Op zoek naar het wapen.... Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 3

Schema Livens projector
Een nieuw middel in de gasoorlog: de Britse Livens-
projector om speciale gasbommen af te schieten. De
projector bestond uit een metalen cilinder met onderin
een springlading. De gasbom was voorzien van een
lading die zorgde dat bij inslag het gas vrijkwam.
Door vijfentwintig van deze eenvoudige projectoren
op een rij in de grond te plaatsen en gelijktijdig
af te schieten kon in de vijandige loopgraaf een
hoge gasconcentratie verkregen worden.
Het bereik was minder dan twee km.

Ondanks verbeteringen aan het gaswapen in de loop van de oorlog bleef het uiteindelijk een te beperkt wapen. De tegenstander in de loopgraaf kon er mee uitgeschakeld worden, maar het bleef een statisch wapen en bracht geen mobiliteit. Het uiteindelijke effect van het gaswapen gedurende de Eerste Wereldoorlog was strategisch gezien gering en dus was het niet het technologische middel om de oorlog te winnen. De legers bleven het echter tot het einde toe gebruiken wat resulteerde in ongeveer 90 duizend dodelijke slachtoffers en tussen een half en een miljoen soldaten die op meer of mindere mate door het gifgas waren aangetast. Het geringe aantal dodelijke slachtoffers gaf aanleiding tot de discussie of het gas niet ‘humaner’ was dan artillerie. Humaan is echter een volkomen verkeerd woord als men over oorlog en wapens spreekt. Het gebruik van gifgas had echter een sterk psychologische effect en veroorzaakte bij de frontsoldaat veel meer angst dan kogels en granaten. Soldaten waren voortdurend bang overvallen te worden door een aansluipende onzichtbare gaswolk.

De Eerste Wereldoorlog wordt wel de oorlog van de chemici genoemd, omdat zij het waren die gifgassen als een nieuw wapen introduceerden. Een wapen dat totaal anders was dan de gebruikelijke infanterie- en artilleriewapens. Het gebruik van gifgas was op zichzelf geen nieuw wetenschappelijk idee, maar het innoverende bestond er uit om er een wapensysteem van te maken en dit op grote schaal toe te passen. Toch werd de introductie van gifgas het symbool voor de volgens pacifisten kwalijke rol van de wetenschap tijdens de Eerste Wereldoorlog. ‘Stikgas - De chemische wetenschap voor oorlogsdoeleinden misbruikt’ is de veelzeggende titel van een Nederlandse brochure uit 1924.[i] Der Tod aus dem Labor is een even veelzeggende titel van een artikel over Fritz Haber en de introductie van gifgas als wapen door het Duitse leger.[ii] Het gebruik van gifgas had feitelijk weinig meer met wetenschap te maken. De meest gebruikte gassen - chloor, fosgeen en mosterdgas - waren al jaren voor de Eerste Wereldoorlog bekend. Vooral chloor was een chemisch product dat toen al in tonnen werd geproduceerd door de Duitse chemische industrie. ‘Dood uit de chemische fabriek’ zou dan ook een correctere titel zijn geweest gezien de productie van enkele honderdduizenden tonnen gifgas. Natuurlijk zijn de chemische wapens oorspronkelijk ooit op kleine schaal in een laboratorium gemaakt, maar dat geldt ook voor de moderne explosieve stoffen zoals nitroglycerine, TNT, nitrocellulose en allerlei mengsels van springstoffen zoals ammonal, ballistiet, cordiet en Poudre B.[iii]

Het gruwelijke imago van de gifgassen maakte het na de Eerste Wereldoorlog tot een wapen waarmee voor velen een grens was gepasseerd. Toch bleven er genoeg voorstanders van het chemisch wapen ondanks het feit dat het duidelijk was dat het weinig effectief was als de tegenpartij over een goede bescherming beschikte. Na de Eerste Wereldoorlog is er uitvoerig gediscussieerd over het gebruik van chemische wapens, een discussie die tot op vandaag de dag doorloopt.[iv] In 1925 besloten de belangrijkste staten in de wereld tot het Protocol van Genève dat wordt beschouwd als de eerste belangrijke multilaterale overeenkomst betreffende een verbod op het gebruik van gifgassen.[v] Het verbood echter niet uitdrukkelijk het bezit van deze wapens. In de discussie over de ethische kant en het Protocol van Genève mengde zich in 1925 de geneticus en fysioloog J.B.S. Haldane, in 1915 proefkonijn bij het onderzoek van zijn vader naar de effecten van chloorgas, maar inmiddels zelf een vooraanstaand Brits wetenschapper.[vi] Volgens J.B.S. Haldane golden de bezwaren tegen het chemisch wapen in essentie tegen elk nieuw wapen dat geïntroduceerd wordt. Zijn stelling in 1925 was: ‘Als het juist is om mijn vijand met het zwaard te bevechten, is het ook juist hem met mosterdgas te bevechten; het een is net zo verkeerd als het ander.’[vii]

Ondanks de dreiging en het feit dat er een aanzienlijke voorraad van was geproduceerd, werden gifgassen niet ingezet tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het paste gewoon niet goed in het verloop van die oorlog. Ethische bezwaren hebben daarin nauwelijks meegespeeld, Winston Churchill was bijvoorbeeld ten volle bereid ze in te zetten indien de Duitsers in 1940 op de Britse stranden geland zouden zijn. Angst voor vergelding via geallieerde luchtaanvallen met gifgassen hebben de Duitsers er vermoedelijk van weerhouden.

De tank

Op 15 september 1916 werd de militaire geschiedenis definitief veranderd door de introductie van een gepantserd voertuig op rupsbanden en voorzien van geschut. Zijn officiële naam was oorspronkelijk landship, maar het voertuig werd om redenen van geheimhouding tank genoemd en die naam is gebleven. Na de inzet van gifgas en vlammenwerpers door de Duitsers in 1915 was de introductie van de tank de Britse innovatie tijdens de Eerste Wereldoorlog.[viii],[ix]En een succesvolle want de tank is niet meer weg te denken van het slagveld. De tank combineerde de vuurkracht van de artillerie met pantserbescherming en mobiliteit.

De eerste ideeën over de tank werden geopperd in het najaar van 1914 als de Britse stafofficier kolonel Ernest Swinton op verzoek van Lord Kitchener de ontstane patstelling aan het westelijk front bestudeerd. De strijdende partijen hadden zich verschanst in loopgraven achter prikkeldraad en mitrailleurs. Door middel van een gepantserd rupsvoertuig zouden deze obstakels voor de infanterie uit de weg geruimd kunnen worden. De plannen van de ontwikkeling voor een dergelijk voertuig werden echter afgekeurd door de Britse legerbevelhebber generaal Sir John French en zijn adviseurs. Waarop men zich tot de marine richtte die meer oog en tijd had voor technologische ontwikkelingen. In februari 1915 werd door Winston Churchill, toentertijd minister van Marine, het Landship Committee ingesteld om de ideeën verder uit te werken. Begin 1916 vonden de eerste demonstraties plaats van de tanks. De ontwikkeling van de tank is een voorbeeld van een fraai staaltje Brits ingenieurswerk waarbij diverse personen - zoals majoor Walter Wilson (1874-1957) van de Royal Naval Air Service en William Tritton (1891-1946) - betrokken waren. Namen van personen die in de geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog nooit opduiken. Ze werden beiden in 1919 koninklijk onderscheiden voor hun uitvinding, terwijl Tritton in 1917 al werd geridderd. Wilson werd omschreven als een mechanisch genius met als specialiteit de versnellingsbak, een cruciaal onderdeel van de tank.[x] Tritton was de technisch expert en later de directeur van een firma in landbouwmachinerieën. De Eerste Wereldoorlog was niet alleen de oorlog van de chemici, het was voor het grootste deel de oorlog van de mechanici.

Tank + Duif
Een voorbeeld van het gebruik van oude en nieuwe technologie.
De duif als communicatiemiddel in een Mark I tank uit 1916.

De Britse bevelhebber Douglas Haig, eind 1915 opvolger van French, wordt vaak beschreven als iemand die vasthield aan traditionele principes. De infanterie diende een opening in de vijandelijke stellingen te forceren en de cavalerie zou vervolgens door de bres optrekken. Toch was Haig niet blind voor het toepassen van nieuwe wapensystemen zoals het gebruik van gifgas tijdens de slag bij Loos in september 1915 en het inbrengen van de tank in de slag aan de Somme in 1916. Dit ondanks het feit dat het wapen nog in zijn kinderschoenen stond, nog nooit was uitgeprobeerd, over de tactiek nauwelijks was nagedacht en er nog veel te weinig tanks waren. De personen achter de ontwikkeling van de tank, zoals Churchill, waren gekant tegen een overhaaste inzet, maar Haig zette zijn zin door. Hij wou hoe dan ook een succes boeken in de op 1 juli 1916 begonnen strijd aan de Somme en die in september 1916 nog altijd niet de gewenste doorbraak had opgeleverd.

Voor 15 september 1916 was een nieuw offensief afgesproken langs de frontlijn tussen de dorpen Flers en Courcelette.[xi] Van de ongeveer vijftig beschikbare Mark I tanks bereikte er slechts tweeëndertig de verzamelplaatsen en namen er maar ongeveer vijfentwintig daadwerkelijk deel aan de strijd over een veel te groot front. De tanks werden verdeeld over de acht betrokken divisies, dus gemiddeld slechts ongeveer drie tanks per divisie. De meeste tanks gingen kapot door mechanische defecten, werden vernield of bleven ergens steken. Het tactisch gebruik verschilde nogal. In Courcelette kwamen de tanks achter de infanterie aan. In Flers werden de grootste successen geboekt bij de aanval. De vier tanks gingen hierbij voorop om prikkeldraadversperringen te doorbreken en zaaiden paniek onder de Duitsers.

Het merendeel van de op 15 september 1916 ingezette tanks had de strijd niet overleefd, maar de inzet had die dag duidelijk effect gehad. Wel was door het gebruik van het geringe aantal tanks het geheim van het nieuwe wapen in een vroeg stadium prijs gegeven en de grote doorbraak aan het westelijk front was nog steeds uitgebleven. Tevens was gebleken dat een nieuw wapen ook een nieuwe tactiek vereiste of te wel er ontbrak een methode in het oorlogsproces. Communicatie met de commandanten vormde eveneens nog steeds een groot probleem en de duif moest bij gebrek aan radiocommunicatie voor de berichtgeving dienen. De oude en nieuwe technologie waren nog verenigd in hetzelfde wapen.

Tank taktiek
De introductie van een nieuw wapen vereiste een nieuwe methode.
De uitgewerkte tactiek van eind 1917 voor een aanval met tanks
en infanterie op een loopgraaf.

De tank zou in de loop van de Eerste Wereldoorlog een steeds belangrijke rol gaan spelen, maar was nog steeds geen oorlogswinnaar. Tijdens de slag bij Cambrai in november 1917 zouden door de Britten 475 tanks over een breedte van tien km front worden ingezet. Dus per km front ongeveer twintig keer meer dan aan de Somme in 1916. De tanks waren tevens aan de voorkant voorzien van bundels rijshout om een brug over de loopgraven te maken en van haken om prikkeldraadversperringen weg te trekken. De tank was dus nog primair een middel om als een stormram een versterkte positie open te breken. Er was nagedacht over de juiste tactiek en had daarop getraind. De tanks gingen voorop en de infanterie volgde. Dit leidde tot een doorbraak van de Duitse Hindenburg-linie van ongeveer acht km, maar het succes kon niet bestendigd worden. Zoals zo dikwijls aan het westelijk front moest door een Duitse tegenaanval - zonder tanks - het veroverde gebied weer volledig prijsgegeven worden.[xii]

Ondanks discussie over het nut van de tank zouden de geallieerden in 1918 steeds meer tanks inzetten, hoewel een massale productie uitbleef door de technische ingewikkeldheid. Er werden lichtere versies geproduceerd zoals de Britse Whippet tank en de Franse Renault FT-17 tank die een grotere mobiliteit hadden. Aan het einde van de oorlog hadden de Britten ruim 2600 tanks geproduceerd en de Fransen zelfs meer. Het werd een belangrijk middel in de geallieerde opmars in de tweede helft van 1918, maar de kanonnen bleven de belangrijkste speler. De Duitse productie bleef beperkt, maar zij zouden in het begin van de Tweede Wereldoorlog aantonen wat een tankleger kon. Met een veel hogere snelheid en grotere actieradius dan hun voorgangers uit de Eerste Wereldoorlog zouden de tanks de rol van de cavalerie overnemen en na een doorbraak opstomen op een wijze waarvan cavaleristen als Douglas Haig alleen maar van gedroomd hadden. Bovendien was door de ontwikkeling van de mobiele radio het communicatieprobleem opgelost zodat de tanks voorzien waren van radio’s in plaats van duiven. De Blitzkrieg was geboren.

De tank was een wapen dat perfect paste in de militaire wereld, zoals gifgas daar eigenlijk niet in paste. De tank verving de oude cavalerie in een mobiele oorlogvoering gericht op het veroveren van het terrein van de tegenstander. Er is dan ook weinig discussie geweest over de ethische kant bij de invoering van de tank in de moderne legers, zoals dat bij gifgas wel het geval was, hoewel de tank toch duidelijk een offensief wapen is. Het ene ontwikkelde wapen is nu eenmaal het andere niet.

Tank + paarden
De introductie van een nieuw wapen in het oorlogsproces. Britse cavaleristen kijken
afgunstig naar het nieuwe tankwapen wat in de loop van de militaire geschiedenis
hun rol zou overnemen. De afgebeelde tank is de MarkV tank uit 1918.

Na de eerste wereldoorlog: van gifgas naar atoombom

Na de Eerste Wereldoorlog zouden de natuurwetenschappers weer teruggaan naar hun laboratorium en de ingenieurs naar hun tekentafel. De trend was echter gezet en de militairen zouden in de aanloop naar en vooral tijdens de Tweede Wereldoorlog weer een dringend beroep op hen doen. Wegens de introductie van gifgassen als een nieuw wapen wordt de Eerste Wereldoorlog wel de oorlog van de chemici genoemd, de fysici waren voornamelijk bezig met de communicatieproblemen en het van afstand detecteren van wapens. De Tweede Wereldoorlog wordt daarentegen wel de oorlog van de fysici genoemd, omdat zij het waren die de energie van het atoom in een nieuw wapensysteem transformeerden. Toch was de rol van de chemici in de Tweede Wereldoorlog, mogelijk minder op de voorgrond tredend dan tijdens de Eerste Wereldoorlog, aanzienlijk door de ontwikkeling en verbetering van conventionele munitie, brandbommen en raketbrandstof. Ook het chemische wapen, hoewel niet gebruikt, werd verder ontwikkeld. In Duitsland werd een nieuw type gifgas, de uiterst toxische zenuwgassen Sarin en Tabun, ontdekt en in productie genomen. Het was een van de geheime wapens van nazi-Duitsland, dat pas na de Tweede Wereldoorlog bij de geallieerden bekend zou worden.

Sofabild afscheid Franck
Het sofaportret uit 1921 met Duitse wetenschappers. Zittend vanaf links: Herta Sponer,
Albert Einstein, Ingrid Franck (vrouw van Franck), James Franck, Lise Meitner, Fritz Haber
en Otto Hahn. Daarachter staand vanaf links: Walter Grotrian, Wilhelm Westphal,
Otto von Baeyer, Peter Pringsheim en Gustav Hertz.

In het archief van het Max Planck Instituut in Berlijn, het voormalige Kaiser Wilhelm Genootschap, bevindt zich een foto uit 1921 genomen tijdens de afscheidsreceptie van James Franck (1884-1964) van Habers Kaiser Wilhem Instituut voor Fysische Chemie en Elektrochemie. De foto, in Duitsland bekend geworden als het sofaportret, representeert meer dat een gezelschap geleerden die gezellig poseren tijdens een receptie.[xiii]Als de twee aartsvaders van de Duitse natuurwetenschappen zitten Albert Einstein en Fritz Haber op de leuningen van de sofa. James Franck, midden op de foto, had in 1921 een benoeming gekregen als hoogleraar in de experimentele fysica aan de universiteit van Göttingen, een van de topuniversiteiten op het gebied van de fysica. Robert Oppenheimer heeft midden in de jaren twintig van de vorige eeuw nog bij Franck in Göttingen gestudeerd; de internationale contacten waren weer aangehaald.

Behalve Haber, die in 1919 de Nobelprijs voor chemie ontving voor de synthese van ammoniak, en Einstein, die de prijs in 1921 voor fysica kreeg, zijn er nog drie latere Nobelprijswinnaars afgebeeld - Otto Hahn, James Franck en Gustav Hertz - en tenminste één persoon - Lise Meitner - die eigenlijk de Nobelprijs had moeten krijgen. De foto kan echter niet los worden gezien van het tijdstip waarop deze gemaakt werd namelijk drie jaar na het beëindigen van de Eerste Wereldoorlog en van de rol die een aantal van de afgebeelde personen in deze oorlog hebben gespeeld - Hahn, Franck, Hertz hadden samen met Wilhelm Westphal deel uitgemaakt van Habers gastroepen - en nog zouden gaan spelen in de Tweede Wereldoorlog. Hun ervaringen vormen een afspiegeling van de introductie van de natuurwetenschappen in de oorlogvoering.

Vooral de centrale figuur, James Franck, speelde in beide wereldoorlogen een rol. Hij symboliseert bovendien als het ware de overgang van het chemisch wapen naar een wapen met een veel grotere vernietigende kracht namelijk het atoomwapen. Franck was evenals Einstein en Haber een jood, maar werd officier en onderscheiden met het IJzeren Kruis in de Eerste Wereldoorlog. Hij ontving de Nobelprijs voor fysica in 1925 en nam zelf, wegens antisemitisme, in 1933 ontslag als hoogleraar aan de universiteit van Göttingen. In 1934 vertrok hij naar Amerika, werd hoogleraar in Chicago en nam samen met andere Europese vluchtelingen deel aan het Amerikaanse atoombomprogramma.[xiv] Hij was tegen een mogelijke toepassing van de atoombom, maar werkte toch mee aan de ontwikkeling, bang dat de Duitsers de atoombom als eerste zouden fabriceren. Hij protesteerde tegen het gebruik van de atoombom tegen Japan en verkoos na augustus 1945 een ander onderzoeksgebied. Zijn morele bezwaar tegen atoomwapens leidde tot het zogenoemde Franck-rapport.[xv]

Zonder daadwerkelijk mee te werken stond Einstein aan de basis van het atoomwapen. In 1905 had hij als onderdeel van de speciale relativiteitstheorie de beroemde formule E = mc2 afgeleid en de equivalentie van massa en energie aangetoond.[xvi] In een atoombom zou later pas blijken wat deze formule precies voor gevolgen had. Einstein verbleef in 1933 in de Verenigde Staten om na de machtsovername van de nazi’s niet meer naar Duitsland terug te keren. In 1939 gebruikte hij zijn aanzien in de Verenigde Staten om samen met de Hongaarse fysicus Leo Szilard een brief op te stellen aan president Franklin Roosevelt om deze op het gevaar van een mogelijk Duits atoomwapen te wijzen en de Verenigde Staten te bewegen atoomonderzoek te gaan uitvoeren.[xvii]

Haber moest zijn toppositie aan het Kaiser-Wilhelm Instituut opgeven en verliet ook in 1933 Duitsland. Hij verbleef nog enkele maanden aan de universiteit van Cambridge, waar zijn voormalige vijanden hem een positie hadden aangeboden. Hier ontmoette hij weer Ernest Rutherford die hem in 1924 nog weigerde een hand te geven.[xviii] Uiteindelijk dolend door Europa stierf hij als een gebroken man aan een hartaanval in januari 1934 in Basel.

Samen met Lise Meitner ontdekte Otto Hahn in 1938 in het Kaiser Wilhelm Instituut voor Chemie de splitsing van uranium wat het begin was van het atoombomtijdperk. Door zijn ervaringen tijdens de Eerste Wereldoorlog stelde hij zich terughoudend op in het Duitse atoomprogramma tijdens de Tweede Wereldoorlog. Evenals Fritz Haber kreeg hij de Nobelprijs voor chemie in een wereldoorlog, namelijk voor het jaar 1944. De toekenning werd kort na het eind van de Tweede Wereldoorlog bekend gemaakt toen Hahn door de geallieerden samen met andere Duitse atoomgeleerden geïnterneerd was.[xix]

Na de Tweede Wereldoorlog bleek dat de Duitsers nog ver van een atoomwapen verwijderd waren, maar wel op een ander gebied - de rakettechniek - een technologische voorsprong hadden genomen. Gecombineerd met het atoomwapen heeft dit in de Koude Oorlog geleid tot een wapensysteem dat geen politiek leider sinds 1945 meer heeft durven te gebruiken in een militair conflict. Oorlogen worden er sinds 1945 tot op heden nog steeds regelmatig gevoerd, de mens kan kennelijk nog steeds niet leven zonder oorlog, maar er is sinds 1945 geen Derde Wereldoorlog uitgebroken. Hebben wetenschappers en technologen met de atoombom het ultieme wapen ontworpen dat wereldoorlogen door wederzijdse afschrikking voorkomt?

Tot slot

De Eerste Wereldoorlog wordt beschouwd als de oorlog van de overgang van de oude militaire wereld, waarbij cavalerieaanvallen met opgeheven sabels nog een centrale rol speelde, naar de moderne militaire wereld gedomineerd door de massale vuurkracht van artillerie, mitrailleurs en tanks. De Eerste Wereldoorlog was eveneens een oorlog waarbij de verhouding tussen de wereld van de natuurwetenschappen en de militaire wereld aangrijpend veranderde. De natuurwetenschappers en technologen gingen, niet geplaagd door hun geweten, zich inzetten om hun partij aan de overwinning te helpen. Dit heeft geleid tot aanzienlijke veranderingen in de bewapening en daarmee in de methode van oorlogvoering. Een ultiem wapen, zoals de atoombom tijdens de Tweede Wereldoorlog, waarmee de overwinning behaald kon worden werd echter niet ontwikkeld. Door de introductie van nieuwe wapensystemen, en dan vooral door het gaswapen, kwam er na de Eerste Wereldoorlog een discussie op gang over de ethische kant van de rol van de wetenschap in de wapenontwikkeling.

In de Tweede Wereldoorlog en de daarop volgende Koude Oorlog is het proces van onderzoek naar nieuwe wapens of tegenmaatregelen tegen nieuwe wapens als ware naadloos voortgezet. Ondanks gesprekken over wapenbeheersing en ethiek is dit een continu proces zolang overheden zich willen verdedigen tegen eventuele dreigingen en daar wetenschappelijke ondersteuning voor nodig hebben. En als wetenschappers zich met wapenonderzoek gaan bemoeien dan kunnen er wel eens onconventionele methoden bedacht worden. Dit afdoen als een inbreuk op de cultuur of een aanslag op de menselijkheid is wel een erg eenvoudige stellingname. Natuurwetenschappers beginnen normaliter geen oorlog, maar hebben wel de verantwoordelijkheid politieke en militaire leiders op de uitwerking van de wapenontwikkeling te wijzen.

De geschiedenis, en oorlog is daar onverbrekelijk mee verbonden, wordt voor een belangrijk deel bepaald door natuurwetenschappelijke ontwikkelingen, maar daar is in Nederland minder aandacht voor. Mogelijk komt dit door de ontoegankelijkheid van de bètawetenschappen, zodat historici zich vooral voor het tijdperk van de Eerste Wereldoorlog richten op de gebeurtenissen, de mensen en de methoden en niet zozeer op de middelen noch op de ontwikkeling daarvan of op hun ontwikkelaars. Hopelijk vormt dit artikel een stimulans voor anderen om deze aspecten uit de Eerste Wereldoorlog nader te beschouwen. Juist in die periode is het zogenoemde academisch-militair-industrieel complex ontstaan, iets waar in pacifistische kringen regelmatig tegen geageerd werd en afhankelijk van de tijdgeest nog steeds tegen geageerd wordt.

Woord van dank

Met dank aan dr. ir. Maarten Nieuwenhuizen uit ‘s-Gravenzande, die door zijn werk bij TNO Defensie en Veiligheid vertrouwd is met de problematiek van wetenschap en oorlog, en bruikbaar commentaar leverde op dit artikel.

Noten

[i] F.S. Noordhoff, Stikgas - De chemische wetenschap voor oorlogsdoeleinden misbruikt, Amsterdam, 1924. Ook gepubliceerd op internet onder http://www.wereldoorlog1418.nl/ gasoorlog/stikgas.html.

[ii] Caroline Lahusen, Der Tod aus dem Labor, GeoEpoche, Das Magazin für Geschichte, August 2004, Nr. 14, p. 86-87.

[iii] Zie Brown voor de samenstelling van die mengsels. Zie ook René Litan, Kanonnen, springladingen en granaten, De ontwikkeling van de vuurkracht van de artillerie in de periode voorafgaand aan de Eerste Wereldoorlog, http://www.wereldoorlog1418.nl/vuurkracht/ index.html.

[iv] Zie voor een recent artikel: Gerhard Kaiser, Wie die Kultur einbrach, Giftgas und Wissenschaftethos im Ersten Weltkrieg, Merkur 56, 2002, p. 210-220.

[v] De Engelse tekst luidt: The contracting powers agree to abstain from the use of projectiles the sole object of which is the diffusion of asphyxiating or deleterious gases.

[vi] John Burdon Sanders Haldane (1892-1964) of naar zijn initialen meestal J.B.S. Haldane of kortweg J.B.S. genoemd was de zoon van John Scott Haldane en neef van Lord Richard Burdon Haldane, voormalig Brits minister van Oorlog. J.B.S. Haldane gaf zich in augustus 1914 op als vrijwilliger bij het Schotse Black Watch regiment. Hij werd in april 1915 van het front uit het Midden-Oosten gehaald om zijn vader te assisteren bij het onderzoek naar de effecten van chloor. Vader Haldane had zijn zoon in zijn jeugd al eerder als proefkonijn gebruikt voor onderzoek naar de schadelijke effecten van mijngas. Hij werd na de Eerste Wereldoorlog behalve een voorstaand Brits wetenschapper (geneticus en fysioloog) ook een bekend marxist en schrijver van populaire boeken over wetenschap. Zie Ronald Clark, J.B.S., The Life and Work of J.B.S. Haldane, Oxford, 1984.

[vii] J.B.S. Haldane, Callinicus: A defence of chemical warfare, New York, 1925, p. 19. De Engelse tekst luidt: If it is right for me to fight my enemy with my sword, it is right for me to fight him with mustard gas; if the one is wrong, so is the other. Callinicus leefde in de achtste eeuw en geldt als de ontdekker van het Griekse vuur in het Byzantijnse Rijk. Het Griekse vuur was geen chemisch wapen zoals gebruikt in de Eerste Wereldoorlog, maar een middel om brand te stichten. Het juiste recept voor het Griekse vuur is verloren gegaan, maar het bestond vermoedelijk uit salpeter en zwavel gesuspendeerd in een mengsel van dennenhars en aardolie. De vlammenwerper en napalm zijn meer geavanceerde brandwapens.

[viii] A. J. Smithers, A New Excalibur, The Development of the Tank 1909-1939, London, 1986.

[ix] Christopher F. Foss & Peter McKenzie, The Vickers Tanks, From Landships to Challenger, Wellingborough, 1987.

[x] Smithers, p. 35-36.

[xi] Chris McCarthy, The Somme, The Day-by-Day Account, London, 1996, p. 100-109.

[xii] Jack Horsfall & Nigel Cage, Cambrai, The Right Hook, Barnsley, 1999.

[xiii] Gezien het grote aantal joden, hangt de foto eveneens in het nieuwe Joodse Museum in Berlijn als voorbeeld van de geslaagde integratie van de Duitse joden tijdens de Weimar-republiek.

[xiv] Jean Medawar & David Pike, Hitlers geschenk, Wetenschappers die Nazi-Duitsland ontvluchtten, Baarn, 2001.

[xv] Willem de Ruiter en Bart van der Sijde, De nucleaire erfenis, Natuurwetenschap, technologie en kernbewapening in historisch perspectief, Meppel, 1985, Appendix 2, Het Franck-rapport.

[xvi] David Bodanis, E = mc2, De biografie van de formule die de wereld veranderde, Amsterdam, 2001.

[xvii] De Ruiter, p. 46.

[xviii] Dit weigeren van het handen schudden door Rutherford duikt nogal eens op in de literatuur over Fritz Haber. Volgens Szöllösi-Janze, p. 584-585, speelde dat in het voorjaar van 1924 en niet in 1933 toen Haber in Cambridge verbleef. Later in 1924 schijnt Rutherford overigens wel een hand gegeven te hebben.

[xix] Cornwell, Hoofdstuk 29, Farm Hall.

overzicht: