Zijn Britse historici nog wel ‘bij de tijd?’

Door: J.H.J. Andriessen

 

In de, zeg, halve eeuw voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd het Britse grondgebied wereldwijd in rap tempo enorm uitgebreid en deze uitbreiding ging gepaard met een manifest gebrek aan sympathie voor soortgelijke ambities bij andere landen.

Gr. Brittannië was voorts enorm gericht op ‘compensatie’ als het andere landen al eens gelukte hun territorium uit te breiden. Toen bijv. Oostenrijk, Bosnië wilden bezetten eiste Gr. Brittannië als compensatie Cyprus, toen Frankrijk zich van Marokko meester wilde maken eiste Gr. Brittannië non-interference in Egypte, enz.

 

De Britten breidden tussen 1870 en 1900 hun rijk enorm uit en voegden daar o.a aan toe, Burma, Egypte, Uganda, Somalië, Kenia, Zanzibar, Rhodesië en de beide Boerenrepublieken.

Als er één natie was dat trachtte de wereldmacht te veroveren dan was dat Gr. Brittannië wel en wat meer was, zij hadden die lust naar wereldmacht ook gerealiseerd en het is dus merkwaardig dat ze Duitsland beschuldigden van  dat streven terwijl ze daar zelf nog volop mee bezig waren

Terwijl de Duitsers nog spraken over de bouw van een spoorweg naar Bagdad, werd de Britse koningin, Keizerin van India.

Duitsland werd beschuldigd van het verstoren van de balance of power maar als er één land was dat  de ‘balance of power’ inderdaad had verstoord, dan was dat wel Gr. Brittannië.

De gewoonlijk toch wat bescheidener wensen van andere naties waren voor Gr. Brittannië echter al meteen reden tot grote frustratie.

Wat de Fransen in Marokko of de Duitsers in Z.W. Afrika deden op kolonialisatie-gebied, was het zelfde wat de Britten in bijv. Uganda en elders uithaalden maar in de Britse  perceptie was dat toch iets totaal anders.

De Britse koloniale uitbreidingen en het aan zich onderwerpen van andere volkeren, zo redeneerden zij, waren onderdeel van de vooruitgang van de mensheid, (progress of mankind) een natuurlijke en ook nobele gang van zaken. De koloniale aspiraties en activiteiten van andere naties zag men in Gr. Brittannië  daarentegen  als een bedreiging van de vrede, de civilisatie en van de ‘balance of power’. 

Ruslands wens om toegang tot de Middellandse Zee te krijgen was in Britse ogen een duidelijke provocatie. Immers “Britannia rule the Waves” en dat werd beschouwd als een logische en meest natuurlijke gang van zaken. Als andere naties zich niet aan die Britse heerschappij ter zee wilden onderwerpen was dat een provocatie en een agressieve daad die de wereldvrede bedreigde.

Na de eeuwwisseling werd deze attitude specifiek en met kracht op Duitsland gericht zonder dat rekening werd gehouden met de legale Duitse pogingen om afzetgebieden te vinden voor hun commerciële en economische productiviteit.

 

Uit de documenten uit die tijd is een zekere massahysterie te constateren bij de gedachte dat Duitsland wel eens een machtige natie zou kunnen worden. Rapporten daarover variëren van een Britse admiraal (Fisher) die de Duitse vloot zonder waarschuwing wilde laten zinken zoals Nelson dat eerder in Kopenhagen had gedaan, tot de meer erudiete rapporten van hoge ambtenaren van het ministerie van Buitenlandse Zaken (Nicholson e.a) die voor een ‘Duitse dreiging’ waarschuwden.

Het is deze Britse perceptie van de toenmalige politieke constellatie die in 1918 ook nog eens aanzienlijk werd versterkt toen de geallieerden Duitsland tot een wapenstilstand konden dwingen, een wapenstilstand die de Duitsers in goed vertouwen ondertekenden om dan te ontdekken dat de beloofde vrede op basis van president Wilson’s  14 punten, (peace without victory) niet gerealiseerd zou worden omdat de geallieerden dit 14-puntenplan achteraf als een ‘vodje papier’  wensten te beschouwen en alle officiële afspraken ter zake naast zich neer legden..

De geallieerde ‘overwinning’ werd in de Britse geschiedschrijving al snel een ‘Britse overwinning’ en de rol van de Fransen en Amerikanen werd gebagatelliseerd waar het maar kon.

Het feit dat zonder Amerikaanse hulp op financieel en materieel gebied Gr. Brittannië al eind 1917 de oorlog had moeten opgeven werd  ontkend en de feiten weggemoffeld.

 

Kortom, de Britse visie op de voorgeschiedenis van 1914, de Eerste Wereldoorlog, het ontstaan en verloop daarvan en de eigen rol die bij dat alles werd gespeeld, werd in de Britse perceptie en in de perceptie van Britse historici op welhaast schizofrene wijze beleefd en van vader op zoon verder verteld en weergegeven. Daarbij speelden de enorme verliezen die door de Britse strijdkrachten werden geleden natuurlijk een belangrijke rol. De gebrachte offers konden toch niet voor niets zijn geweest, de gevoerde oorlog toch niet zinloos? Was de hulp die Gr. Brittannië zo belangeloos en met het brengen van grote offers aan een klein onschuldig land als België had verleend, niet een eervolle daad geweest en het feit dat het land zich niet aan zijn verdragsverplichting onttrok niet uitermate nobel?

Had het Britse volk niet bewezen dat haar offergezindheid uiteindelijk de overwinning had gebracht. Had de Britse soldaat niet als geen ander bewezen te weten ‘hoe te sterven’? Waren de uitzonderlijke kwaliteiten van het ‘Britse Ras’ in deze oorlog niet tot uiting gekomen en aantoonbaar bewezen? Kortom, in de orgie van ‘Victory’ en Brits chauvinisme liep de Britse visie op dit alles- en de harde werkelijkheid- op grandioze wijze uit de pas.

Helaas is dat, getuige de publicatie van  Britse literatuur over de Eerste Wereldoorlog, vandaag de dag nog steeds het geval. Chauvinisme heeft geleid tot verdraaiing van de realiteit en dit voert in veel van de Angelsaksische literatuur , bron voor elke Britse geschiedenis student, de boventoon.

Wie de Britse geschiedschrijving over de Eerste Wereldoorlog op de voet volgt en ook terdege bestudeert, beginnende bij de bewust misleidende geschriften van de officiële Britse geschiedschrijver Brigade Gen. Sir james E. Edmonds CB,  C.M.G, Hon.D.Litt, (Oxon), R.R (Retired), p.s., tot aan de vaak arrogant aandoende zelfverzekerde  beweringen van latere en huidige Britse historici, kan niet anders dan tot de conclusie komen dat hier sprake is van een zeer onbetrouwbare en vaak misleidende weergave van de feiten.

Toch- en helaas,  is de Angelsaksische literatuur de meest beschikbare en meest gebruikte bron voor andere historici, voor geschiedenisstudenten en voor geïnteresseerden. Zij allen krijgen hierdoor een verkeerd en onjuist beeld van wat er in die periode werkelijk is geschied.

 

Het is daarom dat op deze site een aantal recente boeken uit de Angelsaksische literatuur over de Eerste Wereldoorlog van de hand van bekende Britse auteurs, zijn geanalyseerd om na te gaan in hoeverre deze van de werkelijkheid afwijkende geschiedschrijving ook vandaag de dag nog opgeld doet. Het resultaat is ontluisterend.

Het zou een goede gedachte zijn als bij de bestudering van deze, ook voor ons land wel degelijk belangrijke periode in de geschiedenis een wat kritischer houding wordt aangenomen bij alles wat ons wordt verteld door Angelsaksische geschiedschrijvers, hoe bekend en geliefd dan ook en er- speciaal in het onderwijs-  wat meer gebruik zou worden gemaakt van andere-dan uitsluitend Angelsaksische bronnen. Veel beter nog zou het zijn indien onze Nederlandse historici zich wat meer gingen richten op het navorsen van de officiële documenten en het klakkeloos napraten van hedendaagse Britse auteurs  (de goeden uiteraard daargelaten) zouden beëindigen. Daarmede zou de geschiedschrijving over de Eerste Wereldoorlog zeker aan waarde winnen.

overzicht: