Duitse generaals moesten het kunststukje uithalen om Oostenrijk eerst in de oorlog te betrekken en vervolgens de loop van de Oostenrijkse kanonnen op een andere vijand te richten.’[xli] Fromkin benadrukt dat de oorlogen met elkaar waren verbonden maar dat ze anders van karakter waren en los van elkaar stonden. Uiteindelijk zorgde Duitsland ervoor dat Oostenrijk-Hongarije afzag van zijn eigen oorlog ten gunste van die van Duitsland. Op die manier heeft Duitsland het bondgenootschap met Oostenrijk-Hongarije weten te gebruiken.

De Belgische neutraliteit

Toen Duitsland België binnenviel, terwijl Frankrijk zijn troepen 10 kilometer van de grens had teruggetrokken, ging er een schok van verontwaardiging door het Britse volk. Moest Engeland het ‘poor little Belgium’ te hulp schieten? Over deze zaak is veel discussie. In de handboeken en overzichtswerken wordt vaak gesteld dat zowel Duitsland als Engeland de soevereiniteit van België in 1839 hadden gegarandeerd. Maar er zijn ook andere verdragen getekend die aandacht behoeven.

John Keegan geeft aan dat rond 1911 Engeland met Frankrijk een geheime afspraak had: In geval van een Duitse schending van de Belgische neutraliteit, zou een Brits expeditieleger zijn plaats aan de linkervleugel van de Fransen innemen.[xlii] Hij noemt de schending van het Belgische grondgebied voor het Britse kabinet een ‘casus belli’; een onmiddellijke aanleiding tot oorlog.[xliii] Ook Van Rossem noemt de schending van het Belgische neutraliteit door het Von Schlieffenplan een dwingende invitatie aan Engeland tot deelname aan de oorlog.[xliv] De hiervoor beschreven visies kunnen gezien worden als de traditionele visie op de aanleiding waardoor Engeland in de oorlog kwam.

Hew Strachan en Hans Andriessen daarentegen hebben een geheel andere kijk op deze zaken. Zo stelt Strachan dat Groot-Brittannië formeel niet hoefde te reageren, maar de dreiging tegen België verzoende het Britse strategische eigenbelang met de beginselen van vrijheid en gerechtigheid. De dreiging maakte de regering eensgezind en smeedde de natie aaneen, aldus Strachan.[xlv] Dat Engeland formeel niet hoefde te reageren, bepleit ook Hans Andriessen in zijn boek. Hij stelt dat een verdragsverplichting tegenover België geheel niet bestond. ‘De ondertekenaars hadden zich [in 1839] verplicht om, samen of individueel de neutraliteit van België niet te schenden. Van een verplichting om – indien dat wel zou gebeuren – gewapenderhand in te grijpen was echter geen sprake.’[xlvi] De Britse minister van Buitenlandse Zaken, Sir Edward Grey, deed het voorkomen dat Engeland die verplichting wel had, om het Britse volk ervan te overtuigen dat het de oorlog inging met volledige morele en juridische rugdekking. Het verdrag uit 1839 was echter tijdelijk, geldig zolang de oorlog toen duurde, aldus Andriessen. Ook in 1870 waren er verdragen over de Belgische neutraliteit, maar ook deze waren slechts geldig zolang de oorlog duurde.[xlvii]

Andriessen stelt ook dat ‘nu toch wel algemeen erkend [wordt] dat de Britse deelname aan de Eerste Wereldoorlog, aan de kant van de Fransen, totaal andere redenen had dan alleen een juridische reden, namelijk een economische reden en de angst voor een verschuiving van de machtsbalans in Europa ten nadele van de Britse positie.’[xlviii]

Je zou je kunnen afvragen welk gewicht er aan de Belgische neutraliteit gehangen moet worden. Ten eerste moet vastgesteld worden dat Grey, door het argument van de Belgische neutraliteitsschending te gebruiken, steun verwierf in de Britse regering voor eventuele Britse oorlogsdeelname. Daarnaast staat vast dat de economische reden zwaar woog. Groot-Brittannië wilde koste wat kost haar machtsevenwicht niet verliezen. Met oog op het opkomende Duitsland en de oplopende spanningen in Europa, is het dus niet vreemd om te stellen dat Groot-Brittannië zich zorgen maakte. Andriessen zet Grey neer als een anti-Duitse schurk, die oorlog wilde met Duitsland. Grey rekende zelfs op een oorlog doch een aanleiding ontbrak begin augustus 1914 nog steeds. Ik kan tot de conclusie komen dat Grey zocht naar een aanleiding om deel te nemen aan de oorlog. Hierbij moet men beseffen dat er ook economische belangen meespeelden, waarvan Grey zeker op de hoogte was. Maar het Britse volk was vanzelfsprekend meer warm te krijgen voor het te hulp schieten van een onschuldig land, dan op te komen voor het behoud van macht buiten hun eigen land. Kortom; de Belgische neutraliteitschending door Duitsland is in Groot-Brittannië opgevat als een casus belli, die op dat moment zeer welkom was.

Conclusie

Ik concludeer dat men meer belang moet toekennen aan het Herverzekeringsverdrag van Bismarck dat niet werd verlengd. Hierdoor kan men een lijn trekken naar de Frans-Russische conventie uit 1893, waarin harde afspraken werden gemaakt die tot oorlog konden leiden. Als men over bondgenootschappen spreekt, moet men benadrukken dat landen bepaalde wensen en doelen hadden om in het bondgenootschap mee te doen. Dit moet in de schoolboeken duidelijk naar voren komen. De visie van Fromkin dat er twee oorlogen waren en niet één, vind ik nergens terug. Toch illustreert zijn visie het systeem van bondgenootschappen zo duidelijk.

De neutraliteitschending van België blijft een discussiepunt. Voor mij is Andriessen het meest overtuigend doordat hij stelt dat de verdragen uit 1839 en 1870 slechts van tijdelijke aard waren.(*b) Ik zie de interventie van Groot-Brittannië, net als Andriessen, als een casus belli: men wilde de oorlog in en vond de Duitse inval in België een geldige reden. Hierbij moet men niet vergeten dat men moest kunnen rekenen op een brede volkssteun. Dit kon men alleen bereiken door een dergelijk punt aan te grijpen en daardoor de oorlog in te stappen.

 *b) Deze conclusie is voor rekening van de schrijver en komt niet geheel oveeen met de mening van de auteur van De Andere Waarheid.

Hoofdstuk 3

De wapenwedloop als oorzaak van de Eerste Wereldoorlog

Duitsland wordt in de literatuur over de periode 1870 tot 1914 vaak neergezet als een sterk land. Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog zou het uiterst militaristisch zijn ingesteld en op alles zijn voorbereid. In de schoolboeken komt dit ook naar voren. Klopt dit beeld ook met de werkelijkheid? Het is zinvol om te kijken in hoeverre de wapenwedloop tussen de Geallieerden en de Centralen de Eerste Wereldoorlog heeft veroorzaakt. Ik wil me hierbij op drie punten richten, waarover historici veel discussie voeren. Dit is ten eerste de vraag hoe sterk Duitsland nu eigenlijk was aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. Daarnaast is het interessant om te kijken naar de wapenwedloop tussen Groot-Brittannië en Duitsland, die ging om overwicht op zee. Als laatste wil ik kort weergeven wat men onder mobilisatie verstond, omdat dit nauw verbonden was met het maken van de oorlogsplannen.

Het ‘sterke’ Duitsland

Doordat Duitsland pas in 1871 als nieuwe macht in het Europese statensysteem verscheen, moest het vechten om daarin een plaats te krijgen. Het wilde zich ontwikkelen tot een Weltmacht. De Duitse politieke elite meende dat het nieuwe keizerrijk het volste recht had op een positie evenwaardig aan die van Engeland. Dit land was op dat moment, zolang de Verenigde Staten zich qua machtspolitiek koest hielden, zonder twijfel de enige echte Weltmacht. Evenwaardig betekende dat, in Duitse ogen, dat ook Duitsland recht had op een mooi imperium buiten Europa.

David Fromkin ziet de intensieve, versnelde wapenwedloop als het opvallendste kenmerk van het Europese politieke landschap in de jaren die aan de oorlog voorafgingen.[xlix] Omdat in de literatuur doorgaans wordt gesteld dat Duitsland zich in de jaren 1871 tot 1914 offensief ontwikkelde, is het zinvol om je af te vragen hoe sterk het Duitse leger nu eigenlijk was voor 1914.[l]

Hans Andriessen stelt in zijn boek dat het Duitse leger tot 1912 ernstig verwaarloosd was. Hij beargumenteert dit met het feit dat verhoudingsgewijs het grootste deel van het defensiebudget naar de Marine ging.[li] Dit aspect belicht ik straks uitgebreider, als het gaat om de wapenwedloop tussen Groot-Brittannië en Duitsland. Echter het feit dat Andriessen (en Strachan en mindere mate) stelt dat het Duitse leger eigenlijk niets voorstelde, is opvallend. Hierover melden andere historici iets anders.

Hew Strachan meldt dat er in 1912 en 1913 versterkingen in het Duitse leger kwamen. De Duitse generale staf vond dit onvoldoende. De chef van de generale staf, Helmuth von Moltke, had om 300.000 man gevraagd en kreeg er maar 136.000. Maar Strachan geeft met nog meer getallen aan dat het Duitse leger eigenlijk niet zo heel sterk was. Volgens het Von-Schlieffenplan had Duitsland 94 divisies nodig. In werkelijkheid had het er in 1905 maar 60. Een vergelijking met Frankrijk laat zien dat Duitsland numeriek een vrijwel evenwaardige positie had aan Frankrijk. In 1911 riep Frankrijk 83% van de volwassen mannen onder de wapens (op een bevolking van 40 miljoen) en Duitsland 57% (op een bevolking van 60 miljoen). Beide landen hadden dus ongeveer 17% van hun bevolking onder de wapenen geroepen. Ook werd de dienstplicht in Frankrijk verlengd met drie jaar. Hierdoor behaalde het Franse leger in 1914 een vergelijkbaar aantal manschappen als het Duitse leger. Rusland, Frankrijks’ bondgenoot, had zich ondertussen goed hersteld van de nederlaag tegen Japan in 1905. Oostenrijk-Hongarije had vrijwel niets gedaan aan het versterken van zijn leger. Strachan concludeert op grond van deze cijfers, dat toen de oorlog uitbrak, de geallieerden 182 divisies het veld in stuurden en de Centralen slechts 136.[lii]

Ook David Fromkin geeft aan dat halverwege de jaren negentig van de 19e eeuw de uitgaven van de marine enorm toenamen, terwijl in diezelfde periode de uitbreiding van de landmacht praktisch tot stilstand kwam. Hij verklaart dit door te stellen dat de landmacht zelf besloot om zich niet uit te breiden.[liii] Alleen Maarten van Rossem spreekt zeer positief over het Duitse leger. Hij geeft aan dat de Duitsers het beste leger ter wereld hadden. ‘Of het nu de kwaliteit van de wapens betrof of die van de onderofficieren, het Duitse leger excelleerde in alle opzichten.’[liv]

Ik concludeer dat de sterkte van het Duitse leger gerelativeerd moet worden. Het was even sterk als het Franse leger. Hier komt bij dat Frankrijk aanzienlijk sterkere bondgenoten had. Kijken we echter naar tabel 1 (zie bijlage 1), over de verschuivende machtsverhoudingen in Europa van 1870 tot 1914, dan zien we een heel andere kant van de Duitse groei. De defensie-uitgaven stegen aanzienlijk, de bevolkingsgroei stagneerde, de productie van ijzererts groeide explosief en de staalproductie stond ver boven die van Frankrijk, Engeland en Rusland. We kunnen dus stellen dat Duitsland na 1890 economisch en industrieel doorbrak. Dit ging echter niet hand in hand met een militaristische doorbraak bij het leger. Het Duitse leger stond in 1914 op gelijke voet, of zelfs iets onder de geallieerde mogendheden.

Maritieme wapenwedloop tussen Groot-Brittannië en Duitsland

In alle opzichten leek Duitsland, door de economische groei, Groot-Brittannië voorbij te streven. Duitsland wilde nu, net als Groot-Brittannië, een wereldrijk scheppen, vrezend anders te laat te komen en zijn positie als gelijkwaardige mogendheid weer te verliezen. Duitsland ging een koloniale politiek voeren. Deze Weltpolitiek werd door de minister van Buitenlandse zaken en de latere kanselier Bernhard von Bulow in 1897 voor de Reichstag gerechtvaardigd met de befaamde woorden: ‘Wir wollen niemand in den Schatten stellen, aber wir verlangen auch unseren Platz an der Sonne.’[lv] Tegen die achtergrond besloot de Duitse leiding tot een ambitieus bouwprogramma, dat Duitsland een vloot moest geven die de Britse kon evenaren. Dit programma vormde potentieel een uitdaging voor Groot-Brittannië, stelt David Fromkin, omdat het Groot-Brittannië naar de kroon stak en zelfs de plaats van Groot-Brittannië wilde innemen.[lvi] Van Rossem stelt dat dit vlootbouwprogramma vergezeld ging van een onaangename, agressieve retoriek over de Duitse ambities, die de andere mogendheden het ergste deed vermoeden.[lvii]

Andriessen geeft aan dat Duitsland natuurlijk het recht had om een eigen grote vloot te bouwen om haar belangen te beschermen. Daarnaast noemt hij nog drie punten die beargumenteren dat het Duitse vlootbouwprogramma best meeviel. Ten eerste noemt hij het vermoeden dat het nooit de bedoeling is geweest om een vloot te bouwen die groter zou zijn dan de Britse (*c.) Daarnaast achtte men het voeren van een wereldpolitiek (niet te verwarren met een wereldmacht-politiek) noodzakelijk, gezien de groeiende economie: men had behoefte aan nieuwe afzetgebieden en voor het beschermen van de handelsroutes had men een grote vloot nodig. Ten derde realiseerde Duitsland zich dat Engeland zich mogelijk zou gaan verzetten en was daarom bereid om met dit land te onderhandelen.[lviii] Dit is overigens ook gebeurd, maar het liep op niets uitgelopen.

De Britse bezorgdheid over het Duitse vlootbouwprogramma valt natuurlijk te verklaren. De bezorgdheid kwam voort uit Duitslands groeiende economische macht. Het waren dan ook vooral economische motieven die voor Engeland de doorslag gaven om zich tegen de Duitse vlootwetten te verzetten en zich te beraden op stappen om de Duitse economische groei tegen te gaan.[lix] Daarnaast is een andere factor van belang. De Britse vloot diende om Engelands positie als wereldmacht te handhaven. De Duitse vloot werd gebouwd om de toenemende Duitse handelsbelangen te beschermen. Vaak wordt gezegd, dat door de Duitse vlootbouw het machtsevenwicht in Europa in geding kwam. Men kan beter stellen dat het Britse machtsevenwicht (of de Britse overmacht in Europa) gevaar liep. Groot-Brittannië was bang om die positie te verliezen.

Uiteindelijk bleek dat Duitsland de bewapeningswedloop financieel niet langer kon bolwerken en het vlootbouwprogramma schrapte. Duitsland erkende hiermee dat de Engelse en de Franse vloot te sterk waren (ook al door de bouw van de dreadnought-slagschepen) en dat de Duitse achterstand in de vlootbouw niet meer weg te werken was. Dit betekende dus dat de Duitse ‘Weltpolitiek’ niet langer haalbaar was en dat Duitsland zich meer zou gaan richten op haar positie op het Europese continent. De Duitse vlootbouw was dus voor Engeland en Frankrijk niet langer een oorlogsdreiging.

*c.)  Duitsland legde in een wet vast dat de Duitse vloot nooit groter zou mogen worden dan ⅔ van de Britse vloot.

Mobilisatie

Een onderwerp wat eigenlijk los van bovenstaande onderwerpen staat, is mobilisatie. Toch wil ik hier op ingaan in dit hoofdstuk, omdat het ook te maken heeft met mobilisatie. Immers, legers maken plannen. Zoals ik hierboven gesteld heb, mogen het Von Schlieffenplan en het Plan XVII als bekend verondersteld worden. Het gevolg van deze ‘kant-en-klare’ oorlogsplannen was dat ze éénmaal moesten worden ingezet. De eerste stap om zo’n plan in werking te stellen was door te mobiliseren. In de literatuur wordt een discussie gevoerd over mobilisatie. Het gaat er dan om of mobilisatie gelijk staat aan oorlog. Hieronder wil ik twee verschillende visies weergeven en daaruit een conclusie trekken. Dit is belangrijk, omdat er in schoolboeken vaak wordt gesproken over een kettingreactie. Deze kan verklaard worden door het begrip ‘bondgenootschappen’, maar ook het begrip ‘mobilisatie’ toe te lichten.

‘Mobilisatie was natuurlijk niet hetzelfde als oorlog’, stelt Hew Strachan. ‘Mobilisaties waren in eerdere crises wel gebruikt om de diplomatie een duwtje in de rug te geven, maar leidden niet tot onvermijdelijke escalatie.’[lx] Maar, benadrukt Strachan, in 1914 vielen alle belangrijke beslissingen in één week. De gebeurtenissen volgden elkaar zo snel op dat er geen tijd meer was om onderscheid te maken tussen waarschuwing en opzet.

Maarten van Rossem ziet mobilisatie als een sterk signaal dat een land bereid is tot een grote oorlog. Hij zegt dit, doelend op de Russische volledige mobilisatie van 30 juli. Hij ziet de Russische mobilisatie als een flinke verhoging van de diplomatieke inzet dus als een poging om Oostenrijk-Hongarije onder zware druk te zetten. Want, zo redeneert van Rossem, het zou nog vele weken duren voordat de Russische mobilisatie voltooid zou zijn.[lxi]

David Fromkin zegt dat het begrip mobilisatie landsgebonden was. Voor Duitsland betekende mobilisatie oorlog; voor Rusland betekende het dat niet.[lxii] Van een Duitse mobilisatie zou dus een veel grotere dreiging uitgaan dan van een Russische. Fromkin onderbouwt dit door te stellen dat ‘de Russische legers achter hun grens tot in het oneindige mobiel [konden] blijven.[lxiii]

En ook nu weer komt Hans Andriessen met een andere visie op het begrip ‘mobilisatie’. Hij stelt dat mobilisatie oorlog betekende. Hij citeert hierbij uit het boek De mobilisatie bij de Grote Mogendheden in 1914 van de Nederlandse generaal Snijders:

De mobilisatie van een buurstaat waarmede een ernstige spanning bestaat, dwingt tot het onmiddellijk nemen van dezelfde maatregel. Het gevaar aangevallen te worden terwijl de strategische opmars nog niet is voltooid moet op straffe van een bijna zekere nederlaag worden ontgaan. Algemeen heeft het denkbeeld gegolden dat als de regering van een grote mogendheid de algehele mobilisatie afkondigt, dit “oorlog” betekent.[lxiv]

Toen Rusland besloot te mobiliseren koos het, naar mijn mening, dus definitief en absoluut voor een algehele Europese oorlog, omdat het een duidelijke tegenstander had. Deze keuze is bovendien goed te beredeneren vanuit het Frans-Russische verdrag uit 1893 dat ik in hoofdstuk 2 beschreven heb. De militaire plannen van zowel Frankrijk als Rusland waren op die gedachte gebaseerd.

Ik concludeer dat mobilisatie oorlog betekent en dat het daarom logisch is dat Duitsland, na de Russische mobilisatie, het Von Schlieffenplan in werking zette.

Conclusie

De kracht van het Duitse leger aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog moet gerelativeerd worden. Hoewel we kunnen stellen dat Duitsland na 1890 economisch en industrieel doorbrak en Duitsland op die gebieden een sterk opkomend land was - dit was dan ook de reden dat Groot-Brittannië zich terecht zorgen maakte – valt het te betwijfelen op er echt sprake was van een wapenwedloop tussen de twee bondgenootschappen. Het is zeker zo dat de verhoogde militaire kosten en inspanningen goed zichtbaar waren in de periode van ongeveer 1900 – 1914. Dit was echter alleen zichtbaar in Duitsland en in Rusland. In Groot-Brittannië en Frankrijk daalden de defensie-uitgaven zelfs. Om nu echt van een wapenwedloop te spreken vind ik daarom te ver gaan. Het meest zichtbare onderdeel van de wapenwedloop bevond zich op maritiem vlak, tussen Duitsland en Groot-Brittannië. Toch kan ik stellen dat het vlootbouwprogramma van Duitsland geen oorlogsdreiging vormde voor zowel Frankrijk als Duitsland.

Over het onderwerp mobilisatie worden historici het niet eens. Aan de ene kant staat de traditionele Britse geschiedschrijving die stelt dat mobilisatie geen oorlog betekende. Aan de andere kant vecht Andriessen deze visie aan, door te stellen dat mobilisatie wel oorlog betekende. Het sterke van Andriessen is dat hij zijn visie beargumenteerd met veel citaten en primaire bronnen. Ik vind de visie van Fromkin over de landsgebondenheid van mobilisatie erg overtuigend. Daardoor zijn de stappen van Rusland om te kiezen voor een volledige mobilisatie goed te verklaren maar ook de Duitse reactie. Wel speelt bij mij de vraag of we op het gebied van mobilisatie niet een duidelijke structurele ontwikkeling zien: door de vele langetermijn-oorzaken, zoals de militaristische gevoelens en het gevaar dat Duitsland ten onder zou kunnen gaan, kon Duitsland immers niet anders dan direct het Von Schlieffenplan in te zetten en zo de Europese oorlog beginnen.

Hoofdstuk 4

Imperialisme als oorzaak van de Eerste Wereldoorlog

Imperialisme is een complex thema. Ik heb dit al aangegeven in hoofdstuk 3, waarin ik de wapenwedloop beschreef. In dat hoofdstuk ben ik ingegaan op Duitsland als nieuwe grootmacht in Europa. Duitsland wilde zich ontwikkelen tot een Weltmacht en ging daarom Weltpolitik voeren. Ik ben ingegaan op de wapenwedloop tussen Groot-Brittannië en Duitsland, met name bij hun vloten.

Dit hoofdstuk gaat over de strijd om de koloniën die Duitsland wilde verwerven. In dit hoofdstuk wil ik duidelijk maken in hoeverre de strijd om koloniën nu echt als één van de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog gezien kan worden. Ik kan hier alleen achter komen door te schrijven over het machtsevenwicht tussen de mogendheden in Europa. Ik ga in op de Duitse economische ontwikkeling en de daarbij behorende drang om zich ook buiten Europa te laten gelden. Het is belangrijk om te kijken naar de reactie van Groot-Brittannië. Want juist die reactie, zo verklaren de schoolboeken, heeft bijgedragen aan het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog.

De politiek der grote mogendheden vóór de Eerste Wereldoorlog

Door het systeem van Bismarck, het zogenaamde Concertsysteem, probeerden de grootmachten hun vitale, nationale belangen te beschermen. Groot-Brittannië wilde bijvoorbeeld zijn macht op en beheersing van de zeeën behouden. Het zag zich, als enige van de grootmachten, als een wereldrijk, waarvan het koloniale bezit van vitale betekenis was voor zijn economie.[lxv] De Britse diplomatie was dus op de ‘splendid isolation’ gedachte gebaseerd, dat is geen bondgenootschappen, die Groot-Brittannië konden meeslepen in een continentale oorlog waar het geen belang bij had. Groot-Brittannië steunde daarom het behoud van het Europese machtsevenwicht.[lxvi]

Echter, als gevolg van de transportrevolutie, het ontstaan van een wereldeconomie én het moderne imperialisme, waren er ook buiten Europa machtcentra ontstaan. Deze waren van invloed op het Europese machtsevenwicht. Koloniaal bezit zou vanaf ongeveer 1890 van grote invloed zijn op het machtsevenwicht in Europa. Dit leidde tot een fanatieke strijd om wat er nog niet aan koloniaal bezit vergeven was. Doordat Duitsland in 1890 zowel economisch als industrieel doorbrak, wilde het net als Groot-Brittannië een wereldrijk scheppen. Vanaf dat moment ging Duitsland een koloniale politiek voeren. Deze politiek, zoals al eerder door mij omschreven, wordt ook wel de Duitse Weltpolitik genoemd.

De Weltpolitik van Duitsland

Het is zinvol om te kijken waarom Duitsland zijn Weltpolitik ging voeren. De historici hebben hierover verschillende visies. Hew Strachan beweert dat de Duitse Weltpolitik geen politiek was om Duitslands doelstellingen te bereiken door middel van oorlog. Het betekende echter een drievoudige uitdaging aan de status-quo in Europa: op het vlak van koloniën, de heerschappij op zee en de economie. Strachan stelt dat het koloniale aspect het minst belangrijk was. Hij geeft aan dat er op dit vlak weinig spanning bestond met Groot-Brittannië. Hij vat zijn betoog samen met de stelling dat ‘territoriale expansie geen hoge prioriteit had voor Duitsland en geen oorzaak was van de Eerste Wereldoorlog.’[lxvii]

Gelukkig zijn er historici met een andere visie op het imperialisme en de strijd om koloniën, want anders zou ieder schoolboek grondig herzien moeten worden. David Fromkin noemt de groei van Duitsland explosief. Volgens hem kon de Duitse honger naar koloniën na 1890 slechts gestild worden door overzeese gebiedsdelen van andere Europese landen af te pakken. Dat kon niet vreedzaam gebeuren. Fromkin ziet dus wel degelijk een verband tussen de koloniale wedloop en het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.[lxviii]

Maarten van Rossem stelt dat de politiek-militaire elite van Duitsland niet dacht in termen van economische competitie. In Duitsland werd de economie gezien als een nuttig fundament voor de militaire macht van Duitsland, aldus van Rossem. Duitsland wilde een Weltmacht worden en daartoe moest het machtsevenwicht in Europa grondig worden veranderd. Van Rossem stelt dat de Duitse leiding hiervoor zelfs bereid was een oorlog te riskeren. Hans Andriessen lijkt Duitsland geheel vrij te pleiten van agressieve bedoelingen en legt de schuld bij Groot-Brittannië. Vanaf 1900 begon Groot-Brittannië zich echt zorgen te maken over de snel groeiende economische macht van Duitsland. Deze ontwikkeling was Groot-Brittannië een doorn in het oog. Dit is logisch volgens Andriessen, want Duitsland nam bezit van de voorheen Britse markten en in sommige gevallen exporteerde Duitsland meer producten naar de Britse markt dan de Britten zelf.[lxix] Andriessen ziet echter ook een verklaring in de politiek van Duitsland. Het wilde minder afhankelijk zijn van anderen, keek uit naar nieuwe afzetgebieden en moest haar groeiende bevolking kunnen voeden.[lxx] “Duitsland kon het zich, met haar groeiende bevolking en haar enorme industriële ontwikkeling, niet meer permitteren zich uitsluitend op het continent te richten en het voeren van een wereldpolitiek werd onvermijdelijk”, aldus Andriessen.[lxxi]

Waar Maarten van Rossem stelt dat de Duitse leiding bereid was een oorlog te riskeren, zegt Andriessen dat de Duitse keizer Wilhelm II en zijn kanselier Bethmann Hollweg tegen oorlog waren en altijd streefden naar economische expansie op vreedzame wijze.[lxxii] Andriessen lijkt dus, net als Hew Strachan, ook bij deze oorzaak van de Eerste Wereldoorlog weer Duitsland te ontlasten van schuld aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Het Europese machtsevenwicht verstoord

We kunnen ons afvragen of het Europese machtsevenwicht werd verstoord door de Weltpolitik van Duitsland. Het is immers Andriessen die beweert dat niet het Europese maar het Britse machtsevenwicht werd verstoord. Dit is, zoals ik in het vorige hoofdstuk heb aangegeven, een aanleiding voor de vlootwedloop tussen Groot-Brittannië en Duitsland. Men was in Groot-Brittannië bang om de overheersende positie te verliezen die het in de wereld innam. Hij zegt dus dat alleen de Britse machtspositie in gevaar kwam.[lxxiii] Andriessen stelt zelfs dat er in feite helemaal geen Europees machtsevenwicht was. Het was Groot-Brittannië dat de dienst uitmaakte en elk land dat zich daar aan trachtte te onttrekken of zich er tegen verzette, kreeg met het Britse imperium en de machtige Britse vloot te doen.[lxxiv] Hij noemt het zelfs verbazend dat men Duitsland steeds heeft beschuldigd van het streven naar wereldmacht en agressieve bedoelingen, terwijl Groot-Brittannië zelf intussen druk doende was die wereldmacht te behouden.[lxxv]

Ook de historicus Henk Wesseling wil de invloed van het imperialisme op het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog niet te groot maken. In zijn boek Oorlog lost nooit iets op (1993) stelt hij dat in 1914 de grote koloniale conflicten juist voorbij waren. ‘De spanningen waren hoog opgelopen in 1882 en 1884 en 1898 en 1905 en 1911, maar ze waren aangepakt en opgelost door diplomatieke akkoorden (…).’[lxxvi] Hij ontkent niet dat het imperialisme tot internationale spanningen had geleid, maar tussen 1912 en 1914 was het rustig op het koloniale strijdvlak tussen de diverse landen.

Een tweede argument om het imperialisme aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog te relativeren ligt in de verhouding tussen koloniale handel en de totale handel. De koloniale handel was slechts een zeer bescheiden onderdeel van de totale buitenlandse handel. Zeker voor Duitsland was de economische betekenis van kolonies geheel te verwaarlozen. ‘De Duitse handel bedroeg in 1914, op het hoogtepunt van het kortstondige Duitse koloniale rijk, ongeveer een half procent van de totale buitenlandse handel’[lxxvii], aldus Wesseling. Ook hij relativeert de stelling dat door de Weltpolitik van Duitsland het Europese machtsevenwicht werd verstoord. Het viel eigenlijk allemaal wel mee…

Conclusie

Ik concludeer dat deze machtspolitieke ontwikkelingen niet voldoende verklaring leveren voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Het is zeker niet juist om alle schuld bij Duitsland te leggen. Alle grootmachten waren bang om de status van grootmacht te verliezen. Groot-Brittannië voelde zich bedreigd door het opkomende Duitsland. Net als Frankrijk was het bevreesd voor een Duitse politieke en economische hegemonie in Europa. Oostenrijk-Hongarije en Rusland hadden zware interne crises. Caljé en Den Hollander vatten dit samen als een gevoel van onveiligheid, waarop de Europese leiders reageerden door het vormen van een systeem van allianties, dat uiteindelijk een lokaal conflict in een algehele oorlog deed escaleren.[lxxviii]

Hoofdstuk 5

Nationalisme als oorzaak van de Eerste Wereldoorlog

De Eerste Wereldoorlog wordt wel beschouwd als de nationalistische oorlog bij uitstek. De woelingen op de Balkan, de overspannen verwachtingen in Duitsland aangaande de Weltmacht, het Franse revanchisme en de heftige propaganda in de deelnemende landen zijn hier voorbeelden van. Niet alleen in Duitsland, maar ook in Engeland, Frankrijk, Italië en andere landen vierde het nationalisme en het oorlogsenthousiasme hoogtij. Ik wil me in dit hoofdstuk beperken tot het nationalisme. Hoewel oorlogsenthousiasme, ook wel Kriegsbegeisterung genoemd, in het verlengde van nationalisme ligt, is dit onderwerp te specifiek om als oorzaak te zien en hier te beschrijven. Kriegsbegeisterung is meer een gevoel wat onder de bevolking aanwezig was. Iedereen wist in juli 1914 dat er oorlog in de lucht hing maar toen die daadwerkelijk uitbrak, kwam deze na alle spanning, angst en sensatie van juli 1914 toch een beetje als een onheilspellende verassing. De Kriegsbegeisterung van juli en augustus 1914 moet niet gezien worden als blijdschap omwille van de verschrikkelijke oorlog zelf, als gevolg van een politieke ideologie of een simpele misinterpretatie van de gemoedstand, maar als een pure in het individu geboren blijdschap omwille van een mogelijke vlucht uit het zo verachte en beangstigende hier en nu.[lxxix] Het ligt dus in het verlengde van het nationalisme, is geen gevolg van het nationalisme en ook duidelijk geen oorzaak van de Eerste Wereldoorlog. Daarom bespreek ik Kriegsbegeisterung niet.

Wel speelt militarisme wel een belangrijke rol. Dit onderwerp is weer nauw verweven met de wapenwedloop, zoals hoofdstuk 3 door mij is beschreven. Echter, militarisme wordt in de schoolboeken vaak als verwant aan nationalisme neergezet. Het is daarom zinvol om te kijken in hoeverre nationalisme en militarisme voor de Eerste Wereldoorlog hand in hand gingen. Eerst wil ik beschrijven in hoeverre nationalisme als oorzaak van de Eerste Wereldoorlog gezien kan worden.

Definitie

Als we spreken over het nationalisme aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog, bedoelen we het klassieke nationalisme (1815 – 1919).[lxxx] Het gaat in deze periode over eenwording en afscheiding. Er zijn twee problemen te onderscheiden, te weten: het probleem van de volkeren die verdeeld over verschillende staten leven en daarnaast het probleem van de multiculturele samenstelling van enkele grote rijken. Voorbeelden hiervan zijn de Oostenrijk-Hongaarse Dubbelmonarchie, het Turkse rijk en in mindere mate het tsaristische Rusland. De verzwakking van deze rijken viel samen met de opkomst van het nationalisme.[lxxxi] Als we het hebben over nationalisme in de vorm van eenwording en afscheiding, bekijken we nationalisme vanuit een politieke hoek.

Daarnaast kunnen we een andere invulling aan het begrip nationalisme geven, namelijk die van voorliefde voor het eigen land. Deze invulling van nationalisme hangt samen met die van Kriegsbegeisterung en militarisme en spreekt meer van een trots gevoel. We kunnen ook stellen dat in deze vorm van het nationalisme de nationale eenheid belangrijker was dan het individuele belang.

Nationalisme als oorzaak

Het loont om te kijken in hoeverre de ideologie nationalisme in de hedendaagse geschiedenisboeken terugkomt als oorzaak van de Eerste Wereldoorlog. David Fromkin besteed in zijn boek één kort hoofdstuk aan nationalisme. Hij geeft hierin aan dat de Habsburgse keizer Frans Jozef over een politieke eenheid regeerde, die eigenlijk niet levensvatbaar was. Daarnaast geeft Fromkin aan dat nationalisme tegenstrijdig was: nationalisme haatte sommigen om van anderen te kunnen houden. ‘Er bestond dus geen algehele overeenstemming over welke groep een natie genoemd mocht worden en welke niet.’[lxxxii] Fromkin trekt het begrip nationalisme nog verder door. Hij stelt dat xenofobie (afkeer voor alles wat vreemd is) in de jaren voor de Eerste Wereldoorlog het meest verbreide gevoel in Europa was. Voorbeelden hiervan zijn de etnische groeperingen op de Balkan die elkaar steeds dwars zaten, en Engeland, die het trauma van de conflicten met Frankrijk sinds 1066 niet kon verwerken. Fromkin stelt dat anti-Franse gevoelens tot in de twintigste eeuw hier aanwezig bleven.[lxxxiii]

Ruth Henig geeft in haar boek De oorzaken en achtergronden van de Eerste Wereldoorlog aan dat ‘de Europese regeringen door middel van het veel groter geworden bereik van onderwijs, de kans gegrepen [hadden] om een begrip als nationalisme, herinneringen aan een glorierijk verleden en gedachten over een glorierijke en grootse toekomst in het nationaal bewustzijn te verankeren.’[lxxxiv] Kranten speelden ook een belangrijke rol bij het ontstaan van een volksopinie. Dit leidde tot een volksopinie met een extreem chauvinistische en imperialistische stem. Landen moesten hun invloed vergroten anders zouden ze ten onder gaan. Ook Fromkin ziet de opkomst van onafhankelijke kranten met een massaoplage in Europese landen ook als een oorzaak van het nationalisme. Hij stelt dat de pers, door in te haken op algemene angsten en vooroordelen, de onderlinge haat en verdeeldheid binnen Europa verergerd heeft.[lxxxv] In 1901 schreef de Duitse keizer zelfs aan de koningin van Groot-Brittannië over de anti-Duitse Britse pers en de anti-Britse Duitse pers: ‘De pers aan beide kanten is verschrikkelijk.’[lxxxvi]

Jan van Oudheusden schrijft in zijn boek De Eerste Wereldoorlog in een notendop (2007) over het nationalisme als een virus. Het nationalisme heeft in zijn visie de sfeer tussen landen verslechterd. ‘De jeugd kreeg onderricht in vaderlandsliefde en leerde dat het dienen van vorst en vaderland het hoogste ideaal was in een mannenleven.’[lxxxvii] Het nationalisme kon volgens Van Oudheusden gevoed worden door angst. ‘Ultranationalisten in Duitsland zagen een omsingeling van hun land, bang als ze waren voor de gezamenlijke Russische en Franse militaire macht.’[lxxxviii]

Ik moet helaas opmerken dat de andere historici, die ik in deze scriptie regelmatig citeer, niets melden over nationalisme als oorzaak van de Eerste Wereldoorlog. Ze halen het begrip soms aan maar verklaren het niet en ze lijken niet te durven stellen dat nationalisme echt als oorzaak aan te wijzen is. Een verklaring hiervoor kan zijn dat het redelijk moeilijk is om een ideologie aan te wijzen als oorzaak van een oorlog. Het is makkelijker en duidelijker om een ontwikkeling aan te geven, door middel van enkele feiten, dan te beschrijven in hoeverre een ideologie, die niet tastbaar is, oorzaak was. Wat deze historici wel aanwijzen is het opkomende militarisme, dat, zoals ik hierboven al heb gesteld, toen nauw verbonden was met het nationalisme. Ik zal dit hieronder verder toelichten.

Verband met militarisme

De grote ideoloog van het nationalisme, Giuseppe Mazzini, hoopte dat als ieder volk maar zijn eigen staat gevormd had, er uiteindelijk internationale harmonie zou ontstaan tussen volkeren, waarbij elk volk iets bij zou dragen tot het geheel van de mensheid.[lxxxix] Het nationalisme kreeg echter een andere uitwerking en wel in de vorm van militarisme. Dit kwam volgens de meeste historici vooral voor in Duitsland. Oorlog werd met name daar gepopulariseerd als een positieve kracht die eigenschappen als discipline, trouw en vriendschap kon bevorderen.[xc] Zo schreef de Duitse generaal Von Bernhardi in 1911 een werk wat de titel ‘Deutschland und der nächtste Krieg’ meekreeg. Hij schreef hierin over het recht om oorlog te voeren, de plicht om oorlog te voeren en Duitslands historische opdracht. ‘Oorlog’, verklaarde hij, ‘is een biologische noodzakelijkheid. Volken moeten vooruitstreven of ten ondergaan. Stilstaan is niet mogelijk en Duitsland moet kiezen tussen ‘wereldmacht of vernietiging’’.[xci] Er was volgens Bernhardi sprake van een militaire noodzaak.

Er ontstond in Europa een nieuw klimaat van onzekerheid, strijd en zoeken naar veiligheid. Dit werd verklaard in sociaal-darwinistiche termen, die de eeuwige worsteling tussen de sterken en de zwakken, tussen opkomende en in verval rakende naties beklemtoonden. Er kwam een gevoel dat een grote wereldoorlog onvermijdelijk was. Dit gevoel van onveiligheid vond enerzijds een uitlaatklep in nationalistische organisaties, anderzijds in het zich vastklampen aan bondgenootschappen.[xcii] We zouden ons kunnen afvragen hoe het militarisme voor de Eerste Wereldoorlog in de verschillende landen zichtbaar was.

Allereerst moet ik vaststellen dat het militarisme niet alleen kenmerkend was voor Duitsland, maar dat het ook in de andere landen speelde. Van Rossem stelt dat de toon in de gehele Duitse buitenlandse politiek gezet werd door een ‘militair getint machismo’, zodat in elke crisis de eer van de keizer en het vaderland in geding was.’[xciii] Ook noemt hij de mentaliteit van de Duitse elite en burgerij vergaand gemilitariseerd. Volgens van Rossem speelden de normen en waarden van de militaire subcultuur een buitenproportionele rol in de samenleving. ‘De geringste aanleiding was al voldoende om een uniform aan te trekken en je kon niet uit het raam kijken of je zag een militaire parade onder begeleiding van geüniformeerde koperblazers en trommelaars.’[xciv] Wel relativeert Van Rossem zijn geschetste beeld, door te stellen dat deze verschijnselen ook elders aanwezig waren. In Duitsland waren ze echter ongetwijfeld duidelijker aanwezig. Want ‘oorlog’, zo meenden velen daar in 1914, ‘was prachtig: de hoogste bestemming van een natie.’[xcv]

Ook Hew Strachan stelt in zijn boek dat oorlog gold als gerechtvaardigd, omdat het als nationale zelfverdediging werd beschouwd.[xcvi] Mensen schikten zich in het idee van oorlog en de naties, waar ze deel van uitmaakten, werden dragers van hogere idealen.[xcvii] John Keegan geeft aan dat het militarisme vooral in Pruisen (Duitsland) te vinden was en niet in Groot-Brittannië. ‘De triomfen van een Pruisisch leger van dienstplichtigen en reservisten op de Oostenrijkers in 1866 en op de Fransen in 1870 waren de reden voor de leidende Europese staten (Groot-Brittannië uitgezonderd) hun mannen in hun jonge jaren te onderwerpen aan militaire training. Zo ontstond een enorm leger van actieve en potentiële soldaten.[xcviii] Het uitbreken van de oorlog werd door deze mannen met enorm enthousiasme ontvangen, aldus Keegan.[xcix] De beelden hiervan zijn bekend. Dit hoort echter meer bij het begrip Kriegsbegeisterung waarover ik nu niet ga uitweiden.

Het is nuttig om te vermelden dat Keegan hierboven het traditionele beeld schetst van een offensief Duitsland tegenover een gecultiveerd Groot-Brittannië. Keegan stelt zelfs dat er in Europa, door het militarisme, een tweede meestal onzichtbare gemeenschap schuilging. Dit was een gemeenschap van ‘miljoenen soldaten, mannen die een geweer geschouderd hadden, in de maat hadden gemarcheerd, de snieren van de sergeant hadden verdragen en geleerd hadden te gehoorzamen.’[c] Hans Andriessen doet in zijn boek geen uitspraken over militarisme. Wel laat hij zien dat alle legers zich versterkten. Hij benadrukt hierbij keer op keer dat Duitsland niet overdreven militaristisch, niet agressief was en problemen met andere landen zorgvuldig vermeed.[ci]

Het is opvallend dat historici het begrip militarisme eerder gebruiken dan nationalisme. Dat is verklaarbaar omdat militarisme een stuk inzichtelijker is. De geest van militarisme maakte het regeringen mogelijk steeds grotere sommen geld voor de strijdkrachten uit te trekken. Ook bevorderde het een publieke belangstelling voor alles wat met het militaire bedrijf te maken had. Ik kan dit samenvatten met de bekende stelling van Clausewitz: oorlog kan gezien worden als voortzetting van politiek, maar dan met andere middelen. Deze stelling won door het nationalisme en militarisme zeker aan populariteit.

Conclusie

Ik concludeer dat nationalisme een ideologie is, die moeilijk als oorzaak van de Eerste Wereldoorlog aan te wijzen valt. Het is wel zo dat nationalisme past in het veranderende politieke klimaat in Europa van 1890 tot 1914. Dit hangt samen met het ontstaan van massapolitiek, waardoor de publieke opinie een veel grotere rol in de buitenlandse politiek ging spelen. Ik concludeer dat het belangrijk is om het militaristische aspect te verbinden met nationalisme. Wel moet dit militarisme gerelativeerd worden en niet alleen in Duitsland worden gezocht. Het militarisme was te zien in alle landen. Het is van belang dat schoolboeken deze twee begrippen handhaven bij hun uitleg over het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog.

De historicus Henk Wesseling geeft het probleem met nationalisme als oorzaak van de Eerste Wereldoorlog treffend aan: ‘de wereldoorlog [was] wel een oorlog tussen kapitalistische, imperialistische en nationalistische landen, maar dat betekent nog niet dat de oorlog daarom ook door het kapitalisme, het nationalisme of iets dergelijks werd veroorzaakt.’[cii]

Hoofdstuk 6

Herziening van de schoolboeken

Het voornaamste doel van deze scriptie is dat de schoolboeken historisch correcter worden, wat betreft de leertekst over het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog. In het volgende hoofdstuk, hoofdstuk 7, zal ik de vakdidactische kant van twee verschillende schoolmethodes beoordelen. Hieronder geef ik per onderwerp aan in hoeverre de tekst uit schoolboeken herzien moet worden. Ik behandel de vijf thema’s op dezelfde manier als in het eerste, theoretische deel van mijn scriptie. Ik geef geen kant en klare oplossingen maar leg alleen de vinger op de zere plek en geef aan welke veranderingen of toevoegingen noodzakelijk zijn.

Kopieën van de schoolboekteksten vindt u achterin als bijlage. Het is nuttig om deze bij de hand te houden als u onderstaande tekst leest. Daarnaast staat in de inleiding een schema, waarin ik kernachtig heb weergegeven hoe een bepaald schoolboek een onderwerp beschrijft.

De aanleiding

Er bestaat een duidelijk verschil tussen een kroonprins en troonopvolger. Bronnen, Feniks, Sporen en Sfinx spreken van de kroonprins van Oostenrijk-Hongarije. Als men de persoon Franz Ferdinand een correcte titel wil geven, moet men met de methode Bronwijzer meegaan. Deze methode geeft Franz Ferdinand de terechte titels van troonopvolger en aartshertog.

Ook rondom de dader, Gavrilo Princip, maken de schoolboeken verschillende fouten op het gebied van zijn nationaliteit en status. Zo zegt Bronnen dat hij een Serviër is. Feniks typeert hem als een Servische nationalist. Sporen vermeldt zijn naam geheel niet, maar stelt alleen dat er ‘een Oostenrijkse kroonprins’ vermoord werd. Sfinx geeft de beste beschrijving van Gavrilo Princip. Het spreekt van een Bosnische nationalist die liever bij Servië hoort. Wel stelt Sfinx dat Gavrilo Princip lid was van de ‘Zwarte Hand’. Zoals ik heb aangetoond, was er geen sprake van lidmaatschap. Er waren alleen banden in de vorm van opleiding en materiaaltoevoer. Wat opvalt is dat Sfinx de leerling duidelijk maakt waarom Gavrilo Princip de aanslag pleegde. Dit gegeven ontbreekt helaas in de andere schoolboeken. De methode Bronwijzer geeft geen extra informatie over Gavrilo Princip, naast het feit dat hij een dubbele moord heeft gepleegd.

Het is interessant om te zien hoe de schoolboeken omgaan met de maand tussen de moordaanslag en de oorlogsverklaringen: van 28 juni tot 28 juli 1914. Deze maand wordt wel de meest bestudeerde maand uit de wereldgeschiedenis genoemd. Bronnen doet het voorkomen alsof de periode tussen de moordaanslag en oorlogsverklaring slechts enkele dagen duurde. Feniks spreekt over de reactie van de mensen in Oostenrijk-Hongarije. Ze waren erg boos, aldus Feniks. Dit beeld moet zeker gerelativeerd worden. De beroemde Oostenrijkse schrijver Stefan Zweig was als ooggetuige aanwezig toen het nieuws over de aanslagen in Sarajevo in Wenen bekend werd. [ciii] Stefan Zweig schreef later dat ‘er geen teken van verbijstering op hun gezichten te zien [was], omdat de troonpretendent allesbehalve geliefd was.’ [civ] Ook de historicus Zeman schrijft dat de gebeurtenis in Sarajevo ‘bijna op niemand indruk maakte. Op zondag en maandag luisterden de mensen in Wenen naar muziek en dronken wijn (…) alsof er niets gebeurd was.’ [cv] Ondanks de geringe verontwaardiging bij de Oostenrijkers laat natuurlijk geen enkel land haar troonopvolger neerschieten zonder protest. Er moest dus ‘iets’ gebeuren. Het kostte Oostenrijk-Hongarije drie en halve week om te bedenken wat. Ook Sporen en Sfinx gaan voorbij aan deze lange tijdspanne. Bronwijzer stelt zelfs dat Oostenrijk-Hongarije snel de oorlog aan Servië verklaarde!

Aan het ultimatum van Oostenrijk-Hongarije aan Servië gaan de schoolboeken voorbij. Dit valt wellicht te verklaren aan de hand van het niveau van reguliere VMBO-2 leerlingen. Maar het ultimatum is een uiterst belangrijk document, lijkt me, dat noodzakelijk vermeld moet worden om de reactie van Oostenrijk-Hongarije op de moord te kunnen begrijpen.

Wat betreft de aanleiding van de Eerste Wereldoorlog typeert Bronnen de moordaanslag als een ‘fout in Sarajevo’. Feniks zet een genuanceerder beeld neer door te stellen dat een oorlog in 1914 voor de meeste Europeanen onvermijdelijk was. Sfinx spreekt van een ‘lont in het kruitvat’, een typering die in de hedendaagse literatuur vaak terug is te vinden. Daarnaast geeft Sfinx duidelijk aan dat de situatie in Europa voor 1914 spannend was: één vonkje was genoeg om alles te laten ontploffen. Sporen en Bronwijzer benadrukken dat de moordaanslag op Franz Ferdinand niet de enige oorzaak van de Eerste Wereldoorlog is. Zij benadrukken het feit dat de moordaanslag slechts als aanleiding kan worden gezien en dat er dieperliggende oorzaken zijn.

Ik concludeer ten aanzien van de aanleiding van de Eerste Wereldoorlog dat schoolboeken moeite hebben om kleine feiten op een historisch juiste manier te vermelden. Alle schoolboeken bevatten enkele kleine fouten. Daarnaast zou het duidelijker voor de leerlingen worden als het verband tussen Gavrilo Princip en Servië wordt uitgelegd. Ook moet men vermelden dat er tussen de moordaanslag en het uitvaardigen van het ultimatum (of de eerste oorlogsverklaring), een kleine maand zat. Op deze wijze zal de belangrijke maand juli 1914 meer vorm krijgen in de schoolboeken.

De bondgenootschappen

In mijn scriptie ben ik ingegaan op het Herverzekeringsverdrag van Bismarck dat niet verlengd werd, de Frans-Russische conventie van 1893 en de Belgische neutraliteitsproblematiek. De eerste twee punten komen niet in de schoolboeken naar voren. Bronnen en Sfinx gebruiken de begrippen Geallieerden en Centralen. Alle schoolboeken geven aan dat er bondgenootschappen zijn gesloten en dat die een belangrijke oorzaak van de Eerste Wereldoorlog zijn geweest. Bronnen gaat niet in op het ontstaan van de bondgenootschappen, maar legt de werking uit na de moordaanslag op Franz Ferdinand. Daarnaast maakt Bronnen een fout, volgens de meesten, als het gaat om Groot-Brittannië. Het stelt dat dit land in de oorlog kwam, omdat Duitsland Frankrijk en Rusland had aangevallen. Er wordt dus niets gezegd over de neutraliteitsschending van België.

Feniks geeft duidelijk aan waarom bondgenootschappen gesloten werden: samen sta je sterker! Wel doet Feniks voorkomen alsof de wereld net iets voor 1914 in twee stukken verdeeld was. Het zou beter zijn om duidelijk aan te geven dat het vormen van bondgenootschappen al enkele decennia aan de gang was. Ook Sfinx verklaart het ontstaan van bondgenootschappen vanuit de drang naar macht van landen: wie macht wil, heeft vrienden nodig. Sfinx noemt het jaartal 1900, omdat er toen in Europa twee kampen waren. Ik vind de keuze voor het jaartal 1900 correct. Het sterke van Sfinx is dat de methode duidelijk uitlegt hoe de kettingreactie, na de eerste oorlogsverklaring op 28 juli 1914, op gang komt. Sfinx gaat ook correct om met de interventie van Groot-Brittannië. Het stelt dat Groot-Brittannië de Duitse inval in België een reden vond om Duitsland aan te vallen. Sfinx laat de discussie over deze al dan niet terechte reden liggen en gaat, net als ik, uit van een casus belli voor Groot-Brittannië. Tot slot de methode Bronwijzer. Deze methode vermeldt niet veel over de bondgenootschappen. Het boek bevat bovendien een uiterst vage kaart, waarin landen een kleur krijgen maar waarbij een legenda ontbreekt.

Ik concludeer dat het aspect bondgenootschappen niet voldoende uit de verf komt in de schoolboeken. Hoewel ze alle vijf spreken over bondgenoten en vanuit de bondgenootschappen verklaren waarom het een wereldoorlog werd, gaan ze voorbij aan een heleboel zaken. Een schoolboek zou bijvoorbeeld best kunnen vertellen welke afspraken er golden tussen de bondgenoten. Daarnaast zou het nuttig zijn om de positie van Groot-Brittannië als zeemacht duidelijker te maken. Voor de volledigheid zou het historisch gezien ook correcter zijn om duidelijk te vermelden dat Duitsland in 1871 als nieuwe (economische) macht in Europa verscheen en daardoor op zoek ging naar bondgenoten. Sfinx omschrijft het ontstaan en de werking van bondgenootschappen in feite het nauwkeurigst.

De wapenwedloop

De wapenwedloop is misschien het meest concrete onderwerp voor leerlingen als het gaat om het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog. Het is iets wat gezien kan worden, bijvoorbeeld in tabellen en op foto’s. In mijn scriptie heb ik het traditionele beeld van het sterke, offensieve Duitsland gerelativeerd. Hieronder geef ik aan hoe de schoolboeken met dit beeld omgaan. Daarnaast is het zinvol om te kijken hoe de wapenwedloop in de schoolboeken wordt behandeld en welke oorzaken en uitwerkingen ervan worden aangegeven.

Bronnen vermeldt niets over de wapenwedloop. Feniks gaat wel in op de wapenwedloop. Maar het lijkt erop dat dit boek de aandacht vooral wil richten op Duitsland, omdat het de tekst illustreert met bronnen over Duitsland. Feniks geeft aan dat de wapenwedloop ontstond doordat landen zichzelf groter en machtiger wilden maken. Een correcte toevoeging van Feniks is dat dit doel zowel in als buiten Europa lag.

De wapenwedloop werd ook veroorzaakt door angst. Dat schrijft de methode Sporen. Ik vind dit een juiste stelling, omdat ieder land haar eigen angst had. Vanuit die angst is de drang naar een sterk leger en goede bewapening verklaarbaar. Sfinx verklaart de wapenwedloop vanuit internationaal oogpunt: de landen hadden ruzie over hun grenzen en kolonies. Daarom werden de legers versterkt en ontstond er een wapenwedloop. Ook Bronwijzer legt een duidelijk verband tussen de wapenwedloop en de strijd om kolonies. Zowel Sporen, Sfinx en Bronwijzer spreken niet van een overdreven sterk of machtig Duitsland. Dit is naar mijn mening een positief punt aan deze schoolboeken.

De methode Sfinx omschrijft de wapenwedloop het duidelijkst. Het geeft aan dat in veel landen de wapenfabrieken op volle toeren draaiden en volop oorlogsmateriaal produceerden. Helaas geeft Sfinx hierbij geen tijdsaanduiding. De andere schoolboeken noemen de wapenwedloop, verklaren deze maar een echte invulling ontbreekt. Dat is jammer, omdat juist dit punt visueel en inzichtelijk voor de leerlingen gemaakt kan worden. Het zou een schoolboek goed kunnen doen om productieaantallen te laten zien of het begrip te verduidelijken met een foto.

De strijd om kolonies

In hoofdstuk 4 ben ik ingegaan op de Weltpolitik van Duitsland en het Britse machtsevenwicht dat verstoord werd. Mijn conclusie was, dat niet alleen Duitsland beschuldigd moet worden van imperialisme. Veel landen waren bang om de status van grootmacht te verliezen. Daarom wilden ze koste wat kost hun positie behouden, zowel in als buiten Europa. Hoe gaan de schoolboeken met deze ingewikkelde oorzaak van de Eerste Wereldoorlog om?

Bronnen en Sporen noemen de strijd om kolonies of het imperialisme niet. Feniks gaatin op Duitsland als nieuwe macht in 1871 en maakt duidelijk waarom Duitsland graag een wereldmacht wilde worden. Dit vind ik een sterk punt. Het kon alleen bereikt worden met veel kolonies, een sterke vloot en een groot leger, aldus Feniks. Het is enigszins jammer dat Feniks alleen Duitsland verdacht maakt van een drang naar meer macht en invloed in de wereld. Hieruit valt op te maken dat Feniks duidelijk de traditionele Britse geschiedschrijving aanhoudt. Sfinx spreekt van een nieuw ‘machtsevenwicht’ in Europa. Het noemt niet alleen Duitsland, maar ook Oostenrijk-Hongarije, Rusland en Italië als landen die mee wilden tellen in Europa. Het is opvallend dat Sfinx ook Frankrijk noemt, omdat dit toch al een machtig land was. Door de honger naar macht wordt de strijd om kolonies verklaard. Sfinx legt direct een verband tussen de kolonies en de economische ontwikkeling: uit kolonies konden immers grondstoffen gehaald worden. Bronwijzer komt alleen met de regel dat er “al jarenlang een wedstrijd in Europa aan de gang [was] welk land de meeste koloniën kon bemachtigen.”[cvi] Een verklaring hiervoor geeft Bronwijzer niet.

Ik concludeer dat de methode Sfinx het beste beeld schetst over het moderne imperialisme als oorzaak van de Eerste Wereldoorlog. Deze methode geeft een duidelijk beeld van de verhoudingen in Europa en trekt terecht een lijn naar de economische ontwikkeling. Ook vestigt Sfinx niet alleen de aandacht bij Duitsland, maar ook bij andere landen. Wel laat het Groot-Brittannië buiten beeld. Het zou goed zijn als meer schoolboeken dit land zouden noemen, omdat Groot-Brittannië met zijn imperium het koloniale land bij uitstek was. De route naar Azië was immers van levensbelang en moest behouden blijven.

Nationalisme als oorzaak

Militarisme ligt in het verlengde van nationalisme. Schoolboeken moeten dit aspect, naar mijn mening, duidelijk maken in de leerteksten. Daarnaast is het van belang dat ze niet alleen ingaan op het nationalisme en militarisme in Duitsland, maar ook in de andere Europese landen. Zo zou bijvoorbeeld Frankrijk, met diens revanchisme, onder de aandacht gebracht moeten worden.

Bronnen komt met de stelling dat het nationalisme in Duitsland pas ná de Eerste Wereldoorlog groeide, door wraakgevoelens na het Verdrag van Versailles. Dit vind ik geen houdbare stelling, omdat er zeker in de periode 1870 tot 1914 duidelijke nationalistische en militaristische zaken in Duitsland waar te nemen waren. Ook Feniks spreekt vooral van militarisme in Duitsland. Wel wordt het beeld enigszins bijgesteld, door te stellen dat veel Europeanen aan het eind van de negentiende eeuw trots waren op hun land. Er worden hierbij concrete voorbeelden gegeven, zoals de opkomst van de nationale vlag en het volkslied. Feniks laat duidelijk zien dat landen zichzelf wilden bewijzen en inspeelden op de gevoelens onder de bevolking.

Sporen trekt een parallel tussen angst voor de andere volken en de opkomst van het nationalisme. Deze methode geeft aan dat het nationalisme ontstond na de tijd van Napoleon, ongeveer vanaf 1815. Dit is correct en geeft de leerling een duidelijk tijdsbeeld. Sfinx spreekt van een emotie: liefde voor het vaderland. Nationalisme kon een gevaar worden, omdat het ene volk zich beter achtte dan het andere. Sfinx noemt het revanchisme in Duitsland en ook geeft Sfinx de verandering weer in de maatschappij: de politici gingen meer naar de burgers luisteren. Deze methode maakt het begrip nationalisme concreet door afbeeldingen te tonen van vlagvertoon en een nationalistische ansichtkaart uit Frankrijk over de Elzas.

Bronwijzer stelt dat vooral de Duitsers erg nationalistisch waren. Daardoor waren de verhoudingen in Europa gespannen. De methode omschrijft nationalisme als een ‘sterke vaderlandsliefde’. Het is jammer dat men dit begrip niet verder illustreert.

Ik concludeer dat de schoolboeken, op Feniks na, te veel naar het nationalisme in Duitsland kijken. Ze zouden er beter aan doen om het nationalisme direct te verbinden met militarisme en hierbij voorbeelden te geven uit zowel Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië. Daarnaast is het belangrijk dat men de achtergrond van het nationalisme duidelijker aangeeft. Het was niet een verschijnsel dat opeens uit de lucht kwam vallen maar iets dat door de steeds veranderende grenzen in Europa langzaam was ontstaan. Ook onderwijs en de opkomende massamedia hebben hierbij een grote rol gespeeld. Het is bovendien zeer opvallend dat niet één van de schoolboeken de problematiek op de Balkan uitlegt, wat heel veel met nationalisme te maken heeft gehad. Vanuit die invalshoek zou de moord op Franz Ferdinand immers nog beter te begrijpen zijn.

Conclusie

Dat de schoolboeken aan herziening toe zijn is duidelijk. Op sommige punten is de Britse traditionele geschiedschrijving in Nederlandse schoolboeken te overheersend. Ook gaat de aandacht bij het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog te veel uit naar Duitsland. Groot-Brittannië, Frankrijk en Rusland moeten meer aandacht krijgen in de schoolboeken. Daarnaast is het uitermate opvallend dat de Balkan problematiek niet voorkomt in de schoolboeken die juist moet verklaren waarom de oorlog daar ontstond. Dit zouden ze prachtig in verband kunnen brengen met het nationalisme en imperialisme. In bijna alle schoolboeken moet bovendien de wapenwedloop naar mijn mening beter worden ingevuld. Dit kunnen schoolboeken bereiken door concrete voorbeelden te geven in de vorm van een tabel of een foto.

De schoolboeken moeten eveneens niet vergeten dat de moord op Franz Ferdinand slechts een aanleiding was. Het verschil tussen aanleiding en oorzaak komt vaak niet duidelijk genoeg terug in de leerteksten. Het werkboek is natuurlijk een geschikte plaats om dit verder uit te werken.

Ten slotte wil ik een opmerking maken over de bondgenootschappen. Alle schoolboeken melden iets over de bondgenootschappen. Ik pleit ervoor om dit onderwerp ook concreter in te vullen. Er is genoeg bekend over de verdragen tussen de landen. Zo kan volgens sommigen het Frans-Russische verdrag uit 1893 gezien worden als de kiem voor de Eerste Wereldoorlog, omdat ze elkaar beloofden te helpen als één van de Centrale machten zich zou mobiliseren. Door dit verdrag kort aan de leerlingen uit te leggen, wordt de politieke situatie, die overigens doordrongen was van geheime politiek, veel duidelijker.

Conclusie

Onderzoek naar het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog blijft noodzakelijk. Hoewel er vele boeken zijn verschenen hanteert iedere historicus zijn eigen visie. Door die verschillende visies blijven er onduidelijkheden liggen. Zo blijft historisch onderzoek altijd weer een interpretatie van bronnen. In mijn scriptie luidde mijn hoofdvraag als volgt:

In hoeverre kan het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog, zoals opgenomen in de schoolboeken voor VMBO-2 kgt, herzien worden aan de hand van recent historisch onderzoek?

Eigenlijk is de belangrijkste conclusie dat de schoolboeken, die het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog beschrijven, nodig herzien moeten worden. Of ze dat moeten doen aan de hand van recent historisch onderzoek, is de vraag. Hoogstwaarschijnlijk hebben de schoolboekschrijvers hun teksten gebaseerd op de standaardwerken over de Eerste Wereldoorlog. De bekendste heb ik ook gebruikt, namelijk John Keegan, De Eerste Wereldoorlog (2000). Hoewel ik dit niet expliciet heb uitgewerkt, is er een duidelijk verband te zien tussen de visie van John Keegan en de schoolboekenteksten.

Hiermee kom ik tot mijn eerste conclusie: de schoolboeken hangen te veel de traditionele Britse geschiedschrijving aan, bij het beschrijven van het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog. Zo wordt de aandacht te veel gericht op Duitsland en geeft men Duitsland eigenlijk de titels van ‘offensief’ en ‘oorlogszuchtig’. Dit is, zoals ik heb opgemerkt in mijn scriptie, onterecht. Ik pleit ervoor om de schoolboekteksten te herzien en daarbij het beeld van Duitsland bij te stellen. De Angelsaksische bril moet worden afgezet. Hiervoor zou het boek van Hans Andriessen gebruikt kunnen worden. Wel moet een kanttekening worden geplaatst, omdat Andriessen de Centralen qua schuld wil ontlasten. Het is de vraag in hoeverre dit boek nog objectief genoeg over de Duitse kant van het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog spreekt.(*d)

Ten tweede is het zo dat de schoolboeken een aantal belangrijke punten laten liggen. Ik noem het feit dat Gavrilo Princip een Bosniër was, terwijl Oostenrijk-Hongarije Servië de oorlog verklaart. Hoe moeten leerlingen dit verband leggen? Een kleine opmerking over de Servische medeplichtigheid in het moordcomplot zou wonderen doen. Daarnaast krijgen de ‘blanco cheque’ en het ultimatum geen aandacht in de schoolboeken. Hiermee doen de schrijver de maand juli 1914, door sommigen bestempeld als de meest bestudeerde maand uit de wereldgeschiedenis, te kort.

Een ander opvallend punt is dat de schoolboeken niets vermelden over de Balkan problematiek. De Balkan was in de periode 1890 tot 1914 voortdurend in het nieuws. Te denken valt aan de twee Balkanoorlogen (1912 en 1913) en het nationalisme dat duidelijk zichtbaar was in dit gebied. De schoolboeken gaan totaal aan deze feiten voorbij. Dit is, zacht uitgedrukt, een gemiste kans.

Er blijven natuurlijk altijd twistpunten onder historici bestaan. In mijn scriptie heb ik er twee uiteen gezet: de Belgische neutraliteit en de discussie of mobilisatie oorlog betekent. Schoolboeken doen er verstandig aan om deze discussiepunten te laten rusten. Een schoolboek is niet de plaats om een dergelijke discussie kort weer te geven. Wel is het zo dat van een schoolboek mag verwacht worden de feiten juist weer te geven. Daar schort het nogal eens aan. In veel schoolboeken staan historische onjuistheden. Het zou goed zijn als de auteurs van schoolboeken ook kleine feiten, zoals een benaming of een jaartal, juist vermelden.

*d.) Zoals al eerder gemeld. Andriessen wil de Duisers niet van schuld ontlasten maar komt na uitgebreid  historisch onderzoek tot de conclusie dat Duitslands schuld aanzienlijk kleiner is dan meestal wordt beweerd. Dat zijn visie daarom niet objectief zou zijn is een merkwaardige stelling. Men zou zich dan ook moeten afvragen waarom de visie van hen die op grond van hun onderzoek  het omgekeerde beweren dan wel objectief is.

Tot slot

Helaas heeft de Eerste Wereldoorlog weinig goeds gebracht. De oorlog kostte aan ongeveer 8,5 miljoen mannen het leven, enkelen miljoenen raakten erdoor gewond. De Europese maatschappij werd door elkaar geschud. De strijd, die slechts enkele maanden moest duren, liep uit op een stellingenoorlog waarbij de vijanden elkaar vier jaar lang bezig hielden. De Tweede Wereldoorlog was later het onherroepelijke bewijs dat de Eerste Wereldoorlog toch niet de oorlog was die aan alle oorlogen een einde maakte. De Eerste Wereldoorlog was nadrukkelijk geen zinloze of doelloze oorlog; hij gaf niet alleen Europa gestalte, maar de hele wereld in de twintigste eeuw. De voorspellende woorden van de Franse generaal Ferdinand Foch zijn uitgekomen, toen hij na het verdrag van Versailles (1919) de volgende woorden sprak: ‘Dit is geen vrede, dat is een wapenstilstand voor twintig jaar!’[cvii]

Notenlijst


[i] David Fromkin, De laatste zomer. Waarom de wereld in 1914 ten oorlog trok (Amsterdam 2004) 170.

[ii] Hermann Kinder en Werner Hilgemann, Atlas bij de wereldgeschiedenis. Van Franse Revolutie tot heden (Baarn 2003) 79.

[iii] Fromkin, De laatste zomer, 157.

[iv] Ibidem, 159.

[v] Hew Strachan, De Eerste Wereldoorlog. Een geïllustreerde geschiedenis (Amsterdam 2004) 10.

6[vi] John Keegan, De Eerste Wereldoorlog 1914 – 1918 (Amsterdam 2000) 62.

7[vii] J.H.J. Andriessen, De andere waarheid. Een nieuwe visie op het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog 1914-1918 (Amsterdam 1998) 153.

[viii] Andriessen, De andere waarheid, 153.

[ix] Van Rossem, Drie oorlogen. Een kleine geschiedenis van de 20e eeuw (Amsterdam 2007) 7.

[x] R.W. Seton Watson, Serajevo (London 1926) 153.

[xi] Van Rossem, Drie oorlogen, 20.

[xii] Ibidem, 22.

[xiii] Keegan, De Eerste Wereldoorlog, 66.

[xiv] Strachan, De Eerste Wereldoorlog, 13.

[xv] Andriessen, De andere waarheid, 190.

[xvi] Ibidem, 253.

[xvii] Ibidem, 255.

[xviii] Ibidem, 257.

[xix] Fromkin, De laatste zomer, 196.

[xx] V.R. Berghahn, Germany and the approach of war in 1914 (New York 1993) 199.

[xxi] Fromkin, De laatste zomer, 207.

[xxii] Ibidem.

[xxiii] Fromkin, De laatste zomer, 364.

[xxiv] Hew Strachan, De Eerste Wereldoorlog, 17.

[xxv] Van Rossem, Drie oorlogen, 21.

[xxvi] Keegan, De Eerste Wereldoorlog, 69.

[xxvii] Fromkin, De laatste zomer, 215.

[xxviii] Ibidem, 228.

[xxix] Ibidem, 231. 

[xxx] P.A.J. Caljé en J.C. den Hollander, De nieuwste geschiedenis. Overzicht van de algemene, contemporaine geschiedenis. Vanaf 1870 tot heden (Utrecht 2003) 197.

[xxxi] Van Rossem, Drie oorlogen, 12.

[xxxii] Ibidem, 13.

[xxxiii] Andriessen, De andere waarheid, 208.

[xxxiv] Van Rossem, Drie oorlogen, 13.

[xxxv] Andriessen, De andere waarheid, 208.

[xxxvi] Ibidem, 15.

[xxxvii] Ibidem.

[xxxviii] Ibidem, 16.

[xxxix] Ibidem, 17.

[xl] Fromkin, De laatste zomer, 330

[xli] Fromkin 331

[xlii] Keegan, De Eerste Wereldoorlog, 51.

[xliii] Ibidem, 83.

[xliv] Van Rossem, Drie oorlogen, 14.

[xlv] Strachan, De Eerste Wereldoorlog, 47.

[xlvi] Andriessen, De andere waarheid, 85.

[xlvii] www.ssew.nl/20-punten-kritiek-boek-drie-oorlogen-kleine-geschiedenis-20e...

[xlviii] Ibidem.

[xlix] Fromkin, De laatste zomer, 46.

[l] Het oorlogsplan van Duitsland, het Von Schlieffenplan, en het oorlogsplan van Frankrijk, plan XVII, mogen als bekend worden verondersteld.

[li] Andriessen, De andere waarheid, 228.

[lii] Strachan, De Eerste Wereldoorlog, 44.

[liii] Fromkin, De laatste zomer, 82.

[liv] Van Rossem, Drie oorlogen, 19.

[lv] Caljé en Den Hollander, De nieuwste geschiedenis, 205.

[lvi] Fromkin, De laatste zomer, 82.

[lvii] Rossem, Drie oorlogen, 16.

[lviii] Andriessen, De andere waarheid, 230.

[lix] Ibidem, 232.

[lx] Strachan, De Eerste Wereldoorlog, 18.

[lxi] Rossem, Drie oorlogen, 21.

[lxii] Fromkin, De laatste zomer, 279.

[lxiii] Ibidem.

[lxiv] Andriessen, De andere waarheid, 121.

[lxv] Caljé en Den Hollander, De nieuwste geschiedenis, 193.

[lxvi] Ibidem.

[lxvii] Strachan, De Eerste Wereldoorlog, 35.

[lxviii] Fromkin, De laatste zomer, 35.

[lxix] Andriessen, De andere waarheid, 210.

[lxx] Ibidem, 211.

[lxxi] Ibidem.

[lxxii] www.ssew.nl/20-punten-kritiek-boek-drie-oorlogen-kleine-geschiedenis-20e...

[lxxiii] Andriessen, De andere waarheid, 235.

[lxxiv] http://ssew.nl/reactie-kritiek-ssew-studiegids

[lxxv] Andriessen, De andere waarheid, 250.

[lxxvi] H.L. Wesseling, Oorlog lost nooit iets op. Opstellen over Europese geschiedenis (Amsterdam 1993) 65.

[lxxvii] Wesseling, Oorlog lost nooit iets op, 104.

[lxxviii] Caljé en Den Hollander, De nieuwste geschiedenis, 216.

[lxxix] Carola Hubers, ‘Dansend de dood tegemoet. De historische complexiteit van het Augustus-enthousiasme nader verklaard’, Tijdschrift voor Geschiedenis 121 (2007) 414.

[lxxx] A. Bosch en L.H.M. Wessels, Veranderende Grenzen. Nationalisme in Europa 1919 – 1989 (Nijmegen 1992) 28.

[lxxxi] Bosch en Wessels, Veranderende grenzen, 28.

[lxxxii] Fromkin, De laatste zomer, 42.

[lxxxiii] Ibidem, 43.

[lxxxiv] Ruth Henig, De oorzaken en achtergronden van de Eerste Wereldoorlog (Amsterdam 1997) 55.

[lxxxv] Fromkin, De laatste zomer,  43.

[lxxxvi] Roderick R. McLean, Royalty and Diplomacy in Europe, 1890 – 1914 (Cambridge 2001) 89. 

[lxxxvii] Jan van Oudheusden, De Eerste Wereldoorlog in een notendop (Amsterdam 2007) 24.

[lxxxviii] Oudheusden, Eerste Wereldoorlog in notendop, 24.

[lxxxix] Caljé en Den Hollander, De nieuwste geschiedenis, 94.

[xc] Henig, De oorzaken en achtergronden, 55.

[xci] Barbara Tuchmann, De kanonnen van augustus. De eerste oorlogsmaand van 1914 (Amsterdam 2006) 20.

[xcii] Caljé en Den Hollander, De nieuwste geschiedenis, 202.

[xciii] Van Rossem, Drie oorlogen, 16.

[xciv] Ibidem, 24.

[xcv] Ibidem.

[xcvi] Strachan, De Eerste Wereldoorlog, 33.

[xcvii] Ibidem, 59.

[xcviii] Keegan, De Eerste Wereldoorlog, 31.

[xcix] Ibidem, 84.

[c] Ibidem, 32.

[ci] Andriessen, De andere waarheid, 216.

[cii] Wesseling, Oorlog lost nooit iets op, 65.

[ciii] Fromkin, De laatste zomer, 178.

[civ] Ibidem, 178.

[cv] Ibidem.

[cvi] T.P.A. Mulder, A Trouwborst, P. Verhoeve, H. Vermeulen, Bronwijzer. Geschiedenis voor de onderbouw, VMBO-KGT 2 (Nieuw-Lekkerland 2008) 50.

[cvii] Van Rossem, Drie oorlogen, 50.

overzicht: 

Contact

U kunt contact opnemen middels het contactformulier.

Twitter icon Facebook icon RSS icon e-mail icon