Werkstuk Geschiedenis. De aanloop naar de Eerste Wereldoorlog

De aanloop naar de Eerste Wereldoorlog

Gebaseerd op het boek „De andere Waarheid” van J.H.J. Andriessen

Inhoudsopgave

Inleiding
De Frans-Pruisische oorlog 1870-1871
De oprichting van de Driekeizersbond (1873)
De revanchegedachte in Frankrijk
Problemen op de Balkan

De Turks-Russische oorlog (1877)
De Vrede van San Stefano (1878)
Het Congres van Berlijn (1878)
De Zweibund (1879) en de Dreibund (1883)
Het drievoudig neutraliteitsverbond (1881)
Het Rückversicherungsvertrag (1887)
Het geheime Frans-Russisch militaire verdrag (1893)
Koloniale problemen voor Engeland
De Entente Cordiale (1904)
Spanningen in de Dreibund
Het geheime Frans-Italiaanse verdrag (1902)
De Tanger-crisis (1905)
en de Conferentie van Algeciras (1906)
De Entente tussen Engeland en Rusland (1907)
De Triple Entente en de ‘Einkreisung’ van Duitsland
De Agadir crisis (1911)
De geheime Frans-Engelse marine-overeenkomst (1912)
De blokkadeplannen van Engeland
De bewapeningswedloop tussen Engeland en Duitsland
De buitenlandse politiek van Frankrijk
De buitenlandse politiek van Engeland
De buitenlandse politiek van Rusland
Belgische neutraliteit voorwaarde voor Engelse deelname
Italië, Turkije en Tripolitanië (1911)
De positie van Duitsland en de ‘Weltpolitiek’
De oorlog tussen Oostenrijk-Hongarije en Servië (1906)
De Bosnië-kwestie (1908)
De rol van Servië op de Balkan
De Eerste Balkanoorlog (1912)
De Vredesconferentie te Londen (1913)
De Tweede Balkanoorlog (1913)
De Vrede van Boekarest (1913)
De juli crisis (1914)

Bronvermelding

Over de oorzaken van het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog zijn honderden boeken geschreven. Naast aandacht voor de persoonlijke factoren, variërend van onwil tot onmacht, is er ook veel aandacht geweest voor de invloed van politiek-economische factoren als: de koloniale politiek, het moderne imperialisme, het opkomend liberalisme, de idee van het sociaal darwinisme, de machtsstrijd om de hegemonie in Europa, de invloed van nationalistische bewegingen etc.

Al deze aspecten vonden hun weerslag in het politiek handelen van de Europese grootmachten die tot uiting kwam in een groot aantal afspraken, allianties en verdragen. Hieronder waren ook vele geheime verdragen waarbij het begrip geheim enigszins genuanceerd moet worden. In het diplomatieke verkeer waren veel onderdelen van de geheime verdragen min of meer bekend omdat de kennis daarvan vaak werd gelekt omdat op die manier de beoogde doelstellingen, bijvoorbeeld het realiseren van een nieuw machtsevenwicht, werden bereikt.
Daarnaast waren er inderdaad zeer geheime aanhangsels in die verdragen die uitsluitend bekend waren aan een kleine groep direct politiek verantwoordelijken zoals regeringsleiders en ministers. Het betrof hier dan meestal zeer delicate afspraken die niet bekend mochten worden omdat ze bedoeld waren voor effecten op de langere termijn en bij het bekend worden ernstige schade zouden toebrengen aan de op dat moment geldende status-quo.

Voor een zeker begrip voor het ontstaan van deze oorlog mag ook niet vergeten worden dat een oorlog in deze tijd werd beschouwd als een ‘normaal’ instrument om geschillen op te lossen. Het ging daarbij om lokale oorlogen van ‘beperkte duur’ en ‘geringe omvang’. Slechts een enkeling voorzag dat een grote oorlog waarbij meerdere Europese landen betrokken zouden zijn, een langdurige vernietigingsoorlog zou worden.
Artikel 231 van het Vredesverdrag van Versailles van 28 juni 1919 luidt: „De geallieerde en geassocieerde Regeringen verklaren en Duitsland erkent dat Duitsland en zijn bondgenoten als daders verantwoordelijk zijn voor alle verlies en schade berokkend aan De geallieerde en geassocieerde Regeringen en hun onderdanen als gevolg van de oorlog, hun opgedrongen door Duitsland en zijn bondgenoten.”
In artikel 231 van het Vredesverdrag van Versailles wordt Duitsland dus als de enige schuldige aangewezen voor het ontstaan v z an de Eerste Wereldoorlog. In werkelijkheid is hierop wel het één en ander af te dingen zoals J.H.J. Andriessen in zijn voortreffelijke boek De andere waarheid aantoont. In dit boek wordt zeer goed gedocumenteerd gewezen op het bestaan van groot aantal geheime en zeer geheime overeenkomsten die in de periode van 1893 tot 1914 werden afgesloten tussen de Europese grootmachten en die duidelijk agressief gericht waren tegen een gevreesde hegemonie van Duitsland.

Dit land was in 1907 dus niet alleen formeel ‘eingekreist’ door de Triple Entente maar was daarnaast ook nog ingesloten door de geheime verdragen die tussen deze landen waren afgesloten, waarbij zelfs Italië als bondgenoot van Duitsland betrokken was.
Ook de militaire strategie van Duitsland zou zijn te verklaren vanuit deze ‘einkreisung’ omdat dit land bij een ongunstige numerieke krachtsverhouding een strategische positie innam op de ‘binnenlijnen’; dit wil zeggen dat het land was gelegen tussen twee sterke tegenstanders. Hierbij moet worden voorkomen dat een oorlog op twee fronten ontstaat waarbij het land op de ‘binnenlijnen’ wordt verpletterd en daarom was razendsnel handelen in de vorm van een verrassingsoorlog tegen één der tegenstanders geboden. (Ter vergelijking wordt hier verwezen naar het optreden van Israël in 1956 en 1967.*) De schending van de Belgische neutraliteit bleek daarbij voor de Duitse legerleiding onontkoombaar. Dat dit politiek gezien zeer onverstandig was, mag uit het verloop der ontwikkelingen blijken.

(* Bron: J.H.J. Andriessen - De andere waarheid, blz 7)
In het onderstaande artikel wordt regelmatig verwezen naar dit zeer aan te bevelen boek dat absoluut noodzakelijk is voor het verkrijgen van een genuanceerd beeld van het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog.

In de eerste helft van de 19e eeuw was Frankrijk de sterkste natie op het Europese vasteland. Pruisen, onder leiding van Bismarck, was een sterke staat in opkomst en wenste ook een belangrijke plaats in Europa in te nemen. Een opvolgingskwestie die betrekking had op de Spaanse troon leidde tot een hevig conflict tussen Frankrijk en Pruisen. Frankrijk greep naar de wapenen en verklaarde Pruisen de oorlog.
Na een aantal nederlagen werd Frankrijk definitief verslagen bij Sedan en werd Parijs bezet. Er werd een vrede gesloten waarbij werd bepaald dat Frankrijk een oorlogsschatting moest betalen, een bezettingsleger moest accepteren en Elzas-Lotharingen moest afstaan.
In de Spiegelzaal van het paleis in Versailles verenigden de Zuidduitse vorsten zich met de Noordduitse Bond waarvan Pruisen de belangrijkste vertegenwoordiger was en werd het Duitse Rijk gesticht waarbij koning Wilhelm I van Pruisen als Duitse keizer werd erkend.
Na deze Frans-Pruisische oorlog ging de suprematie op het Europese continent van Frankrijk over op het nieuw gestichte Duitse Rijk onder rijkskanselier Bismarck. Deze wilde dit nieuwe Duitse Rijk consolideren en voerde daarom een politiek die er op was gericht dat zich tegen Duitsland nooit een Europese coalitie zou vormen zoals tegen Napoleon I was gebeurd. Duitsland sloot daarom met Oostenrijk-Hongarije en Rusland in 1873 de Driekeizersbond.

Bismarck beoogde hiermee Frankrijk in een isolement te houden maar het gevaar school in het feit dat Oostenrijk-Hongarije en Rusland tegengestelde belangen hadden op de Balkan waar beide landen hun invloed wensten uit te breiden.
Frankrijk, dat zich herstelde van de verloren oorlog van 1871 en waar de revanche-gedachte voor de nederlaag bij Sedan en het verloren gaan van Elzas-Lotharingen sterk leefde, reorganiseerde het leger na 1875 op grootscheepse wijze.
Langs de Franse oostgrens werd een sterke fortengordel aangelegd tussen Verdun en Toul en tussen Epinal en Belfort. In Duitsland werd deze herbewapening met de grote zorg aangezien.
Op de Balkan was de politieke toestand gespannen. Na de nederlaag in de Krimoorlog (1854-1856) had Rusland slechts tijdelijk de belangstelling voor de Balkan verloren. Al spoedig steunde Rusland opnieuw de panslavische beweging in de Balkanlanden om daarmee de eigen belangen, gericht op de vrije toegang tot de Middellandse Zee, te kunnen dienen.

Deze vrije toegang was Rusland ontzegd bij de Vrede van Parijs in 1856 na de verloren Krimoorlog. Hierbij werd de Bosporus voor vreemde oorlogsschepen en de Zwarte Zee voor alle oorlogsschepen gesloten. Ook Oostenrijk-Hongarije (de Donau-monarchie) toonde belangstelling voor deze Balkanlanden omdat zij op zoek was naar gebiedsuitbreiding na het verlies van haar Italiaanse bezittingen.

Om een rol te kunnen spelen in de Balkan stimuleerde Rusland in de Turkse provincie Herzegovina de ontevredenheid der boeren waardoor hier in 1876 een opstand tegen Turkije uitbrak.
De Turkse sultan onderdrukte deze opstand, die zich ook over Bulgarije had uitgebreid, op zeer wrede wijze. Deze harde maatregelen deden ook Servië en Montenegro naar de wapenen grijpen. Nadat deze staten door Turkije waren verslagen, verklaarde Rusland in het voorjaar van 1877 de oorlog aan Turkije.
De Russen behaalden een reeks overwinningen waarop in 1878 de Vrede van San Stefano tot stand kwam: de onafhankelijkheid van Roemenië, Servië en Montenegro werd nog eens duidelijk vastgelegd. Rusland zou de Dobroedsja en Bessarabië krijgen. De staat Bulgarije zou gevormd worden tussen de Donau en de Egeïsche Zee.

Dit succes voor Rusland stond de Europese mogendheden, in het bijzonder Engeland en Oostenrijk-Hongarije, in het geheel niet aan. In Engeland, dat zich ook door het Russische opdringen in Centraal-Azië bedreigd voelde, was de stemming bijzonder oorlogszuchtig. Op het Congres van Berlijn (1878), waarbij Bismarck optrad als de ‘eerlijke makelaar’, werd Rusland gedwongen van het grootste deel van zijn successen afstand te doen:
Bulgarije werd verkleind en van de kust der Egeïsche Zee weggehouden, maar behield wel de provincie Oost-Roemelië; Servië verkreeg een groot deel van Bulgarije; Griekenland kreeg Thessalië en Engeland verkreeg Cyprus. Niet Rusland, maar Roemenië kreeg de Dobroedsja. Roemenië moest echter in ruil hiervoor Bessarabië aan Rusland afstaan. Oostenrijk-Hongarije mocht het bestuur van de Turkse provincies Bosnië en Herzegovina op zich gaan nemen; de provincies bleven echter onder suzereiniteit van Turkije staan. In feite betekende deze regeling het einde van de Turkse heerschappij over de Balkan. Behalve dit waren er nog andere belangrijke gevolgen van de Berlijnse regelingen:

  • de Duits-Russische relatie verslechterde aanzienlijk;
  • Roemenië bleef wrokken over het verlies van Bessarabië;
  • Oostenrijk-Hongarije haalde zich nieuwe moeilijkheden op de hals met de bezetting van Bosnië-Herzegovina, dat weldra een haard van nationalistisch verzet werd.
  • Bulgarije keerde zich al spoedig tegen de Russische voogdij.
  • de slechte Duits-Russische relatie werkte versnellend op de Duits-Oostenrijkse toenadering enerzijds en op de Frans-Russische anderzijds.

Bismarck begreep dat hij de rivaliteit tussen Oostenrijk-Hongarije en Rusland niet tot een einde kon brengen en omdat hij vreesde dat Oostenrijk-Hongarije zich eventueel tot Frankrijk zou wenden om de eigen militaire en politieke situatie te versterken sloten Duitsland en Oostenrijk-Hongarije in 1879 een geheim defensief verbond: de Zweibund.
Zij beloofden elkaar wederzijdse hulp bij een Russische aanval. (Dit verbond werd lange tijd geheim gehouden: pas in 1887 kreeg Rusland de inhoud hiervan te horen).
Bismarck meende nu ook bondgenoot Oostenrijk-Hongarije tot samenwerking met Rusland te kunnen dwingen. Hiertoe werd in 1881 de Driekeizersbond omgezet in drievoudig neutraliteitsverbond waarbij werd afgesproken dat de wederzijdse posities in de Balkan zouden worden gerespecteerd en dat de neutraliteit in acht zou worden genomen indien één van de landen in oorlog zou geraken met een vierde mogendheid.
(In 1884 werd dit neutraliteitsverbond nog verlengd maar de moeilijkheden tussen Oostenrijk en Rusland werden zo groot dat Rusland in 1887 de Driekeizersbond verliet.)
In 1882 werd de Zweibund omgezet in de (opnieuw geheime) Dreibund (de Triple Alliantie) omdat Italië, dat steun zocht tegen de Franse expansie in Noord Afrika waar Tunis was veroverd, zich hierbij aansloot.
Dit ging niet helemaal van harte, want tussen de Italië en Oostenrijk-Hongarije bestonden spanningen vanwege de irredentistische eisen van Italië met betrekking tot op de Balkan gelegen gebiedsdelen waar Oostenrijk-Hongarije ook belangen had.

In 1884 is werd de Driekeizersbond-overeenkomst nog verlengd maar de moeilijkheden tussen Oostenrijk-Hongarije en Rusland werden zo groot dat Rusland in 1887 de Driekeizersbond verliet. Om een toenemende Frans-Russische toenadering te beperken sloot Bismarck, die een oorlog op twee fronten wilde vermijden, in 1887 het geheime Rückversicherungsvertrag met Rusland. Ook Duitslands bondgenoot Oostenrijk-Hongarije werd hiervan (uiteraard) niet op de hoogte gesteld.
In dit verdrag erkende Duitsland de rechten van Rusland op inmenging in de Balkan en haar streven naar de openstelling van de zeestraten (dit laatste was vastgelegd in een geheime zeestraten-clausule). Rusland zou neutraal blijven bij een Franse aanval op Duitsland en Duitsland zou neutraal blijven bij een Oostenrijkse aanval op Rusland.
De Russische Balkanpolitiek was dus gericht op de openstelling van de Bosporus en de Dardanellen waardoor vrije toegang tot de Middellandse Zee kon worden gerealiseerd. Dit streven was echter zeer tegen de zin van Frankrijk en Engeland die geen inmenging wensten in hun machtsgebied en daarom werd de zeestraten-clausule in het verdrag zeer geheim gehouden.

Het Rückversicherungsvertrag werd in 1890 (tegen de zin van Rusland) niet verlengd. Het oorspronkelijke verdrag was nog afgesloten door Bismarck die in 1890 was ontslagen en was opgevolgd door Caprivi. Bismarck had nooit problemen gehad met geheime diplomatie maar de nieuwe kanselier vreesde dat, indien Rusland ooit de in dit verdrag opgenomen geheime zeestraten-clausule bekend zou maken, de relatie met de overige Europese grootmachten zou verslechteren.
Rusland meende hieruit te moeten concluderen dat Duitsland zich liever op het westen wilde oriënteren en zocht daarom zelf ook steun bij de andere grootmachten.
Frankrijk zag hierin haar kans schoon en bood Rusland de mogelijkheid van een samenwerking op militair gebied. Dit zeer geheime Frans-Russische militaire verdrag werd in 1893 officieel van kracht en was zodanig agressief gericht tegen Duitsland dat dit verdrag slechts in zeer beperkte kring bekend was.
Onmiddellijk hierna begon Frankrijk grote leningen te verstrekken aan Rusland die gebruikt werden voor de uitbouw van het Russische spoorwegnet. De achterliggende bedoeling was dat de Russische mobilisatietijd meer in overeenstemming zou worden gebracht met die van de Fransen.

Dit verdrag bevat reeds in 1893 door zijn gedetailleerde en agressieve inhoud de kiem voor de Eerste Wereldoorlog*.
(* Bron: J.H.J. Andriessen - De andere waarheid blz. 15-19)

De Europese politieke situatie werd er door dit verdrag niet stabieler op, maar voorlopig bleef de vrede bewaard. Omstreeks 1900 geraakte Engeland in een diplomatiek isolement vanwege koloniale conflicten (het Fashoda-conflict met Frankrijk, problemen met Rusland vanwege Kiao Chow in China en de in Zuid Afrika gevoerde Boerenoorlogen).
Engeland zocht daarom enkele malen toenadering tot Duitsland, maar Duitsland ging daar niet op in. Duitsland meende, geheel ten onrechte zoals later zou blijken, dat van Engeland geen gevaar te vrezen was, omdat dit land met Frankrijk en Rusland toch nooit tot een samenwerkingsverband zou kunnen komen.
Engeland zag echter in, dat de tijd van de splendid isolation voorbij was. In 1904 kwam de Entente Cordiale met Frankrijk tot stand, waarbij Frankrijk zijn aanspraken in Egypte ruilde voor die in Marokko. Daar had Frankrijk reeds in 1900 ook van Italië carte-blanche gekregen; in ruil daarvoor had Italië rechten verkregen in de Turkse provincie Tripolitanië gelegen in Noord-Afrika.
De spanningen binnen de Dreibund werden steeds groter: Oostenrijk-Hongarije en Italië richtten beide hun aandacht op de Balkan; de verhouding tussen Rusland en Turkije (bondgenoot van Duitsland) en tussen Rusland en Oostenrijk (eveneens bondgenoot van Duitsland) verslechterde voortdurend, vooral vanwege de Balkankwestie. Daarbij kwamen na 1900 nog de Italiaans-Turkse spanningen om Tripolitanië, waardoor Duitsland lelijk bekneld raakte tussen deze beide bevriende staten.

Ook Italië ondernam pogingen koloniën te verwerven. Zo verkreeg het Eritrea (1882-1890) en Italiaans Somaliland (1899-1905). Een poging om in 1896 Abessinië in te lijven mislukte jammerlijk; de Italianen werden in 1896 bij Adoea verslagen. Italië gaf bondgenoot Duitsland hiervan mede de schuld omdat deze weigerde Italië militaire hulp te sturen waartoe zij krachtens het Dreibund-verdrag ook niet verplicht was.
Hoewel dit verdrag juist weer verlengd werd sloot Italië in 1898 ook een handelsverdrag met Frankrijk, in 1900 gevolgd door het geheime Middellandse Zee verdrag waarin de beide landen elkanders invloedssferen in respectievelijk Marokko en Tripolitanië erkenden.
In juli 1902 sloot Frankrijk een zeer geheim verdrag met Italië waarin Italië beloofde neutraal te blijven in het geval dat Frankrijk in een oorlog verwikkeld zou geraken ook als Frankrijk hierbij de agressor zou zijn. Dit was natuurlijk geheel in strijd met het Dreibund-verdrag dat nota bene kort daarvoor plechtig hernieuwd was.
Dat dit verdrag zeer geheim was moge blijken uit het feit dat de Franse legerleiding pas in juni 1909 op de hoogte werd gebracht. Het gevolg was tweeledig: omdat Frankrijk de grens met Italië niet meer hoefde te verdedigen kon het troepen vrijmaken voor de inzet elders en Italië was niet langer een betrouwbare bondgenoot binnen de Dreibund die daardoor ernstig verzwakt raakte. (Bron: J.H.J. Andriessen - De andere waarheid blz. 23-25).

In 1880 werd te Madrid een conventie van kracht waarbij alle belangrijke landen in Europa afspraken vastlegden ter regeling van hun handelsactiviteiten in Marokko. Vanwege de aanzienlijke handelsbelangen in Marokko sloot Duitsland in 1890 een afzonderlijk handelsverdrag met dit land; Frankrijk volgde dit voorbeeld in 1892.
In 1900 sloten Frankrijk en Italië een geheim verdrag ter regeling van hun invloedssferen in het Middellandse Zee gebied. Frankrijk beoogde een groot Frans koloniaal rijk aan de kust van Noord Afrika en Marokko moest daarvan een onderdeel uitmaken.
Na de Entente Cordiale van 1904 maakte Frankrijk ernst met haar koloniale plannen. Frankrijk begon zijn optreden in Marokko met een verdrag met Spanje, dat daarbij zijn eigen aanspraken in Marokko gegarandeerd kreeg.
Duitsland die als belangrijke mogendheid bewust buiten de besprekingen was gelaten, zag haar handelsbelangen in gevaar komen en ageerde heftig tegen het optreden van Frankrijk. Keizer Wilhelm II bracht, tijdens een vakantietocht in de Middellandse Zee, zelfs een bezoek aan Tanger waar hij de Marokkaanse sultan steun toezegde (de Tanger-crisis van 1905).
Tijdens de hierop volgende Conferentie van Algeciras in 1906 kreeg Duitsland geen voet aan de grond: Engeland en Frankrijk vormden een gesloten front tegenover Duitsland. Ook Italië koos de westelijke zijde, gunstig gestemd door de beloften van Frankrijk inzake Tripolitanië. Alleen Oostenrijk-Hongarije steunde Duitsland.

De positie van Frankrijk was nu dus gevestigd, terwijl het isolement van Duitsland in Europa duidelijk bleek. In de nu volgende jaren werd de Engels-Franse toenadering steeds groter, vooral op militair terrein. Het Engelse leger werd in die dagen gereorganiseerd.
De bedoeling hiervan was dat men, in geval van oorlog, in staat zou zijn in 14 dagen een expeditieleger naar het vasteland te zenden. Mede door bemiddeling van Frankrijk kwam Engeland nu ook met Rusland op goede voet te staan. In 1907 werd dan ook een entente gesloten tussen Engeland en Rusland.
De onderlinge verbintenissen tussen Frankrijk, Engeland en Rusland werd ook wel aangeduid met de naam Triple Entente. Hierdoor werd Duitsland dus omsingeld door de verbonden Europese grootmachten. De Einkreisung, waar Bismarck altijd voor had gewaarschuwd, was daarmee dus een feit geworden.
Er ontstond een nieuwe Marokko-crisis (de Agadir crisis) in 1911. De hoofdstad Fes werd door Frankrijk bezet met als doel een Marokkaanse opstand te onderdrukken. Duitsland was hierover opnieuw niet geïnformeerd en zag daarin opnieuw een bedreiging van zijn handelsbelangen. Duitsland stuurde daarop het oorlogsschip Panther naar Agadir.
Engeland gooide olie op het vuur in het openbaar uit te spreken dat Engeland zich nimmer van de eerste plaats onder de naties zou laten verdringen en daar desnoods een oorlog voor over had (de Mansion House rede van Lloyd George). Opnieuw dreigde er een Europese oorlog te ontstaan; Engeland mobiliseerde zelfs een aantal legeronderdelen.

Op het laatste moment werd het conflict gesust door de vredelievende houding van dan regerende Franse president Cailleux en de gematigde elementen binnen de Duitse regering die tot concessies bereid waren. Er kwam er een regeling tot stand: Duitsland erkende het Franse protectoraat over Marokko en verkreeg in ruil hiervoor een gedeelte van Frans Congo (de Marokko-accoorden).

In Frankrijk werd dit verdrag beschouwd als een overwinning voor de aanhangers van de revanche gedachte. In Duitsland was men van oordeel dat dit land het slachtoffer was geworden van een ergerlijke samenzwering omdat Engeland had getoond Frankrijk door dik en dun te steunen. Binnen de Duitse politieke kringen ontstaat daarop een stroming die aandringt op een meer agressieve houding in de buitenlandse politiek.
Deze Agadir-crisis was voor Engeland en Frankrijk een reden voor verdere samenwerking. In het geheim werd een Frans-Engelse marine-overeenkomst gesloten. Hierbij werd vastgelegd dat Frankrijk haar gehele vloot in de Middellandse Zee zou samentrekken en dat Engeland het grootste deel van haar oorlogsschepen die daar waren gestationeerd naar de Noordzee zou overbrengen.
Frankrijk ontving daarbij de garantie dat Engeland de Franse kusten zou beschermen tegen een eventuele Duitse aanval. Deze onderhandelingen waren geheel buiten het parlement omgegaan. Deze vlootverplaatsingen waren reeds in mei 1912 grotendeels voltooid.

In 1905 was in Engeland een onderzoek verricht naar de effecten van een eventuele maritieme blokkade van Duitse havens waaruit bleek dat deze zeer effectief zou werken. Duitsland werd dan afgesneden van zijn aanvoer van grondstoffen en voedsel en zou daardoor bij een eventuele oorlog spoedig het onderspit moeten delven.

Noot: in 1909 werd dit blokkadeplan trouwens door het Imperial Defence Committee tot officiële strategie gekozen ondanks het feit dat dit in strijd was met de, ook door Engeland geratificeerde, internationale regels op maritiem gebied vastgelegd in de Declaratie van Parijs in 1856. Hierbij was o.a. geregeld de neutrale handel door oorlogvoerenden niet mocht worden verstoord, terwijl Engeland door het blokkadeplan expliciet de burgerbevolking als oorlogsdoel koos.

Dit blokkadeplan lekte uit en Duitsland erkende de uitkomst van deze studie. De oplossing leek gelegen in de bouw van een grote Duitse oorlogsvloot bij een eventuele blokkade de aanvoerroutes kon beschermen.
Toen in 1906 de Engelse vloot aanzienlijk aan gevechtskracht won door de invoering van een nieuw type slagschip (het dreadnought-type) voelde men in Duitsland nog meer behoefte aan een sterke vloot waarvoor ook de financiële middelen werden vrijgemaakt via de vlootwetten van admiraal Tirpitz.
Daar kwam nog bij dat men zich in Duitsland ernstig zorgen maakte over de gevolgen van de Engels-Franse Entente, de concentratie van de Engelse vloot in de Noordzee en de effecten van de Marokko-crisis.
Er ontstond dus een bewapeningswedloop waarover men zich zowel in Engeland als Duitsland zorgen maakte. Onder de druk van de oppositie binnen de regering werd vanuit Engeland in 1912 een poging gedaan met Duitsland tot een betere verstandhouding te komen. Er werd een commissie onder leiding van de Engelse minister van Oorlog Haldane naar Duitsland gezonden.

Tot ieders verrassing bleek Duitsland zeer inschikkelijk ten aanzien van de voorstellen. Er werd een conceptovereenkomst opgesteld waarover iedereen zeer tevreden was. Haldane sprak zelfs van een ‘wereldhistorische gebeurtenis’. De Engelse regering reageerde echter niet op deze voorstellen.
Het bleek namelijk dat in de conceptovereenkomst werd gesproken over een ‘strikte neutraliteit’ van Engeland en dat was in het kader van de geheime Frans-Engelse samenwerking niet mogelijk. Engeland bleek dus met handen en voeten gebonden aan Frankrijk en wenste geen overeenkomst te sluiten met Duitsland waarop Duitsland zelf, teleurgesteld en gefrustreerd door de onwillige Engelse houding, de besprekingen beëindigde. (Bron: J.H.J. Andriessen - De andere waarheid blz. 50-80).

Deze gehele ontwikkeling toont aan, hoezeer Duitsland in Europa in een isolement was geraakt. Dit had ook te maken met de onwillige, zelfs vijandige houding van Frankrijk en Engeland zoals blijkt uit de samenwerkingsverbanden en geheime verdragen die er gesloten waren.
Er ontstond dus een bewapeningswedloop waarover men zich zowel in Engeland als Duitsland zorgen maakte. Onder de druk van de oppositie binnen de regering werd vanuit Engeland in 1912 een poging gedaan met Duitsland tot een betere verstandhouding te komen. Er werd een commissie onder leiding van de Engelse minister van Oorlog Haldane naar Duitsland gezonden.

Deze gehele ontwikkeling toont aan, hoezeer Duitsland in Europa in een isolement was geraakt. Dit had ook te maken met de onwillige, zelfs vijandige houding van Frankrijk en Engeland zoals blijkt uit de samenwerkingsverbanden en geheime verdragen die er gesloten waren.
In Engeland was in 1905 Edward Grey minister van Buitenlandse Zaken geworden. Hij was iemand die Duitsland als de gevaarlijkste tegenstrever van Engeland beschouwde aan welker expansie een halt moest worden toegeroepen. Grey wenste dan ook een anti-Duitse politiek te voeren waarbij een gewapend conflict op langere termijn niet moest worden uitgesloten.
Daartoe vond hij dat naast een vergaande samenwerking met Frankrijk, ook samenwerking met Rusland noodzakelijk zou zijn. Grey opende reeds in 1906 geheime besprekingen met Frankrijk met het doel te komen tot militaire samenwerking.
In 1906 werd door de minister van Oorlog Haldane een voorstel ingediend om een expeditieleger te vormen dat in staat was binnen 14 dagen in België of Frankrijk te landen om het Franse leger bij te staan in geval van oorlog met Duitsland. De verantwoordelijke directeur Military Operations generaal Wilson organiseerde de praktische uitvoering van de oorlogsplannen en tekende in 1911 zelfs een memorandum met de Fransen waarin werd afgesproken dat 150.000 man en 67.000 paarden naar Boulogne en Le Havre zouden worden gezonden om de linkerflank van het Franse leger te versterken.

Noot: in 1910 waren er al plannen uitgewerkt, in geval van een eventuele oorlog, voor de landing van een Engels expeditieleger op het Europese continent zo nodig in België met of zonder de toestemming van België (bron: Haldane - Before the war).

Ook hierbij werd het parlement niet ingelicht en was dit slechts in kleine kring bekend. In 1913 en 1914 werden proefmobilisaties en transportoefeningen uitgevoerd in een gezamenlijke Frans-Engelse stafoperatie. Ook hiervan werd het overgrote deel van het Engelse regering en het parlement in onwetendheid gelaten.
Rusland was in de laatste helft van de 19e eeuw een staat met een autocratisch regime, waar 60% van de bevolking horig was aan kerk, staat of kroon. Er waren dan ook regelmatig opstanden die bloedig werden onderdrukt. Rusland werd dan ook binnen Europa als een bedreiging beschouwd voor de Europese veiligheid.
Na de Krim-oorlog (1854-1856) werd Rusland bij de toen afgesloten Vrede van Parijs de vrije toegang tot de Middellandse Zee ontzegd. Dit was voor Rusland vernederend en een ernstige militaire handicap, zoals bleek bij de (verloren) Russisch-Japanse oorlog in 1904 waarbij de Russische slagvloot uit de Baltische Zee moest komen en maandenlang onderweg was naar het actiegebied.

De zeestraten-kwestie (de vrije toegang tot de Middellandse Zee) werd dus na 1904 één van de belangrijkste onderdelen van het buitenlands beleid. Rusland probeerde enige malen zelfstandig een oplossing te vinden door het zwakke Turkije te willen aanvallen en de Bosporus en de Dardanellen te bezetten maar daarvoor schrok het uiteindelijk toch weer terug.
Inmiddels poogde ook Duitsland haar invloed in Turkije te vergroten waardoor deze zeestraten onder Duitse invloed zouden kunnen komen wat voor Rusland absoluut onacceptabel was.
Langzaamaan drong het besef door dat de zeestraten-kwestie slechts oplosbaar was door samenwerking met Frankrijk (waarmee reeds in 1893 een geheim verdrag was afgesloten) en Engeland waarmee in 1907 een verdrag werd gesloten. De samenwerking tussen de drie landen kwam dus tot uitdrukking in deze Triple Entente.

Na 1906 ontwikkelden de achtereenvolgende ministers van Buitenlandse Zaken Iswolski en Sazonov de gedachtengang dat de oplossing voor de zeestraten-kwestie gelegen was in het uitbreken van een oorlog waarbij Rusland zich zou aansluiten bij Engeland en Frankrijk en waarvoor Rusland als beloning in het bezit zal worden gesteld van de Bosporus en de Dardanellen.
De aanleiding moest gevonden worden op de Balkan, waar Servië met (geheime) steun van Rusland, door voortdurende agitatie, provocaties en subversieve activiteiten uiteindelijk in oorlog zou geraken met Oostenrijk-Hongarije.
Rusland zou dan Servië te hulp komen en een algehele mobilisatie tegen Oostenrijk afkondigen. Duitsland zou hierop haar bondgenoot Oostenrijk-Hongarije niet in de steek laten en ook overgaan tot algehele mobilisatie en de oorlog verklaren aan Rusland. Frankrijk en Engeland zouden zich daarop, krachtens de verdragen en de eigen doelstellingen, weer bij Rusland aansluiten. De gewenste oorlog zou daardoor een feit zijn.

In plaats van Engeland was het dus Duitsland dat vrijwel alleen was komen te staan. Sinds Italië was losgeweekt van de Dreibund als gevolg van het geheime Middellandse Zee verdrag (1900) over Tripolitanië en het geheime verdrag met Frankrijk (1902), kon Duitsland eigenlijk alleen nog maar op Oostenrijk-Hongarije en op Turkije rekenen. Deze staten waren echter weinig krachtdadig, verscheurd als zij waren door nationale tegenstellingen en moeilijkheden met hun buurlanden.
De belangrijkste voorwaarde voor Grey was bij dit alles dat Frankrijk nooit als agressor zou kunnen worden aangewezen door als eerste een aanvallende actie te ondernemen omdat het Engelse volk dan waarschijnlijk zou weigeren het Franse volk te hulp te schieten. Uit het uitgelekte Schlieffenplan bleek dat Duitsland met een sterk leger het neutrale België zou binnenvallen om Frankrijk aan te vallen. Dit bleek voor Grey essentieel aspect voor een eventuele betrokkenheid van Engeland bij een oorlog.
Eerst moest Duitsland het neutrale België binnenvallen en pas dan zou Engeland kunnen optreden als de ‘redder van België’ en zou het Engelse volk een oorlog accepteren. Frankrijk heeft van harte medewerking verleend aan deze voorwaarde door vlak voor het uitbreken van de oorlog alle gemobiliseerde troepen 10 kilometer van de grenzen terug te trekken zodat voorkomen werd dat Franse soldaten als eerste de grens overtrokken en Frankrijk als agressor zou kunnen worden aangemerkt.

Frankrijk en Engeland zagen Duitsland dus beiden als een grote bedreiging van hun machtspositie en wilden er kennelijk alles aan doen Duitsland als belangrijke staat van het wereldtoneel te laten verdwijnen.
Nadat Italië in 1900 met Frankrijk een overeenkomst had gesloten waarbij deze hun de vrije hand lieten in de in Noord-Afrika gelegen Turkse provincie Tripolitanië (in ruil voor een soortgelijke verklaring van hun kant ten aanzien van Marokko) en Marokko in de zomer van 1911 inderdaad een Frans protec-toraat geworden was, verklaarde Italië op 25 september 1911 Turkije de oor-log (de Turks-Italiaanse oorlog).
Italiaanse legers landden in oktober te Tripoli, Bengasi en Homs en lijfden op 5 november 1911 dit gebied in. Bij de Vrede van Lausanne (1912) vestigde Italië zijn gezag over Cyrenaica, Tripolitanië en Fezzan. Deze drie gebieden werden samengevoegd tot één Italiaanse kolonie Libië. Turkije raakte door deze oorlog ernstig verzwakt. Italië was door de samenwerking met Frankrijk als bondgenoot voor Duitsland en Oostenrijk-Hongarije volkomen onbetrouwbaar geworden.
Duitsland kende van het einde van de 19e eeuw een enorme economische groei en een sterke bevolkingsaanwas. Zij werd daardoor genoodzaakt zich te richten op nieuwe markten voor export en import en zocht daarvoor toegang tot de internationale wereldhandel. De Duitse buitenlandse politiek was dus gericht op een ‘gerechtvaardigde plaats onder de zon’. Dit ging echter ten koste van de reeds gevestigde landen die de Duitse expansiedrift met lede over aanzagen en vaak problemen veroorzaakten als Duitsland zich ergens manifesteerde.
Ter bescherming van de Duitse belangen werd het noodzakelijk geacht dat Duitsland de beschikking kreeg over een eigen oorlogsvloot net zoals Engeland en Frankrijk dat ook hadden. De redenering was dat zonder voldoende machtsmiddelen een ‘Weltpolitiek’ niet uitvoerbaar zou zijn. In het Duitse parlement werden daarom in 1897 en 1900 een tweetal vlootwetten aangenomen.

Engeland beschouwde de bouw van een sterke Duitse vloot als een aantasting van haar suprematie op de zee (‘Brittania rule the waves’). Toch werd in het diplomatieke verkeer regelmatig tot uitdrukking gebracht dat Duitsland niet streefde naar een superioriteit over de Britse vloot maar dat de Duitse vloot moest dienen als politiek drukmiddel bij eventuele conflicten en vooral ter verdediging tegen een eventuele economische blokkade door Engeland. Immers: ook Engeland en Frankrijk gebruikten hun vloten voor dezelfde doelstellingen.

Engeland hanteerde in 1908 haar ‘Two Power Standard’ als basis voor haar politiek tegenover de Duitse vlootbouw. Uitgangspunt was hierbij dat de Engelse oorlogsvloot steeds even sterk zou moeten zijn als de sterkste vloten van twee andere landen tezamen.
Dit leidde uiteindelijk tot een wapenwedloop tussen Engeland en Duitsland waarover men zich in beide landen ernstig zorgen maakte. Er werden onderhandelingen gevoerd. De missie van Haldane mislukte echter en er kwam geen vergelijk met Engeland dat zich aan Frankrijk had verbonden en daardoor geen strikte neutraliteit kon garanderen.
Uiteindelijk bleek dat Duitsland de bewapeningswedloop financieel niet langer kond bolwerken en het vlootbouwprogramma werd dan ook geschrapt. Duitsland erkende hiermee dat de Engelse en de Franse vloot te sterk was (ook al door de bouw van de dreadnought-slagschepen) en dat de Duitse achterstand in de vlootbouw niets meer weg te werken was.

Dit betekende dus dat Duitse ‘Weltpolitiek’ niet langer haalbaar was en dat Duitsland zich meer zou gaan richten op haar positie op het Europese continent. De Duitse vlootbouw was dus voor Engeland en Frankrijk niet langer een oorlogsdreiging.
Het gevolg was evenwel dat Duitsland meer aandacht ging besteden aan de opbouw van het leger wat door de omringende landen ook weer met bezorgdheid werd gadegeslagen. Overal in Europa werden de militaire budgetten vergroot; Frankrijk verlengde de dienstplicht tot drie jaar; Engeland ging door met opbouw van het expeditieleger en versterkte de militaire en maritieme relatie met Frankrijk.
Oostenrijk-Hongarije vergrootte zo haar invloed in Servië dat in feite een protectoraat werd. Dit betekende o.a. dat alle Servische economische activiteiten door haar werden beheerst (90% van de Servische export liep bijvoorbeeld via Oostenrijk-Hongarije).

Toen Servië op eigen initiatief in 1905 een handelsverdrag sloot met Bulgarije brak het jaar daarop een fel conflict uit met Oostenrijk-Hongarije (men sprak zelfs van de ‘varkensoorlog’). Servië kwam uit dit conflict als overwinnaar te voorschijn omdat het kans zag een zelfstandige economische positie op te bouwen ondanks de tegenwerking van Oostenrijk-Hongarije.
Een en ander geschiedde onder leiding van Peter Karageorgevitch die in 1903 koning van Servië geworden. Hij bleek pro-Russisch en een groot voorstander van de vorming van een Groot-Servië waarbij alle Slavische volkeren verenigd zouden worden onder Servisch bestuur. Dit laatste was een ernstige bedreiging voor de autonomie van Oosterijk-Hongarije dat zeer vele Slaven binnen haar landsgrenzen telde. Al deze moeilijkheden zorgden ervoor dat de relatie tussen de beide landen danig onder druk kwam te staan.

Rusland zag hierin de kans schoon haar Balkanpolitiek, gericht op een vrije toegang tot de Middellandse Zee, te realiseren. Een conflict tussen Servië en Oostenrijk-Hongarije zou immers de aanleiding kunnen vormen tot een oorlog die voor Rusland als beloning die vrije toegang zou opleveren (zie: buitenlandse politiek van Rusland).
Rusland steunde Servië dan ook aan alle kanten zowel op een directe als indirecte wijze. Rusland stimuleerde de oprichting van de Balkanliga; ze verleende steun bij de oprichting van de nieuwe Servische politieke partij, de Radicale Partij, en was ook betrokken bij de oprichting van de Zwarte Hand, een terroristische organisatie die haar activiteiten vooral richtte op Bosnië-Herzegovina.
De situatie in Bosnië-Herzegovina liep zodanig uit de hand dat Oostenrijk-Hongarije zich genoodzaakt zag dit land in oktober 1908 gewapenderhand binnen te vallen en te annexeren. Een en ander plaats was van tevoren in het geheim besproken met Rusland dat akkoord ging in ruil voor de belofte dat Oostenrijk steun zou verlenen aan Rusland inzake de zeestraten-kwestie.

De Russische minister Iswolski had deze overeenstemming zelfs schriftelijk bevestigd terwijl Oostenrijk Hongarije geen enkele toezegging op papier zette en later ontkende ook maar enige concessie jegens Rusland te hebben gedaan. Rusland voelde zich door deze handelwijze zeer vernederd hetgeen dus opnieuw een ernstige verstoring veroorzaakte in de relatie tussen beide landen.
Servië reageerde furieus op deze annexatie vooral toen bleek dat deze met medeweten van Rusland was geschied. Servië mobiliseerde en wilde een oorlog ontketenen waarbij ze toch weer konden rekenen op de steun van Rusland. Daar achtte men de tijd nog niet rijp omdat het leger nog in opbouw was na de verloren oorlog tegen Japan in 1904.
In 1909 trad Duitsland op als vredestichter. Men kwam overeen de annexatie internationaal te erkennen, ook door Rusland, waarbij Servië door middel van een openlijke verklaring erkende dat haar rechten niet waren aangetast en dat ze akkoord ging met de annexatie en een vreedzaam relatie zou opbouwen met Oostenrijk-Hongarije. Deze openlijke vernedering was voor Servië zo groot dat het reeds na korte tijd de haatcampagne tegen Oostenrijk-Hongarije weer opvatte.

Rusland wilde na haar diplomatieke blunder in 1908 toch haar Balkanpolitiek verder ontwikkelen en zocht weer diplomatieke toenadering tot Servië. In 1909 sloot Rusland een geheim militair verdrag met Bulgarije dat steun beloofde aan Rusland als dit land werd aangevallen door Oostenrijk-Hongarije, Duitsland en/of Roemenië.
In ruil hiervoor zou Bulgarije, bij een gunstige uitslag van de oorlog, dan gebiedsuitbreiding in Roemenië ontvangen. Hier werd dus nog eens opnieuw vastgelegd welke doelstellingen Rusland op de Balkan nastreefde.
In 1912 sloot Servië, onder invloed van Rusland, een militaire overeenkomst met Bulgarije ondanks haar geschillen met dit land. Bulgarije had zich n.l. altijd zeer vriendelijk opgesteld ten opzichte van Oostenrijk-Hongarije maar door de geheime overeenkomst met Rusland was de situatie veranderd. Bulgarije beloofde Servië te helpen als het werd aangevallen door Oostenrijk-Hongarije. Griekenland en Montenegro sloten zich ook bij Servië aan.

In eerste instantie was deze alliantie van Balkanlanden gericht tegen Turkije dat in 1911 in oorlog was geraakt met Italië, maar deze alliantie vormde ook een bedreiging voor Oostenrijk-Hongarije vooral omdat Rusland voortdurend op de achtergrond aanwezig was en daardoor eveneens een bedreiging vormde voor de positie van Oostenrijk-Hongarije op de Balkan.
Na de Russisch-Turkse oorlog van 1878 werd Servië onafhankelijk. Bij het daarop volgende Congres van Berlijn werd het succes van Rusland echter te niet gedaan. Hier kreeg Servië een groot deel van Bulgarije toegewezen maar Bosnië-Herzegowina werd onder het bestuur gesteld van Oostenrijk-Hongarije. Dit was zeer tegen de zin van Servië dat dit gebied zelf had willen hebben om zodoende een grote Slavische staat te kunnen vormen.
Bulgarije was zeer teleurgesteld over het feit dat ze een groot gebied had moeten afstaan en begon te infiltreren in Oost-Roemelië en Macedonië dat uiteindelijk verklaarde zich bij Bulgarije te willen voegen. Dit was ook niet naar de zin van Servië dat in 1885 Bulgarije de oorlog verklaarde. De Bulgaren bleken echter te sterk voor Servië dat zelfs tot ver op eigen grond werden teruggeslagen. Toen daarop Oostenrijk-Hongarije optrad als beschermer van Servië trokken de Bulgaren zich terug.
Oostenrijk-Hongarije vergrootte zo haar invloed in Servië dat in feite een protectoraat werd. Dit betekende o.a. dat alle Servische economische activiteiten door haar werden beheerst (90% van de Servische export liep bijvoorbeeld via Oostenrijk-Hongarije). Toen Servië op eigen initiatief in 1905 een handelsverdrag sloot met Bulgarije brak er een fel conflict uit met Oostenrijk-Hongarije (men sprak zelfs van de varkensoorlog).

Servië kwam uit dit conflict als overwinnaar te voorschijn omdat het kans zag een zelfstandige economische positie op te bouwen ondanks de tegenwerking van Oostenrijk-Hongarije. Een en ander geschiedde onder leiding van Peter Karageorgevitch die in 1903 koning van Servië geworden. Hij bleek pro-Russisch en een groot voorstander van de vorming van een Groot-Servië waarbij alle Slavische volkeren verenigd zouden worden onder Servisch bestuur.
Dit laatste was een ernstige bedreiging voor de autonomie van Oosterijk-Hongarije dat zeer vele Slaven binnen haar landsgrenzen telde. Al deze moeilijkheden zorgden ervoor dat de relatie tussen de beide landen danig onder druk kwam te staan.
Rusland zag hierin de kans schoon haar Balkanpolitiek, gericht op een vrije toegang tot de Middellandse Zee, te realiseren. Een conflict tussen Servië en Oostenrijk-Hongarije zou immers de aanleiding kunnen vormen tot een oorlog die voor Rusland als beloning die vrije toegang zou opleveren (zie: buitenlandse politiek van Rusland).
Rusland steunde Servië dan ook aan alle kanten zowel op een directe als indirecte wijze. Rusland stimuleerde de oprichting van de Balkanliga; ze verleende steun bij de oprichting van de nieuwe Servische politieke partij, de Radicale Partij, en was ook betrokken bij de oprichting van de Zwarte Hand, een terroristische organisatie die haar activiteiten vooral richtte op Bosnië-Herzegovina.

De samenwerkende Balkanlanden zagen in 1912 hun kans schoon en vielen het verzwakte Turkije aan. Turkije, dat een jaar eerder de oorlog verloren had van Italië, was tegen de gebundelde krachten van de Balkanstaten niet opgewassen en moest capituleren. De Serviërs was echter niet tevreden met de veroveringen op Turkije en bezetten daarom een groot deel van Albanië; ze bereikten zelfs de kust van de Adriatische Zee.
Dit was zeer tegen de zin van Oostenrijk-Hongarije dat in geen geval Servië (en dus Rusland) de toegang tot de Adriatische Zee gunde. Er werd met mobilisatie gedreigd. Hierdoor dreigde ook Rusland te zullen ingrijpen, waarop Duitsland zich achter Oostenrijk-Hongarije schaarde. Rusland moest daarop inbinden omdat het militair nog niet voldoende sterk was en trok zich terug.
Servië zag zich daardoor gedwongen, nu het zonder steun van Rusland stond, zich terug te trekken uit Albanië. Opnieuw dus een vernedering voor Servië.
Voor de afloop van deze oorlog was de houding van de grote mogendheden beslissend: Oostenrijk-Hongarije wenste geen bedreiging van een Groot-Servisch rijk dat alle Slavische volkeren onder één bestuur zou brengen. Italië wenste zelf Albanië te annexeren. Rusland echter steunde de panslavische beweging in Servië en Frankrijk schaarde zich achter Rusland. Duitsland achtte zich wederom verplicht zijn bondgenoot Oostenrijk-Hongarije te steunen, maar wenste geen Europese oorlog te ontketenen evenmin als Engeland.

Daarop werd de Vredesconferentie te Londen (1913) georganiseerd. Hier werden o.a. de volgende bepalingen vastgelegd: Servië werd van de kusten van de Adriatische Zee geweerd door de stichting van de onafhankelijke staat Albanië. Turkije moest alle gebieden ten westen van de Enos-Midia-lijn en alle eilanden in de Egeïsche Zee afstaan. Deze gebieden moesten worden verdeeld onder de overwinnaars. Met de Turkse invloed in Europa was het nu definitief gedaan: Turkije behield slechts een beperkt gebied rondom Constantinopel.
Reeds in juni 1913 brak tussen de Balkanstaten opnieuw een oorlog uit (de Tweede Balkanoorlog) als gevolg van een conflict over de verdeling van de buit. Bulgarije viel Servië binnen dat geholpen werd door Montenegro, Griekenland en Roemenië.
Ook Turkije voegde zich bij Servië - het hoopte op die manier verloren gebieden te kunnen terugwinnen. Bulgarije werd verpletterd: Roemenië bezette het zuidelijk deel van de Dobroedsja, Turkije bezette Adrianopel; Servië en Griekenland breidden hun grondgebied respectievelijk uit in Macedonië en langs de Egeïsche kust.

Oostenrijk-Hongarije zag in deze situatie een unieke gelegenheid Servië binnen te vallen en te verslaan. Bondgenoot Duitsland weerhield Oostenrijk van deze plannen maar de beide landen samen stelden een ultimatum aan de strijdende partijen die toen akkoord gingen met een vredesregeling. In augustus 1913 werd de Vrede van Bukarest gesloten.
Hierbij moest Bulgarije Macedonië en de Dobroedsja afstaan en werd Albanië tot een zelfstandig koninkrijk uitgeroepen. Servië, Griekenland en Roemenië realiseerden gebiedsuitbreidingen. (Bulgarije sloot zich hierna aan bij Oostenrijk-Hongarije.)
Servië was dus weer sterker geworden en ging rustig door met infiltraties in Albanië en agitatie en aanslagen in Bosnië-Herzegovina waar een zeer explosieve situatie ontstond. Deze situatie leidde uiteindelijk tot de juli crisis van 1914.

De al jarenlang durende subversieve activiteiten van Groot-Servische kringen in het door Oostenrijk-Hongarije geannexeerde Bosnië-Herzegovina riep steeds meer irritatie op bij de Weense machthebbers.
Toen dan ook op 28 juni 1914 aartshertog Franz Ferdinand en zijn echtgenote het dodelijk slachtoffer werden van een aanslag in Serajewo en bij het onderzoek de sporen naar Servische betrokkenheid wezen, zag Oostenrijk-Hongarije hierin aanleiding eindelijk voorgoed af te rekenen met Servië.
Bijna een maand later, waarin tal van pogingen zijn ondernomen om de vrede te redden, overhandigde Oostenrijk op 23 juli 1914 een bij voorbaat onaanvaardbaar geacht ultimatum aan Servië. Servië wees dit ultimatum van de hand en mobiliseerde. Op 28 juli verklaarde Oostenrijk de oorlog aan Servië.
Op 30 juli begon de algemene mobilisatie in Rusland. Op 1 augustus mobiliseerden zowel Duitsland als Frankrijk. Diezelfde dag nog verklaarde Duitsland de oorlog aan Rusland. Op 3 augustus verklaarde Duitsland ook de oorlog aan Frankrijk. De schending van de Belgische neutraliteit door Duitsland, veroorzaakt om Frankrijk te kunnen binnenvallen, was voor Engeland de aanleiding om op 4 augustus Duitsland de oorlog te verklaren.

De Eerste Wereldoorlog was een feit geworden.

Bronvermelding

Geraadpleegde literatuur:
J.H.J. Andriessen - De andere waarheid
Sesam Atlas bij de wereldgeschiedenis
14-18 De Eerste Wereldoorlog (Amsterdam Boek, 5 delen, 1976)

overzicht: