Op zoek naar het wapen....Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 2 Wetenschappers in het oorlogsproces

Wetenschappers en militairen

Drijvend op de golf van de industriële revolutie ontstond aan het eind van de negentiende eeuw de klasse van de wetenschappers die als het ware in hun eigen wereld leefden. Wetenschappers die naarstig op zoek waren naar nieuwe kennis om de natuur te begrijpen zoals het verschijnsel elektriciteit en de bouw van het atoom. Daarnaast de ingenieurs en uitvinders die op hun beurt op zoek waren naar nieuwe manieren om de verworven kennis toe te passen in het leven van elke dag.

De relatie tussen wetenschappers en militairen was en is geen eenvoudige.[i] Hun werelden liggen nu eenmaal uit ver elkaar. De wetenschappelijke cultuur is gericht op ontdekkingen en is in essentie niet-hiërarchisch. Wetenschappelijke vondsten kunnen nu eenmaal niet op commando verkregen worden en in principe is niets heilig, alles kan ter discussie gesteld worden. Het ‘Eureka’ uitgeroepen door Archimedes tijdens het nemen van een bad is nog altijd het stereotype beeld behorend bij een ontdekking. Wetenschappers en uitvinders zijn geïntrigeerd door het onbekende en hebben vaak een lange termijn oriëntatie. En zeker in de tijd aan het begin van de twintigste eeuw toen de wetenschap nog als puur werd beschouwd waren de uitkomsten secondair. Bovendien als een experiment mislukt is dat niet zo’n ramp want dat creëert op zichzelf al weer de vraag waarom het mislukte. Wetenschap heeft een internationaal karakter en wetenschappers houden van congressen om hun resultaten naar buiten te brengen. Dat schept een internationale band die door een oorlog radicaal verbroken kan worden. Dat was zo rond 1900 en is feitelijk nog steeds zo.

Solvay Congres
De top van de internationale natuurwetenschappers verzameld tijdens het eerste
Solvay-congres in Brussel in 1911.[ii] Onder meer Walther Nernst (Duitser, zittend links),
Max Planck (Duitser, staand, tweede van links), Frederick Lindemann (Brit, staand,
vijfde van links), Marie Curie (Française, zittend, tweede van rechts) en Ernest Rutherford
(Nieuw-Zeelander, staand, vierde van rechts) waren betrokken bij oorlogsactiviteiten.
Verder op de foto Albert Einstein (toen Zwitser, staand, tweede van rechts)
en de Nederlanders Heike Kamerlingh Onnes (staand, derde van rechts)
en Hendrik Lorentz (voorzitter, zittend, vierde van links).

Vooral tussen de Duitse en Britse natuurwetenschappers bestonden in het begin van de twintigste eeuw sterke banden. Toen Fritz Haber nog professor was aan de Technische Universiteit van Karlsruhe had hij verschillende Britse medewerkers zoals Robert Le Rossignol, die een belangrijke rol heeft gespeeld in het onderzoek naar de synthese van ammoniak in 1908-1909, en Joseph E. Coates, die na Habers dood een uitgebreid herdenkingsartikel over hem zou schrijven.[iii] Andersom had de prominente Nieuw-Zeelandse natuurwetenschapper Ernest Rutherford (1871-1937) aan de universiteit van Manchester Duitse studenten als Otto Hahn en Hans Geiger die later zijn naam zou geven aan de Geigerteller om radioactieve straling te meten.[iv] Geiger was officier in het Duitse leger, in 1915 net als Hahn zelfs lid van de Duitse gastroepen, maar dat weerhield Rutherford er niet van met hem te corresponderen in het begin van de oorlog.[v]

De militaire wereld is eigenlijk in alles het tegenover gestelde van de academische wereld. Deze is strikt hiërarchisch en nationaal georiënteerd zeker in de tijd van de Eerste Wereldoorlog. Informatie over de middelen en de methoden van het oorlogsproces worden doorgaans gerubriceerd en zeker niet in internationaal verband op congressen besproken. Geheimhouding is meestal essentieel. De militair houdt in de regel niet van verrassingen, streeft ernaar alles onder controle houden en zal onbekende terreinen niet graag betreden. De militaire organisatie is verder gericht op resultaat met een korte termijn visie. Een veldslag moet nu eenmaal zo snel mogelijk gewonnen worden en de resultaten zijn cruciaal. Discussie ten tijde van een veldslag is hoogst ongebruikelijk en ongewenst, de veldheer moet nu eenmaal gehoorzaamd worden omdat het anders een ongecoördineerde bende zal worden. Kort gesteld: de wetenschapper stelt vragen en de soldaat gehoorzaamt.

Voor de Eerste Wereldoorlog was er niet of nauwelijks contact tussen militairen en natuurwetenschappers. Fritz Haber omschreef zijn ervaringen met de militairen eens als volgt: ‘Voor de oorlog leefde de generaal met de geleerden in hetzelfde huis en groette deze weliswaar, maar er bestond verder geen enkele band. Voor de bemiddeling bediende hij zich van de in hetzelfde huis verblijvende industriëlen’.[vi] Door gezamenlijk op te treden ontstond in de loop van de Eerste Wereldoorlog het academisch-militair-industrieel complex. Haber wordt vaak gezien als een van de vaders van dit complex.

Omdat de eigen partij moest winnen in tijden van oorlog hadden allen hetzelfde doel en ontstond er dientengevolge een samenwerking. De militair moest leren inzien dat hij voordeel kon behalen met de introductie van een nieuwe technologie. De wetenschapper moest zich aanpassen aan de militaire wereld en er zou er een sterke druk op hem komen om op korte termijn resultaten te produceren, wat op zichzelf weer een sterke stimulans was. Van vrijelijk commentaar en kritiek leveren waren de militairen doorgaans niet gediend zoals de bekende Britse longarts John Scott Haldane in 1915 ondervond toen hij hogere Britse officieren duidelijk liet blijken van hun ondeskundige reactie na de eerste gifgasaanvallen in april 1915.[vii] Ook werd de vrijheid van de wetenschapper beperkt, internationale contacten moesten ophouden en geheimhouding werd belangrijk. Internationale congressen werden niet meer georganiseerd. Het instituut waar het onderzoek plaats vond werd beveiligd of de militairen verplaatsten het onderzoek naar een afgelegen plaats. Dat was met name het geval in de aanloop tot en tijdens de Tweede Wereldoorlog zoals door de Duitsers voor de raketontwikkeling in Peenemünde en later door de Amerikanen voor het Manhattan project om de atoombom te ontwikkelen. Dat deze beperking van de vrijheid af en toe tot botsingen leidde tussen militairen en wetenschappers is evident.

Rol van de natuurwetenschappers en technologen tijdens de Eerste Wereldoorlog

Wat was nu de rol van de natuurwetenschappers en de technologen in het oorlogsproces tijdens de Eerste Wereldoorlog? Het slagveld was niet de geschiktste plaats voor de wetenschappers en de technologen en wanneer ze ergens al aan het front dienden dan werden ze daar na het eerste oorlogsjaar snel weggehaald. Ze konden hun land beter aan de tekentafel of in een laboratorium dienen zoals Ernest Rutherford in 1915 in het tijdschrift Nature schreef nadat een welbelovende jonge leerling van hem, de atoomfysicus Henry Moseley (geboren in 1887), op 10 augustus 1915 als jong Brits officier in Suvla Bay door een Turkse kogel werd getroffen.[viii]Lering trekkend uit dit voorval had de Britse regering voorafgaande aan de Tweede Wereldoorlog een lijst opgesteld met ongeveer vijfduizend wetenschappers uit de universiteiten en de industrie wiens diensten men dacht te kunnen gebruiken.[ix]

De rol van de wetenschappers en de technologen was divers en enigszins diffuus; ze vochten noch fabriceerden. Legendarische figuren als Manfred von Richthofen (Der Rote Baron) of Thomas E. Lawrence (Lawrence of Arabia) zijn uit hun rangen niet voort gekomen. In vergelijking met de miljoenenlegers en de miljoenen arbeiders in de oorlogsindustrieën was hun aantal weliswaar gering, maar de gevolgen van hun daden en hun invloed waren soms relatief groot. Ze werden ingezet waar er ergens een probleem was in de wapenindustrie zoals de chemici bij de munitieproductie en bij de inzet van chemische wapens.[x] Gezien de enorme vraag naar munitie en de overheersende rol van de artillerie op het slagveld was de munitieproductie van het grootste belang. Fysici die zich voor de oorlog bezig hielden met fundamenteel onderzoek werden op meer praktische onderwerpen gezet zoals radiocommunicatie of detectie van de vijandelijke artillerie, vliegtuigen of onderzeeboten. Gezien de voortschrijdende mechanisering van de middelen waren er altijd genoeg problemen op te lossen voor de werktuigbouwkundige ingenieurs. Wetenschappers waren uiteraard niet alleen bezig met wapenontwikkeling, maar ook met het bedenken van tegenmaatregelen tegen de wapens van de tegenstander. De militaire top nam echter altijd de beslissing over het invoeren van hun voorstellen en de eigenlijke productie van de middelen lag bij de industrie. Naast advies aan de militairen en de industrie waren ze verder betrokken bij het implementeren van nieuwe wapens en het trainen van de militairen in het gebruik daarvan. De jongeren waren sinds het begin van de oorlog veelal in militaire dienst of in opleiding en werden vervolgens aan de tekentafel of in de laboratoria gezet; een militair uniform in een laboratorium was tijdens de Eerste Wereldoorlog geen vreemd gezicht meer. De professoren, meestal te oud om voor militaire dienst op te roepen, namen zitting in allerlei technische en wetenschappelijke commissies om plannen en ontwerpen te beoordelen en bleven zonder een formele band met het militaire apparaat.[xi] Een enkeling onder hen, zoals Fritz Haber, trad op gevorderde leeftijd opnieuw toe tot de krijgsmacht.

Veldlab UK
Toegepaste wetenschap in uniform. Een Brits veldlaboratorium onder
leiding van een officier aan het westelijk front om zo snel mogelijk de
chemische vullingen van Duitse gasgranaten te kunnen analyseren.

Wetenschappers en ethiek

De vraag kan gesteld worden of ethiek eigenlijk wel een rol speelde tijdens de Eerste Wereldoorlog die enorm gewelddadig was. Al sinds de inval van de Duitsers in België in augustus 1914 was er sprake van bruut en beestachtig optreden tegen de burgerbevolking. De haat tussen de strijdende partijen was enorm. De Franse schrijvers Stéphane Audoin-Rouzeau en Annette Becker hebben in een recent boek nog eens nadrukkelijk opgewezen op het optredende extreme geweld tijdens een veldslag bij de gevechten van man tegen man.[xii] De tegenpartij moest gewoon gedood en uitgeroeid worden. Het bekende haatgedicht tegen Engeland van de Duitse dichter Ernst Lissauer uit 1914 verbleekt bij de boodschap die de bisschop van Londen de naar Frankrijk vertrekkende mannen meegeeft om maar zoveel mogelijk Duitsers te doden, de goeden zowel de kwaden, de jongen zowel de ouden, en zo ging het nog wel even door.[xiii], [xiv] En aan Duitse of Franse kant waren er de nodige geestverwanten die hetzelfde riepen om God en verdoemenis af te roepen. Kan in een dergelijke context dan nog gesproken worden over een aparte, ethische verantwoordelijkheid van een wetenschapper of wapenontwikkelaar tijdens de Eerste Wereldoorlog? Net als de soldaat was hij er van overtuigd dat zijn kant hoe dan ook moest winnen.

Het is opmerkelijk dat de wetenschappers ondanks hun kritische instelling en internationale georiënteerdheid vrijwel unaniem voor de eigen kant kozen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Dit gold niet alleen voor de natuurwetenschappers maar voor alle wetenschappers. Hetzelfde verschijnsel deed zich voor bij de Socialistische Internationale waar ook gekozen werd voor de eigen natie.[xv] Zo stelden in Duitsland drieënnegentig wetenschappers, cultuurdragers en kunstenaars in oktober 1914 het manifest An die Kulturwelt op. Het was een verweerschrift tegen de beschuldigingen aan het adres van Duitsland en de ontkenning van de Duitse wandaden tijdens de inval in België (vele paragrafen startten met Es ist nicht wahr…). Tevens werd nadrukkelijk verklaard dat er zonder het Duitse militarisme geen Duitse cultuur meer zou bestaan.[xvi]

De natie riep zijn wetenschappers en ze beantwoorden de vraag massaal bevestigend net als de honderdduizenden Britse burgers die zich in 1914 aanmelden bij het Britse leger na de oproep (Your country needs you) van Lord Kitchener, de minister van Oorlog. De uitzonderingen zijn zo beperkt dat aan hen vaak meer aandacht wordt besteed vooral wanneer het om de bekendste natuurwetenschapper van de twintigste eeuw, namelijk Albert Einstein (1879-1955), gaat. Einstein, hoewel Duitser van geboorte, kon het zich veroorloven met zijn Zwitsers paspoort zich terug te trekken in het isolement van de wetenschap. De wereld dankt daar de algemene relativiteitstheorie aan. Een enkele keer liet hij in het openbaar zijn afkeer van de oorlog blijken, maar was toch voornamelijk passief, volgde trouw de vergaderingen van de nationalistisch ingestelde Pruisische Academie der Wetenschappen en verliet Berlijn niet. Bovendien heeft Einstein bescheiden bijgedragen aan de Duitse oorlogsinspanning door zijn bemoeienissen met het gyrokompas van de firma Anschütz in Kiel. Dit gyrokompas werd toegepast in schepen van de Duitse marine, waaronder onderzeeboten. Een wetenschapper die zich liet boeien door de problemen van de gyrotechniek en daardoor even zijn pacifisme vergat? Einstein trok geen grens tussen zuiver fundamenteel onderzoek en toegepaste wetenschap ook al kon die wetenschap leiden tot een toepassing in een vernietigend wapensysteem.[xvii]

De passieve houding van Einstein stond in scherp contrast met die van Madame Marie Curie (1867-1934) die, zeker voor de Eerste Wereldoorlog, een grotere faam genoot dan Einstein.[xviii] Madame Curie was een van de weinige vrouwen met een vooraanstaande positie in het mannenbolwerk van de natuurwetenschappen. Poolse van geboorte had ze in Frankrijk pionierswerk verricht op het gebied van de radioactiviteit dat bekroond werd met twee Nobelprijzen (voor fysica in 1903 en chemie in 1911). Na de slag om de Marne in 1914 besloot Madame Curie haar kennis ten dienste te stellen van haar tweede vaderland. Zij realiseerde zich dat Röntgenstraling een enorme hulp betekende voor de medische diensten om slachtoffers door te kunnen lichten voor het opsporen van kogels en stukken granaat, iets waar de Franse militaire geneeskundige dienst zich niet om bekommerde. Hoewel ze geen praktische ervaring had met de Röntgenapparatuur werd in korte tijd een radiologische dienst uit de grond gestampt. Haar doorzettingsvermogen en wil om iets te bereiken waren, net als in de wetenschap, enorm sterk. Ze leerde zelf een auto besturen en een Röntgenapparaat bedienen. Eind oktober 1914 waren de eerste twintig wagens, petites Curies genoemd, ingericht. Meer dan een miljoen gewonde Franse soldaten werden in de loop van de oorlog onderzocht.

Marie-petite-Curie
Een Nobelprijswinnares in de Eerste Wereldoorlog.
Madame Marie Curie aan het stuur van een
petite Curie, een door haar opgerichte
ambulante radiologische dienst.

Eigenlijk pas vele jaren na het beëindigen van de Eerste Wereldoorlog hebben sommige wetenschappers hun bedenkingen geuit over hun inzet in die oorlog. Vooral het gebruik van gifgassen heeft aanleiding gegeven tot een discussie over de ethiek van bepaalde wapens en de rol die wetenschappers en technologen bij de introductie daarvan speelden. Dat miljoenen soldaten gedood werden door gebrek aan visie van de militaire bevelhebbers, door mitrailleurvuur en artilleriebeschietingen werd kennelijk als behorend bij een oorlog beschouwd, maar gifgassen dat kon eigenlijk niet. Deze reserve komt bijvoorbeeld naar voren in de biografie van Otto Hahn, overigens geschreven na de Tweede Wereldoorlog, toen de ethische discussie over de ontwikkeling van massavernietigingswapens na het gebruik van de atoombom tegen Japan nadrukkelijk speelde.[xix] Fritz Haber heeft de verantwoordelijkheid voor het gebruik van chemische wapens altijd bij de Duitse militaire bevelhebbers gelegd. Hij was de bedenker en de uitvoerder, maar nam niet de beslissingen over de inzet en heeft zich later nooit gedistantieerd van het gebruik van de chemische wapens. Hij verschilt hierin met Robert Oppenheimer na het afwerpen van de atoomwapens op Japan tijdens de Tweede Wereldoorlog. Oppenheimer heeft zich nooit verzet tegen het gebruik van de atoombom, maar hij sprak later wel van het feit dat de fysici de zonde hadden leren kennen. In september 1945 had Oppenheimer een onderhoud met de Amerikaanse president Harry Truman en shockeerde hem met de uitspraak dat ‘er bloed aan zijn handen kleefde’.[xx] Waarop Truman duidelijk stelde dat het bloed alleen aan zijn handen kleefde. De wetenschapper bedenkt en ontwerpt, maar beslist uiteindelijk niet over het gebruik.

Wapenveranderingen tijdens de Eerste Wereldoorlog

In de korte periode van de enkele jaren die de Eerste Wereldoorlog slechts duurde vonden grote technische veranderingen plaats in de wapenuitrustingen van alle strijdende partijen. De Franse infanterie die in 1914 ten strijde trok verschilde eigenlijk nauwelijks van die uit de vorige Frans-Duitse oorlog van 1870-1871. Gekleed in een donkerblauwe kapokjas en een felrode broek vormde de fantessin een fraai mikpunt voor de tegenstander, hij droeg geen hoofdbescherming maar slechts een rode pet en zijn voornaamste wapen was het geweer voorzien van een bajonet. Officieren droegen natuurlijk nog een militair symbool bij uitstek, de sabel, dat van geen enkel praktisch nut was.

Frans leger 1914
Het Franse leger in actie tijdens het begin van de oorlog in 1914.

Hoe anders was de situatie in 1917 wanneer de gevechtskleding is aangepast aan de omgeving (le horizon bleu), persoonlijke beschermingsmiddelen als de helm (casque Adrian) en het gasmasker zijn ingevoerd en nieuwe wapensystemen zoals de Schneider tank in gebruik zijn genomen. Eigenlijk wijkt het beeld van een Frans tank corps bij de voorbereiding van het offensief bij Le Chemin des Dames in het voorjaar van 1917 nauwelijks af van de beelden van een Frans tank corps uit het voorjaar van mei 1940 tijdens de slag om Frankrijk. De foto’s illustreren de versnelling in de technische evolutie tijdens een oorlog.

Frans leger 1917
Het Franse leger in 1917 bij de voorbereiding voor het offensief bij Le Chemin des Dames.
De afgebeelde Schneider tanks waren voorzien van een 75 mm kanon en twee mitrailleurs.

De Eerste Wereldoorlog ontwikkelde zich in hoge mate tot een technologische oorlog. Tijdens deze oorlog werden zowel bestaande wapens verbeterd als nieuwe geïntroduceerd.[xxi] Innovaties van de ene partij werden echter door de tegenpartij overgenomen, verbeterd of er werden tegenmaatregelen bedacht. Aan deze vicieuze cirkel viel niet te ontsnappen en dat werd een sterke drijvende kracht om continu te blijven streven naar verdere innovaties.

Door verbeterde chemische en metallurgische processen werden munitie en kanonnen verder ontwikkeld zodat de artillerie op nog grotere afstand de vijandelijke troepen of stellingen kon beschieten of met een nog zwaarder type granaat kon bestoken. Zo ontwierp een team ingenieurs van de Duitse kanonnenfabrikant Krupp een lange afstand geschut (het ‘Parijs-kanon’) dat in 1918 Parijs kon bestoken met granaten van 120 kg over een afstand van rond de 130 km. Daarnaast werd speciaal kleiner geschut zoals loopgraafmortieren ontworpen. Kleine infanteriewapens zoals geweren, machinegeweren, (rook)bommen en handgranaten werden continu verbeterd. Gas, de tank en de vlammenwerper waren de nieuwe wapens die bedacht werden om de patstelling van de loopgravenoorlog aan het westelijk front te doorbreken. Het gemotoriseerde transport naar de frontlinie werd enorm verbeterd en verving steeds meer het paard in de logistiek. Daarnaast werd het vliegtuig een belangrijk wapen, eerst als onderdeel van de infanterie maar in de loop van de oorlog als een zelfstandige eenheid die vooral voor de verkenning steeds belangrijker werd. Het vliegbereik werd uitgebreid zodat lange afstandsvluchten mogelijk waren en in 1917 begonnen de Duitsers met hun Gotha-vliegtuigen Londen te bombarderen. De technologie maakte het mogelijk dat een nieuw schandelijk fenomeen, het strategisch bombardement, zijn intrede in de oorlogvoering deed met als gevolg dat de Britse bevolking niet langer meer veilig op hun eiland was. Door de Duitsers werd de onderzeeboot tot een machtig wapen gevormd, iets dat het Britse Rijk bijna tot capitulatie bracht. Het valt buiten de scoop van dit artikel om ieder van deze technologische vernieuwingen in detail te bespreken. Daarbij was er meestal geen sprake van fundamenteel nieuwe wetenschappelijke ontdekkingen, maar eerder een versnelde uitwerking van al bestaande ideeën. Hier zal kort ingegaan worden op gifgas en de tank als voorbeelden van de introductie van nieuwe wapens en de rol van de ontwikkelaars daarin. Aan de hand daarvan is duidelijk te zien hoe de middelen van de krijgsvoering tijdens de Eerste Wereldoorlog aan het veranderen waren.

Uiteindelijk zouden de geallieerden in 1918 met de nieuwe middelen en de juiste methoden om ze te gebruiken de patstelling van de loopgravenoorlog doorbreken. De dag van 8 augustus 1918 - ‘De zwartste dag voor het Duitse leger’ - wordt daarbij als het keerpunt beschouwd. Op die dag werden, na een aanval met een goed samenspel van mensen (infanterie) en middelen (artillerie, tanks, vliegtuigen), de Duitsers terug gedrongen tijdens de zogenoemde tweede slag om de Somme. Het is wel wat te eenvoudig om te stellen dat de geallieerden eindelijk de goede methode van het oorlogsproces hadden gevonden, maar na 8 augustus 1918 besefte de Duitse legerleiding dat het de oorlog niet meer kon winnen.[xxii]

Gifgas

Op 22 april 1915 begon aan het westelijk front een nieuwe slag rond Ieper, waarbij de Duitsers ongeveer 150 ton aan chloorgas uit circa zesduidend cilinders liepen ontsnappen richting hun Franse vijanden die volkomen verrast werden, aanzienlijke verliezen leden, in paniek raakten en vervolgens kilometers terrein prijsgaven. De cilinders waren weken voorafgaande aan de aanval ingegraven door speciaal gevormde pionierscompagnieën. Aan de geslaagde inzet waren maanden van voorbereidingen vooraf gegaan. Die waren begonnen op initiatief van de toenmalige chef van het leger generaal Erich von Falkenhayn die eind 1914 leidende chemici als Fritz Haber en Walther Nernst vroeg alternatieven te ontwikkelen voor de conventionele oorlogvoering door het munitiegebrek van het Duitse leger. Haber bedacht toen het gebruik van chloor dat in grote hoeveelheden bij de Duitse chemische industrie voorradig was.[xxiii] Het begin van de samenwerking tussen Duitse militairen, wetenschappers en de chemische industrie was veelbelovend. Het leek er in april 1915 op dat de Duitsers een wapen hadden ontwikkeld om de patstelling aan het westelijk front te doorbreken. Men had het wapen wel onder gunstige condities gebruikt, meedrijvend op een zwakke wind, tegen onbeschermde troepen. De methode was dus feitelijk bij de eerste inzet al min of meer optimaal.

Schema gasaanval Loos
De methode van de Britse gasaanval bij Loos in september 1915.
Voorafgaande aan de aanval werden de cilinders in een loopgraaf
geïnstalleerd en het gas diende tijdens de aanval met een
gunstige wind naar de tegenstander te stromen.

Hoewel voor 22 april 1915 al door de Fransen en Duitsers op kleine schaal traangasgranaten waren gebruikt kan 22 april 1915 toch als het begin van de gasoorlog binnen de Eerste Wereldoorlog worden beschouwd. De Fransen en Britten namen het gebruik snel over, wat uiteindelijk er in resulteerde dat de strijdende partijen tot november 1918 elkaar met miljoenen gasgranaten bestookten. Door na de eerste schok van het nieuwe wapen passende tegenmaatregelen te nemen zoals het ontwerpen van een goed gasmasker kon veel van de schadelijke werking te niet worden gedaan. Het gaf tevens de beperkingen van het gaswapen aan. Om de bescherming weer te doorbreken werden steeds krachtigere middelen ingezet. Chloor werd vervangen door het giftigere fosgeen en in juli 1917 werd, opnieuw rond Ieper, voor het eerst mosterdgas gebruikt. Mosterdgas tastte niet alleen de ademhalingswegen aan zoals chloor en fosgeen, maar veroorzaakte eveneens blaarvorming op de huid.

De gasoorlog begon met het leeg laten lopen van gascilinders richting de vijandelijke loopgraaf en de Britten en Fransen kopieerden de Duitse opzet van voorjaar 1915. De Britten ondervonden bij hun eerste gebruik van chloorgas tijdens de slag bij Loos in september 1915 dat de wind naar hun eigen stellingen kon draaien. Om niet afhankelijk te zijn van een gunstige wind werden gascilinders vervangen door gasgranaten en speciale granaatwerpers, zoals de Livens-projector, werden ontworpen om de loopgraven te bestoken. De Britse Livens-projector combineerde de voordelen van een aanval met gascilinders - hoge gasconcentraties te bereiken, maar veel voorbereidingstijd en een gunstige wind nodig - met de voordelen van een aanval met gasgranaten - grotere verrassing mogelijk, maar lagere gasconcentraties te bereiken. Het is tevens een voorbeeld hoe een wapen van de tegenstander kan worden verbeterd. De ontwerper William Howard Livens (1889-1964) was een Britse civiele ingenieur en kapitein in de Royal Engineers, die ook de vlammenwerper in het Britse leger inbracht.[xxiv] Zijn naam leeft voort in zijn wapen. Zijn commandant bij de Special Brigade - de Britse gasbrigade - omschreef hem als iemand die recht op zijn doel afgaat en niet schroomde indien nodig de officiële kanalen te passeren.[xxv] De Livens-projector werd voor de eerste maal ingezet tijdens de slag om Arras in april 1917 om gasbommen met fosgeen af te vuren.

 


[i] Solly Zuckerman, Scientists and War, The Impact of Science on Military and Civil Affairs, London, 1966, Chapter 1, An uneasy alliance.

[ii] Ernest Solvay was een Belgische chemicus en industrieel die in het begin van twintigste eeuw een serie wetenschappelijke conferenties organiseerde. Na de Eerste Wereldoorlog werden de Duitse geleerden geboycot, maar geleidelijk werden ze weer uitgenodigd. In het Solvay-congres van 1927 zaten de Duitser Max Planck en Madame Marie Curie weer naast elkaar voor de groepsfoto. Zie Banesh Hoffmann, Albert Einstein, ‘s-Gravenhage, 1985, p. 199.

[iii] J.E. Coates, The Haber Memorial Lecture, J. Chem. Soc., 1939, p. 1642-1672.

[iv] Ernest Rutherford (1871-1937) deed onderzoek aan atomen en radioactieve straling. Hij wordt wel de vader van de kernfysica genoemd en kreeg de Nobelprijs voor chemie in 1908. Het artikel over Moseley verscheen op 9 september 1915 in Nature. Tijdens de Eerste Wereldoorlog deed hij onder meer onderzoek voor de Board of Invention and Research van de Britse marine op het gebied van de detectie van onderzeeboten. De Allied Submarine Detection Investigation Committee (ASDIC) kwam in 1918 met het prototype van de ASDIC-uitrusting om onderzeeboten op te sporen met geluidsgolven. Na de oorlog werd hij directeur van het beroemde Cavendish Laboratory in Cambridge. ASDIC werd tijdens de Tweede Wereldoorlog het middel voor het opsporen van onderzeeboten.

[v] Een brief aan Rutherford wordt geciteerd in Reid, p. 38.

[vi] Geciteerd uit Szöllösi-Janze, p. 263.

[vii] John Scott Haldane (1860-1936) was in het begin van de twintigste eeuw een bekende Britse longarts. De dag na de grootschalige Duitse aanval met chloorgas op 22 april 1915 rond Ieper, werd Haldane door de Britse regering benaderd voor advies en nader onderzoek naar de effecten van chloor. Intussen had het ministerie van Oorlog, na een oproep van de krant Daily Mail, Britse vrouwen gevraagd om katoenen doeken bedekt met flanel te maken. Tienduizenden werden daarvan binnen enkele dagen al naar het front gestuurd. Gebaseerd op snel uitgevoerd onderzoek waren die katoenen doeken volgens Haldane volstrekt waardeloos als ze droog waren en kon er niet door geademd worden wanneer ze nat waren. Haldane liet de toevoer van die doeken stoppen en liet bovendien de hogere officieren duidelijk blijken van hun ondeskundige reactie na de eerste gifgasaanvallen. Dit werd hem niet in dank afgenomen en ondanks zijn grote expertise op het terrein van de ademhaling en de longen, werd hij niet meer geconsulteerd. Zie Ludwig Fritz Haber, The Poisonous Cloud, Chemical Warfare in the First World War, Oxford, 1986, p. 45, 67.

[viii] Reid, p. 38-39.

[ix] Brian Johnson, De geheime oorlog, Verrassende onthullingen over de geheime wapens van de Tweede Wereldoorlog, Ede, 1979, p. 7-8.

[x] Ondanks de oproep van Rutherford om de kennis van de wetenschappers zo optimaal mogelijk te gebruiken, werden jonge afgestudeerde chemici in de loopgraven ingezet om met gascilinders te sjouwen en gasleidingen aan te sluiten, iets wat een loodgieter beter kon. Een chemisch wapen vereiste in de ogen van de leidinggevende Britse commandanten nu eenmaal de aanwezigheid van chemici. Zie Donald Richter, Chemical Soldiers, British Gas Warfare in World War I, Kansas, 1992, p. 33.

[xi] Dat er af en toe wrijving was tussen de militairen en topwetenschappers blijkt uit een bekende anekdote over Rutherford, die zich verontschuldigde om weer een, in zijn ogen nutteloze, vergadering van de Britse admiraliteit bij te wonen met de mededeling dat hij betrokken was met experimenten om het atoom kunstmatig te splitsen en indien dat waar was dit verschijnsel van veel groter belang was dan een oorlog (zie Johnson, p. 11, Cornwall, p. 84).

[xii] Stéphane Audoin-Rouzeau en Annette Becker, ‘14-‘18, De Grote Oorlog opnieuw bezien, Amsterdam, 2004.

[xiii] De laatste strofe van het gedicht luidt:

Wir haben nur einen einzigen Hass,

Wir lieben vereint, wir hassen vereint,

Wir haben nur einen einzigen Feind: Engeland.

[xiv] Geciteerd uit H.W. von der Dunk, De verdwijnende wereld, Over de cultuur van Europa in de twintigste eeuw, Deel I, Amsterdam, 2000, p. 223.

[xv] In een beschrijving van de keuze voor de eigen natie door de Belgische, Franse en Duitse socialisten spreekt de Amerikaanse historica Barbara Tuchman van ‘Hoe sterk het instinct van de primaire stam nog was’. Zie Barbara Tuchman, De trotse toren, Amsterdam-Brussel, 1978, p. 577.

[xvi] Jürgen von Ungern-Sternberg und Wolfgang von Ungern-Sternberg, Der Anruf „An die Kulturwelt!”. Das Manifest der 93 und die Anfänge der Kriegspropaganda in Ersten Weltkrieg, Stuttgart, 1996. Zie ook de.wikipedia.org/wiki/Manifest_der_93 voor de tekst en de ondertekenaars.

[xvii] Zie onder meer Jürgen Neffe, Einstein, Een biografie, Kampen, 2005, p. 226-227. Niet alle boeken over Einstein vermelden zijn activiteiten voor de oorlogsindustrie tijdens de Eerste Wereldoorlog. Op de website van Raytheon Marine (www.raytheon-marine.de) wordt uitgebreider ingegaan op de rol van Einstein bij de ontwikkeling van het gyrokompas.

[xviii]Eve Curie, Madame Curie, Haar leven en werk, Den Haag, 1980, Hoofdstuk XXI, De oorlog.

[xix] Hahn, p. 117 en p. 127.

[xx] Herken, p. 150.

[xxi] Een goed overzicht van de voornaamste, in de Eerste Wereldoorlog gebruikte wapens, wordt gegeven in Chapter II (Weapons and Tactics) van Philip J. Haythornthwaite, The World War One Source Book, London, 1992.

[xxii] Voor de kritische beschouwing over de betekenis van 8 augustus 1918 en het verloop van de oorlog in 1918 zie J.H.J. Andriessen, De mythe van 1918, De werkelijkheid over de laatste honderd dagen van de Eerste Wereldoorlog, Soesterberg, 2004.

[xxiii] Eric R.J. Wils, Fritz Haber, Een chemicus als krijger, in: Hans Andriessen, Martin Ros en Perry Pierik (red.), De Grote Oorlog. Kroniek 1914-1918, deel 13, Soesterberg, 2007, in voorbereiding. Zie ook Eric R.J. Wils, Fritz Haber - De chemicus die gifgas introduceerde in de Eerste Wereldoorlog, www.wereldoorlog1418.nl/gasoorlog/haber.html. Voor een meer uitgebreide introductie van gifgas in de Eerste Wereldoorlog zie Eric R.J. Wils, Mosterdgas: de koning van de oorlogsgassen, in: Hans Andriessen, Martin Ros en Perry Pierik (red.), De Grote Oorlog. Kroniek 1914-1918, deel 10, Soesterberg, 2006, p. 59-96.

[xxiv] Richter, Chapter 11.

[xxv] C.H. Foulkes, „Gas! „. The Story of the Special Brigade, Edinburgh and London, 1934, p. 87-88, 169.

overzicht: