“Wilhelmina, de jonge koningin” door Cees Fasseur

Boekbespreking door H. Terpstra

Deze recensie is overgenomen van de internetsite De Eerste Wereldoorlog 1914-1918 met toestemming van M.Wielinga.


De jonge koningin is het eerste deel van een tweedelige biografie over Wilhelmina. Het beschrijft de jeugd en de opvoeding van de jonge prinses, haar huwelijk met de Duitse hertog Hendrik en haar persoonlijke invloed als jonge koningin op het regeringsbeleid tot het einde van de Eerste Wereldoorlog. Het boek is gedeeltelijk gebaseerd op nieuwe bronnen. De auteur, Prof. dr. Cees Fasseur was het als eerste vergund ‘zonder restricties’ het Koninklijk Huisarchief, waaronder persoonlijke papieren van koningin Wilhelmina, te raadplegen.

Hieronder wordt, op basis van bovengenoemd boek, behandeld hoe het koninklijk huis, onder leiding van eerst Emma en vervolgens Wilhelmina, omging met de neutraliteit van Nederland en hoe Wilhelmina zich bezighield met militaire zaken voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog. Vervolgens wordt aandacht besteed aan de periode 9 tot 18 november 1918 waarover in „Eenzaam maar niet alleen” met vrijwel geen woord gerept wordt maar door Fasseur nu geput kan worden uit nieuwe bronnen.

Koningin van een neutraal land

Fasseur beschrijft de aspecten die moeder Emma in acht neemt bij het zoeken van een huwelijkskandidaat voor Wilhelmina. De Nederlandse neutraliteit, de hoeksteen van de buitenlandse politiek gedurende vele jaren in de 19e eeuw, diende gehandhaafd te worden. Een huwelijk met een prins uit het huis Hohenzollern, dat in het verleden vaak een huwelijkskandidaat geleverd had, zou bijvoorbeeld de ongewenste indruk kunnen geven dat Nederland toenadering zocht tot Pruisen. Bovendien was Emma geen groot vriend van de Hohenzollern: haar oom had in 1866 gedurende de Pruisisch-Oostenrijkse oorlog de ‘verkeerde’ kant gekozen en was na de nederlaag van Oostenrijk gestraft met het verlies van zijn hertogdom. Emma had dit keizer Wilhelm I nooit vergeven.
Ook op andere plaatsen in het boek blijkt dat het koninklijk huis bewust afstand wilde houden tot keizer Wilhelm II. Zowel bij de inhuldiging van Wilhelmina als bij haar huwelijk was de vraag aan de orde, hoe zonder aanstoot te geven, een uitnodiging aan het (verre) familielid Wilhelm II vermeden kon worden.
Door Wilhelm echter werd Wilhelmina in onderlinge brieven als „meine liebe cousine” betiteld. Een bijzondere briefwisseling vindt plaats in maart 1900 wanneer Wilhelmina de keizer benadert met het verzoek een bemiddelende rol te spelen in het beëindigen van de voor de Boeren in Zuid-Afrika steeds nadeliger verlopende oorlog. In het antwoord van Wilhelm spreekt hij stichtelijke woorden over de hemelse wraak die Engeland nog eens zou treffen en stelde de aanbouw van een machtige Duitse oorlogsvloot in het vooruitzicht, bij voorkeur te bemannen door leden van het Nederlands-Friese ras, onder de gezamenlijke banier van Oranje en Brandenburg!

De Nederlandse generale staf had in de periode 1905-1907 de overtuiging dat een mogelijke neutraliteitsschending vooral uit het oosten zou komen. De nieuwe chef van de generale staf, Snijders, voorspelde in 1911 dat van Engelse kant evenzeer gevaar te duchten viel. Plannen werden aangekondigd om in Vlissingen een groot fort te bouwen. Het fort zou Engeland beletten om België te hulp te snellen bij een Duitse inval. Frankrijk stuurde aan op het beleggen van een internationale conferentie, waarop de Nederlandse soevereine rechten over de Schelde ter sprake konden worden gebracht. Een gesprek met de Nederlandse minister van buitenlandse zaken, waartoe Wilhelmina het initiatief nam, stelde haar niet gerust. Aan de minister-president, Heemskerk, liet zij in januari 1911 weten: „uitgesloten is iedere bespreking over neutralisering der Scheldevaart”. (Engeland staakte, na studie van de juridisch-historische verhoudingen op de Schelde, zijn verzet en door Nederlandse zuinigheid kwam het fort nooit af.) Evenmin wilde Wilhelmina in 1912 ingaan op de (volgens Fasseur goed onderbouwde) aanspraken van Duitsland op een groot deel van de Eemsmonding. Zij legde vast in haar aantekeningen: „afstand grond is krenkend voor eergevoel, na schandelijke intimidatie van Duitsland ondoenlijk”.
Ook gedurende de Eerste Wereldoorlog was Wilhelmina een groot voorstander van een strikte neutraliteitspolitiek naar beide zijden. Hoewel de verhouding tussen Wilhelmina en het kabinet Cort van der Linden (1913-1918) gedurende de oorlog minder werd, wilden beiden in geval van een onverhoopte schending van de neutraliteit zich niet onvoorwaardelijk in het kamp scharen van de tegenstander van de agressor. Dat was naar het oordeel van Cort van der Linden de grote fout geweest van België: het had geen steun moeten zoeken bij Frankrijk en Engeland. Wilhelmina was, in tegenstelling tot de opperbevelhebber Snijders, het geheel met hem eens.

Bemoeienissen van Wilhelmina met het militaire beleid

Op fascinerende wijze beschrijft Fasseur hoe de jonge koningin in haar pogingen de defensiebudgetten op te krikken, keer op keer de hand licht met de grondwettelijke begrenzing van haar taak.
Enerzijds was de oorzaak hiervan dat zij heilig geloofde dat zij als koningin stond voor het nationaal belang, dat volgens Wilhelmina het meest tot uiting kwam in de hoeders van de nationale soevereiniteit: leger en vloot. Alleen in een krachtige defensie lag voor haar de garantie voor een zelfstandig voortbestaan van het land. Uit haar persoonlijke aantekeningen uit 1908 citeert Fasseur: „…legerkwestie is allesbeheerschende vraag voor mij ook weer uit plichtsgevoel. Europeesche oorlog komt gewis vroeg of laat, dan zoude van mij een groot plichtsverzuim zijn deze kwestie niet op te lossen!”.
Anderzijds voelde zij een sterke band met de krijgsmacht. Zij leefde in een militaire traditie die terugging tot de eerste stadhouders: Maurits en Willem III hadden als grootste Europese veldheren naam gemaakt en haar grootvader had zich bij Waterloo onderscheiden.

De pleidooien van Wilhelmina voor een krachtige defensie leidden voor de Eerste Wereldoorlog tot een reeks conflicten, waarin de vorstelijke on- en bovenpartijdigheid vaak ver te zoeken was.
Het eerste conflict begon al in 1901, drie jaar na haar inhuldiging, met het indirect ten val brengen van de zittende minister van Oorlog, Eland, door hem in vertrouwen de belofte af te dwingen onder geen beding akkoord te gaan met verkorting van de diensttijd. Hoewel Eland zelf voorstander van de maatregel was, durfde hij het staatshoofd niet tegen te spreken. Toen de Kamer het amendement voor verkorting aannam (menende de minister te steunen) nam Eland ontslag. Uit ‘loyaliteit’ zou Eland in 1915, vermoedelijk tegenover Troelstra, verklaren. (Troelstra herinnerde aan dit feit in zijn beruchte Kamerrede op 12 november 1918.)
Toen enkele jaren later de minister van Oorlog Staal met plannen kwam waardoor Nederland in de wintermaanden praktisch onverdedigbaar zou zijn, besloot Wilhelmina zich niet voetstoots gewonnen te geven en nam het initiatief om op paleis Noordeinde een ‘kabinetsraad’ bijeen te roepen. Met de opvolger van Staal was de verstandhouding zo mogelijk nog slechter: toen hij voorstelde de inspecties bij de artillerie en de infanterie op te heffen, dreigde Wilhelmina weg te blijven bij de opening van de Staten Generaal in september 1907. (In 1911 bleef zij om een zelfde soort reden daadwerkelijk weg op Prinsjesdag. Zij liet zich de volgende dag wel zien bij de jaarlijkse grote militaire manoeuvres! Op zichzelf was dit bezoek niet bijzonder: Wilhelmina ruimde veel tijd in voor militaire inspecties, zij wilde een echte ‘soldatenkoningin’ zijn die zich zowel in vredestijd als in oorlogstijd bij de troepen liet zien.)
Wilhelmina was verheugd dat Colijn in 1911 de ministersportefeuille aannam, zij had daarop ook enige pressie uitgeoefend. Het oordeel dat Colijn, tweevoudig drager van de Militaire Willemsorde, zich na zijn aantreden vormde over de deugdelijkheid van het Nederlandse leger, was niet mild. Colijn wist, tot grote tevredenheid van Wilhelmina, het leger te reorganiseren: bij de nieuwe militiewet van 1912 werd de jaarlijkse lichting verhoogd van ca. 17.500 naar 23.000 man. In 1913 werd de Landstorm in het leven geroepen: een militaire reserve in geval van oorlog voor bewakingstaken en dergelijke en bestaande uit o.a. oud-miliciens en vrijwilligers.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog kreeg Wilhelmina in 1918 een conflict met jhr. De Jonge, minister van Oorlog, over de zg. kwestie Snijders. Minister De Jonge had in mei 1918 het vertrouwen in opperbevelhebber Snijders verloren omdat Snijders gesteld had dat een verdediging van Nederland ‘doelloos’ was in geval van een Duitse aanval. (NB. Ludendorff had bij keizer Wilhelm aangedrongen op een ultimatum aan Nederland, wanneer geen toestemming gegeven zou worden voor gebruik van spoor- en waterwegen in Limburg voor Duitse militaire transporten en doorvoer van materieel.) Wilhelmina stemde niet in met het standpunt van het overgrote deel van de ministerraad om Snijders te ontslaan en zij had er kennelijk een kabinetscrisis voor over om het ontslag van Snijders, in wie de koningin een voortreffelijk militair gezien moet hebben, te voorkomen. Het kabinet besloot, gezien de op hand zijnde verkiezingen en de precaire situatie waarin het land op dat moment verkeerde, de zaak te laten rusten. De opvolger van De Jonge, Alting von Geusau, zou Snijders in november 1918 ontslaan na de relletjes op de Harskamp. Hij deelt het ontslag mede in de Kamer. Volgens Moeyes in „Buiten Schot” handelde hij op deze manier: „…. om de koningin voor een voldongen feit te stellen.”

De gebeurtenissen in de tweede helft van 1918

Hoewel het revolutiespook in augustus 1918 al in Europa rondwaarde, bemoeide Wilhelmina zich eigenhandig en intensief met de kabinetsformatie. Ze wilde een Kamerbreed oorlogskabinet met aan het hoofd Colijn hoewel de Rooms-Katholieke Staatspartij na de verkiezingen verreweg de grootste partij geworden was. Opnieuw Moeyes: „Politiek Den Haag zag het gekonkel van de koningin met lede ogen aan”. Wilhelmina kreeg overigens niet haar zin: de nieuwe premier werd de katholiek Ruijs de Beerenbrouck.
Dit geeft aan hoe slecht Wilhelmina de op korte termijn voor de deur staande politieke ontwikkelingen heeft ingeschat. Het nieuws uit Duitsland, waar in begin november de sociaal-democratie op het punt stond de macht te grijpen, was voor Troelstra de reden in de Tweede Kamer het standpunt te verdedigen dat ook in Nederland (zeker na de Harskamp!) de socialistische partij zich aan het hoofd moest stellen van een revolutionaire beweging. Op 12 november begon Troelstra zijn Kamerrede met een felle aanval op de Koningin. Hij herinnerde aan het aftreden van Eland en aan de conflicten met De Jonge en Snijders. „Van haar en haar omgeving was een militaire invloed uitgegaan die geleid had tot de muiterij op de Harskamp. De gedachte dat Nederland een parlementair stelsel had, was dus onjuist gebleken”.
Fasseur beschrijft de reacties van Wilhelmina en haar omgeving op de gebeurtenissen. Zijn bronnen hiervoor zijn de brieven die de secretaris van Wilhelmina aan zijn vrouw stuurde alsmede enkele persoonlijke aantekeningen van Wilhelmina.. De stemming op het Noordeinde was onmiddellijk na Troelstra’s optreden in de Kamer verre van opgewekt. De val van zowel de monarchie in Duitsland - Wilhelmina kon overigens de vlucht van de keizer in het geheel niet begrijpen, het was in strijd met haar hele overtuiging over wat plicht, moed en vaderlands liefde van een vorst eisen - en in Oostenrijk-Hongarije alsmede de abdicatie van twee dozijn dynastieën in Europa had begrijpelijker wijs diepe indruk gemaakt. De dreiging was in Den Haag voelbaar. Leden van de hofhouding voelden zich bedreigd. Joelende menigten trokken over het Voorhout. De regering had tegenmaatregelen genomen. Hiertoe behoorden demobilisatie van minder betrouwbare elementen en het oproepen van de aan het gezag uiterst loyaal geachte Landstorm. Het paleis was op 13 november ‘s morgens vroeg door Limburgse Jagers onder directe bescherming geplaatst. Er stonden twee mitrailleurs met veel munitie opgesteld in een vertrek naast de Indische zaal. Zou de koningin moeten vluchten, dan waren daar ook maatregelen voor getroffen: vluchtkoffers met juwelen en contanten waren in gereedheid gebracht.
De secretaris had zich op de avond van 13 november vermomd in de Haagse binnenstad gewaagd. Het wemelde daar van troepen en joelende mensen. De Haagse afdeling van de SDAP hield een grote vergadering waar voorzitter Willem Drees ‘duister’ vaststelde dat de tijd voor ‘een volledige democratie’ nu ook in Nederland was aangebroken. De secretaris meldde laconiek: „de internationale werd slechts slap gezongen en tegen elf uur was alles verspreid”. De revolutie bleek eigenlijk mislukt te zijn voordat ze begonnen was.

Fasseur in een terugblik over deze dagen in november 1918: „na de novembermaand van 1918 zou het koningschap in Nederland nooit meer hetzelfde zijn als het voor dat jaar geweest was. De vanzelfsprekendheid van de monarchiale staatsvorm in Europa na 1918 was verdwenen. Van regel was de monarchie uitzondering geworden. Oude vormen hadden plaats gemaakt voor nieuwe en veelal sobere vormen. Ook Wilhelmina kon dat niet ontgaan”. De hofhouding werd ingekrompen en het protocol vereenvoudigd.
Wilhelms lot had geleerd hoe het keizers en koningen kan vergaan die zich te nadrukkelijk met politieke zaken willen inlaten. Het ingrijpen van Wilhelmina in de landspolitiek behoorde na 1918 weliswaar niet geheel tot het verleden maar was voortaan toch duidelijk van zijn scherpste kanten ontdaan.

overzicht: