Channakale. Turkse mythes over de oorlog in Gallipoli

Door: Dr. Paul Schulten en Dr. Martin Kraaijestein

Inleiding

Eind 1914 was in België en Frankrijk het westelijk front tot stilstand gekomen. In het geallieerde kamp werd driftig naar alternatieven gezocht om elders een doorbraak te forceren. Voor ons land is interessant dat de minister van Marine van Engeland, Winston Churchill, suggereerde om iets in Nederland te ondernemen omdat vandaar een aanval op Duitsland mogelijk zou zijn.[1] Uiteindelijk werd begin 1915 door de Engelse regering besloten een poging te wagen Konstantinopel via de Dardanellen aan te vallen. Het Osmaanse Rijk vocht sinds november 1914 mee aan de zijde van de Centralen en er was een aantal goede redenen om te proberen de Turken buiten gevecht te stellen. Het zou voor de Russische bondgenoot een grote steun zijn en andere, nog aarzelende, landen op de Balkan wellicht de zijde van de Geallieerden doen kiezen indien deze onderneming succesvol zou blijken te zijn.

Dat was hij bepaald niet. De Engelse en Franse schepen van de Middellandse zeevloot die, zonder landsteun op achttien maart 1915 probeerden de forten langs de oevers van de Dardanellen tot zwijgen te brengen, leden alleen maar verliezen en kwamen er niet door. Op 25 april landden vervolgens op vijf plaatsen op het schiereiland van Gallipoli ongeveer vier divisies. Ook op het vasteland bleek de Turkse tegenstand te sterk. In december 1915 en januari 1916 werden de geallieerde troepen van het schiereiland geëvacueerd. Ze waren niet veel verder dan een paar kilometer landinwaarts gekomen doch nooit zelfs maar in de buurt van de Turkse forten. Beide partijen hadden intussen wel forse verliezen geleden. Het aantal gesneuvelden aan geallieerde zijde bedroeg meer dan 50.000. Bij de Turken moeten de verliezen nog hoger zijn geweest.[3]

Kaart van Gallipoli
Kaart van Gallipoli

De strijd op Gallipoli is een ware volkerenslag geweest. Aan Britse zijde waren Gurkha’s en andere troepen uit India betrokken naast Ierse beroepsmilitairen en vrijwilligers. Uit het Gemenebest kwamen Australiërs, Nieuw Zeelanders en Newfoundlanders.[4] De Fransen traden aan met koloniale troepen uit vooral Senegal en Noord-Afrika terwijl ook binnen het Osmaanse leger allerlei regionale identiteiten uit het Rijk vertegenwoordigd waren.

Alle deelnemende landen hebben een eigen historische cultuur over de oorlog ontwikkeld. In hun visies op Gallipoli zijn duidelijk bepaalde trends en ook eigen nationale mythen te onderscheiden. Onder mythen verstaan we hier bepaalde aanpassingen, ombuigingen en nadrukken bij de weergave van het historisch verhaal. Die sluit aan bij de derde en laatste definitie in de Van Dale van mythen: als juist aanvaarde, maar ongefundeerde voorstellingen. Historici zien mythen meestal als producten van de verbeeldingswereld van een bepaalde groep in een bepaalde tijd. Na elke ingrijpende gebeurtenis treedt bij betrokken groepen meestal wel een zekere mythevorming op. Daar kunnen uiteraard uiteenlopende redenen voor zijn. Het onvoltooide heden zorgt voor permanente aanpassingen in het collectieve geheugen. In dit artikel willen wij een aantal van de mythen bespreken die zich in Turkije hebben ontwikkeld over de gebeurtenissen bij Gallipoli. Zelf spreken de Turken overigens over Chanakkale, naar de plaats tegenover Gallipoli op de Aziatische kust.

Het herdenkingspark

Het zuidelijk deel van Gallipoli, waar de landingen plaatsvonden is in 1973 een nationaal park geworden. In 1997 werd een internationale prijsvraag uitgeschreven om het gebied als vredespark in te richten. Er is daar een unieke ontwikkeling aan de gang. In de laatste vijftien jaar is het aantal Turkse monumenten over de strijd om de Dardanellen enorm toegenomen. Dat is zonder meer uitzonderlijk te noemen. De herinnering aan de Eerste Wereldoorlog is bij alle nauw betrokken landen nog springlevend. Herdenkingsceremonies trekken soms meer publiek dan vroeger, maar monumenten komen er niet of nauwelijks meer bij. Uiteraard wel moderne musea zoals bijvoorbeeld het grote Historial de la Grande Guerre in het Franse Péronne of het nieuwe Belgische museum over de slag om Passchendaele in Zonnebeeke. Bij Wijtschate, ook in de buurt van Ieper zijn in het afgelopen jaar Duitse loopgraven gereconstrueerd met, als extra attractie het gegeven dat de jonge korporaal Adolf Hitler ergens in de buurt moet hebben gediend. De herinnering aan de Eerste Wereldoorlog wordt dus wel degelijk telkens nieuw leven ingeblazen, vooral vanuit toeristische oogmerken. De schaal en de wijze waarop dat in het betrekkelijk kleine gebied van Gallipoli gebeurt is echter van een andere orde. Waar de Turken in het interbellum zich uitzonderlijk toonden door het geringe aantal tastbare herinneringen aan de oorlog die hun land toch vier jaar teisterde, wordt deze achterstand in de laatste jaren ruimschoots ingehaald. Ook op het moment van ons laatste bezoek aan het schiereiland, een week voor de negentigste viering van Anzac Day, waren er in het kleine gehucht Buyuk Anafarta in de heuvels boven de baai van Suvla niet minder dan drie grote nieuwe monumenten in aanbouw.

Turks monument in aanbouw
Turks monument in aanbouw

Er werd keihard aan gewerkt op een driesprong waar, volgens de reisgidsen tot voor kort slechts enkele zeer onduidelijke grafstenen van gesneuvelde Turken aanwezig waren. Op een heuvel ergens tussen de dorpen Eceabat (Maidos) en Krithia in ligt een gloednieuwe, Turkse ceremoniële begraafplaats. De grafstenen met namen erop van vele steden uit het Ottomaanse rijk zijn klaar. Alleen de weg er naartoe moest nog worden geasfalteerd. Het zijn tot op dit moment de laatste toevoegingen aan herdenkingsplaatsen in het park waarin de achterstand in Turkse monumenten in vergelijking met vooral die van Australiërs en Engelsen langzamerhand lijkt te worden ingehaald. Dat geldt evenzeer voor het Turkse bezoek aan het park en ook de Australische belangstelling is stijgend. Op 25 april 2005 bezochten 25.000 Australiërs en Nieuw-Zeelanders het schiereiland. In 1988 waren er dat nog maar 200. Toch valt hun aantal in het niets bij de enorme optochten van Turkse schoolkinderen en volwassenen die nu elke dag in grote colonnes bussen naar Gallipoli worden aangevoerd. Ter vergelijking: in 2005 kwamen er ongeveer 2.000.000 Turkse bezoekers, twee jaar daarvoor ‘slechts’ 600.000. De wegen bij de Turkse monumenten zoals die op Chunuk Bair en bij het grote martelarenmonument boven Morto Bay zijn juist in de maanden van het voorjaar totaal versperd door die touringcars. Vooral ‘s ochtends en ‘s avonds zijn er enorme wachttijden voor de bussen die het veer van Eceabat naar Chanakkale op de Aziatische kust willen nemen.

Het Ministerie van Onderwijs subsidieert scholen die hun leerlingen een dag of langer langs de monumenten willen voeren en daarvan wordt ruim gebruik gemaakt. Vanuit Nederlands perspectief opvallend gedisciplineerde klassen staan rond de gids of hun leraar en luisteren aandachtig naar zijn verhalen. Het is duidelijk dat de gesneuvelde martelaren van Gallipoli leven als nooit tevoren.

De victorie van de achttiende maart

In het Turkse geschiedenisonderwijs werden altijd twee militaire overwinningen als de belangrijkste gepresenteerd. Het was de slag waarin in 1071 de Seltsjoeken bij Mantzikert de keizer van Byzantium versloegen en vooral ook het gevecht waarmee in 1922 Atatürk het Griekse invasieleger definitief op de vlucht joeg in de Turkse Onafhankelijkheidsoorlog. Op 30 augustus, Overwinningsdag, wordt nog steeds het begin van de moderne Turkse staat en dus van de moderne Turkse geschiedenis gevierd. Strijd met de Grieken leverde vooral de impuls voor het historische debat in Turkije en vormde zo een belangrijke basis voor het ontstaan van een eigen Turkse identiteit.[5] Tot een kleine tien jaar geleden is er in de Turkse historiografie in vergelijking daarmee betrekkelijk weinig aandacht aan de strijd in Gallipoli besteed.[6] Toch lijkt er op het moment in de Turkse historische cultuur sprake te zijn van een kleine ombuiging van de dominante belangstelling voor de Onafhankelijkheidsoorlog (1919-1922). Steeds meer wordt de overwinning bij Gallipoli en met name de zege die op achttien maart op de geallieerde vloot werd behaald als het echte begin van de Turkse identiteit gezien. Het grote militaire museum in Istanbul heeft nog steeds méér expositieruimtes en relieken die zijn gewijd aan de strijd tegen de Grieken, maar een recent gemaakte moderne videodocumentaire vertelt in schrille kleuren de voorgeschiedenis en de gebeurtenissen tijdens en na de glorieuze zeeslag. De boodschap van deze film is overduidelijk. Er kwam een onoverwinnelijke armada de Dardanellen opvaren deze totale overmacht aan staal en modern geschut bleek evenwel uiteindelijk toch niet opgewassen tegen de heldenmoed van gewone Turkse soldaten die de grond van hun vaderland tot de laatste snik verdedigden. Na de landingen zouden hun vasthoudendheid en kracht ook uiteindelijk de eindoverwinning in de strijd om Gallipoli brengen. Bij de gevechten in de heuvels werden zij natuurlijk wel enorm geholpen door het feit dat hun aanvoerder de geweldenaar Kemal Pasja Atatürk was die later in de onafhankelijkheidsoorlog de hoogste commandant was. In de documentaire wordt dan ook geen aandacht aan de strijd bij Helles gegeven maar is de belangstelling gericht op de afgeslagen invasie bij Anzac. Dat was immers het gebied waar Atatürk actief was.

De verschuiving in aandacht voor beide gebeurtenissen, van de Onafhankelijkheidsoorlog naar Gallipoli, is om twee redenen opvallend. Ten eerste werd de strijd om de Dardanellen uitgevochten toen het Ottomaanse rijk nog bestond en werd er dus formeel niet door Turkse maar door Ottomaanse legers gevochten. Ten tweede was Atatürk op Gallipoli ongetwijfeld een belangrijke aanvoerder echter, op dat moment in de rang van luitenant-kolonel was hij slechts de commandant van één divisie, terwijl hij in de Onafhankelijkheidsoorlog als opperbevelhebber en generalissimo de fundamenten legde voor het ontstaan van de moderne Turkse staat. Dit waren twee belangrijke redenen voor de geconstateerde aanvankelijke nadruk op de laatste oorlog. Deze viel bovendien nog eens veel gemakkelijker te rechtvaardigen. De Grieken waren immers als onrechtmatige bezetters Turkije binnengevallen. Natuurlijk worden ook de Geallieerden bij Gallipoli als agressors afgebeeld. In de Turkse geschiedschrijving wordt verder veel aandacht besteed aan het feit dat een groot aantal uit alle windstreken kwam zonder eigen redenen en alleen maar in dienst van de Engelsen en Fransen. Toch wordt het beeld van Turkije als onschuldig slachtoffer van buitenlandse agressie natuurlijk wel verzwakt door de Turkse vrijwillige aansluiting bij Duitsland, waartoe al direct bij het uitbreken van de oorlog door enkele politieke leiders was besloten.[7] Op 2 augustus was in een paleis aan de Bosporus door Duitsland en Turkije een geheim verdrag getekend om elkaar in geval van oorlog bij te staan.[8]

Het heeft er dus alle schijn van, dat nieuwe politieke omstandigheden een verschuiving in de Turkse historische cultuur over die oorlogen hebben veroorzaakt. Misschien is het de veranderende relatie met Griekenland en de daarmee samenhangende mogelijke intrede in Europa die een al te eenzijdige nadruk op de Onafhankelijkheidsoorlog minder wenselijk maken.

Toch was de herwaardering van Gallipoli al wat eerder begonnen. Er valt waarschijnlijk ook een direct verband te leggen met het nationalistische programma van de junta die van 1980 tot 1983 het land bestuurde. Aan de behoefte tot verheerlijking van de Vader des Vaderlands en van de triomf van het Turkse patriottisme kon in het heroische verhaal van Gallipoli ruimschoots worden voldaan. Ook het gevoel van de eigen Turkse identiteit en de bereidheid daarvoor alles op te offeren vonden daarin gemakkelijk een plaats.

Onvermijdelijk is in dit verhaal een aantal mythische elementen terechtgekomen. De bevolking van Turkije zal dat niet vreemd vinden. Het is opgegroeid met de uitspraak van Atatürk, dat de wijze waarop de geschiedenis wordt opgetekend is minstens zo belangrijk als de gebeurtenissen zelf. Zoals bekend was ook zijn Britse tegenstrever Churchill het met die stelling volkomen eens.

De latere grote betekenis van Atatürk zorgde er haast automatisch voor dat, om het voorzichtig uit te drukken, zijn rol bij Gallipoli bepaald niet onderbelicht werd waaraan overigens de Britse vijand ook meewerkte. In overeenstemming met militaire gewoontes worden na afloop van het gevecht dikwijls de kwaliteiten van de tegenstander de hemel ingeprezen opdat daardoor de eigen prestaties beter uitkomen. Zeker in het geval van een geleden nederlaag, zoals bij Gallipoli hadden diverse geallieerde commandanten baat bij een zo positief mogelijke beeldvorming over zowel de Turkse militairen als hun commandanten. Een soortgelijk verschijnsel zien wij bijvoorbeeld in de Tweede Wereldoorlog in de bewieroking door de Geallieerden van de kundigheid van de Duitse generaal Rommel. Aan de faam van Atatürk heeft de Britse regering in het interbellum nog een flink steentje bijgedragen. De schrijver van de officiële militaire geschiedenis van de operaties rond Gallipoli, de stafofficier van Generaal Hamilton, Aspinall-Oglander, kreeg in 1931 een dringend verzoek van brigadegeneraal J. E. Edmonds, leider van de historische afdeling van het Britse leger om de rol van Atatürk wat meer glans te geven.[9] Edmonds was daarom gevraagd door het ministerie van Buitenlandse Zaken dat kennelijk op dat moment de president van Turkije graag een genoegen wilde doen. De Engelse regering streefde in de jaren dertig heel bewust naar verzoening met Turkije. Het bezoek aan het land van Edward VIII was daarvan een voorbeeld.

Hoe dan ook, in antwoord op het verzoek van het ministerie deed Edmonds aan Aspinall de suggestie dat het misschien nog mogelijk was de epiloog van zijn werk daarvoor te gebruiken. Aspinall heeft kennelijk gevolg gegeven aan dit verzoek. In de epiloog van zijn werk vinden we onder meer de volgende regels: ‘de greep op de situatie van die officier (Kemal Pasja ) op 25 april was vooral verantwoordelijk voor het falen van het Anzac corps zijn doelen op de eerste dag van de landing te halen. Het was zijn krachtige actie op 9 augustus, toen hem het commando over het noordelijk gebied op het laatste moment was toevertrouwd, die de vertraagde vooruitgang van het Negende Legercorps tegenhield en onmogelijk maakte. En het was 24 uur later na een persoonlijke verkenning zijn briljante tegenaanval bij Chunuk Bair die de Turken in het definitief bezit bracht van de voornaamste Sari Bair Heuvelrug. Zelden kan het in de geschiedenis zijn voorgekomen dat de inspanningen van één enkele divisiecommandant bij drie verschillende gelegenheden zo’n grote invloed hebben gehad niet alleen op het verloop van een gevecht, maar misschien op het verloop van de hele strijd en zelfs op de lotsbestemming van een natie’.[10] In 1932 werd een speciaal ingebonden exemplaar van

het boek van Aspinall in Ankara aan Atatürk aangeboden.[11]

Een ander belangrijk bestanddeel van de Turkse mythevorming is zichtbaar in de verheerlijking van de eenvoudige boerensoldaat uit Anatolië die de grote overmacht aan mensen en materieel van de geallieerde supermachten tegenhoudt, waarbij hij ook nog eens een uiterst ridderlijke houding inneemt ten opzichte van vooral zijn Australische en Nieuw-Zeelandse vijanden. De Turkse literatuur geeft voor een belangrijk gedeelte in verhalen en gedichten een weerspiegeling van de ongeëvenaarde kwaliteiten van de Turkse soldaat. Dat waren vooral onverschrokkenheid en een eervolle houding in het gevecht.[12] Tegen alle kansberekening in bleven de soldaten tegenover een materieel superieure tegenstander onwankelbaar. In hun verdediging van de vaderlandse bodem waren zij bereid alle offers te brengen. Zoals aangegeven vervulde Atatürk daarbij een cruciale, leidende rol. Hij belichaamde de onverzettelijkheid maar ook de ridderlijkheid van de Turkse soldaat tegenover de invallers. Toen hij in de ochtend van 25 april werd geconfronteerd met een compagnie panisch terugtrekkende soldaten van de Negende Divisie zou hij hen persoonlijk hebben tegengehouden. De soldaten zeiden geen munitie meer te hebben. Atatürk antwoordde hen dat zij nog wel bajonetten hadden en beval hen op de grond te gaan liggen met hun bajonetten op het geweer. Volgens Atatürk had dat de oprukkende Australiërs eventjes doen stoppen. Dat was net tijdwinst genoeg geweest om zijn eigen 57e regiment in de strijd te kunnen werpen. Met gevaar voor eigen leven zou hij vanaf de top van Chunuk Bair de tegenaanvallen hebben geleid. Fameus werd zijn dagorder aan het regiment: ‘Ik geef jullie niet het bevel aan te vallen, maar ik beveel jullie te sterven. In de tijd die dat kost, kunnen andere troepen en commandanten komen om onze plaats in te nemen’. In zijn volgende dagorder van 26 april waren zijn woorden van een niet minder heroïsche lading voorzien. ‘Laat ik jullie allen eraan herinneren dat als jullie rust willen nemen, er voor eeuwig geen rust meer zal zijn voor de natie. Ik ben er zeker van dat al onze kameraden het hierover eens zijn en geen teken van vermoeidheid zullen tonen tot de vijand definitief in zee is geworpen.’

De Johnnies en de Mehmets

De herinnering aan de onverschrokken onverzettelijkheid van Atatürk wordt nog steeds uitvoerig in beeld gebracht. Dat geldt ook voor zijn ridderlijkheid en humane houding tegenover de vijand. In een recent Turks artikel wordt hij in één adem een groot militair en een groot humanist genoemd.[13] Nog steeds worden de aan hem toegeschreven woorden over de gesneuvelde Mehmets en de Johnnies die in hun hoogste offer verenigd zijn en altijd door Turkije zullen worden geëerd tot uit den treure herhaald in allerlei publicaties en op de grote nieuwe gedenkstenen op Gallipoli.

‘Aan de helden die hun bloed vergoten en hun leven verloren. Jullie liggen nu in de aarde van een bevriend land. Rust dus in vrede.

Er is voor ons geen verschil tussen de Johnnies en de Mehmets waar zij naastelkaar liggen in ons land

Jullie, moeders, die hun zonen zonden van verre landen, droog jullie tranen.

Jullie zonen liggen nu in onze grond en rusten in vrede.

Nadat ze hun leven verloren hadden in dit land zijn zij ook onze zonen geworden.’

Deze tekst werd in 1934 tijdens een bezoek van de Turkse minister van Binnenlandse Zaken, Sükrü Kaya aan Gallipoli uitgesproken. Volgens de minister waren de woorden hem gedicteerd door Atatürk. Deze zou hem vóór de reis hebben gezegd dat hij in zijn toespraak niet alleen de Turkse martelaren moest herdenken maar alle helden die daar gevallen waren.[14]

Deze gevoelens van lotsverbondenheid lijken vooral in de monumenten rond Chunuk Bair tot uitdrukking gebracht en zijn daarmee vooral gericht op de Anzac-soldaten.[15] Zo is een van de nieuwste monumenten opgericht boven de plek waar onlangs de lijken zouden zijn ontdekt van een Turkse soldaat en een Australische kapitein die stierven op de plek waar zij elkaar met de bajonet doorstaken in een eeuwig samenzijn. Het verhaal lijkt te mooi om waar te zijn maar het wordt in ieder geval driftig gebruikt om vast te leggen hoe hun gemeenschappelijk lijden uiteindelijk heeft geresulteerd in blijvende positieve verbondenheid tussen Turkije en de Anzac-landen. Een moderne Turkse historicus benadrukt dat Turken en Anzacs tijdens de oorlog evenmin gevoelens van vijandschap en haat hadden tegenover elkaar als nu. Volgens hem was er tijdens de gevechten een vreemde atmosfeer van vriendschap ontstaan, gebaseerd op wederzijds respect en waardering.[16] Die mythe van de positieve medemenselijkheid wordt extra benadrukt door de recent opgerichte standbeelden van, Turkse soldaten die een gewonde vijand op hun schouders dragen en in veiligheid brengen.

Turkse soldaat draagt Australiër
Turkse soldaat draagt Australiër

In de historische werkelijkheid zullen dergelijke incidenten zijn voorgekomen maar die vallen in het niet bij de talrijke daden van wederzijdse hardheid en meedogenloosheid. In Gallipoli werden over het algemeen weinig krijgsgevangenen gemaakt en dus meestal van beide kanten aan gewonde tegenstanders geen pardon verleend.[17] Bekend is het verhaal over de Gurkha die de oren van een Turkse tegenstander afsneed en die als trofeeën rond zijn nek hing. Ook blijkt uit verschillende dagboeken en brieven dat Turkse sluipschutters die gevangen waren genomen, zonder pardon direct werden geëxecuteerd. In juni 1915 schreef een Franse officier in zijn dagboek dat de Australiërs zonder onderscheid alle Turken afslachtten. De nationale vijand van de Australiër, zei er een tegen mij, is de Turk.[18] De Turkse officiële geschiedenis vermeldt over het bekende incident van de op 12 augustus verdwenen compagnie van het Norfolk Bataljon dat alle officieren en manschappen daarvan met de bajonet waren gedood, onverschillig of ze nu gewond of krijgsgevangenen waren.[19] Het is te gemakkelijk deze verschijnselen als beperkt in aantal en als uitzonderingen te zien.[20] Het politiek en sociaal wenselijke van de jaren dertig en vooral van de jaren negentig lijkt meer de aanzet tot de verbeeldingen van medemenselijkheid dan de meer ontnuchterende werkelijkheid uit 1915.

Moderne monumenten en studies besteden nu veel aandacht aan de gevoelens van wederzijdse sympathie die tussen Australiërs en Turken in Gallipoli zouden zijn ontstaan. Ook in recente jeugdboeken in beide landen wordt dit als een belangrijk historisch feit gebracht.[21] Zo komt in een roman van de Turkse schrijfster Ural een beeld naar voren van Turken en Australiërs die allen het slachtoffer zijn van de schurkachtige Britten.[22] Laatstgenoemden brachten de Australiërs ertoe de Britse oorlog tegen de Turken uit te vechten en lieten hen het vuile werk doen. Het inzicht hierin van de nakomelingen zou het cement vormen voor Australisch-Turkse vriendschap en begrip en voor een eeuwige vrede tussen deze volkeren. Die sympathie zou voor het eerst zijn opgekomen tijdens de wapenstilstand van 24 mei 1915 toen beide partijen in het niemandsland hun doden borgen.

Deze visie wordt ook uitgedragen in de ter gelegenheid van de negentigjarige herdenking van Gallipoli uitgebrachte grote Turkse documentaire van Tolga Ornek. In een interview met een Australische krant verklaarde hij dat hij een film wilde maken die de oorlog op Gallipoli vanuit het perspectief van alle betrokkenen wilde laten zien. Dit in tegenstelling met de bestaande documentaires en films, waar de oorlog van de kant van een van de strijdende partijen werd belicht, want de gevolgen van de oorlog, het lijden, waren voor ieder gelijk.[23]

De positieve gevoelens van Anzacs tegenover de Turkse vijand komen ook sterk naar voren in de antwoorden van Australische en Nieuw-Zeelandse veteranen op enquêtevragen van de Turkse historicus A. Mete Tuncoku.[24] In die antwoorden worden de Turken ook vrijwel unaniem moedige en faire strijders genoemd. De vragen gingen over de gevoelens van de veteranen tegenover de Turken vóór, tijdens en na hun verblijf op Gallipoli. Volgens Tuncoku vormt de uitslag van de enquête een versterking van het beeld van het positieve respect dat beide partijen voor elkaar hadden. Het is toch maar de vraag of niet juist die unanimiteit voor twijfels zorgt. De vragen werden ruim 75 jaar na de gebeurtenissen aan de veteranen voorgelegd. De eenvormigheid van de antwoorden van de zeer bejaarde geënquêteerden duidt eerder op een gebruikelijk opgaan van hun individuele herinneringen in een collectief geheugen dat zich heeft gevormd in de lange periode na de Eerste Wereldoorlog. In dit verband is het interessant te zien dat volgens velen van hen, de Turkse soldaten heel wat netter vochten dan de Duitsers waar zij later aan het Westelijk front mee te maken kregen. Het valt immers te verwachten dat hun herinneringen aan de Duitsers mede beïnvloed zijn door hun nog latere indrukken tijdens de Tweede Wereldoorlog. Waarschijnlijk worden hun gevoelens over de ‘humane’ tegenstanders in Gallipoli beter aangegeven door een flauwe grap die in het interbellum nog in Australië werd verteld: ‘enkele Australische soldaten verschilden van mening over de vraag of een gevangengenomen Turk erger stonk dan een geit. Een Britse sergeant zou als scheidsrechter fungeren. Eerst werd de geit naar binnen gebracht en de sergeant viel flauw. Vervolgens kwam de Turk binnen en de geit viel flauw’.[25]

Desondanks bestaat er toch wel enige reden om een zekere mate van respect van Anzac-soldaten voor hun tegenstanders aan te kunnen nemen.[26] Het is minder waarschijnlijk dat er omgekeerd een speciale sympathie van de Turken voor hen zou zijn gegroeid. Zo wordt in de NRC van één juli uit Konstantinopel bericht dat de Turken wel achting konden opbrengen voor de Fransen maar juist helemaal niet voor de Australiërs. Zij beschouwden deze als: wilden die slechts gekomen waren om te plunderen. Zij zouden dan ook in krijgsgevangenschap slechter behandeld worden dan bijvoorbeeld Gurkha’s die als misleiden werden gezien.

Ook de in beeld gebrachte onverzettelijkheid van de Turkse soldaten en hun commandanten heeft enige nuancering van node. Het lijkt over het algemeen weinig productief en ook niet gebruikelijk op het moment van een aanval tegen de manschappen te zeggen dat zij zich moeten doodvechten. Hooguit heeft het wellicht in Turkse soldatenoren wat minder schokkend geklonken want deze hadden over het algemeen een grote berusting in hun lot dat zij toch al als weinig kansrijk beschouwden. Dat was overigens, als we naar de statistieken over hun verliezen kijken, een terechte beoordeling Hun betrekkelijk hoge gevechtsmoreel was waarschijnlijk vooral gebaseerd op een gevoel dat zij niets te verliezen hadden omdat ze, eenmaal ingelijfd als soldaat toch al zo goed als dood waren.[27] Een opmerkelijke inschatting van de kwaliteiten van de Turkse militair vinden we in een al eerder geciteerd geschrift uit het interbellum van de Amerikaanse Generale Staf van de hand van luitenant-kolonel Patton die later een beroemdheid werd tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij baseerde zich daarbij vooral op de memoires van de Duitse officier kolonel Hans Kannengiesser en op de verhalen die hij tijdens WO I in Frankrijk had gehoord. Volgens hem waren de Turkse infanterieofficieren onontwikkeld en een gedeelte van hen was zelfs analfabeet. Hun moreel daarentegen was hoog. Bij de artillerie waren de officieren vaak door Duitsers opgeleid en lag de kwaliteit veel hoger. In de communicatie met Duitse officieren was ‘tijd’ voortdurend een probleem. Voor de Duitsers betekende om zes uur precies zes uur na middernacht. Voor de Turken betekende het zes uur na zonsondergang. De Turkse gewone soldaten namen met heel weinig genoegen. Zij die ook in de Balkanoorlogen hadden gevochten zeiden wel dat het in Gallipoli geen oorlog kon zijn, want er was iedere dag iets te eten. Patton hechtte overigens geloof aan het verhaal dat zij soms stoffelijke overschotten, ook van hun eigen mensen, als eettafels gebruikten. Wel juist in zijn beoordeling is dat het over het algemeen dappere soldaten waren die wel eens in paniek raakten als het leiderschap ontbrak.[28] Dit is in overeenstemming met het gezagsgetrouwe karakter van de Ottomaanse militairen die hun bevelen over het algemeen gedisciplineerd opvolgden.

Verdere mythische verhalen rond Atatürk

De woorden in het bevel van Atatürk om niet zozeer aan te vallen dan wel te sterven zullen ongetwijfeld later mooier zijn gemaakt. Dat zal ook zijn gebeurd met de bekende horloge-anekdote over hem, in twee talen opgetekend op zijn monumentale standbeeld bovenop Chunuk Bair.[29] Op tien augustus 1915 heroverden de Turkse reserves onder commando van Atatürk die heuveltop waarbij hij in de borst werd getroffen maar het dodelijk lood afketste op het horloge in de borstzak van zijn uniform. De kwaliteit ervan moet minstens vergelijkbaar zijn geweest met de Pontiac van wielrenner Wim van Est toen deze, in zijn gele trui in het ravijn was gevallen. Volgens de eigen gedenkschriften van Atatürk zou hij het horloge aan Von Sanders hebben gegeven die zijn eigen klokje in ruil gaf.[30] Ook de verhalen over zijn inzicht over de aanvalsplannen van de Geallieerden geven een zeer positief beeld. In tegenstelling tot zijn commandant zou hij wel hebben begrepen waar de nieuwe aanvallen van de tegenpartij zouden plaatsvinden.

Het is ontegenzeglijk waar dat ook in de historische realiteit het optreden van Atatürk op Gallipoli efficiënt en voorspoedig is geweest. Het was geen teken van opmerkelijke militaire genialiteit dat hij doorzag dat het bezit van de heuvelrug van cruciale betekenis was, zoals in veel verhalen wordt verteld. Iedereen die voor het eerst het terrein in ogenschouw neemt begrijpt dat direct, dus kan het niet zo ingewikkeld zijn geweest voor een divisiecommandant die daar al ruim een maand bivakkeerde. Het krachtig en overtuigend aangrijpen van de vijand daarentegen is zeker niet elke commandant gegeven en het is duidelijk dat Atatürk hierin heel goed is geweest. Niet voor niets gaf Liman von Sanders in de belangrijke dagen na de landingen bij Suvla op acht augustus het commando van de tegenaanval bij Anzac juist aan hem en passeerde de hogere in rang kolonel Fezi Bey. Desondanks zijn de verhalen over zijn feilloos inzicht en leiderschap natuurlijk aardig bijgekleurd.[31] Zo heeft bijvoorbeeld het 57e regiment van Atatürk niet helemaal vlekkeloos geopereerd op 25 april.[32] Zijn tweede regiment, het 77e, hield hij enige tijd in reserve wegens een vals bericht over een landing halfweg tussen Helles en Gaba Tepe bij Kum Tepe en zijn acties tegen Anzac begonnen dus pas in de schemering. Atatürk zelf was op het midden van de dag enige uren weg van zijn troepen omdat hij, bezorgd, informatie aan het zoeken was over die vermeende landing. Pas om 13.00 uur kreeg hij bij Mal Tepe, het hoofdkwartier van de commandant van het 3e legerkorps, Esad Pasha de boodschap dat het om een loos gerucht ging.[33] Verder bracht de inzet van het 77e regiment aanvankelijk vooral verwarring omdat het geplaatst werd tussen het 57e en 27e in zonder dat die daarvan afwisten. In de verwarring beschoten de Turken op een bepaald moment elkaar. Ook het optreden van Atatürk tijdens een mislukt Turks offensief in de nacht van 29 op 30 juni heeft heel wat kritiek van Enver en Liman von Sanders gehad.[34] Hij was overigens op dat moment wel reeds van zowel Turkse als van Duitse zijde gedecoreerd voor zijn prestaties in april.

Een zekere mate van mythevorming rond de persoon van Atatürk was, gegeven zijn positie in het nieuwe Turkije onvermijdelijk en dus niet uitzonderlijk. Daartoe behoort ook het verhaal dat nu nog steeds in Turkije de ronde doet, dat de Jong-Turkse leiders uit jaloezie jegens Atatürk zijn grote rol tijdens de oorlog hebben verzwegen. Wel bijzonder is het feit dat hij nog niet het slachtoffer geworden is van het, zeker in het geval van autocraten, zo gebruikelijke proces van ontmythologisering. In een recente roman van de schrijfster Buket Uzuner, waarvan het voornaamste thema Gallipoli is en de bijzondere band tussen Turken en Nieuw-Zeelanders, wordt dit terecht als hoogst ongewoon aangemerkt.[35] Of dit haar visie versterkt dat het in het geval van Atatürk dus geen mythen zijn maar niets meer of minder dan de waarheid is een andere zaak. Het toont eerder aan dat de erfenis van Atatürk nog redelijk intact is.

Losse mythen

De roman van Uzuner noemt ook een van de vele, kleinere Turkse mythen als mogelijk echt gebeurd.[36] Het is de populaire lokale verklaring van het te veel noordelijk terechtkomen van de landingsboten op Anzac. Gidsen ter plekke vertellen vaak dat er vóór de landing door een Brits schip een boei voor de kust was gelegd om de juiste plek te markeren. Die boei zou zijn opgemerkt door vissers uit de buurt. Een van hen of een door hen gewaarschuwde militair zou naar de boei zijn gezwommen en deze meer dan 2.000 meter naar het noorden hebben verplaatst. Door dit sterke staaltje zouden de Anzacs in het moeilijke terrein op en boven Anzac Cove terecht zijn gekomen en was een verdere opmars erg moeilijk geworden. De meest waarschijnlijke redenen voor de noordelijke afwijking is persoonlijk ingrijpen van de adelborst die het bevel voerde op het meest rechtse landingsvaartuig. Daar is geen sluitend bewijs voor, maar dat is er wel tegen het Turkse verhaal. De Engelse oorlogsschepen hebben nooit boeien voor de kust uitgezet.

Binnen het kader van de kleine mythologische verhalen past ook de gevierde heldendaad van korporaal Seyit. Zijn standbeeld van 1992 staat aan de oever van de Dardanellen, een paar honderd meter na Kilit Bahir waar de doorgang het nauwst is. Men kan het standbeeld en de plek waar het staat niet over het hoofd zien. Bovendien zijn er de, meestal, gigantische aantallen bussen die je de weg versperren omdat ze daar hun passagiers laten uitstappen om het monument en het aan de andere kant van de weg op een heuvel gelegen fort te bezichtigen. De inscriptie bij het beeld maakt duidelijk dat het hier om een held gaat. Op de achttiende maart 1915 waren alle 61 kameraden van de artillerist Seyit al buiten gevecht gesteld toen hij, in zijn eentje, de laatste granaat van 295 kilo uit het magazijn haalde, die naar het kanon droeg en dat vervolgens eigenhandig afvuurde. Deze op zichzelf al onwaarschijnlijke daad werd nog overtroffen door het feit dat bovendien het slagschip de Ocean erdoor werd getroffen. De Ocean werd hierdoor onbestuurbaar, liep dientengevolge op een mijn en zonk. Afbeeldingen van korporaal Seyit met zijn granaat horen tot de meest populaire souvenirs die overal in stalletjes op Gallipoli worden verkocht. Ook in de tuin van het legermuseum in Istanbul is sinds kort een nieuw beeld van de held te bezichtigen.

Korporaal Seyit voor het legermuseum
Korporaal Seyit voor het legermuseum

De oorsprong van de mythe is een foto die vlak na de achttiende maart door Turkse journalisten is gemaakt van een strijder ter plekke die met een kartonnen dummy zijn zware werk demonstreerde. In de loop der tijden is het gewicht van de granaat tot onwaarschijnlijke hoogte opgeschroefd. In de officiële Turkse geschiedschrijving wordt een gewicht van 276 kilo genoemd maar ook dat is niet mogelijk. Ammunitie van een dergelijk gewicht werd gebruikt in zware kanonnen met een kaliber van 355 mm. In het fort van Seyit, Rumeli Mecidiye, was wel zulk zwaar geschut aanwezig, maar dat is op achttien maart niet gebruikt. Er werd wel geschoten met de 280 mm kanonnen. De granaten daarvan wogen ongeveer 150 kilo, overigens nog steeds een flink gewicht om in je eentje te torsen.[37]

De evacuatie van de geallieerde troepen

Wat ook tot de mythen hoort zijn de verklaringen voor het ‘succes’ van de evacuatie. Vlak daarna werd door de Turkse pers geschreven dat de Geallieerden met grote verliezen en achterlating van al hun materieel de zee in waren gedreven.[38] Dat verhaal was zo met de werkelijkheid in strijd dat het al snel nergens meer enig geloof vond. Zelfs de Nederlandse gezant in Istanbul was direct van mening dat het hier om loze praatjes ging. Evenmin trouwens kunnen we aannemen dat de Turken door de listen van de Geallieerden geen flauw idee hadden van wat er gaande was. Travers haalt in zijn boek een boodschap aan van Liman von Sanders waarin de Duitser spreekt over duidelijke tekens van een ophanden zijnde ontruiming. Op 29 november verbood hij Atatürk een aanval op de Anzacs uit te voeren omdat die binnen korte tijd met veel minder zouden zijn dan op dat moment.[39] De Turken waren overigens al eerder dan Travers aangeeft ervan op de hoogte dat er een evacuatie op komst was. In het in het Engels uitgegeven dagboek van luitenant Mehmet Fazi schrijft deze op 27 november dat hij in de krant de Tasvir van twaalf november leest over een debat in het Hogerhuis in Londen waar een rapport over een mogelijke terugtrekking werd besproken.[40] Op basis daarvan verwachtte de luitenant dat het gauw zou gebeuren en hij was er hartgrondig blij mee. Het zal hier gegaan zijn over de vragen die lord Ribblesdale had gesteld en door minister Lord Landsdowne waren beantwoord. Een verslag hiervan was in de Engelse pers verschenen en door de kranten in andere landen overgenomen.[41] Het werd overigens zo onwaarschijnlijk gevonden dat dit ongecensureerd in de krant was verschenen dat de Duitsers en Turken aanvankelijk dachten dat het van de kant van het Engelse leger een bewuste poging tot misleiding moest zijn.

Volgens een andere theorie zou er tussen de partijen een geheime afspraak over de ontruiming zijn gemaakt. Terecht schrijft Tuncoku dat dit wel heel onwaarschijnlijk is, omdat vooral Duitsers en Turken dit alleen al om propagandaredenen niet stil gehouden zouden hebben.[42] Hij suggereert dat de Turken, evenals de Geallieerden geen mankracht op de andere fronten meer konden missen en dat zij er daarom voor gekozen hadden te doen alsof zij niets in de gaten hadden. Travers betwist dit. Hij zegt dat de Turken misschien geen massale infanterieaanval hadden ingezet wanneer ze precies van het moment op de hoogte waren geweest, maar ten minste artillerie zouden hebben gebruikt. Dat lijkt een redelijke veronderstelling. Bovendien wordt Tuncoku’s stelling niet ondersteund door het gegeven dat Liman von Sanders in zijn boodschap aan Atatürk expliciet schreef dat een nieuwe aanval pas mogelijk zou zijn op het moment dat er verdere, duidelijke signalen van verandering in de situatie van de vijand zouden zijn. Volgens de Duitse veldmaarschalk was de late reactie van de Turkse troepen bij Anzac Cove verklaarbaar door de weersomstandigheden, de geconstrueerde versperringen en de door taalproblemen gebrekkige communicatie tussen de verschillende commandanten.[43] Daarna bleef het voor hem onduidelijk of de Geallieerden ook uit Helles wilden vertrekken.[44] De pogingen van Turkse zijde om het enige Engelse succes van de hele campagne ook nog onderuit te halen lijken dan ook niet met de waarheid overeen te komen. Dat wordt nog eens bevestigd door analyses van hun Duitse bondgenoten want deze hadden immers belang bij de propagandistische functie van de Turkse versie. Niet lang na de evacuatie echter concludeerde de Duitse generaal-majoor Von Richter dat er geen sprake van een Turkse aanval geweest kon zijn en de planning van Engelse zijde was geweest.[45] De geringe hoeveelheid buit die in handen van de Turken viel was daarbij voor hem al afdoende bewijs naast een aantal andere argumenten. De bewering van Von Sanders dat wel een enorme hoeveelheid materiaal was achtergelaten is dus alleen in zoverre waar dat het om onbruikbaar materiaal ging.[46]

Vanaf 18 maart 1915 tot nu toe is Gallipoli voor Turkije van grote betekenis geweest. Het door de Balkanoorlogen danig geschonden vertrouwen in eigen militair kunnen is enorm vergroot in de maanden direct na de aanval op de Dardanellenforten. Daarnaast is een proces van mythevorming, van overigens redelijk ingetogen formaat, op gang gekomen. De Ottomaanse strijdkrachten hebben ongetwijfeld boven verwachting, in ieder geval de geallieerde verwachting, op Gallipoli gestreden. Dat betekent natuurlijk niet dat dit voor alle deelnemers heeft gegolden. Er is in de Eerste Wereldoorlog geen leger geweest waaruit zo veel soldaten zijn gedeserteerd. Eind 1917 was dat al ongeveer 300.000 man.[47] Het overgrote deel van deze massadeserties vond wel plaats op andere fronten dan Gallipoli en het waren vaak andere etnische groepen dan Turken. Toch komt het verschijnsel, zij het in wat kleinere omvang, ook aan het Dardanellenfront voor. Op 25 april hebben de Arabische regimenten van de 19e divisie tegen Anzac slecht gefunctioneerd. Bij Helles heeft onder de Turkse troepen bij V Beach een ordeloze terugtocht plaatsgevonden en begin mei waren ze tot bijna achter Achi Baba gevlucht. Ondanks deze kanttekeningen kan worden gesteld dat over het algemeen en zeker in de verdediging, het Ottomaanse leger zich flink heeft geweerd, dit tegen de verwachting van bijvoorbeeld Hamilton in. Die had, vanuit zijn sociaal-Darwinistische opvattingen verwacht dat hun breekpunt veel eerder zou komen dan bij bijvoorbeeld de geallieerde soldaten. Begin mei schreef hij, dat de door de Duitse commandanten aan de Turken opgelegde strenge discipline niet overeen kon komen met het Turkse karakter en dat waarschijnlijk het punt van instorten voor de Turken spoedig zou worden bereikt.[48]

Het Duitse aandeel

Deze opmerking van Hamilton brengt ons bij een van de laatste mythen die in Turkije opgeld doen. Het betreft het Duitse aandeel in de successen. Het is de vraag of je hier wel van een mythe zou kunnen spreken omdat er eigenlijk niets verkeerds daarover wordt gezegd maar er voornamelijk over wordt gezwegen. Dat is reeds het geval in de redevoering die de Turkse minister van Oorlog op tien januari 1916 in het Turkse parlement hield. Over Duitse militaire steun wordt door hem vrijwel niet gerept.[49] In de eerder genoemde documentaire van Tolga Ornek wordt de aanstelling van Liman von Sanders als commandant van het Vijfde Leger wel even genoemd maar er wordt niet verder ingegaan op de rol die de Duitsers in het totaal speelden. Dat is niet terecht omdat tijdens vrijwel alle belangrijke Turkse acties Duitsers bij de leiding ervan betrokken waren. Dat was bijvoorbeeld het geval bij de succesvolle vaart op acht maart van de Nusret bij het leggen van het zo succesvolle mijnenveld in de Eren Kevi Baai. De Duitse mijnexpert luitenant-kolonel Geehl zorgde voor een juiste plaatsing.[50] In het marinemuseum van Chanakkale is behalve een prachtige kopie van het schip veel informatie te vinden over de bemanning en de heldhaftige kapitein Hakki Bey. De aanwezigheid op het schip van een Duitse mijnexpert is in het museum niet te achterhalen. Er wordt evenmin melding gemaakt van het feit dat de zo succesvolle torpedering op twaalf mei van de Goliath in Morto Bay, door een Turkse torpedoboot geschied is onder leiding van de Duitse marineofficier Firle. Het Turkse leger op het Hellesfront werd eerst door de Duitser kolonel Von Sodenstern aangevoerd en na diens verwonding op vijf mei door kolonel Weber. Verder waren er belangrijke rollen van respectievelijk majoor Willmer bij Suvla en de artillerist Von Wehrle met zijn houwitzers, bij de verdediging van de Dardanellen.[51] De beschikbare cijfers over de Duitse militaire aanwezigheid in Turkije zeggen ook genoeg. Zo waren er bij het begin van de oorlog zeventig Duitse officieren verbonden aan de militaire missie in Istanbul. Aan het eind waren er dat achthonderd.[52] In oktober 1914 kwam vice-admiraal Guido von Usedom bij de Dardanellen aan. Samen met hem reisden 500 verbindingsmensen, mijn- en artillerie-experts.[53] Ook de aantallen die kapitein Carl Mühlmann, de adjudant van Von Sanders noemt laten zien dat een behoorlijk aantal Duitsers in Turkije meevocht. Volgens hem waren er in het begin van 1915 170 betrokken bij de verdedigingswerken van de Dardanellen.[54]

Fort Kilit Bahir
Fort Kilit Bahir

Er waren dus niet zo veel Duitsers, maar zij waren wel op alle belangrijke plaatsen en in essentiële commando’s aanwezig.[55] In de Angelsaksische historiografie wordt de rol van de Duitsers meer over- dan onderschat. Al eind 1914 vertelde Sir Edward Pears bij zijn aankomst in Londen uit Istanbul dat er niet minder dan 4.000 Duitse officieren en manschappen in het Turkse leger zaten.[56] Dat is ongetwijfeld een veel te hoge inschatting geweest. Omgekeerd wordt, zoals gezegd, het Duitse aandeel in de Turkse historiografie eerder verzwegen dan geringschattend behandeld. Dat is geen wonder want de Duitse deelname is vanaf het begin problematisch geweest. Liman von Sanders schrijft zelf in zijn herinneringen aan zijn tijd in Turkije dat er aan het eind van de oorlog veel te veel van zijn landgenoten rondliepen, omdat de Turken dat niet zagen zitten. Hij vond het psychologisch niet juist dat de Duitse aanwezigheid al te zichtbaar was. In zijn recente studie over het Ottomaanse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog stelt Erickson dat het juist een mythe is dat de Duitsers de Turkse operaties commandeerden.[57] Dat is een onhoudbare stelling. Er waren op Gallipoli nu eenmaal veel Duitse officieren op belangrijke posities. Het Vijfde Leger werd van maart 1915 tot februari 1918 door Duitse commandanten beheerst.[58] Atatürk zelf heeft ooit gezegd dat Turkse politici na de Balkanoorlogen het leger overgeleverd hadden aan de Duitse militaire missie.[59] De stafchef van zijn eigen divisie, majoor Izzettin, schreef op 31 maart 1915 in zijn dagboek dat het ernaar uitzag dat de Duitsers het commando over de verdediging van de Dardanellen helemaal in eigen handen wilden hebben.[60] Liman von Sanders heeft nog geprobeerd in mei deze majoor te vervangen door de Duitse majoor Reimond, ook weer een duidelijk symptoom van de dominante Duitse aanwezigheid.[61] In de Duitse militaire bladen uit die tijd wordt opvallend genoeg niet veel aandacht aan hun optreden gegeven. Dat zal wel samenhangen met de wens van Liman von Sanders om daarmee de Turkse bondgenoot zo weinig mogelijk te confronteren.

Dat worden bezoekers aan het Vredespark nu nog steeds niet. Er zijn geen monumenten die aan de Duitse deelname herinneren. Begraafplaatsen van gesneuvelde Duitsers zijn ook niet aanwezig. Tijdens de oorlog waren er Duitse graven met een gedenkteken op de heuvel bij het dorp Kilia. [62] Waarschijnlijk zijn later de stoffelijke overschotten overgebracht naar de Duitse begraafplaats in Tarbya, ten noorden van Istanbul aan de Bosporus. Het enige monument dat aan Duitse aanwezigheid herinnert is een grafmonumentje van een Duitse verpleegster Erika.

Nawoord

Negentig jaar na de oorlog in Gallipoli is die oorlog en de herinnering daaraan nog voortdurend in Turkije in het nieuws en, in het bijzonder in Australië en Nieuw-Zeeland. De Turkse regering onderhoudt innige kontaken met de Australische en Nieuw-Zeelandse regering. In 2005 hebben de regeringsleiders elkaar zowel in Turkije als in Australië en Nieuw-Zeeland ontmoet en in bijna elke toespraak wordt verwezen naar de strijd in Gallipoli en de vriendschap die er, mede door die oorlog nu tussen de landen bestaat. Een probleem ontstond in het voorjaar van 2005 toen er, volgens onder meer een Australische journalist bij wegwerkzaamheden in de omgeving van het slagveld bij Anzac nogal slordig met menselijke resten zouden zijn omgesprongen. De Australische politiek schudde op haar grondvesten en een commissie van de Australische senaat onderzocht het gebeuren met als resultaat: een lijvig rapport van meer dan 200 bladzijden met daarin een meerderheids- en minderheidsstandpunt.63] Het was een heikele operatie aangezien men de vriendschap met Turkije niet op het spel wilde zetten. Een en ander speelde zich tenslotte natuurlijk wel af op Turks grondgebied. Aangezien Turkije, mede vanwege het snel groeiende binnenlandse en buitenlandse toerisme naar het eiland, van plan is in het gebied de infrastructuur aan te passen zijn nieuwe problemen niet uit te sluiten. Het land gaat intussen onverminderd voort met het warm houden van de collectieve herinnering aan Chanakkale. Naast de Turkse aanwezigheid bij de Anzac-herdenking op 25 april dit jaar, herdenkt het de oorlog op achttien maart, de dag van de zeeslag. Ook negen augustus - de dag dat de Turken erin slaagden, ook na de nieuwe geallieerde landingen op Suvla Bay, de vijand tegen te houden - wordt nu in Turkije herdacht. Negen augustus wordt gevierd als ‘de overwinning van Anafartalar dag’.[64] Om het buitenland een beter inzicht in de Turkse cultuur te geven is onder meer het al genoemde boek van Buket Uzunur over Gallipoli uitverkoren.[65] Maar er zijn ook kritische geluiden te horen. De alom geprezen Turkse documentaire van Tolga Ornek zou beledigend zijn voor Atatürk en de Turkse martelaren.[66] De leider van de belangrijkste Turkse oppositiepartij, Kemal Anadol vindt dat in het vredespark in Gallipoli juist veel te weinig aandacht is voor de rol van Atatürk.[67]. Er zal dus voorlopig geen einde komen aan de mythevorming over Gallipoli. Eventuele veranderingen in de politieke verhoudingen zullen de visies over Chanakkale blijven beïnvloeden .


Wij danken Prof. dr. E. J. Zürcher voor zijn commentaar op een eerdere versie van dit artikel.

[1] M. Gilbert, ‘Churchill and Gallipoli’ in: The Straits of War. Gallipoli Remembered (Gloucestershire, 2000) 126.

[2] Zie over deze beraadslagingen M. Kraaijestein/P. Schulten, ‘De strijd om de Dardanellen’, in: H. Andriessen e.a. (red.), De Grote Oorlog. Kroniek 1914-1918 5 (Soesterberg, 2004) 298-327.

[3] M. Gilbert, Straits of War, xvi. De schattingen lopen in de diverse bronnen nogal uiteen.

[4] Zie:John Gallishaw, Trenching at Gallipoli. A Newfoundland Soldier’s Story of the First World War (St.Johns’s, zj) 2nd edition, originally published in 1916.

[5] Zie de artikelen over het Turkse geschiedenisonderwijs in C. Koulouri (ed.), Clio in the Balkans. The Politics of History Education (Thessaloniki, 2000).

[6] Turkse publicaties over Gallipoli zijn veel minder dan een half procent van alles wat er in totaal over Gallipoli is verschenen. E.J. Zürcher, Between Death and Desertion. The experience of the Ottoman soldier in World War I’, Turcica. Revue des Études turques. peuples langues cultures États 28 (1996) 236.

[7] Met name door Enver en Talat.

[8] Over de acht artikelen van dit verdrag zie E.J. Zürcher, Turkey. A modern history (Londen, 1993) 117.

[9] Dennis Winter, Haig’s Command (Penguin, 1992) 248.

[10] C.G. Aspinall-Oglander, History of the Great War, based on Official Documents: Military Operations: Gallipoli: May 1915 to the evacuation, Volume 2. (Londen, 1932)I, 485-486.

[11] A. Mango, Atatürk (Londen, 1999) , 505.

[12] A. Mete Tuncoku, Chanakkale 1915. The body of the iceberg (Ankara, 2005) 139. Waarschijnlijk nog steeds het meest geciteerde gedicht is ‘Aan de martelaren van Chanakkale’ van Mehmet Akif met de bekende regels: ‘wie kan een graf graven dat groot genoeg voor jullie is, de geschiedenis zelf kan jullie niet bevatten.’

[13] Yulug Tekin Kurat, ‘Perspectives on the Gallipoli Campaign’, The Gallipoli Campaign. International Perspectives 85 Years On (Chanakkale, 2002) 92.

[14] Ulug Igdemir, Atatürk and the Anzacs (Ankara, 1985) 36 e.v.

[15] Omgekeerd is op het Kemal Ataturk Memorial in Canberra en Wellington dezelfde tekst aangebracht.

[16] A. Mete Tuncoku, Anzaklarin Kaleminden Mehmetcik (Ankara, 2005) 186.

[17] Zie ook Tim Travers, Gallipoli 1915 ( Glouchestershire, 2001), 259.

[18] J. Giraudoux, Carnet des Dardanelles (Parijs, 1969) 97.

[19] De lotgevallen van deze compagnie, vrijwilligers afkomstig van het landgoed van de Engelse koning Sandringham, vormen het onderwerp van de speelfilm ‘All the King’s men’ uit 2001.

[20] A Mete Toncoku,. Anzaklarin, 207

[21] Zie bijvoorbeeld: Foster, J, ‘No-man’s-land has two sides: a view for children of Gallipoli, 1915, from the Turkish and Australian trenches’, Bookbird, 41 2003, (4), 21-27.

Foster analyseert twee kinderboeken over Gallipoli namelijk M. S. Ural, Candles at Dawn (Ankara, 2000) en A. Facey, A fortunate life (Ringwood, 1981).

[22] Foster, ‘children of Gallipoli, 25.

[23] sunday.ninemsn.com.au/sunday/,30-10-2005 (website bestaat niet meer).

[24] Tuncoku, Anzaklarin, 213-370.

[25] G.S. Patton jr. (Lieutenant-Colonel), The Defense of Gallipoli. A General Staff Study (1936), 67.

[26] Een aantal voorbeelden hiervan in Travers, Gallipoli, 259-262.

[27] Zürcher, ‘between death and desertion’, 256.

[28] G.S. Patton jr. The Defense of Gallipoli.

[29] Verdere onderbouwing van de twijfel aan de woorden van Atatürk ‘ik beveel jullie te sterven’ in Mango, Atatürk , 146-147.

[30] Kevin Fewster e.a., Gallipol The Turkish story (Crows Nest,2003i, 117

[31] Contra: Edward J.Erickson, Ordered to die A History of the Ottoman Army in the First World War (Westport, 2001), xviii. Erickson is van mening dat Turkse bronnen de rol van Atatürk niet overdrijven.

[32] Travers, Gallipoli, 104.

[33] In een recente Turkse beschrijving staat dat Atatürk naar het hoofdkwartier van Esad Pasha bij Maidos ging om hem aan te sporen met elke beschikbare man aan te vallen. Daarom gaf Esad hem het resterende regiment van de 19e divisie en maakte hem commandant van het hele Sari Bair front. M. Ashkin, Gallipoli. A Turning Point (Chanakkale, 2002) 21.

[34] Mango, Atatürk, 150.

[35] Buket Uzuner, The Long White Cloud - Gallipoli (Everest, 2004) 203.

[36] Ibid. 292.

[37] Over het vuur van fort Rumeli zie P. Nikiel, ‘Was it possible to renew the naval attack on the Dardanelles succesfully the day after the 18th March?’ The Gallipoli Campaign. International Perspectives 85 Years On (Chanakkale, 2002) 112-113.

[38] Zie de telegrammen van het Duitse persbureau Wolff uit Konstantinopel in de NRC van 21-12-1915.

[39] Travers, Gallipoli, 278.

[40] Bloody Ridge (Lone Pine) Diary of Lt. Mehmed Fasih. Imperial Ottoman Army Gallipoli 1915 (Istanbul, 1997) 130.

[41] O.a. in de NRC van 20-11-1914 in de rubriek De Oorlog.

[42] Tuncoku, Chanakkale, 127.

[43] Limon Von Sanders, Fünf Jahre Türkei (Berlin, 1919) , 97 e.v.

[44] Ibid. 130.

[45] Von Richter, ‘Das Ende des Dardanellen-Unternehmens’ 115-117.in Jahrbücher für die deutsche Armee und Marine, 1916

[46] Liman Von Sanders, Fünf Jahre, 134..

[47] Ibid. 241. De massadesertie wordt overigens door Erickson als mythe afgedaan. Erickson, Ordered to die, xvii.

[48] In brieven aan Kitchener van 5 en 26 mei. Hamilton Papers, King’s college London.

[49] Oorlogskroniek, Dagboek van den oorlog soldatenbrieven oorlogsillustraties, augustus 1915-juli 1916,(zp, zj) 32 e.v.

[50] Liman Von Sanders, Fünf Jahre, 75.

[51] Ibid, 71-86.

[52] Ibid, 32-33.

[53] Edward J.Erickson, Ordered to die A History of the Ottoman Army in the First World War (Westport, 2001), 77.

[54] C. Mühlmann, Der Kampf um die Dardanellen (Offenburg, 1927) 51.

[55] Ibid. 41. Volgens Mühlmann zijn er in de loop van de hele oorlog 15000 Duitsers in Turkse dienst geweest. Ulrich Trumpener denkt aan 25.000. (zie noot 58)

[56] Daily News, 22 december 1914.

[57] Erickson, Ordered to die, xvii.

[58] Zie U. Trumpener, ‘Suez, Baku, Gallipoli: The Military Dimensions Of The German-Ottoman Coalition, 1914-1918’, in K. Neilson en R.A. Prete (eds.), Coalition Warfare. An Uneasy Accord (Waterloo, 1983) 34. Trumpener geeft wel aan dat het een uitzondering is. In de meeste Ottomaanse Legers waren er meer Turkse dan Duitse commandanten gedurende de hele oorlog.

[59] Mango, Atatürk, 127.

[60] Geciteerd in Mango, 145.

[61] Ibid. 147. Atatürk Kemal slaagde erin dit te voorkomen.

[62] P. Schweber, Im Türkischen Hauptquartier (Leipzig, 1936) 115.

[63] Rapport van de Finance and Public Administration References Commitee van de senaat van Australië., Parliament House, Canberra, oktober 2005

[64] Turkish Daily news, 11 augustus 2005 (Webmaster: Website www turkishdailynews com tr bestaat niet meer.)

[65] Turkish Daily news, 2 juli 2005

[66] Turkish Daily news, 30 maart 2005

[67] Turkish Daily news, 17 mei 2005

overzicht: