De Zeven Doodzonden van Duitsland tijdens de Eerste Wereldoorlog

Boekverslag door J.H.J. Andriessen

Schrijver: Sebastian Haffner
Uitgeverij: Mets & Schilt
Isbn: 9053303332
Prijs: € 17,50


Vrij recent is in de boekhandel de herdruk van Haffners in 1964 geschreven „De zeven doodzonden van Duitsland tijdens de Eerste Wereldoorlog” destijds uitgegeven bij Gustav Lubbe Verlag GmbH, Bergisch Gladbach, verschenen.
De Nederlandse uitgeverij Mets & Schilt te Amsterdam heeft het werk doen vertalen en voorzien van een nawoord door Sophie de Schaepdrijver.
Haffner is buiten twijfel een begenadigd en briljant schrijver en de meeste van zijn werken laten niet na grote indruk te maken, ook al door zijn duidelijke en heldere stijl en door de wijze waarop hij schijnbaar ingewikkelde zaken op eenvoudige manier voor het licht weet te brengen. Haffner is echter geen historicus maar jurist.


In haar, overigens lovend nawoord, noemt Sophie de Schaepdrijver Haffner niet zozeer een geschiedvorser als wel een geschiedsyntheticus, iemand die heeft nagedacht over de geschiedenis, een burgerlijk geschieddenker dus en met die kwalificatie kan ik het wel eens zijn.

Haffner zelf verklaarde overigens dat hij geleerd had uit het hoofd te schrijven. Wat hij tijdens zijn jaren van ballingschap van 1938 tot 1954 over Duitsland schreef, moest hij doen, ver weg van Duitse archieven en bibliotheken en hij diende noodgedwongen gebruik te maken van wat hij zich nog kon herinneren. Deze laatste opmerking vormt dan ook meteen de basis voor mijn kritiek op de inhoud van dit overigens prettig leesbare boek waarvan verschillende lezers van onze nieuwsbrief ons schreven, dat het in elke boekenkast een plaats zou moeten vinden. Helaas kan ik het daar niet mee eens zijn.

Het is kennelijk onvermijdelijk dat een eenmaal gevestigd populair geschiedbeeld slechts heel geleidelijk verdrongen kan worden door nieuwe wetenschappelijke inzichten, schreef de historicus Hagemeijer onlangs nog in het militaire magazine Armex, een opmerking die me uit het hart gegrepen is en zeker ook van toepassing is op het boek van Haffner.
Mijn kritiek richt zich voornamelijk op het feit dat Haffner zijn boek schreef zonder kennelijk op de hoogte te zijn van de werkelijke historische feiten. Daarbij komt dat het wel erg vrijblijvend geschreven is en ook duidelijk slordig is samengesteld. Natuurlijk heeft Duitsland fouten gemaakt, grote fouten zelfs, maar de doodzonden waar Haffner het over heeft vallen daar toch niet onder.
Ik heb historisch inhoudelijk grote kritiek maar ook op de slordige uitwerking van zijn stellingen. Eigenlijk is alleen het laatste hoofdstuk een redelijke weergave van de werkelijkheid al gaat hij ook hier op enkele punten teveel af op gedachten (denkwerk) zonder de moeite te nemen ze aan gedegen bronnen te toetsen. Daardoor komt Haffner in dit boek inderdaad niet boven het niveau uit van een burgerlijk geschiedddenker, zoals Sophie de Schaepdrijver hem zo treffend schetst.
Ik vind „De zeven doodzonden van Duitsland” vanuit historisch perspectief gezien een slecht boek en wel om de volgende redenen.

Op blz. 9 schreef Haffner:
„Evenmin verdwenen zijn de oude mythen van de omsingeling tot dolkstoot, de leugen van schuld en de nederlaag”
Haffner gaat er daarbij gemakshalve maar van uit dat dit ook inderdaad allemaal mythen zijn, een gedachte die hij echter nergens waar maakt noch aantoont. Het gaat er maar om welke mythe hij m.b.t. de dolkstoot bedoelt (er zijn er nogal wat) en wat hij precies verstaat onder „de leugen van de schuld en de nederlaag”. Ook in 1964, toen zijn boek voor het eerst verscheen,was de discussie daarover nog lang niet uitgewoed en nieuw wetenschappelijk onderzoek heeft inmiddels ook wel aangetoond dat deze materie veel ingewikkelder en genuanceerder blijkt te zijn dan Haffner ons wil doen geloven.

Op blz. 10 schrijft Haffner: In plaats van zich af te vragen hoe zij zich de oorlog op de hals hebben gehaald en waarom zij hem hebben verloren, hebben zij zich zelf steeds weer wijs gemaakt dat de oorlog hun schuld niet was”.
Ook dit is een niet door historische feiten onderbouwde bewering. Het is niet juist dat de Duitsers zich niet hebben afgevraagd waarom zij de oorlog verloren. Reeds in 1919, onmiddellijk na de oorlog, stelde de Weimarregering een Parlementaire enquêtecommissie in die de oorzaken van en de verantwoordelijkheid voor het verliezen van de oorlog, uitputtend onderzocht. De conclusies werden vastgelegd in een uitgebreid rapport waarin ook de minderheidsstandpunten werden vermeld. Ook naar de Schuldvraag werd een uitvoerig onderzoek ingesteld en met name het rapport van Kautsky, die zeker niet keizergezind was en grote kritiek had op de Duitse keizer en zijn regering, was hierbij toonaangevend. Tenslotte, ook de bekende Duitse historicus Fritz Fischer deed veel stof opwaaien met zijn studie „Griff nach der Weltmacht” waarin hij de schuldvraag uitputtend behandelde waarbij hij eveneens de Duitse rol bij het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog niet spaarde. Als Haffner het met deze rapporten en onderzoeken niet eens is, is dat natuurlijk zijn goed recht al zou het dan juister zijn geweest als hij dat had vermeld maar zijn bewering dat de Duitsers nimmer aan zelfonderzoek hebben gedaan is gewoonweg en aantoonbaar onjuist.
Ook zijn vaststelling dat: de Duitsers zichzelf hebben wijsgemaakt dat de oorlog hun schuld niet was, is een beladen bewering. Feit is dat er vandaag de dag nog maar weinig historici zijn die blijven beweren dat de schuld aan het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog uitsluitend en alleen bij Duitsland gezocht moet worden. Reeds in de vijftiger jaren verklaarde een groep internationale historici tijdens een bijeenkomst te Verdun dat de Eerste Wereldoorlog niet de schuld was van slechts één regering of één volk maar het gevolg van een aantal oorzaken en gevolgen en vandaag de dag is er welhaast geen enkele historicus meer die de schuld aan de Eerste Wereldoorlog nog eenzijdig en uitsluitend bij Duitsland legt.
Haffners bewering terzake loopt hier duidelijk achter bij de moderne inzichten die op dit gebied gelden, inzichten die overigens ook in 1964 toch op z’n minst al bekend waren.

Ook zijn bewering op blz. 15, dat „de onvermijdelijkheid van de Eerste Wereldoorlog aan Duitsland is toe te schrijven” is discutabel en Haffner kan dat ook niet waarmaken of met feiten staven. Hij gaat er veel te gemakkelijk van uit dat iedereen het wel met hem eens zal zijn en acht het niet nodig zijn stellingen nader te onderbouwen.
Een ander opmerkelijk feit in Haffners boek is, dat het moeilijk te achterhalen is over hoeveel doodzonden hij het nu eigenlijk heeft.

Zo schrijft hij op blz. 15: „De EERSTE GROTE FOUT die Duitsland beging, was dat het de Eerste Wereldoorlog überhaupt veroorzaakt heeft”.
Niet alleen is dat een stelling die door de feiten reeds lang is achterhaald, ook de door Frankrijk, Rusland en Groot Brittannie gevoerde politiek maakte die oorlog uiteindelijk onvermijdelijk, maar op blz. 23 maakt Haffner wederom melding van een „Eerste grote fout” waar hij schrijft: „De beslissende EERSTE FOUT die Duitsland heeft gemaakt was het afscheid van Bismarck”. Afgezien van het feit dat ook deze stelling weer uiterst discutabel is, (het is maar de vraag of dat wel zo’n grote fout was en of Wilhelm een andere beslissing had kunnen nemen), op blz. 27 laat Haffner Duitsland wederom een EERSTE FOUT maken als hij schrijft: „Het Duitse rijk had geen behoeften die het met het zwaard zou moeten verdedigen. Dat Duitsland hier anders over dacht, was zijn EERSTE GROTE FOUT”.
Drie keer een eerste grote fout is toch wel een beetje te veel van het goede, vooral als het nog maar zeer de vraag is of hier, historisch gezien, überhaupt wel van fouten kan worden gesproken.

Op blz. 18 meldt Haffner dan dat: „de opvolgers van Bismarck een systeem wilden opzetten waarin Duitsland in Europa de macht wilde overnemen”. Nu kan het best zijn dat er individuele personen waren die van zo’n systeem droomden, maar dan toch zeker niet bij een van de opvolgers van Bismarck en ook in de officiële Duitse buitenlandse politiek is niets te vinden dat in die richting wees.

Op blz. 21 volgt dan een tamelijk verwarde redenering waarin hij als eindconclusie stelt: „daarmede was Duitsland omsingeld”, en hij zegt dan dat Duitsland daar zelf de schuld van was. Op blz. 9 echter noemt hij de omsingelingstheorie een „mythe”, daarmede zijn eigen bewering weer onderuit halende.

Op blz. 31 schrijft Haffner: „Het is ook niet waar dat Serajevo een uitzondering was omdat de Servische regering achter de moorden zou staan. Zij stond er niet achter, Integendeel, zij was ontzet…”
Ook dit is historisch weer volstrekt onjuist. Er is inmiddels genoegzaam aangetoond dat de Servische minister-president Pasic volledig op de hoogte was van de plannen voor de aanslag op de Oostenrijk-Hongaarse troonopvolger Franz Ferdinand en dat hij die wetenschap ook doorgaf aan een aantal van zijn ministers. Er werd daarna niets ondernomen om de moordaanslag tegen te gaan en al deze feiten (men leze er Javanovic en Seton Watson maar op na) waren reeds bekend toen Haffner zijn boek publiceerde. Het gebrek aan degelijk wetenschappelijk onderzoek, het toetsen van zijn beweringen en het gebrek aan kennis van zaken, speelde hem hier dan ook weer duidelijk parten.

Op blz. 37 meldt Haffner dat het Brits-Franse bondgenootschap op springen stond, een stelling die hij verder niet toelicht en die ook volstrekt onjuist is. Nog merkwaardiger en onjuister is zijn bewering op blz. 39, dat Duitsland opeens niet tegen Rusland maar tegen het niet betrokken Frankrijk optrok en dat zogenaamd preventief de oorlog verklaarde. Waar hij eerder het von Schlieffenplan veroordeelde en daar dus kennis van droeg, is deze opmerking toch wel heel vreemd omdat een aanval op Frankrijk daar toch juist het voornaamste element in was en dat Frankrijk niet betrokken zou zijn geweest wordt toch voldoende weersproken door het bestaan van het agressieve Frans-Russische geheime militaire verdrag van 1894, een verdrag waarin de militaire betrokkenheid van Frankrijk tot in detail geregeld was.
Ik signaleer zo op bijna elke blz. van Haffners „De zeven doodzonden van Duitsland tijdens de Eerste Wereldoorlog” significante en aperte historische onjuistheden en het is haast pijnlijk om te zien hoe een groot schrijver als Haffner, hier de plank volledig heeft misgeslagen. De Eerste Wereldoorlog was duidelijk niet zijn metier en ik kan niet anders dan tot de conclusie komen dan dat hij „De zeven doodzonden” maar beter niet had kunnen schrijven. Het werd daarmede een van Haffners eigen doodzonden maar het zij hem vergeven. Zijn verdiensten als auteur van vele schitterende boeken en artikelen wegen ruimschoots op tegen deze ene misser die in 1964 het levenslicht zag, een misser ook, omdat diegene die minder bekend is met de ontstaansgeschiedenis van de Eerste Wereldoorlog, door zijn boek op een volstrekt verkeerd spoor wordt gezet en als zodanig voegt Haffner weer een mythe toe aan de vele reeds bestaande, mythes waarvan hij nu juist het Duitse volk beschuldigde ze tegen beter weten in stand te houden.

J.H.J. Andriessen
De heer Andriessen is historisch publicist en voorzitter van de Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog. Hij publiceerde een groot aantal artikelen over het ontstaan en de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog en is auteur van „De Andere Waarheid”, een studie naar de oorsprong en schuldvraag, „Verdun 1916” (in samenwerking met fotograaf S. Dagniaux) en het boek „De Grote Oorlog”, waarin hij de belangrijkste episoden van deze oorlog behandelt.

overzicht: