Werd Duitsland in 1918 op het slagveld verslagen? Het dictaat van Versailles

De auteur tijdens een college in het open veld te Verdun met een groep Officieren van de Gele Rijders.
De auteur tijdens een college
in het open veld te Verdun
met een groep Officieren van de Gele Rijders

Het hier volgende artikel, de tweede in de reeks van historische artikelen met betrekking tot de Eerste Wereldoorlog, is gebaseerd op de lezing die de heer J.H.J.Andriessen hield tijdens de studiedag welke werd georganiseerd door de Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog, in samenwerking met de faculteit der Historische en Kunstwetenschappen van de Erasmus Universiteit te Rotterdam op 24 mei 2002.

De heer Andriessen is historisch publicist en voorzitter van de Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog. Hij publiceerde een groot aantal artikelen over het ontstaan en de oorzaken van de Eerste Wereldoorlog en is auteur van „De Andere Waarheid”, een studie naar de oorsprong en schuldvraag, „Verdun 1916” (in samenwerking met fotograaf S. Dagniaux), de Oorlogsbrieven van Unteroffizier carl Heller, De Eerste Wereldoorlog in foto’s dat in 5 talen werd vertaald ,De Mythe van 1918 en Those last hundred victorious Days. Binnenkort verschijnt zijn zevende boek (co-productie) IJzeren doodskisten, het U-bootwapen in de Eerste Werreldoorlog. Andriessen is voorts hoofdredacteur van de succeesvolle serie „De Grote Oorlog, kroniek 1914-1918”.Schrijver: J.H.J. Andriessen
Historisch publicist en voorzitter van de Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog.


Nadat in 1918 de Eerste Wereldoorlog was geëindigd, is van Duitse zijde vaak verklaard dat Duitsland op dat moment nog niet op het slagveld was verslagen en in staat zou zijn geweest om betere wapenstilstand en vredesvoorwaarden te verkrijgen indien niet de revolutie, die op 3 november 1918 uitbrak, de psychologische, politieke en militaire orde in het Rijk had ondermijnd en verdere strijd onmogelijk had gemaakt.
Volgens generaal Ludendorff had verdere militaire weerstand Duitslands positie aan de onderhandelingstafel kunnen versterken, waardoor mogelijk voorkomen had kunnen worden dat ze zich machteloos aan de zware geallieerde voorwaarden hadden moeten onderwerpen.

In dit artikel zal ik trachten de verschillende facetten en vooral ook de haalbaarheid van Ludendorffs bewering te analyseren.

De Wapenstilstand

Nadat op 8 augustus 1918 de laatste Duitse poging om een doorbraak te forceren was mislukt, zag het Duitse opperbevel in dat het de oorlog niet meer zou kunnen winnen. In september leek de situatie zo hopeloos dat Ludendorff elk moment een geallieerde doorbraak voorzag en hij eiste nu van de regering onmiddellijk een wapenstilstand te bewerkstelligen om de totale ineenstorting van het Duitse leger te voorkomen.

Een paar weken later echter kwam hij op deze gedachte terug omdat enerzijds zo’n door hem gevreesde geallieerde doorbraak uitbleef en anderzijds, omdat uit de nota’s van de Amerikaanse president bleek dat de wapenstilstandseisen van de geallieerden onevenredig zwaar zouden zijn.

Ludendorff adviseerde de regering nu om de onderhandelingen af te breken of te vertragen en de strijd nog enige tijd (enkele weken) gaande te houden tot de winter aanbrak. Dit zou hem de gelegenheid geven terug te trekken achter de Maas, het leger te laten rusten en te versterken om dan, na afloop van de winter, de geallieerden voor de keus te stellen, nieuwe bloedige gevechten aan te gaan met veel verliezen in mankracht en materiaal, of Duitsland aanvaardbare vredeseisen te stellen.

Laatste gevecht

Na de oorlog stelden de Duitsers dat Ludendorffs voorstel zeker kans van slagen zou hebben gehad en dat het de revolutie was geweest die het nog steeds strijdende leger een dolkstoot in de rug had gegeven, waardoor het de wapens moest neerleggen

De critici verwierpen deze stelling met kracht en verklaarden dat het Ludendorff voorstel geen schijn van kans zou hebben gehad omdat Duitsland wel degelijk en totaal verslagen was op het slagveld en derhalve niets meer in te brengen had.

Wie had het Gelijk nu aan zijn Kant?

We laten eerst de critici aan het woord. Zij stelden o.a dat:

1: Duitsland was er in november 1918 militair en economisch zo slecht aan toe dat men absoluut niet meer in staat zou zijn geweest om na de winter nog een geloofwaardige bedreiging voor de geallieerden te vormen.

2: Het moreel van het Duitse volk als gevolg van de honger en uitputting was zo diep gezonken, dat dit volk niet meer achter haar leiders stond waardoor een einde van de oorlog absoluut onvermijdelijk was geworden.
Ludendorff was dan ook, volgens de critici, geheel voorbij gegaan aan de strategische aspecten van Duitslands situatie in november 1918 en zou daarom, ook als er geen revolutie was uitgebroken, geen enkele kans meer hebben gehad zijn voorstel uit te voeren.

3: Politiek gezien, zo vervolgt men dan de kritiek, waren de geallieerden er steeds op uit geweest Duitsland te ontwapenen en haar dominante positie in Europa te elimineren, daar waren ze de oorlog voor in gegaan.
Het was onlogisch te denken dat ze die gedachte, met de overwinning voor ogen, in november 1918 zouden hebben opgegeven om voortijdig vrede te sluiten.

Laten we deze 3 fundamentele punten van kritiek nu eens wat nader onder de loep nemen.

De Situatie van het Duitse Leger eind 1918

Vastgesteld moet worden dat het argument dat Duitsland niet meer in staat zou zijn geweest de oorlog nog lang vol te houden, onweerlegbaar juist is.
De Duitse offensieven van maart tot juli hadden ca. 700.000 man gekost (doden, gewonden, vermisten, krijgsgevangenen en deserteurs) en geen doorbraak bewerkstelligd. Van juli t/m oktober verloren de Duitsers nog eens 800.000 man terwijl men geen reserves meer had.
Veel divisies aan het front bestonden nog uitsluitend in naam of waren nog maar gedeeltelijk bemand. Tegelijkertijd nam de geallieerde gevechtskracht alleen maar toe. Begin november waren er reeds 1,8 miljoen Amerikanen geland en maandelijks kwamen daar 200 tot 250 duizend man bij.
Vanuit deze optiek gezien leek de bewering van Ludendorff dan ook nogal naïef
Daar komt nog bij dat de Duitsers overal moesten terugtrekken en de geallieerden overal in opmars waren en reeds forse gebieden op de Duitsers hadden heroverd.
Zo op het oog dus duidelijk genoeg!

Maar dat is dan toch wel een duidelijkheid veroorzaakt door een grote portie hindsight!, die de werkelijke situatie in november toch wel enig geweld aandoet.

Want wat was het geval?
Hoewel de Duitse positie inderdaad reeds hopeloos was, keken de geallieerden daar, en dat is een feit dat in de geschiedschrijving volstrekt onderbelicht is gebleven, op dat moment toch geheel anders tegen aan.

Zij konden niet anders dan vaststellen dan dat de Duitsers zich nog steeds verwoed verdedigden, tot zware tegenaanvallen in staat waren, en dat het nog steeds niet gelukt was hun linies te doorbreken. Die linies bevonden zich ook nog steeds op Frans en Belgisch gebied, ver van de Duitse grens, en daar waar de Duitse troepen terugtrokken werd dit gebied zo volledig door hen vernietigd dat de geallieerden in grote problemen kwamen toen ze hen wilden volgen. Alle verbindingen, alle spoorlijnen, bruggen, alle belangrijke verkeersknooppunten, waren met de grond gelijk gemaakt en alle vee, voedsel en hulpmiddelen waren weggevoerd.

Hoewel de Duitse troepen verschrikkelijk waren uitgedund en aan alles gebrek hadden, bleken de geallieerden daar slechts ten dele van op de hoogte te zijn. Zij dachten dat Duitsland, na de overwinning op Rusland, minstens weer 1 miljoen soldaten van het Oostfront had teruggehaald en men nam aan dat die reserves spoedig zouden worden ingezet aan het westfront.

Men bemerkte natuurlijk wel dat de Duitsers zich terugtrokken maar dat was in 1917 ook al eens het geval geweest en gezien de zware weerstand van het Duitse leger vreesde men dat de oorlog nog tot diep in 1919 en mogelijk zelfs tot 1920 zou voortduren. Dat waren de feiten!

Daar kwam nog bij dat men de eigen militaire situatie uitermate negatief beoordeelde en overigens niet geheel ten onrechte.

De Situatie van het Geallieerde Leger eind 1918

Noemde ik zojuist de vreselijke Duitse verliezen, de gevechten van 1918, en ook dit feit is door de geschiedschrijvers veelal genegeerd, hadden ook van de geallieerde legers het uiterste gevergd.
Tussen maart en juli 1918 verloren de Fransen en Britten samen ca 850.000 man. De offensieven tussen juli en november waren zo mogelijk nog bloediger. De Fransen verloren ca 530.000 man, de Britten 410.000 en de Amerikanen ruim 300.000 waaronder 100.000 deserteurs en vluchtelingen, alles samen ca. 2,1 miljoen man.
Maar dat was nog niet alles. Niet alleen de Duitse divisies waren als sneeuw voor de zon geslonken, ook de Britten moesten hun divisies inkrimpen van 12 tot 9 bataljons en in mei moest men zelfs 10 divisies ontbinden als gevolg van onvoldoende mankracht.
De offensieve capaciteit van het Franse leger, nimmer meer geheel hersteld van de grote muiterij in 1917, bleef problematisch en hing voornamelijk af van Britse en Amerikaanse steun.
Gezien het feit dat de Fransen sinds het begin van de oorlog reeds ruim 1,4 miljoen gesneuvelden telden en Engeland bijna 1 miljoen, om niet te spreken van de honderdduizenden gewonden, vermisten, gedeserteerden en krijgsgevangenen, waren hun reserves grotendeels uitgeput. Er waren gewoonweg niet meer voldoende jonge mannen in leven en de reserves konden alleen nog worden aangevuld door de Amerikanen en alhoewel er reeds 1,8 miljoen Amerikanen waren geland en daar maandelijks zo’n 250.000 bijkwamen, konden deze nog niet overal echt efficiënt worden ingezet vanwege hun volstrekte onervarenheid.
Volgens geallieerde bevelhebbers zou het zeker nog een jaar duren alvorens de Amerikaanse strijdkrachten effectief zouden kunnen worden ingezet en opereren. En dat jaar leek hen fataal te worden!

De eerste Amerikaanse troepen marcheren door Parijs, d.d. 16 augustus 1917
De eerste Amerikaanse troepen
marcheren door Parijs,
d.d. 16 augustus 1917

Niet voor niets vroegen de geallieerden nog in juni 1918, 4 maanden voor het einde, aan Amerika om onmiddellijk 4 miljoen man te sturen omdat de oorlog anders verloren zou zijn. Vier miljoen man, een absurd groot aantal, meer dan de totale geallieerde strijdmacht op dat moment in Frankrijk aanwezig.
Men was wanhopig en alleen de Amerikanen konden op dat moment, in hun ogen, misschien nog redding brengen.

Ondanks de beweringen van het tegendeel, waren begin november 1918 ook de geallieerden aan het absolute eind van hun militaire en vooral logistieke mogelijkheden gekomen.
Niemand, maar dan ook niemand, bevroedde ook maar een moment dat de Duitsers reeds aan opgeven dachten en de Britse admiraal Fisher sloeg de spijker op zijn kop toen hij verklaarde dat: „de door Duitsland aangevraagde wapenstilstand ‘n „mirakel was geweest dat precies op tijd was gekomen omdat de geallieerden aan het eind van hun krachten waren”.
Ook anderen dachten daar zo over.
Nog op 18 oktober, dus 3 weken voor het einde, verklaarde de Britse opperbevelhebber Haig dat de geallieerde strijdkrachten niet langer in staat waren nieuwe offensieven te ontplooien en dat hij vreesde dat de Duitsers van die situatie gebruik zouden maken om zich achter nieuwe linies terug te trekken (precies hetgeen Ludendorff van plan was). Haig deed een beroep op zijn regering om snel tot overeenstemming te komen over wapenstilstandeisen omdat de Duitsers op het slagveld nog niet verslagen waren en hij ervan overtuigd was dat ze de oorlog mogelijk nog wel een jaar zouden kunnen volhouden.
De Britse generaal Cury beaamde dat en schreef op 20 oktober dat de vijand een zeer ordelijke en praktisch ongehinderde terugtrekking uitvoerde en dat de eigen troepen uitgeput raakten, terwijl de verbindingslijnen veel te lang werden. Ook de commandant van het 4e Britse leger, generaal Rawlinson, meldde: „dat het fysiek ‘n absolute onmogelijkheid was geworden de opmars voort te zetten en dat zijn leger uiteen zou vallen als dat toch geprobeerd zou worden”.
Het was tenslotte de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Lansing, die na de oorlog schreef dat men dit nu wel kon ontkennen en kon beweren dat Duitsland in november reeds verslagen was, maar dat de geallieerden er toen juist van overtuigd waren geweest dat Duitsland de strijd nog kon voortzetten en nog lang niet was verslagen en dat daarom de onzekerheid over het vaststellen van de wapenstilstandeisen volkomen begrijpelijk was geweest.
Te zware eisen zouden voor Duitsland immers rede kunnen zijn de strijd nog voort te zetten en daar zat zo langzamerhand niemand meer op te wachten, integendeel.

Zoals gezegd, militair gezien was een voortzetting van de strijd in november 1918, alhoewel dat later vaak in alle toonaarden is ontkend, ook voor de geallieerden de facto een absolute onmogelijkheid geworden en men ging er van uit dat de strijd pas na het winterseizoen, en dan alleen nog met Amerikaanse hulp, zou kunnen worden voortgezet en dan nog tot diep in 1919, ja mogelijk zelfs tot in 1920 zou voortduren.
In feite kan worden vastgesteld dat als de Amerikanen niet in grote getale te hulp waren gesneld, de geallieerden de strijd hadden moeten staken. Ze waren geheel afhankelijk geworden van Amerikaanse toevoer van mankracht en materiaal.
Overigens, ook de wil bij de militairen zelf om door te vechten, begon te tanen al krijgt men uit de memoires van de generaals vaak een geheel andere indruk.
De werkelijkheid was dat generaal Haig zijn regering waarschuwde er niet zeker meer van te zijn dat, nu bekend was geworden dat Duitsland om een wapenstilstand had gevraagd, zijn troepen nog wel zouden willen doorvechten omdat daarmede, zo stelde hij, uitsluitend Franse belangen werden gediend. Hij verklaarde er bang voor te zijn dat de Britse soldaat zich daar niet meer voor wilde lenen.

Vanuit militair gezichtspunt - en dan gezien door de ogen van de toenmalige betrokkenen (dus met uitsluiting van hindsight)- moeten we tot de conclusie komen dat er, als de strijd was doorgegaan, zeker reden was geweest om aan te nemen dat de geallieerden mogelijk tot het besluit zouden zijn gekomen om Duitsland uiteindelijk redelijker wapenstilstandvoorwaarden te bieden omdat ze - en dan met name Engeland, bang waren dat dit land nog niet verslagen was en waarschijnlijk te zware eisen zou weigeren te aanvaarden waardoor de oorlog nodeloos - en ten koste van enorme hoeveelheden slachtoffers en grote schade zou worden verlengd- terwijl men het doel, Duitsland uit bezet gebied verdrijven, ook zonder voortzetting van de oorlog zou kunnen bereiken. Tot op de allerlaatste dag bleef de angst dat Duitsland de eisen zou afwijzen manifest aanwezig.

De militaire situatie werd door de geallieerden op dat moment bij lange na niet zo victorieus ingeschat als men ons later wel heeft willen doen geloven.
De keuze, waarvoor Ludendorff hen wilde stellen, zou zeker een belangrijk punt van overweging zijn geweest en het is historisch dan ook beslist onjuist om te stellen dat op dit punt Ludendorff’s voorstel geen schijn van kans zou hebben gehad; de geallieerden zelf zijn daar veel te duidelijk over geweest.
Het was niet alleen Duitsland, maar ook de geallieerden zelf, die van mening waren dat Duitsland in november op het slagveld nog niet overtuigend verslagen was. De bewering dat dit wel het geval was, werd pas geponeerd NADAT de wapenstilstand was gesloten en de Duitsers inderdaad machteloos waren geworden.
De na de oorlog ingestelde Duitse parlementaire enquête-commissie was correct toen ze verklaarde dat de OORLOG voor Duitsland verloren was maar dat men, gezien de situatie bij de geallieerden, de strijd nog enkele weken, tot de winter, had kunnen volhouden, en de troepen achter nieuwe linies had kunnen terugtrekken, niet meer om de oorlog nog te kunnen winnen, maar wel om de vredesbesprekingen nog positief te kunnen beïnvloeden.
Dat dit niet geschiedde, was niet te danken aan een militaire overwinning van de geallieerden, maar werd veroorzaakt door het uitbreken van de revolutie waardoor de verbindingen- en daarmede de toevoer van materiaal, munitie en voedsel- tussen de nog strijdende eenheden en het vaderland volkomen werden afgesneden zodat de wapens uiteindelijk moesten worden neergelegd.

De Dolkstoot Legende

Het Duitse leger, zou Ludendorff, gezegd hebben, moest in november 1918 de wapens neerleggen omdat het volk het een dolkstoot in de rug had gegeven. Deze „dolkstoot-these” werd later door de Nazi’s gebruikt om aan te tonen dat het „onoverwinnelijke Duitse leger de oorlog had verloren door het verraad van het Duitse volk.
Dat was natuurlijk baarlijke onzin, Duitsland had de oorlog reeds op 8 augustus 1918 (de zwarte dag) verloren.

de dolkstoot these
de dolkstoot these

Maar het Duitse leger kreeg wel degelijk een dolkstoot in de rug. Het was inderdaad de revolutie die die dolkstoot toebracht maar de veroorzaker van die revolutie was niet het Duitse volk maar het Duitse opperbevel , Hindenburg en Ludendorff zelf. Zij hadden het volk misleid door nog tot op het laatste moment vol te houden dat Duitsland aan de winnende hand was en de oorlog nog kon winnen, terwijl ze wisten dat dat niet meer het geval was.

Toen Ludendorff in september 1918 dan plotseling openbaar maakte dat Duitsland de oorlog niet meer kon winnen en om een wapenstilstand moest vragen, kwam die mededeling als een donderslag bij heldere hemel en veroorzaakte een schokgolf bij het volk. Men was verpletterd, het moreel stortte volkomen in en de revolutionaire elementen kregen en grepen hun kans. De revolutie brak uit en het leger moest ook het laatste restje weerstand opgeven. Dat was de realiteit achter de legende, het Duitse opperbevel bestuurde zelf de hand die de dolkstoot toebracht en was daarmede de enige en werkelijke schuldige.

De Kwestie van het Moreel

Veel historici wezen naast het militaire argument ook op de totale anarchie in Duitsland, op de grote stakingen, de honger, de ellende en uitputting, het gebrek aan eerste levensbehoeften en op de snel toenemende anti-oorlogstemming aldaar, uitmondend in de revolutie. Zij stellen dat het Duitse volk haar leiders niet meer wilde volgen en dat ook daarom het Ludendorff plan om de strijd nog voort te zetten, geen schijn van kans zou hebben gehad.

Het is echter maar de vraag of deze conclusie wel geheel juist is.
Natuurlijk kan niet worden ontkend dat de situatie in Duitsland zeer ernstig was en er inderdaad gebrek, groot gebrek, was aan alles en dat de ontevredenheid hand over hand toenam. Maar toch moet worden vastgesteld dat tot het moment dat in september 1918 het opperbevel openlijk bekend maakte dat de oorlog niet meer kon worden gewonnen, tot dat moment, de meerderheid van het Duitse volk nog steeds in de eindoverwinning geloofde en dat die meerderheid ook tot dat moment nog achter haar leiders bleef staan. Pas toen die leiders zelf hun steeds volgehouden beloften openlijk prijs gaven, daarmede toegevend dat ze het volk de facto bedrogen hadden, verloor het volk definitief het vertrouwen in de overwinning en in haar leiders en werd Duitsland rijp voor de revolutie.

Uit de literatuur krijgt men de indruk dat bij de geallieerden het moreel juist enorm toenam en in het algemeen wordt overigens vaak gesuggereerd dat dat moreel altijd al zeer hoog was en volgens de generaals, in hun memoires, was men geheel gereed om Duitsland voor goed uit te schakelen. Maar was dat nu wel zo?
Stonden de geallieerde volkeren voor november 1918 nog wel geheel achter hun leiders en hadden die leiders de zekerheid dat zij voldoende draagvlak zouden krijgen om zich nog een jaar van strijd met honderdduizenden nieuwe slachtoffers en enorme schade, te kunnen veroorloven?
Wel, we moeten dan toch vaststellen dat zij die zekerheid in het geheel niet hadden en, integendeel, vreesden dat hun volkeren, nadat ze vernomen hadden dat Duitsland om een wapenstilstand had verzocht en er dus gerede kans was dat de oorlog nu snel zou kunnen worden beëindigd, in opstand zouden komen als voorgesteld zou worden die oorlog nog te verlengen.
Die vrees uitte zich ook al duidelijk tijdens het opstellen van de wapenstilstandeisen. Het gelukte maar niet daarover tot overeenstemming te geraken en pas de dag na het begin van de Duitse revolutie kwam men tot een eensluidend pakket voorwaarden! Eensluidend ,omdat men pas toen durfde te geloven dat Duitsland volkomen uitgerangeerd was en niet meer in staat was zich te verdedigen.
Zelfs toen echter bleef men bevreesd dat Duitsland de voorwaarden zou afwijzen en die vrees bleef bestaan totdat de Duitsers de wapenstilstandovereenkomst uiteindelijk, onder dwang, hadden getekend.

Die vrees was, gezien de voorgeschiedenis, ook niet zo onlogisch. Het moreel onder de geallieerde volkeren, maar ook onder hun politici, was in het laatste oorlogsjaar, net als in Duitsland, enorm gedaald. Maar ook eerder waren er grote problemen geweest.

Kijken we naar Frankrijk, dan noemen we de grote muiterij in het Franse leger, waardoor offensieve acties niet meer mogelijk waren. De Franse generaals verloren de macht over hun troepen en het had maar een haartje gescheeld of Frankrijk had zich uit de oorlog moeten terugtrekken. Het Franse leger zou zich van deze klap nooit meer geheel herstellen.
In Rusland was het zo mogelijk nog erger. Het moreel stortte volledig in en leidde tot de revolutie in 1917 en tot het uittreden van Rusland uit de oorlog. Dit feit, de Duitse overwinning op Rusland, had het moreel bij de geallieerden een enorme klap gegeven.

Ook in Groot Brittannie was het al die tijd geen „koek en ei” geweest, al deed de oorlogspropaganda anders vermoeden.
Men had daar voortdurend grote en ernstige problemen gekend en dat reeds aan het prille begin van de oorlog..

Daar was bijvoorbeeld de grote staking op de scheepswerf de Clyde in 1914-1915, de onlusten veroorzaakt door de „rank and file” beweging die werd gesteund door de Britse socialistische partij die tegen Britse deelname aan de oorlog was en die later, in 1917 enorme stakingen organiseerde waaronder de zeer ernstige staking in de munitie industrie. Ze gingen gepaard met grote onlusten die soms maar met moeite bedwongen konden worden. In dat jaar staakten in totaal 877.000 arbeiders en gingen bijna 6 miljoen werkdagen verloren als gevolg daarvan.
Bedenk, het was oorlog en de zonen van die stakende arbeiders vochten voor hun leven aan het front!

Ik noem voorts de zeer ernstige staking van munitie-arbeiders te Barrow die van 21 maart tot 2 april duurde en de staking van 60.000 arbeiders in de machine-industrie die in Lancashire begon en binnen enkele dagen oversloeg naar 48 andere steden en slechts kon worden beëindigd door de inzet van het leger en de arrestatie van de leiders. Bij deze staking waren uiteindelijk 220.000 arbeiders betrokken en gingen 1.500.000 arbeidsdagen verloren en ze leidde tot een groot gebrek aan munitie bij de Britse troepen te velde.

Ook in Groot Brittannie was de situatie aan het eind van de oorlog explosief en ook hier werd een poging tot revolutie ondernomen. Ik doel dan op eind 1917, toen de „Independent Labour Party” samen met de „Union of Democratic control” plannen bleek te hebben uitgewerkt tot het organiseren van een staking die zou moeten worden gevolgd door onlusten van zulk een aard dat het leger gedwongen zou worden in te grijpen en te schieten.
Dit zou, naar men verwachtte, een algemene landelijke staking tot gevolg hebben die het voortzetten van de oorlog onmogelijk zou maken, zulks naar het voorbeeld van wat in Rusland was geschied. Ik noem tenslotte de muiterijen in sommige Australische bataljons in 1918, de meer dan 100.000 Amerikaanse deserteurs in datzelfde jaar, de weigering van ca. 10.000 Britse soldaten met hun officieren in januari 1919 om naar het front terug te keren waarbij de Britse generaal Wilson opmerkte dat de regering snel maatregelen zou moeten nemen omdat: „de Britse generaals geen leger meer zouden overhouden om te commanderen”. Er was geen sprake van een victorieuze sfeer in Groot Brittannie. Dat was natuurlijk ook logisch gezien de enorme verliezen aan mensenlevens waarbij welhaast elk Brits gezin een dode zoon, vader, broer of familielid te betreuren had. Men was volstrekt oorlogsmoe geworden. De geallieerden hadden in deze oorlog samen ruim 35 miljoen man gemobiliseerd, 4,7 miljoen waren gesneuveld, bijna 11 miljoen gewond en ca. 5 miljoen werden vermist of waren krijgsgevangen genomen. De bevolking zag zich nu geconfronteerd met de mogelijkheid van een nieuwe hevige en bloedige strijd na de winter en de politieke leiders vroegen zich af of hun volkeren zo’n strijd nog wel zouden accepteren nu men wist dat de Duitsers inmiddels akkoord waren gegaan met de Amerikaanse vredesvoorstellen.

Niet alleen toonde ik eerder reeds aan dat de kritiek dat het moreel in Duitsland zo gedaald zou zijn dat het Duitse volk haar leiders niet meer zou hebben willen volgen als die de oorlog nog wilden voortzetten, slechts ten dele juist was, diezelfde critici realiseerden zich kennelijk niet, dat deze stelling eveneens opging voor de situatie in Groot Brittannie en we kunnen vaststellen dat het maar zeer de vraag was geweest of het Britse volk haar leiders nog wel zou hebben gevolgd als die in 1919 hadden willen doorvechten.

Lloyd George verklaarde dan ook nog op 19 oktober 1918: „If the German Army was still capable of holding on behind the Rhine until the winter came (en we weten nu dat Ludendorff dat van plan was) and the conditions of the roads made a further advance impracticable , than we should have to face the prospect of a renewal of the campaign in 1919.
With the Germans driven out of France and Belgium, I was more then doubtful whether public opinion in Britain or in France would face the sacrifices of another bloody campaign merely to force Germany to disgorge her eastern conquests”.
Hij besloot zijn opmerking met de vaststelling dat: „On the whole, the military advise we obtained, did not encourage us to expect an immediate termination of the war. All our plans at that date (October 1918) were made on the assumption of ALL our military advisors, that the war would certainly not conclude before 1919”.

Let wel, dat zei hij 3 weken voor het einde!

Ik moge dan ook concluderen dat de stelling dat het moreel in Duitsland er de oorzaak van zou zijn geweest dat men daar de oorlog niet meer kon voortzetten, eveneens, en mogelijk zelfs in grotere mate, ook gold voor de geallieerden en ook voor hen het voortzetten van de oorlog tot een groot vraagteken maakte. Sterker nog, in feite had Lloyd George op 19 oktober reeds besloten dat er zo snel mogelijk een eind moest worden gemaakt aan die oorlog en was hij bereid de consequenties daarvan, dus gunstiger vredesvoorwaarden voor Duitsland, te accepteren als zou blijken dat die anders de strijd zouden voortzetten.
Zelfs de wraakzuchtige Clemenceau erkende nog op 31 oktober 1918, tijdens een vergadering van het „Allied supreme War Counsel” te Versailles dat, hoewel het moreel bij de geallieerde troepen zijns inziens op dat moment goed was, hij er niet zeker van was dat dit moreel niet zou instorten als de gevechten weer hernieuwd zouden moeten worden. (Rudin, Armistice p.289)
Dat dit een reële mogelijkheid was wordt nog eens erkend door de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken Lansing die in zijn memoires schreef: „Wat we ook mogen denken in het licht van onze huidige kennis, in 1918 trokken de Duitsers zich ordelijk en weloverwogen terug, ze verloren wel veel manschappen, maar dat was in 1917 ook al eens het geval geweest. Dat ze hun oorlogsdoelen niet meer zouden realiseren was ons wel duidelijk maar er was een groot verschil tussen het niet meer kunnen realiseren van de overwinning en het volledig verslagen zijn”.
En zo was het dan ook. Het Duitse leger was pas verslagen na de wapenstilstand, niet ervoor!

Ik meen hiermede de mythe van „those victorious hundred days” waarbij een jubilante, en vitale geallieerde strijdmacht het Duitse leger in 1918 genadeloos voor zich uitdreef naar een zekere ondergang, voldoende te hebben gerelativeerd en daarmede gelijk ook het tweede punt van de kritiek op de haalbaarheid van Ludendorff’s voorstellen.
Het moreel aan geallieerde zijde was eind 1918 van dusdanige aard dat de kans dat de politici Duitsland redelijke wapenstilstandsvoorwaarden hadden moeten gunnen, zeker niet mag worden uitgesloten.

DE POLITIEKE ARGUMENTEN

President Wilsons Veertien Puntenplan

We komen nu bij het derde punt van kritiek. De geallieerden waren van het begin af aan steeds van mening dat Duitsland als economische en militaire machtsfactor moest worden vernietigd, het zou nimmer meer een gevaar mogen opleveren voor de veiligheid van Europa. Nu men vlak bij de overwinning was gekomen leek het ondenkbaar dat men dit doel zou laten schieten.
Was dat echter wel zo?

Zoals ik al eerder stelde, waren Frankrijk en Engeland militair, maar ook economisch geheel afhankelijk geworden van de Verenigde Staten. Zonder Amerikaanse steun zouden ze de strijd niet hebben kunnen volhouden en de oorlog reeds verloren hebben.
Dit feit, stelde de Amerikaanse president in staat om met opzienbarende vredesplannen te komen. Opzienbarend, want hij stelde een vrede zonder overwinnaars voor. Dit was natuurlijk lijnrecht in strijd met de gedachten die de geallieerden daarover hadden.
Toch werden de plannen van de president uiteindelijk zowel door Duitsland als door de geallieerden als basis voor de wapenstilstand en vredesonderhandelingen aanvaard.
Hoe was dat mogelijk?

Hier beging een der meest tragische hoofdstukken uit de geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog, of beter, van het einde van die oorlog.

Wat was het Geval?

In januari 1918 maakte president Wilson zijn vredesplan van 14 punten wereldkundig. Het werd in Amerika met veel bijval begroet.
Kort samengevat stelde Wilson voor om vrede te sluiten zonder dat er sprake zou zijn van overwinnaars. „Peace without Victory” zo noemde hij het, en ook, een vrede zonder vergelding, zonder straf.
Natuurlijk diende Duitsland wel alle door haar bezette gebieden, inclusief Alsace Lorraine, te ontruimen, maar zijn plannen gingen nog veel verder en in punt 14 stelde hij de vorming van een statenbond voor, een voor die tijd revolutionair voorstel dat in onze ogen zeker ook visionair genoemd mag worden.

Wilsons oorlogskabinet met links de president en rechts minister Lansing
Wilsons oorlogskabinet met links de president
en rechts minister Lansing

In februari voegde de president nog 5 punten toe aan zijn plan. In juli nog eens 4 en op 27 september nog 5 punten, in totaal 28 punten.

De plannen van de president werden hem door de geallieerde regeringen bepaald niet in dank afgenomen. De Franse premier Clemenceau kon niet nalaten spottend op te merken dat de Here God slechts 10 punten nodig had gehad om tot een betere wereld te komen. De Britten reageerden ontzet. Vrijheid op zee betekende een regelrechte aantasting van hun tot dan toe steeds erkende machtspositie op de wereldzee. En wat zou het voorstel tot zelfbeschikking voor de Britse koloniale bezittingen betekenen?

Aan de andere kant, de geallieerden hadden niet veel keus. President Wilson had dat zeer duidelijk gemaakt door te dreigen een aparte vrede met Duitsland te sluiten als zijn plannen zouden worden afgewezen.

De Duitsers hadden zijn plan inmiddels geaccepteerd op voorwaarde dat de geallieerden het zelfde zouden doen.
Pas op 4 november antwoordden de geallieerden dat ze bereid waren het plan te aanvaarden met uitzondering van de clausule over de vrije zee en voorts eisten ze dat Duitsland schadeplichtig zou zijn.

Er was nogal wat vooraf gegaan aan deze acceptatie door de geallieerden. Men was mordicus tegen Wilson’s plan maar de sluwe Lloyd George had ontdekt dat het rammelde aan alle kanten en in de praktijk ruimte liet voor vele interpretaties.
Hij was er dan ook van overtuigd dat er tijdens de onderhandelingen voldoende ruimte zou zijn om concessies af te dwingen en adviseerde zijn partners een in principe positief antwoord aan de Amerikaanse president te zenden, en dat was wat geschiedde.

Kolonel House, de persoonlijk adviseur van Wilson, noteerde op die dag in zijn dagboek, ik citeer: „De geallieerden zijn nu niet meer vrij om met de Duitsers te doen wat ze willen. Nu ook Duitsland het plan aanvaard heeft zijn de geallieerden moreel en wettelijk gebonden aan de belofte vrede te sluiten op basis van het 14 puntenplan van de president”. Einde citaat.

Op 5 november lichtte Wilson de Duitsers over het geallieerde antwoord in waarop een Duitse wapenstilstandscommissie naar Compiègne vertrok om van maarschalk Foch de voorwaarden te vernemen.
Die voorwaarden waren overigens pas op 4 november, een dag nadat de revolutie in Duitsland was uitgebroken en het dus duidelijk was dat Duitsland ineen stortte, door de geallieerden definitief vastgesteld.
Het werd de Duitse delegatie snel duidelijk dat de gestelde voorwaarden geen wapenstilstand, maar in feite CAPITULATIEEISEN behelsden
Enige dagen later vernamen de Duitsers dat de keizer naar Nederland was uitgeweken en er een nieuwe regering werd gevormd. Pas op 10 november ontving de delegatie toestemming om de wapenstilstandseisen te accepteren en te ondertekenen.

Duitsland had geen enkele keus meer en leverde zich daarmede met huid en haar aan de geallieerden over, zich vastklampende aan de hoop dat het uiteindelijke vredesverdrag in elk geval redelijk zou zijn, immers, de geallieerden hadden zich verplicht om het „peace without victory” 14 punten plan van de Amerikaanse president te aanvaarden en uit te voeren.

In deze gedachte zouden ze echter bedrogen uitkomen!
Zodra de geallieerden begrepen dat Duitsland volstrekt aan hun wil was overgeleverd, „vergaten” zij hun verplichtingen en verzetten ze zich met man en macht tegen de uitvoering daarvan. Wilson bleek inderdaad niet opgewassen tegen de door de wol geverfde Britse en Franse diplomaten. Van de in totaal 28 punten van zijn plan werden er uiteindelijk maar 4 uitgevoerd. De rest werd op flagrante wijze geschonden en zelfs niet meer opgenomen in de tekst van het uiteindelijk verdrag van Versailles.

Conclusies

Welke conclusies zijn er nu te trekken uit het voorgaande? Ik som ze nog even voor u op:

1) Dat Duitsland op 11 november 1918 nog niet op het slagveld was verslagen (het had wel de oorlog verloren) werd door de geallieerden zelf in eerste instantie bevestigd. Het plotselinge einde van die oorlog kwam, ook voor de geallieerden, volstrekt onverwacht.

2) Met voortzetting van de oorlog had Duitsland toch de oorlog niet meer kunnen winnen, of duidelijker, ze had die oorlog reeds op 8 augustus verloren. Het Duitse leger had echter nog wel enige tijd kunnen doorvechten om betere vredesvoorwaarden te verkrijgen. Dat ze de strijd moest staken was niet het gevolg van een geallieerde doorbraak, maar had als oorzaak de revolutie die op 3 november uitbrak waarna de aanvoerlijnen voor het nog strijdende deel van de Duitse troepen geheel werden afgesneden.
Deze revolutie gaf het Duitse leger de facto een dolkstoot in de rug.

De oorzaak van die dolkstoot was echter het Duitse opperbevel zelf dat het volk misleid had door het nog tot in oktober voor te houden dat het een eindoverwinning mocht verwachten, terwijl men wist dat dit niet meer mogelijk zou zijn.

3) Het Ludendorff-plan had zeker kans van slagen gehad. Gezien de toestand van de geallieerde legers en het nog niet efficiënt optreden van de Amerikanen, zou men zeker een adempauze hebben gekregen en zich achter nieuwe linies hebben kunnen terugtrekken gedurende de winter om dan daarna de geallieerden voor de keus te stellen, doorvechten met vreselijke verliezen, of gunstiger vredesvoorwaarden.

4) Het moreel in Duitsland was, over het geheel genomen, gedurende de gehele oorlog beter dan in sommige geallieerde landen en stortte pas na 17 september, toen het opperbevel moest toegeven dat het de oorlog niet meer kon winnen, in.

Tenslotte

Toen de geallieerden het 14 puntenplan van Wilson hadden geaccepteerd, waren ze legaal en moreel aan dit verdrag verbonden. Nadat in Duitsland de revolutie was uitgebroken en geheel aan de wil der geallieerden was overgeleverd, verbraken die hun belofte en voerden een politiek van volledige destructie. Het was generaal Smuts die later schreef dat de geallieerden daarmede de oorlog op dezelfde manier beëindigden als ze begonnen werd nl. door het verscheuren van een heilig verdrag en het schenden van hun belofte af te doen als „just a scrap of paper”. Het was het verbreken van deze belofte door de geallieerden dat er de oorzaak van werd dat er een Hitler kon opstaan en de tweede wereldoorlog, slechts ca. 20 jaar later, met wederom miljoenen slachtoffers, een feit werd.

Bibliografie

Ammtliche Urkunden zur Vorgeschichte des Waffenstillstandes. (1919)
Asprey,R.B., The German High Command (London 1993)
Barth, Aus der Werkstatt der deutschen Revolution (1919) bnd 2, aus der Aufzeichnung des gen.Ludendorff von 31 oktober uber des Waffenstillstands Angebot
Barnes, H.E., The entry of the USA into the World War.(New York 1926)
Bently,M.T., The memoirs of Marshal Joffre (London 1932)
Brief Hindenburg aan Wilhelm !! (07-09-1918)
Brook Sheperd, G., November 1918 (Boston 1981)
Churchill,W., The World Crisis (London 1923)
Clemenceau,G., Grandeur & Misery of Victory (London 1930)
Conrad von Hotzendorff., Aus meiner Dienstzeit 1906-1918 (Bewrlin 1922)
Die Ursachen des deutchen Zusammenbruchs im Jahre 1918 (leipzig 1928)
Edmonds,J.E., The occupation of the Rhineland 1918-1929 (London 1987)
Fergusson,Nail., The Pity of War (London 1998)
Fischer,F., Griff nach der Weltmacht (Dusseldorff 1984)
Foch,Marshal., The memoirs of Marshal Foch (Gulford 1932)
Freud,S & Bullit,W.E., Thomas Woodrow Wilson (London 1967)
Gelfand,L.E., Britain and the Paris Peace Conferences (Yale 1963)
Gelfand,L.E., The Inquiry, American Preparations for Peace (London 1963)
Goodspeed,D.J., Ludendorff (Gutersloh 1968)
Haffner,S., Ein deutsche Revolution (Munchen 1979)
Hekscher,A., Woodrow Wilson (New York 1993)
Henig,R., Versailles and after (New York 1995)
Hindenburg,Generalfeldmarschall., Aus meinem Leben (Leipzig 1920)
Hobbing,R., Der Friedensvertrag von Versailles und das Rheinlandstatut (Berlin 1925)
Joffre,Marshal., The memoirs of Marshal Joffre (London 1932)
Johnson,J.H., The unexpected Victory (London 1997)
Kennan,G.F., Russia leaves the War (New Yersey 1989)
Kettle,M., The Allies and the Russian collapse (London 1981)
Keynes, J.M., Een herziening van het verdrag (Amsterdam 1922)
Keynes,J.M., The economic consequences of the Peace (New York 1920)
Keylor,W.R., The Legacy or the Great War Peacemaking 1919 (New York 1998)
Kielmansegg,P., Deutschland und der Erste Weltkrieg (Kempten 1968)
Kloss,E.(aus), Von Versailles zum Zweiten Weltkrieg (Munchen 11965)
Knight Patterson,W.M., Germany from defeat to conquest (London 1945)
Kohut, TH., Wilhelm !! and the Germans (Oxford 1991)
Lansing Papers., Papers relating to the Foreign Relations of the USA (Washington 1940)
Lansing,R., The Peace negotiations. A personal narrative (Boston 1921)
Lentin,A., Lloyd George, Woodrow Wilson and the guilt of Germany (1985)
Linke,A.S. The papers of Woodrow Wilson (Princetown 1961)
Lloyd George,D., War Memoirs (Long Acre 1936)
Lloyd George,D., The Truth about the Pe3ace Treaties (London 1938)
Lowes Dickinson,G.,(intr) Document and statements relating to Peace (London 1919)
Ludendorff,Gen., Meine Kriegserinnerungen (Berlin 1919)
Lutz,R.H.,The causes of the German collapse in 1918. sections of the officially authorized
Report of the Commission of the German Constituent Assembly and of the
German Reichstag 1919-1928, translation approved by the Commission.
Marston,F.S., The Peace Conference of 1919 (Oxford 1944)
Master,J.B.Mc., The United States in the World War (New York 1918)
Mee,C.L., The end of order.Versailles 1919 (New York 1989)
Memorandum Kuhlmann aan Hertling (11-01-18)
Memorandum Von Haeften (03-06-18)
Nicolson,H., Peacemaking 1919 (London 1967)
Nowak,K.F., Versailles (Berlin 1927)
Palmer,F., Bliss,Peacemaker (New York 1970)
Paschall,R., The defeat of Imperial Germany 1917-1918 (Chapel Hill 1989)
Ritter,G.A., Die deutsche Revolution 1918-1919 (Frankfurt am Main 1968)
Rudin,H.R., Armistice 1918 (Yale 1944)
Schulte Nordholt,J.W., Woodrow Wilson (Amsterdam 1990)
Schwabe,K., Woodrow Wilson.Revolutionary Germany and Peacemaking (London 1985)
Schwertfeger,B., Die Ursachen des Zusammenbruchs 1918 (Berlin 1925)
Sharp,A., The Versailles settlement (London 1991)
Toland,J., Nomans land (London 1980)
Ursachen und Folgen Vom deutschen Zusammenbruch 1918 und 1945, Dat militairsche Zusammenbruch und das Ende des kaiserreichs.
Sonderausgabe fur die Staat und Kommunalbehorden. Eine Urkunden und Dokumentensammlung zur zeitgeschichte, ausg.Dr.H.Michaelis and Dr E.Schraepler.(Berlin)
Venohr,W., Ludendorff (Ullstein1993)
Wheeler Bennett,J.W., Brest-Litovsk. The forgotten Peace,march 1918 (London 1956)

overzicht: