De Grote Oorlog van E.D. Morel

door: J. Vangansbeke

‘Enkel in Groot-Brittannië kon een humanitaire zaak zoals de Turkse gruwelen, slavernij in Portugese kolonies of wreedheid in het Congo van Leopold II een regeringszaak worden; de religieuze massabewegingen aan de basis van die bewustmaking bestonden ook in de VSA maar waren er partijdiger’, schreef Lord Grey in zijn memoires (Grey, I, 303). Dat was een referentie naar de Congo Reform Association van Edmund Dene Morel. Morel was echter niet enkel verontwaardigd over de Congo Vrijstaat, ook de geheime diplomatie die Marokko onder Fransen en Spanjaarden had verdeeld wekte zijn woede. Dat uitte hij in een boek in 1912, na de crisis rond Agadir. Het Berliner Tageblatt prees Morels Marocco in Diplomacy als een ‘moedige en erg objectieve poging het Duits-Engels antagonisme te overstijgen, doordrongen van vredeswil en een helaas zeldzame stem zowel in Britse als Duitse publicaties’.

In 1915 werd het boek heruitgegeven en meteen raakten drie heruitgaven verkocht onder de titel Ten Years of Secret Diplomacy. De socialist Ramsay MacDonald schreef er een voorwoord in, waarbij hij ruiterlijk toegaf dat hij bij het verschijnen ervan in 1912 het boek ongaarne las. Nu moest hij toegeven dat ‘Marokko inderdaad de deur dicht gedaan had voor wie aan vrede had willen werken. De heer Morel schrijft geschiedenis en al wie nu al denkt aan vrede kan het beter lezen, want het gaat over methodes die even subversief zijn voor de democratie als het Pruisisch militarisme’ (Morel, 1915, XIII). Morel citeert verder in een eigen voorwoord door de Duitsers uit Brusselse archieven gehaalde rapporten uit het Agadirjaar. Het betreft verslagen van Belgische diplomaten als baron Greindl (ambassadeur in Berlijn), de Lalaing (ambassadeur in Londen) en Guillaume (ambassadeur in Parijs) ‘die allen nog voor ik mijn boek schreef hetzelfde bevestigden in brieven aan hun regering: Engeland dwong een onwillig Frankrijk op het oorlogspad tegen Duitsland. De Lalaing schreef in 1911 ‘dat de Engelsen nationalistischer waren dan hun koning en de regering Asquith totaal ten onrechte doet alsof de Entente een bondgenootschap is’. In 1904 vonden Fransen en Britten elkaar over visserijrechten in de Nieuwe Hebriden, over Madagscar, Siam, West-Afrika en uiteindelijk Marokko. Morel prijst ‘Lord Rosebery die lang een toenadering tot Frankrijk inzake Marokko tegenhield omdat die Gibraltar nutteloos maakte’ (idem, 52). ‘De regering Monis kwam terug op wat haar voorganger Briand beloofde, een stuk Congo. Caillaux had de moed rechtstreeks met Berlijn te onderhandelen, wat hem vreselijk kwalijk werd genomen in de Britse pers’ (idem, 130). ‘Er was niet enkel de agressieve taal van minister van financiën Lloyd George, talloze verklaringen van parlementsleden als Arthur Ponsonby en Noel Buxton en van admiraal Fremantle waren bedoeld om de Duitsers zeer duidelijk te maken dat Groot-Brittannië met haar hele vloot en haar hele leger Frankrijk ter hulp zou snellen’ (idem, 146). Grey ging zelfs verder dan The Times door te stellen dat Duitsland Frans Congo eiste, terwijl de krant, hoe vreselijk ook, toch de eerlijkheid had toe te geven dat het slechts een derde van Frans Congo betrof’ (idem, 148).

In België had o.a. de socialistische BWP humanitaire acties gevoerd rond de gruwelen in Congo, maar al bij al was het verzet in België vrij beperkt, hoe hard de socialisten ook campagne voerden tegen Leopold II en zijn Vrijstaat. In die dagen zag zelfs prins Albert in het handelen van de socialisten onzuivere motieven en buitenlandse bemoeienis, zo schreef hij in een brief van 6 juli 1906 (…) Les articles du Peuples sont un numéro de la campagne nettement républicaine subsidiée par l’étranger et dont le mouvement anticongolais était déjà une manifestation, voilà mon avis, on ne fait que prétexter la personne ou un de ses actes pour faire l’assaut de l’institution (…). Albert meende dat de anti-koningsgezinde artikels van Le peuple gelinkt waren aan de anti-koloniale campagne tegen Leopold II, gevoerd door Morels Congo Reform Association. Hieruit leidde hij af dat Le Peuple gefinancierd werd met buitenlands geld; dit is echter nooit bewezen. De internationale vertakkingen van de beweging die door Morel was gestart bleven op hun vetrouwde anti-Belgische élan verder gaan. Het tweetalige (Frans-Duits) Bulletin de la ligue suisse pour la defense des indigènes beschuldigde in 1915 de Belgen de oorlog naar Afrika te hebben geëxporteerd. Met name het boek van Emile Waxweiler werd aangevallen, La Belgique neutre et loyale. België had immers positie moeten kiezen tegen de Vrijstaat toen liberaal Lorand en socialist Vandervelde vragen stelden in de Kamer over wat er waar was van de Congogruwelen. In plaats daarvan was de Belgische schatkist Leopold ter hulp gekomen en had het land hem militairen ter beschikking gesteld.

Ook een genuanceerd man als de Broqueville was niet helemaal gerust in Vandervelde’s „revolutionaire antikoloniale verleden”. Britse socialistische kabinetsministers als Arthur Henderson stonden openlijk achter de internationalisatie van Afrika zoals bepleit in mei 1917 in E. Morels Africa and the Peace of Europe. Maar zelfs een Balfour kwam onder invloed van dergelijke ideeën na een bezoek aan de VSA (Palo, 561). Vandervelde had de moed om zoals de Franse socialist Thomas in Petrograd in diezelfde maand voor een publiek van Russische socialisten te pleiten voor herstelbetalingen voor België en annexatie van Elzas door Frankrijk (Vandervelde, 234). Hij zou ook bewijzen dat hij inzake Congo het koninklijk vertrouwen meer dan waard was, en wel in 1918. In februari van dat jaar vond een intergeallieerde socialistische conferentie plaats te Londen, onder voorzitterschap van Emile Vandervelde. Met veel gemanoeuvreer slaagde Vandervelde erin een motie te vermijden die handelde over de internationalisatie van het bekken van de Kongo. Hij was erin geslaagd deze motie te laten vervangen door een tekst voor het plaatsen van alle Afrikaanse kolonies onder een éénmakend regime. De vergadering ondersteunde de wens dat België werd hersteld, met herstelbetalingen en garanties (Haag, 378, Vandervelde, 203, Thielemans, 1991, 128 - 145). Labour wilde controle over het koloniaal bestuur ‘tussen Zambezi en Sahara’. De Belgische diplomaten hadden ondertussen enige ervaring met hoe ‘hun’ Congo te beschermen tegen dit soort resoluties. Het volstond het woord Congo uit de tekst te weren of aan te vullen met ‘Congo en haar conventioneel stroomgebied’ om de effectiviteit van de tekst uit te hollen. Dat was gebeurd met een resolutie van de Amerikaanse senaat in 1907 en bracht onmiddellijk de Franse diplomaten aan de kant van de Congolese Vrijstaat. Vandervelde nam het trucje over.

Le Peuple was gedurende de oorlog streng voor minister Renkin, ‘Le Patriote haat hem maar ze hebben gelijk als ze schrijven dat hij even verspilzuchtig is als Leopold II’ ([1]).

Toen de liberaal Franck in 1918 na tien jaar Renkin verving op het ministerie van kolonies was één van zijn eerste maatregelen het terugschroeven van de hervorming van de Force Publique zoals Renkin die zich had voorgenomen. Renkin had een leger dat autonoom van de burgerlijke autoriteit, die een eigen politiemacht zou krijgen, voor ogen gehad. Luitenant-generaal Molitor zou hiervan bevelhebber geworden zijn. Liberalen en socialisten zagen dit niet zitten. Franck wilde zuiniger zijn gezien ‘tijdens de oorlog zeven duizend verse rekruten in staat waren in Congo zelf de orde te handhaven dankzij het opbreken van de grote chefferies’ (Maréchal, 1976, 87). Het compromis dat herhaling van de verwarring van 1914 moest voorkomen maakte meteen ook een einde aan de koloniale carrière van Molitor die steeds een grote rol voor het koloniale leger in de geest van Lyautey had voorgestaan (Maréchal, 1989, 305).

De Antwerpse burgemeester Van Cauwelaert omschreef de prestaties van Louis Franck zeer realistisch als volgt: ‘Zijn verdienste is beperkt tot de Koloniale Hogeschool. Hij brak wel met het principe dat Congo zelf alles moet betalen maar omdat er 10 miljoen frank was van de Relief Commission begon hij met het stichten van de hogeschool’ (De Congo-kolonie onder…, 4). Curzon had rond 1917 stevig lobbywerk verricht om de Londense universiteit te voorzien van een School for Oriental and African Studies, (Said, 274); die wetenschappelijke onderbouw van het Empire vormt met de Antwerpse hogeschool een bewijs dat niet enkel het nationalisme, maar ook het kolonialisme versterkt uit de oorlog is gekomen.

De oorlogservaring zelf had overigens o. a. tot gevolg dat enkele socialistische politici die als militair in de kolonie actief waren geweest, definief gewonnen waren voor de koloniale politiek. Het bekendste voorbeeld is Jules Mathieu, burgemeester van Nijvel en gouverneur van Luik (Vanthemsche, 37). Die had zelf deelgenomen aan de campagne in de regio Gissaka en verzette zich heftig in de Kamer tegen de afstand van Gissaka aan de Britten (Vijgen, 2005, 101). Naarmate er meer politici voor Congo waren gewonnen, ontbraken de middelen en nam ook de tegenstand weer toe.

In zijn gepubliceerde doctoraat beweert de Amerikaanse historicus Kevin Grant dat Morel en zijn Reform association nergens geraakt zouden zijn zonder de steun van de protestantse missies. Hun voordrachten met ‘lichtbeelden’ van de wreedheden gaven de campagne vleugels. Morel zelf had nog in 1911 in een boek de loftrompet gestoken over Lugard, had een uitstekende band met zijn vrouw, die de pr verzorgde van de ‘hervormer’ van Nigeria, sloot compromissen met Britse bedrijfsleiders als Cadburys en radicaliseerde pas na zijn opsluiting tijdens de oorlog (wat ook het einde betekende voor zijn vriendschap met Lugard). John Harris en zijn vrouw Alice Seeley, zendelingen in Congo, waren oud-strijders in de Congo-reform campagne. In augustus 1914 al schreef John aan Booker T. Washington ‘dat de oorlog de hele inheemse volkeren kwestie zal wijzigen’. Met hun protestantse organisaties bleven zij zich even hardnekkig verzetten tegen bijvoorbeeld een mandaat voor België als Morel (Harris, 1917). Het begrip mandaat zelf was van protestantse 16de eeuwse oorsprong en een katholiek land kon dergelijk mandaat nooit verdienen, meenden zij. En, voegt Grant, eraan toe, christendom en confessionalisme waren toen nog invloedrijker dan het radicalisme.

België zou er wel degelijk rekening mee houden, niet enkel omwille van de Britse zendelingen. Buitenlandse zaken hield de activiteiten van Morel en Casement nauwgezet bij en vond hen belangrijk genoeg om een groot dossier aan te leggen ([2]). De Duitsers bekommerden zich om hun Afrikaanse oudstrijders en protestantse bekeerlingen, maar niet enkel om menslievende of religieuze redenen. Het was ook een manier om invloed te houden bij de voorbereiding van de verhoopte terugkeer. Zelfs in Frankrijk hadden Morel en Casement hun medewerkers en ‘verraders’ schreef een Belgisch officier (Daye, 1923, 72-73, voor de werkelijke invloed van Casement in Duitsland, Doerres, passim). Zoals de meeste waarheden, een halve waarheid. Frankrijk, Ierlands traditionele bondgenoot, en België genoten een enorme sympathie in Ierland, kardinaal Mercier had daar enorm toe bijgedragen; allicht hoopten vele Ieren dat hun kardinaal even nationalistisch en ‘modern’ zou zijn (Aan de Wiel, 26, voetnoot). Zelfs Ieren die in Vlaanderen in het Britse leger dienden waren ervan overtuigd dat Casement niet uit verraderlijke maar uit vaderlandslievende overwegingen ‘zijn leven offerde’ (McMahon, 123).

In The Labour Leader van 20 januari 1918 deed Morel het voorstel om Duitsland kolonies te geven ‘evenredig met zijn bevolkingsaantal’. Zijn pleidooi sloot naadloos aan bij dat van minister Solf en de Duitse regering, maar ook bij dat van de extreme annexionisten waaronder de meest bloedige veroveraars van Afrika, zoals dr. Zintgraff, die in Kameroen een terreurcampagne had geleid in de jaren 1886-1892 (Schubert, 138). De Neue Zürcher Zeitung gaf op 24 juni 1918 het woord aan dr. Zintgraff die schreef dat ‘Duitsland enkel economische redenen en geen militaire redenen heeft om kolonies te wensen’. Dat was wel anders met de Britten, ‘nu door Duitsland gedwongen zelf te werken in plaats van hun onderworpen volkeren. Zij ‘willen Abyssinië en Turkije zo verzwakken dat ze kunnen sporen van de Kaap tot Calcutta via Caïro zonder aan iemand verantwoording te moeten afleggen’. De krant meende dat de Britten ‘zelfs Congo willen’. De situatie in de Portugese kolonies was erger dan die in de Belgische, maar werd niet aangeklaagd. Waarom? ‘Portugal leverde braaf slaven voor de Zuid-Afrikaanse mijnen zoals ze vroeger slaven leverden. Duitsland heeft ook niet zoals Frankrijk zijn kolonies als reservoir van militairen gebruikt’. In de Amerikaanse pers was het Charles Hooper uit Seattle die onophoudelijk pleitte dat ‘de zonden van België in Congo haar het recht op sympathie ontzeggen’ ([3]). Maar, meldde de Broqueville aan de koning in november 1917, ‘de Amerikaanse publicisten die vroeger Morel steunden, zijn nu gewonnen voor Belgisch Congo, zelfs in de puriteinse steden als Boston en het Quakernest Philadelphia’.

In de Belgische pers nam enkel Le journal du Peuple het op voor Morel (15 oktober 1917), terwijl Le XX siècle stelde ‘dat Morel campagne voerde rond Congo toen Duitse explorators vanuit het oosten Congo binnendrongen, rond Marokko toen de Duitsers de Agadircrisis uitlokten. Hij stichtte ook een Société amicale anglo-allemande’ (23 juni 1917). De Britse persartikels waren meer verdeeld, hoewel de meeste artikels zoals die tenminste bewaard zijn in het dossier van Buitenlandse Zaken zelfs terug komen op hun vroegere steun aan de Congocampagne van Morel en de Congo Reform Association. Dit terwijl de Home Secretary bij vragen in het House of Commons stelde dat de dwaasheden van nu niet Morels verdiensten van vroeger in vraag stelden, wat hem betrof. Die vragen kwamen merkwaardig genoeg zelfs uit Labour hoek en betroffen de nationaliteit van Morel, zijn ontsnappen aan de legerdienst in zijn geboorteland Frankrijk, zijn nationalisatie tot Brit in 1893.

The Morning Post van 3 november 1917 stelde dat ‘wij om de tuin geleid zijn door Morel, nu in de gevangenis en Casement, nu opgehangen, met hun toen erg plausibel klinkende campagne’. The Evening Standard vraagt zich af waarom Red Rubber de Duitse wreedheden in Zuid-West-Afrika verzweeg, en in Neptune van 21 september 1918 staat een bijtende terugblik op de Rood Rubber campagne van R. Williams van de Royal Colonial Institute, die we vaker terugzien als vurig verdediger van Belgisch Congo. ‘Ik vond het steeds vreemd dat Morel zijn campagne begon toen de rijkdom van Katanga bekend raakte’ schreef hij. ‘Ik bracht sir Martin Gosselin, Brits ambassadeur in Portugal, op de hoogte van mijn vermoedens over Duitse geldbronnen. Sir Codrington, administrateur in Rhodesië, herkende sommige foto’s van gemutileerden als genomen in een district dat onder zijn bevoegdheid valt. Daar mutileerden Afrikaanse koningen voor de Chartered Rule om hun gezag te vestigen. Livingstone en zijn opvolgers hebben daarover voldoende getuigd. Duitsland bracht Morels campagne niet op gang, maar ondersteunde ze wel in de hoop op een nieuwe Berlijnse conferentie waar zij met Congo zouden weglopen. Sommige Britten geloven in eeuwige waarheid en verdedigen Morels campagne nog steeds, maar Lloyd George beloofde een nieuwe wereld. Ik hoop dat Belgisch Congo in die nieuwe wereld recht zal worden gedaan en de lasteraars bestraft

The 19th century and after gaat het verst met een uitgebreid artikel in december 1917 over de activiteiten en het leven van Morel. ‘Hij begon met zich te verzetten tegen belastingen in Sierre Leone, en tegen het gebrek aan vrijhandel in Frans Congo. Blijkbaar was de heer Morel voor absolute vrijhandel die elke boom kon doen kappen zonder enige verplichting er terug aan te planten. Dan was er Red Rubber en later Marocco in Diplomacy, dat in 1915 werd heruitgegeven onder de nieuwe titel The Years of Secret Diplomacy. Voor de oorlog was hij liberaal kandidaat voor Birkenhead, maar door het uitbreken van de oorlog trok hij zich terug omdat zijn partij wist dat hij als germanofiel bekend stond. Met zijn UDC (unie voor democratische controle) leidde hij daarna het verzet tegen de dienstplicht’. In 1918 telde die organisatie 750 000 leden (Gust, 106 en Swartz, passim). Ook de Evening Standard legde de nadruk op Morels politieke kruistocht tegen geheime diplomatie. ‘Morels Truth and the War legt alle schuld bij Rusland en Frankrijk, waarvan Engeland het moedwillige slachtoffer zou zijn. Het boek is in het Italiaans vertaald en dit verraad wordt gesteund door de pedanterie van aristocratische dilettanten en Quakers’. Merkwaardig is dat nergens in de geraadpleegde Belgische bronnen melding werd gemaakt van de Nederlandse vertaling van Morels verdediging van de Duitse politiek, onder de titel De rol van het tsarisme in den oorlog, die in 1918 verscheen. Ontsnapten Nederlandstalige publicaties soms aan de aandacht van buitenlandse zaken? Het originele boek was verboden voor export (op die formele grond was Morel in september 1917 veroordeeld). ‘De ganse wereld die Morels waarheidsliefde, patriotisme en verdediging van de democratie bewonderde, is nu met stomheid geslagen. Het eertijds vrije Engeland verbiedt zijn boek. René de Clercq had toch gelijk toen hij zijn lied sloot met de spottende woorden eng, eng, Engeland!’ zo wordt de Nederlandse vertaling ingeleid (door een onbekende, het boek ‘is niet in den handel’ staat erbij vermeld, ook is er geen uitgeverij of plaats van uitgave vermeld, voetnoot). De Nederlandse hoogleraar Van Hamel die als pro-geallieerd bekend stond, vroeg en kreeg van de Britse regering een exemplaar van Morels boek, waarmee de Britse regering precies dezelfde overtreding deed als die waarvoor zij Morel veroordeelde: opsturen van propaganda naar een neutraal land. Morel was formeel schuldig bevonden aan het sturen van informatie naar Romain Rolland, een pacifistische Fransman die in Zwitserland leefde. Van Hamel wilde de Engelstalige met de Nederlandstalige versie vergelijken, wat hij vreesde dat die gemanipuleerd was. Bij het begeleidend briefje van het exemplaar was te lezen dat Londen geen vervalsing vreesde omdat ‘het gewoon niet erger kon dan wat Morel letterlijk had geschreven’ (Swartz, 179-180).

Morel ontwikkelt in het boek het idee dat ‘Oostenrijk openlijk te kennen gaf de Servische agenten van het tsarisme te willen arresteren, terwijl Japan Rusland zelfs zonder ultimatum versloeg zonder dat iemand protesteerde’. Ook wijst hij erop dat Frankrijk en Rusland meer spendeerden aan oorlog voor 1914 dan Duitsland en Oostenrijk. Gevolg: na 24 dagen oorlog was Oost-Pruisen dan ook Russisch. In 1911 verhinderden Bethmann, Caillaux en lord Morley al eens een oorlog, maar in 1914 kreeg Rusland zijn zin, besloot Morel.

Bernard Shaw was eveneens een verklaard tegenstander van de oorlog en in het bijzonder van gebruik van Afrikaanse soldaten: ‘De Franse paters en onze Paulinische Calvinisten leren de negertjes de godsdienst, maar leren zij hen ook over kruistochten waarbij de Afrikaanse redders Parijs bevrijden van de wetenschappelijke ongelovigen?’ (Koller, 2001, 167). Zowel Shaw als Morel protesteerden na de oorlog fel tegen het bezetten van een deel van Duitsland door Afrikaanse troepen.

Henri Davignon vroeg wel vanuit Londen aan Renkin om in Engeland een campagne op te starten tegen Morel ([4]). Erg nodig was dit blijkbaar niet. Het in vraag stellen van de oorlog en de doelstellingen van de geallieerden, wat op zich was verboden, volstond om Edmund Morel, Bertrand Russell, Siegfried Sassoon en de hele Union for democratic Control (UDC) te isoleren. Binnen de Britse regering werd fel gedebatteerd over de aanpak van UDC, omdat men hun propaganda effectiever inschatte dan die van de regering. Minister Carson, een Ulsterse ultra, wilde 100 000 pond spenderen aan een anti-UDC campagne. Grey wilde dat Morels inzet voor Congo buiten de campagne werd gehouden en ook Smuts pleitte in die zin: hij was niet vergeten hoe Morel zich tegen de keiharde aanpak van de Boeren had verzet. Om zijn verzet te tonen lunchte Smuts, toch de drijvende kracht achter de actieve oorlogsinspanning van het Rijk in Afrika, met Morel die hij dankte voor zijn vroegere inzet en poogde te overtuigen van het huidig beleid (Swartz, 171). Hardinge en Balfour vroegen dan weer uitdrukkelijk om wel twijfels over Morels vroegere Congo campagne toe te laten, ‘om de controverse niet verder op te voeren en de Belgen te verontrusten’. Het is wel moeilijk in te zien hoe Morel niet persoonlijk op zijn verleden aan te vallen de controverse niet zou opvoeren? Of bedoelde Balfour de controverse tussen Belgische en Britse regering?

Ook de romanschrijver Wells sprak zich uit voor internationalisatie, sterk beïnvloed door de ideeën van de historicus-politicus Lord Bryce (Morren, 92). Commander Wedgwood wilde dat een internationaal orgaan -ook met Duitsers in- Congo kocht voor 100 miljoen pond\sterling en de Portugese kolonies voor 20 miljoen ([5]). Maar zelfs in kringen van kolonisten en Duitsland-haters deed de term internationalisatie gestaag haar opmars. R. C. Hawkin, schoonbroer van generaal Botha, stelde voor in Daily News om Duits Oost Afrika, Congo en de Portugese, Franse en Britse kolonies in Centraal Afrika te verenigen en te besturen vanuit Brussel door een internationale commissie onder voorzitterschap van de Belgische koning. Hawkin publiceerde in Londen een brochure getiteld Central Africa and a League of Nations. ‘Sinds januari 1917 is hij de kampioen van de internationalisatie’, meende Orts ([6]). We zagen al hoe hij in 1915 er voorstander van was om na de verovering van Zuid-West Afrika opnieuw de neutraliteit van het Congobekken op tafel te leggen. Wat waren zijn stellingen over het verder verloop van de oorlog ?

Oranje Vrijstaat was in 1896 op de conferentie van Brussel een ondertekenend land van de akte van Brussel. Daarom moet Zuid-Afrika nu bij het bestuur van Centraal-Afrika betrokken worden. Hawkin sluit zelfs gebiedsuitbreiding voor Duitsland in Afrika niet uit, allicht in ruil voor afstand van Lotharingen, maar militarisatie wil hij verhinderen. Inheemsen door Duitse rechtbanken veroordeeld, zouden bij een neutraal gerechtshof in Den Haag of zo in beroep kunnen gaan. ‘Europa kon de vrede niet bewaren in Centraal-Afrika en nu moet Europa dat doen’.

Een Belgische diplomatieke nota over Hawkin stelt dat ‘eerste minister Botha zeer waarschijnlijk niet de mening van zijn schoonbroer deelt, en in elk geval de bevolking in Zuid-Afrika de Duitsers niet terug wil. Europa is zijn antwoord op de agressie. Maar wie in Europa zal Duitsland kunnen verhinderen legers in Afrika op te richten? Hoe sterk kan die Haagse politiemacht zijn? Kunnen we vrede en recht toevertrouwen aan een Duitse belofte op een blaadje papier’? België, dat op een voetstuk werd geplaatst omdat het verdragen en papieren rechten wilde verdedigen, geloofde niet meer in papieren bescherming. Daarmee sloot onze diplomatie aan bij wat de meeste kolonisten ook dachten. In elk geval, ‘de suggestie van Harry Johnston met al zijn kennis van Afrika om Duitsland een stukje Afrika terug te geven, is helemaal onmogelijk geworden en bewijst dat hij geen enkele voeling meer heeft met wat leeft onder de kolonisten’, schreef Bulawayo Chronicle in maart 1917. Er zat sleet op het Britse liberalisme: Empire Day, 24 mei, mocht van de liberale regeringen niet officieel gevierd worden, maar in 1916 kwam hierin verandering (Porter, 209).

Dat de Belgische socialist Huysmans de opsluiting van Duitsers in GB of de deportatie van Duitse krijgsgevangenen naar Afrika vergeleek met de wegvoeringen van Fransen en Belgen naar Duitsland kwam hem op zware kritiek te staan in de Britse pers, soms zelfs in de progressieve. Toen Huysmans via Frankrijk naar de Verenigde Staten wilde reizen, strandde hij in Folkestone: de matrozen weigerden te vertrekken met hem aan boord. De Sailors and Firemen Union lag hieraan ten grondslag. Bemiddelingspogingen van Henderson haalden niets uit (Hunin, 186). Zoals de Amerikaanse vakbondsleiders Gompers verklaarde aan de Britse ambassadeur in Parijs, ‘de Europese vakbonden zijn nog uitsluitend met politiek werk bezig’ (Dutton, 225).

De koloniale pers was uiteraard nog scherper. The Britsh Citizen and Empire Worker van 2 maart 1918 verwees naar Het Volk van 10 februari 1917 (!) waarin Huysmans had gezegd dat Duits en Brits imperialisme voor hem zowat hetzelfde was. De Russische revolutie zorgde voor een versnelling in de kritiek. Toen heeft ook de Britse vakbond TUC in een manifest aan het Russisch volk hetzelfde beweerd. ‘ Hebben die heren dan nooit over Herero’s of dr. Karl Peters gehoord’, was de retorische vraag van de al geciteerde The Britsh Citizen and Empire Worker. In Belgische koloniale kringen was men nog scherper. De Russische revolutie werd door het gezag in Congo op uiterst wantrouwen onthaald. Op 2 december 1917 kwam het tot een Duits-Russische wapenstilstand, vooral op aandringen van het uitgeputte Oostenrijk dat dreigde desnoods eenzijdig met Rusland vrede te onderhandelen. In dezelfde decembermaand van 1917 vroeg Tombeur de minister zo het nog wel verstandig was om paspoorten uit te reiken aan Russische burgers die Congo wilden verlaten om terug naar huis te gaan ([7]). Het antwoord van de minister vonden we helaas niet.

Frankrijk maakte zich meer zorgen om islamitische dan om communistische agitatie. Het bulletin du comité de l’Afrique française citeerde de keizerlijke consul von Hardenberg dat ‘de moslims enkel voor Duitsland zouden kiezen als zij haar kracht zagen. Die Zanzibari en andere moslimvolkeren worden door hun sultans onderdrukt en zijn niet te vergelijken met soevereine moslimvolkeren als Albanezen en Turken’. Zelfs dit blad van de Franse koloniale groeperingen die le parti colonial werden genoemd slaagde er niet in overeenstemming te bereiken over de oorlogsdoelen in Afrika, en leek eerder in het defensief (Grupp, 1974, passim).

En de Belgische socialisten? Grosso modo waren er vier strekkingen in de BWP rond 1918 ([8]), ‘zij die vonden dat Congo te groot was voor België en dat een stuk diende afgestaan te worden, zij die internationalisatie voorstonden, zij die vonden dat alle aandacht naar de wederopbouw diende te gaan en dus heel Congo moest worden afgestaan en tenslotte de grootste groep die ervan overtuigd was dat Congo nodig was voor de heropbouw’. BZ beschouwde het opnemen ‘zonder onderzoek of discussie’ van Morel door de Britse socialisten en de unanieme resolutie inzake oorlogsdoelen door Labour in december 1917 ondanks alles als een vooruitgang: er was niet langer sprake van internationalisatie maar van internationale controle. ‘Bovendien is bijna de hele pers hen precies daarom uitermate vijandig gezind’. De zoöloog en schrijver H. G. Wells was de drijvende kracht achter Labours antikoloniale opties. Hymans meldde dat Robert Cecil er van uit ging dat internationaal toezicht onvermijdelijk was geworden, de opmerking van Lord Salisbury dat het Empire dat nooit zou toestaan parerend met te zeggen dat slechts enkele Britse kolonies onder dit toezicht zouden vallen. ‘Ook Lord Harding vreest dat een machtige stroom uit de socialistische resolutie zal ontstaan die ooit de geallieerde regeringen in een richting zal dwingen die zij niet willen’.

Bedoelden deze heren dat zij hoe dan ook betreurden dat pottenkijkers een terugkeer naar oude koloniale gewoonten zouden verhinderen, of was hun perspectief korter en vreesden zij enkel dat het in de kolonies verslagen Duitsland alsnog een middel kreeg om zijn derde doelstelling te bereiken? Dat derde doel werd door La metropole op 10 maart 1918 zo omschreven : ‘Duitsland had drie doelstellingen, de eerste, Mitteleuropa, is al gerealiseerd want Oostenrijk leeft bij gratie van Berlijn, de Drang nach Osten, het tweede doel is met hulp van Lenin bezig zich te realiseren. Waarom vecht Duitsland dan verder? Omwille van het derde doel, Mittelafrika’.

G. H. Wells van zijn kant wilde net als de Duitsers (officieel dan toch) bovenal de militarisatie van Afrika verhinderen en het gebruik van zwarte soldaten voorkomen. Daar had de Belgische regering niets op tegen. Alleen, schreef ambassadeur Mocheur vanuit Londen, zijn de Franse socialisten tegenwoordig meer te duchten en minder genuanceerd dan de Britse.

Dat zij radicaler waren klopte: geen humanitair gepreek over bescherming bij de SFIO, maar de politieke eis tot het betrekken van de gekoloniseerde bevolkingen bij het bestuur was het resultaat van het nationale partij congres van 19 februari 1918. Autonomie was het modewoord. De Duitse kolonies dienden op die wijze uitgebaat te worden dat Duitsland de nodige grondstoffen kon krijgen, zij het op een manier die de inheemse bevolking ten goede kwam en waar zij mee instemde.

De Britse pers kon er niet genoeg voor waarschuwen. De Daily Mail schreef op 30 januari 1918 dat men zich nu pas begint te realiseren dat de Duitse plannen voor Afrika nog drastischer waren dan die voor Europa. De Belgische regering gaf eveneens uiting aan haar bezorgdheid en vroeg de Franse minister van BZ Pichon om via de minister Albert Thomas een matigende invloed op het antikolonialisme van de Franse socialisten na te streven ([9]). Ook Lloyd George werd benaderd en die gaf Moncheur te kennen dat die stemming volgens hem even snel zou omslaan als ze was ontstaan. Balfour had het over ‘wild ideas zonder verder belang’. Sydney Webb lag volgens deze Britse toppolitici aan de oorsprong van dit idee ‘maar zelfs Morels vroegere rechterhand Harris was ertegen’.

‘In het bulletin van de Anti-Slavery Society van juli 1918 werd beweerd dat er 185 000 slaven in Duits-Oost-Afrika zijn. De bisschop van Zanzibar stelde een brochure samen over The Black Slaves of Prussia waarin hij de terreur als Duitse bestuursmethode aan de kaak stelt. Canadese en Amerikaanse abolitionisten blijven ijveren, maar Buxton verzekerde dat elk project van internationalisatie definitief van de baan is’, werd minister Renkin verzekerd op 16 juli 1918 ([10]). Het betreft hier vermoedelijk Travers Buxton, een neef van de gouverneur-generaal van Zuid-Afrika, een figuur bij wie Hymans en later Moncheur wel vaker zijn licht had opgestoken.

Toch waren er blijvende gevolgen van de hele internationalisatie- en Volkenbondcampagne en Morels geschriften als Horror on the Rhine. Zo drong de regering van Lloyd George er tevergeefs op aan geen Afrikaanse troepen in te zetten bij de bezetting van het Rijnland (Koller, 2001, 314). Frankrijk zag het gebruik van Afrikaanse soldaten evenwel niet als een provocatie en overigens waren zoals gezegd de regimenten meestal gemengd. In de Franse assemblée riepen de vertegenwoordigers van Guadeloupe en Senegal op geen rekening te houden met de Duitse propaganda.

Via de linkerzijde van de socialistische partij ontsnapte Morel na de oorlog aan het isolement en kreeg de kans om in de verkiezingen van 1922 het symbool bij uitstek van het imperialisme, Winston Churchill, te verslaan in het kiesdistrict Dundee. Morels zes maanden gevangenisstraf bezorgden hem het aureool van martelaar en hebben hem ongetwijfeld ook geradicaliseerd. In 1924 werd hij advizeur buitenland van eerste minister Ramsey MacDonald, tijdens de oorlog medestander van de UDC, hoewel algemeen verwacht was dat Morel minister van Buitenlandse Zaken zou worden. Het was de regering MacDonald die de Sovjetunie erkende. Kort na haar verkiezingsnederlaag in 1924 stierf Morel.

Besluit

Groot-Brittannië had de Congo Vrijstaat bestreden en Belgisch Congo niet erkend toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak. De Congo-politiek van Londen wijzigde geregeld gedurende de oorlog als gevolg van de militaire ontwikkelingen. Pas toen Congo militair nodig was om een Duitse inval in Rhodesië te stoppen, gaf een onwillig Londen de lokale koloniale administratie groen licht om beroep te doen op de Belgen. Later bleek de Britse regering bereid een gezamenlijk offensief tegen Duits-Oost-Afrika te steunen gezien de Belgen dit desnoods op eigen houtje zouden doen. Ook de Zuid-Afrikaanse bevelhebber en politicus Smuts beïnvloedde sterk de Britse politiek om in Afrika in de aanval te gaan. Daarbij had de Boerenleider zijn eigen agenda.

De ambities van Pretoria waren veel groter dan die van Londen en niet beperkt tot Duits-Zuid-West-Afrika. Katanga en Mozambique ondervonden de druk van de vele Britse kolonisten in hun gebied maar Londen weigerde elke steun aan de voorstanders van ontmanteling van Belgisch of Portugees Afrika. Smuts vertaalde de imperiale ambities van Londen en vooral Pretoria naar de nieuwe taal die president Wilson eiste, namelijk internationalisatie, hiermee inspelend op wat Britse liberalen als Morel en socialisten als Henderson eveneens eisten. De koloniale buit kon niet verdeeld worden zonder toezicht op de belangen van de Afrikanen. Ook was Londen de afschaffing van de akte van Berlijn niet genegen omwille van de vermeende humanitaire condominium idee die Bismarck in 1885 was toegedaan volgens Morel, de Union for Democratic Control, vele liberalen en de Labour party. Hield daarmee hun invloed op?

Tussen juli en september 1917 poogde minister Kühlmann via de Spaanse ambassadeur in België markies de Villalobar rechtstreekse geheime onderhandelingen met de Britten aan te knopen, maar Balfour verwittigde zijn bondgenoten en gaf Berlijn geen antwoord (Renoton, 322). Terwijl Oostenrijkers en Fransen wel degelijk contacten hadden, o.a. al eind 1916 drong de gezant van Wenen in Bern baron Gagern aan op gebruik van zijn contacten met Franse journalisten, kwam er ondanks Duits aandringen zelfs geen heimelijke dialoog of ‘vredessondage als speciale vorm van spionage’ tot stand tussen Berlijn en Londen.

Helaas leeft onder het Britse publiek nog steeds de overtuiging dat Duitsers en Britten onverzoenlijke tegenstanders zijn. Het is door jammerlijk gebrek aan historisch inzicht dat dit sinds de boeken van Paul Kennedy als ‘het Anglo-Duits antagonisme’ bekend staand fenomeen als onvermijdelijk wordt gezien (Howard, 131 e.v.). Dit is des te meer zo omdat de enorme propaganda inspanning van Flottenverein en Alldeutschen op zich al bewijst hoe moeilijk de Duitse publieke opinie te winnen was voor de Weltpolitik. Howard stelt het zo: ‘Iedereen in Engeland én Duitsland verwachtte een herhaling van de Napoleontische oorlogen, waarbij de blokkade het Engelse aandeel in de overwinning zou zijn. Hoewel de blokkade gevaarlijker was voor het industriële Duitsland van Wilhelm dan voor het agrarische Frankrijk van Napoleon, was Engeland eind 1916 op het eigen Empire aangewezen om de bonapartistische grootmacht van een zege af te houden. Beide kampen wisselden van wapen: Duitsland wilde nu via een zee blokkade de Engelsen op de knieën dwingen, de Britten wilden met hun leger van 80 divisies op het land een beslissing afdwingen. Gedurende 1917 domineerden de Britten onder de geallieerden, maar tegen het einde van het jaar was de angst voor een Turkse doorbraak richting India na de instorting van Rusland zo groot dat in 1918 de Amerikanen de leiding van de geallieerden overnamen. Toen al plooide Engeland terug op zijn imperium en verloor alle belangstelling voor het continent, het vocht in 1918 om het Midden-Oosten en om de buit van de dominions veilig te stellen’. Misschien speelde de koloniale rivaliteit een bijrol en geen hoofdrol in 1914, maar in 1918 wàs Tanganika belangrijker geworden dan het Saarland of Straatsburg.

Paul Guinn deelde de strategie van de Britse regeringen in dries fases in: de oorlog van de regering in 1914-15, de oorlog van de generaals in 1916 en de oorlog van de imperialisten in 1917-18. Na een week intriges en manipulatie van de pers, werd Lloyd George premier op 7 december 1916. Het ‘Nieuwe Imperialisme’ dat door de kiezers was afgewezen in 1906 had nu het centrum van de macht veroverd. Het verschil met Asquiths liberale imperialisme was dat dit Empire zich afkeerde van Europa. Tot groot ongenoegen van de legerleiding verklaarde Smuts als lid van het nieuwe kabinet dat ‘Duitsland verslagen was want het had zijn kolonies verloren’ (Guinn, 194). Niet alleen betekende dit een zich afkeren van het eurocentrisme van Grey en Asquith, het was ook een vlucht vooruit. Het was gewoon niet waar dat koloniaal Duitsland al verslagen was: noch de Duitse bevelhebber in Afrika noch de ‘gematigde’ Duitse minister van kolonies waren verslagen en merkwaardig genoeg bleven beiden zelfs na 11 november 1918 nog overeind!

Jeannick Vangansbeke

Bibliografie

* De Congo-kolonie onder het ministerschap van den Heer Franck, Antwerpen: Ruquoy, 1924

* Aan de Wiel, J. The Catholic Church in Ireland 1914-1918, war and politics, Dublin: Irish academic press, 2003

* Daye, P. L’empire colonial belge, Paris : Berger-Levrault, 1923

* Doerres, R. Prelude to the Easter Rising : sir Roger Casement in imperial Germany London: Frank Cass, 2000

* Dutton, D. Paris 1918: the war diary of the 17th Earl of Derby, Liverpool: university press, 2001

* Grey, E. Twenty-Five Years, London: Hodder and Stoughton, 1928

* Grupp, P. Deutschland, Frankreich und die Kolonien : der französische Parti colonial und Deutschland von 1890 bis 1914, Tübingen: Mohr, 1980

* Guinn P. British Strategy and Politics 1914-1918, Oxford: university press, 1965

* Gust, W. Der Völkermord an den Armeniern 1915/16, Springe : Zu Klampe, 2005

* Haag, H. Le Comte Charles de Brocqueville, ministre d’Etat, et les luttes pour le pouvoir (1910-1940), Leuven : Nauwelaerts1990

* Harris, J. Germany’s Lost Colonial Empire and the Essentials of Reconstruction, London: Simpkin, 1917

* Hunin, J. Het enfant terrible: Camille Huysmans, Leuven: Kritak, 1999

* Koller, C. Von Wilden aller Rassen niedergemetzelt : die Diskussion um die Verwendung von Kolonialtruppen in Europa zwischen Rassismus, Kolonial- und Militärpolitik 1914-1930, Stuttgart: Steiner verlag, 2001

* Maréchal, P. Phillipe Molitor en de verdediging van Belgisch Congo, 1912-1920, - Africa Tervuren, XXII 1976

* Maréchal, P. Molitor, Philippe, - Biographie coloniale belge, ARSOM, tome 7, 1989, p. 301-305

* McMahon, D. The Moynihan Brothers in Peace and War 1909-1918, Dublin: Irish academic press, 2004

* Morel, E. Morocco and Diplomacy, London: Smith, Elder & Co., 1912, heruitgegeven als Ten years of secret diplomacy, an unheeded warning, London : National Labour Press, 1915

* Palo, M. Diplomacy of Belgian War Aims during World War I, ongepubl. Phd. Illinois, 1978

* Porter, B. The absent-minded imperialists: what the British really found about Empire, Oxford: university press, 2004

* Said, E. Oriëntalisme, Antwerpen: Standaard, 2005

* Schubert, M. Der Schwarze Fremde, Stuttgart: Steiner verlag, 2003

* Swartz, S. The union of democratic control in British politics during the First World War, Oxford, 1971

* Thielemans, M. R. Carnets et correspondance de guerre 1914-1918 d’Albert I, 1991

* Vandervelde, E. Souvenirs d’un militant socialiste, Paris : Denoël, 1939

* Vanthemsche, G. De Belgische socialisten en Congo 1895-1960, Brood en Rozen, 1999/2

* Vijgen, I. Tussen mandaat en kolonie. Rwanda, Burundi en het Belgisch bestuur in opdracht van de Volkenbond, 1916- 1932. Leuven: Acco, 2005

Abstract

In his Morocco in Diplomacy, (1912) Edmund Morel engaged his tremendous energy in a new way since the Congo Reform Movement ceased to exist. According to him, Lord Grey made a terrible mistake by supporting the agressive colonial policy of France in Marocco. This would lead to war, Morel thought.

The book was edited again in 1915, with a preface by socialist Ramsey Macdonald. In the Belgian ministry of Foreign Affairs, one was not forgotten about Morel and Casement. Since his book on the Great War was also published in Dutch by an unknown editor, Henri Davignon proposed the colonial minister Renkin to start a press campaign against Morel.

As a consequence of this campaign, also the truth about the atrocities in the Congo as exposed by Morel a decade earlier, came again under fire. Nevertheless, the idea of internationalisation or at least control of colonial powers, was no longer forbidden as the Americans came into the war at the rescue of the imperial English elite, general Smuts acting as the go-between and R. C. Hawkin, brother-in-law of general Botha, even proposed a committee to govern all of Central-Africa under the presidency of the Belgian King.

 


[1] Papieren Fuchs, Tervuren, 116

[2] Buitenlandse Zaken, Afrikaans Archief, 586

[3] Buitenlandse Zaken, Afrikaans Archief, 586

[4] Buitenlandse Zaken, Afrikaans Archief, 586

[5] Buitenlandse Zaken, Afrikaans Archief, 588

[6] Buitenlandse zaken, Afrikaans Archief, 589

[7] Buitenlandse Zaken, Archief Force Publique, 813

[8] Buitenlandse Zaken, Afrikaans Archief, 589

[9] Buitenlandse Zaken, Afrikaans Archief, 589

[10] Idem

overzicht: