Twee vluchtelingen uit de Grote Oorlog

Door Eric R.J. Wils

Een Belgisch jongetje in Nunspeet en de Duitse keizer Wilhelm II in Doorn

Wat hebben een Belgisch jongetje in Nunspeet en de voormalige Duitse keizer Wilhelm II met elkaar te maken? Ze vluchten allebei naar de veilige haven Nederland tijdens de Grote Oorlog en verbleven daar hemelsbreed zo’n 50 kilometer van elkaar, maar daarmee houdt ogenschijnlijk de relatie op. Ze vertegenwoordigden de uitersten in de samenleving van die tijd: een kind van armlastige ouders aan de zelfkant van de maatschappij en een door God zelf aangestelde keizer over een machtig rijk dat ten oorlog trok. De een is vergeten en de ander krijgt nog altijd veel aandacht. Een verhaal over een arm oorlogsslachtoffertje en een rijke heerser die zijn troon verloor.

De vlucht van de Belgische bevolking na de Duitse inval in 1914

Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd Nederland in de herfst van 1914 overspoeld door Belgische vluchtelingen.[1] Op de vlucht geslagen door de wandaden van het Duitse leger tijdens de inval in België. Wandaden die vaak sterk aangedikt werden door een mondelinge verspreiding, de kranten of de propagandamachine. De kern van de ‘Furor teutonicus’ die over België raasde was helaas maar al te waar.[2] Niet alleen de neutraliteit van de Belgische staat werd geschonden, er werd bovendien nog een aanslag op haar inwoners gepleegd.

Belgische burgers werden onterecht beschuldigd op Duitse soldaten gevuurd te hebben (‘Man hat geschossen’) en werden vervolgens gefusilleerd. Het gewelddadige optreden in plaatsen als Warsage, Visé, Aarschot, Andenne, Dinant en Leuven leidde tot circa 5600 burgerslachtoffers. Vernietiging van woningen en brandstichting in steden vonden plaats. Het bekendste voorbeeld daarvan was Leuven waar op 25 augustus 1914 het oude centrum in brand werd gestoken waaronder de beroemde universiteitsbibliotheek.

De gruwelheden werden zodanig uitvergroot dat de Duitsers tot Hunnen werden getransformeerd. En die naam zijn ze niet meer kwijtgeraakt door de effectieve Brits-Franse propaganda. Verzonnen verhalen over verkrachtingen, afsnijden van borsten van vrouwen, afhakken van kinderhandjes, doorspietsen van baby’s en dies meer werden verspreid en grif geloofd door de Belgische bevolking. Die verhalen zijn tot de mythen en legenden van de oorlog gaan behoren.[3]

Indien mogelijk vluchtte de burgerbevolking dan ook in paniek weg voordat het Duitse leger in aantocht was. Naar Engeland en Frankrijk, maar vooral naar Nederland. Na de val van Antwerpen op 10 oktober 1914 waren ongeveer een miljoen Belgen naar Nederland gevlucht. Arm en rijk. Jong en oud. Dat de toestand aan de grens chaotisch was, spreekt eigenlijk vanzelf. Welk land zou voorbereid zijn om zo’n enorm aantal mensen in een korte periode adequaat op te vangen.

De massaliteit van de Belgische vluchtelingen in Bergen op Zoom in oktober 1914.

Hoe het Belgische volk over keizer Wilhelm II dacht

De Duitse keizer Wilhelm II, de Oberste Kriegsherr van het Duitse leger, was voor de Belgen de verpersoonlijking van het brute Duitse optreden. Hij was zonder enige twijfel de aartsschurk. Talloze karikaturen zijn van hem gemaakt waarbij hij, voorzien van zijn opstaande snorpunten en piekhelm, als een bloeddorstige Hun door het land trok. Ook in spotliederen, die door reizende liedjeszangers werden verspreid, werd de keizer in alle toonaarden vervloekt. Met teksten variërend van ‘Zakt met uw keizerlijke pin den IJzer in!’ tot allerlei verwensingen van het krijgen van enge ziekten en erge ongelukken.

Wilhelm II liet weliswaar het daadwerkelijke oorlogvoeren aan zijn leger over, maar was wel degelijk op de hoogte van wat er zich op het strijdtoneel afspeelde. En hij was betrokken bij de pogingen om de negatieve effecten van het Duitse optreden op de wereldopinie te minimaliseren. ‘Mijn hart bloedt als ik zie dat dergelijk optreden onvermijdelijk is geworden’ schreef Wilhelm II in een telegram aan de Amerikaanse president Woodrow Wilson n.a.v. de verwoesting van Leuven.[4]

Het beeld dat historici over Wilhelm II hebben is, ondanks het verschijnen van vele dikke boeken, nog altijd divers. De man is niet eenvoudig te karakteriseren, maar essentieel is natuurlijk zijn rol en optreden tijdens de oorlog. In een artikel in het blad Die Welt werd, ter gelegenheid van het 150ste geboortejaar van de keizer, door de Duitse historicus Berthold Seewald de centrale vraag gesteld waar historici het maar niet eens over kunnen worden en waarschijnlijk ook nooit eens zullen worden: ‘War Wilhelm II. Kriegstreiber oder Getriebener?’[5] Een oorlogshitser of een opgehitste? Daar is nu eenmaal geen eenvoudige scheiding tussen aan te brengen; op grond van zijn uitspraken in het openbaar is hij als beide te omschrijven. ‘Ik zal zó – breed gebaar – door België heen zwaaien’ is zo’n uitspraak, kort voor de oorlog tegen de New York Times gedaan.[6]

In hoeverre hem de wandaden van het Duitse leger waren aan te rekenen is een vraag die nooit beantwoord werd, omdat Wilhelm II na de oorlog niet ter verantwoording kon worden geroepen door een geallieerd laat staan door een Belgisch gerechtshof.[7] Volgens Artikel 227 van het Verdrag van Versailles werd de voormalige keizer aangeklaagd voor ‘supreme offence against international morality and the sanctity of treaties.’ Een erg concrete aanklacht is dit bepaald niet geweest, want bestaat er zoiets als een internationale moraliteit? Wilhelm II had nooit het bevel gegeven dat zijn troepen zich tegen de Belgische bevolking konden misdragen zoals ze dat in 1914 gedaan hebben. En over wat nu precies morele verantwoordelijkheid inhoudt, bestaat vandaag de dag nog altijd discussie.

Het arme, kleine België was het echter zelfs niet gegund voor dit eventueel te vormen speciale tribunaal een rechter te mogen leveren. Dat was voorbestemd aan de toenmalige vijf grote machten van de wereld. In 1914 had België hun grote sympathie, maar in 1919 werd het in Versailles als een vervelend jongetje in de hoek gezet.

Wilhelm II wachtte evenwel een eventuele berechting niet af. Net als vele Belgen in 1914 vluchtte hij vier jaar later vanuit Spa naar Nederland. Daar zat hij tenminste veilig voor de Belgische volkswoede. Want als het aan het Belgische volk had gelegen dan was het wel duidelijk wat er na de oorlog met Wilhelm II moest gebeuren getuige teksten als:[8]

‘Een moordenaar van zooveel mannen,

ze moesten hem levend verbranden,

dat is geen souverein, geen militair,

dat hij kreveert!’

Belgische vluchtelingen in Vluchtoord Nunspeet

Van de ongeveer een miljoen Belgische vluchtelingen in Nederland keerde het grootste deel voor het einde van 1914 weer terug naar België. Ze zouden daar nog meer Duitse wandaden meemaken, maar toen konden ze niet meer wegkomen door de afsluiting – de dodendraad - van de grens met Nederland. Het land werd in de loop van de oorlog leeggeplunderd en vele landgenoten werden gedeporteerd om in Duitsland dwangarbeid te gaan verrichten om de Duitse oorlogsproductie op peil te houden.

Wie in Nederland bleef en niet voor zich zelf kon zorgen kwam ten laste van de Nederlandse staat. Meer dan 20.000 Belgen moesten gehuisvest worden in vier vluchtoorden, die werden gebouwd bij Ede, Gouda, Nunspeet en Uden.

De armlastige Belgen die in de vluchtelingenkampen verbleven werden verdeeld in drie groepen in: de gevaarlijke of ongewenste elementen, de minder gewensten en de fatsoenlijke behoeftigen. In Nunspeet verbleven de ongewenste elementen ook wel omschreven als ‘de heffe des volks’ oftewel het uitschot. Volgens de eerste kampbestuurder, dr. Hendrik Muller, bestond de kampbevolking uit: ‘dronkelappen, lichtekooien, syfilislijders en luiaards.’[9] Een niet al te positieve beschrijving derhalve.

De geschiedenis van de Belgische vluchtelingen in Nederland wordt gelukkig niet vergeten. Zo verscheen in 2008 over het vluchtelingenkamp in Nunspeet het boek ‘Onafzienbare heidevlakten’ (ISBN: 978-90-8788-073-6) geschreven door Fokke Postema.[10] Het boek beschrijft aan de hand van documenten en foto’s gedetailleerd de bouw van het kamp en het leven van de Belgen daarin.

Omslag van het boek ‘Onafzienbare heidevlakten’ met rechts
een afbeelding van de Nederlandse bewakers van het vluchtoord Nunspeet.

Vluchtoord Nunspeet werd gebouwd langs de Eperweg op de hei op ruim een kilometer ten oosten van het dorp Nunspeet. Het bestond uit vier delen (‘dorpen’) met zo’n 70 barakken. Woon- en slaapverblijven voor families met of zonder kinderen, waslokalen en eetzalen, en sociale voorzieningen zoals een ziekenhuis, kerk en scholen. Het kamp was omgeven door een sloot met een draadversperring. Midden 1917 werd het maximale aantal bewoners van ongeveer 7000 mensen bereikt.

De omstandigheden waren in de begintijd verre van ideaal in het kamp getuige een krantenbericht in het Dagblad van Zuid-Holland van 30 december 1914, waarbij de verslaggever de kampbewoners verzocht geduld te hebben:

‘We hebben twee, drie, vier maanden geduld gehad. Wat is geduld in een oord als dit, waar we worden bewaakt als wilde beesten, waar we niets hebben te doen. In deze verlatenheid, waar we als varkens op stroo slapen en onze longen uithoesten tusschen vochtige dekens!’[11]

Gezien de miserabele toestanden overleden nogal wat mensen in begintijd van het kamp. In een opeengepakte mensenhoop onder onhygiënische omstandigheden verspreidt een epidemie zich nu eenmaal snel. In de eerste negen maanden stierven 264 personen op een totaal van circa 5500 kampbewoners. Daar werd in de lokale pers aandacht aan besteed: ‘In vluchtoord Nunspeet waart de dood als een rover rond’. Vooral de kindersterfte was hoog. Van de kinderen onder de 12 jaar stierven er 225 van de 1000, een hoog percentage.[12]

Een van die kinderen die begin 1915 stierf was het jongetje Philips Polak. De doodsoorzaak werd niet ingevuld in het dodenregister, maar overlijden door mazelen kwam vaak voor in het kamp.[13]

Deel van het register van overlijden van het vluchtoord Nunspeet 1914-1918.

Tastbare herinneringen aan de vluchtelingen in Nunspeet

Er herinnert momenteel weinig meer in Nunspeet aan de tijdelijke verblijfplaats van de ongeveer 7000 Belgische vluchtelingen die daar ooit verbleven. Het kamp werd in 1919 afgebroken. Op de plaats waar het kamp was gevestigd zijn woningen gebouwd resulterend in een van veel groen voorziene woonwijk. Geen wijk waar men ‘de heffe des volks’ zou aantreffen. De lanen in de wijk dragen de namen van leden van het Belgische koningshuis. Op de hoek van de Leopoldlaan en de Fabiolalaan staat een bord met de plattegrond van het voormalige kamp en de lanen van de woonwijk erin getekend.

Bord op de hoek van de Leopoldlaan en de Fabiolalaan in Nunspeet.

Meer tastbare herinneringen zijn te vinden op de Oude Begraafplaats aan de Eperweg 22. Op een gedeelte van deze begraafplaats, begonnen in 1828, liggen de Belgische vluchtelingen die in vluchtoord Nunspeet zijn overleden. De graven zijn voorzien van kleine gietijzeren paaltjes met een nummer. Bijna 650 anonieme, dode Belgen op slechts drie na. Er zijn drie graven gemarkeerd: een stenen plaat voor Johanna Wennemers (14 juli 1885 – 16 april 1917), een verweerd vierkant houten bord voor een kind met de naam Willem (geboren in 1913) en een houten bord in de vorm van een grafsteen voor het jongetje Philips Polak. Hoewel het hout is aangetast is de tekst nog leesbaar. Geboren in april 1912 in Borgerhout, Antwerpen en gestorven in Nunspeet op 17 februari 1915. Een nog geen drie jaar oud slachtoffertje van de oorlog, maar de anonimiteit enigszins ontstegen.

Graf van het jongetje Philips Polak op de Oude Begraafplaats in Nunspeet
met daarachter de anonieme graven van Belgische vluchtelingen.

Aan de rand van de begraafplaats staat nog een bakstenen monument opgericht in 1919. Onder het graveerde kruis met de tekst ‘O Crux, ave spes unica (O Kruis, onze enige hoop)’ staat op het monument: ‘Gastvrij Nederland aan de afgestorvene vluchtelingen 1914-1919.’ Nederland was in 1918 ook gastvrij aan een hooggeplaatste, ook in God gelovige vluchteling, maar die zou niet ervaren hoe het was om in een kamp te verblijven.

De keizerlijke vluchteling in Huis Doorn

In de nacht van 9 op 10 november 1918 vluchtte keizer Wilhelm II, de Oberste Kriegsherr van het Duitse leger, met zijn gezelschap als een dief in de nacht naar Nederland. Dit op advies van veldmaarschalk Paul von Hindenburg, stafchef van het Duitse leger. Er was geen andere optie meer gezien de militaire situatie aan het front en in Duitsland zelf.

Op 11 november 1918 zou Duitsland het wapenstilstandakkoord ondertekenen, wat in feite een capitulatie inhield. In Duitsland zelf was toen de revolutie uitgebroken en had de regering onder leiding van de rijkskanselier Max von Baden verklaard dat de keizer en de kroonprins op 9 november 1918 waren afgetreden. Pas op 28 november 1918 zou Wilhelm II officieel afstand doen van de rechten op de Pruisische koningskroon en de Duitse keizerskroon. Keizer Wilhelm II werd Wilhelm II von Hollenzollern. ‘Ein Privatmann.’

Talrijke boeken en artikelen zijn er over deze laatste gang van Wilhelm II naar Nederland en over zijn verblijf in Nederland geschreven.[14] Bijna van minuut tot minuut zijn de gebeurtenissen vastgelegd en uitgeplozen. Eerst als gast van graaf Godard van Aldenburg Bentinck in het kasteel Amerongen en vanaf 1920 in zijn eigen kasteel Huis Doorn. Daar was hij heer en meester, al was zijn domein klein en werd het bewaakt door de Nederlandse marechaussee. Een voorname vluchteling, waarmee Nederland zeker in de eerste jaren na de oorlog behoorlijk mee in zijn maag zat. De ‘keizer-quaestie’ was geboren. Maar de Nederlandse regering boog niet onder de geallieerde druk in 1920 om Wilhelm II uit te leveren om hem terecht te laten staan.

Toen Wilhelm II naar Nederland vluchtte bevond zich in zijn uitgebreide gezelschap ook zijn trouwe vleugeladjudant kapitein Sigurd von Ilsemann, die tot aan de dood van Wilhelm II in juni 1941 aan zijn zijde zou blijven en een dagboek bijhield. Pas 25 jaar na het overlijden van Wilhelm II werden de aantekeningen door Ilsemanns weduwe voor publicatie vrijgegeven.[15] Ze bieden een onthullend inzicht hoe het er toeging aan het hof van Huis Doorn.

Beeld van Wilhelm II voor Huis Doorn.

Wilhelm II was beslist niet van plan de rest van zijn leven stil te gaan leven. Hij bleef hyperactief en niet alleen met het omhakken en in stukken zagen van 17.000 bomen in zijn domein. Wilhelm II kwam niets te kort als vluchteling, zou zelfs in 1922 opnieuw trouwen toen de keizerin Auguste Viktoria overleed, maar kon het verlies van het keizerschap onmogelijk verkroppen.

Naast het schrijven van zijn memoires werd de Duitse politiek van het interbellum nauwkeurig gevolgd. Wilhelm II hoopte vurig op een terugkeer naar Duitsland als monarch om daar de ontstane ‘zwijnenstal’ tijdens de republiek van Weimar met harde hand schoon te vegen. Hele tirades moest zijn hofhouding aanhoren over dit onderwerp. Woedeuitbarstingen als men hem tegensprak en probeerde uit te leggen dat Duitsland bepaald niet naar hem uitzag. Zijn eigendunk was nog altijd zo groot dat hij hoopte de Duitse bevolking hem smeekte terug te keren. Pluimstrijkers in het Huis Doornse gezelschap moedigden die hoop nog aan. Maar in geen enkele Duitse krant stond de kop: ‘De keizer moet terug op de troon’. Er werd zelfs tevergeefs gehoopt op steun van de nazi’s. Toen Adolf Hitler, in de ogen van Wilhelm II slechts een korporaal in een Beiers regiment, de macht had gegrepen in 1933 was de verontwaardigde reactie: ‘En zo’n man gaat gewoonweg op mijn troon zitten!’[16]

Hij maakte ruzie met zijn oudste zoon, de kroonprins Wilhelm, die voor zijn eigen belangen koos. Nadat Paul von Hindenburg in 1925 rijkspresident was geworden, en als surrogaatkeizer fungeerde, moest die het ook ontgelden. Toen Duitsland in diepe rouw was bij de begrafenis van Hindenburg in augustus 1934, werd over de dode niet gesproken noch werd op Huis Doorn de vlag halfstok gehangen.

Verwijten alom en aan iedereen. En altijd lag de schuld bij anderen, nooit bij zichzelf. In de klassieke boeken die Wilhelm II las moet toch wel ergens de woorden ‘mea culpa’ hebben gestaan.

De parabel van Wilhelm II en de kleine Philips Polak

De omschrijvingen van Wilhelm II in boeken en tijdschriften zijn uiterst talrijk en een bloemlezing van alle onvriendelijke en negatieve typeringen zou alleen al een artikel kunnen volmaken. Steeds vallen omschrijvingen als ijdel, rusteloos, wereldvreemd, onevenwichtig, tactloos in zijn optreden en zelfs krankzinnigheid wordt genoemd. ‘Die enge man met dat armpje’ is de titel van een artikel van Hans Andriessen om het negatieve beeld van Wilhelm II enigszins te nuanceren.[17]

Maar hoeveel menselijker zou de beeldvorming van de ex-keizer niet zijn geworden als hij zich ooit eens deemoedig had uitgelaten over wat er tijdens de Duitse inval in België in 1914 was gebeurd door toedoen van zijn keizerlijke troepen.[18] Dat had gekund in de jaren dertig van de twintigste eeuw toen het gevaar dat hij ooit nog eens uitgeleverd zou worden praktisch verdwenen was. Toen het iedereen, behalve misschien hemzelf, duidelijk was dat hij nooit en te nimmer meer naar Duitsland terug zou kunnen keren omdat men hem daar niet meer moest. Toen hem in Nederland ook wat meer bewegingsvrijheid werd gegund en autotochten zoals naar de Nederlandse kust werden toegestaan.

Als hij nu eens een keer naar de begraafplaats in Nunspeet was gereden en het armetierige graf van de kleine Philips Polak had bezocht. Nee, hij zou niet op zijn knieën zijn gevallen zoals de Duitse bondskanselier Willy Brand in 1970 in Warschau heeft gedaan. Dat deed Wilhelm II alleen voor de God, waar hij in geloofde. Maar hij had zijn hoofd kunnen buigen en zeggen: ‘jongetje, het doet me verdriet je hier zo te zien liggen, God weet dat ik de oorlog niet heb gewenst’. Dat was al iets geweest, maar zelfs die inkeer is echter nooit gekomen.

Noten

[1] De literatuur is uitgebreid. Zie bijvoorbeeld: Evelyn de Roodt, Oorlogsgasten. Vluchtelingen en krijgsgevangenen in Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog, Zaltbommel, 2000.

Op internet: Vluchtelingen in Nederland 1914-1918, www.wereldoorlog1418.nl/vluchtelingen/index.htm.

[2] Sophie De Schaepdrijver, De Groote Oorlog, Het Koninkrijk België tijdens de Eerste Wereldoorlog, Amsterdam / Antwerpen, 1997. Hoofdstuk III: ‘Furor teutonicus’: de Duitse inval.

[3] James Hayward, Mythen en legenden van de Eerste Wereldoorlog, Soesterberg, 2008. Hoofdstuk 4. De verkrachting van België.

[4] Larry Zuckerman, De verkrachting van België, Het verzwegen verhaal over de Eerste Wereldoorlog, Antwerpen / Utrecht, 2004, p. 97.

[5] Zie: Welt on line Kultur van 24 januari 2009: www.welt.de/kultur/article3083780/War-Wilhelm-II-Kriegstreiber-oder-Getriebener.html.

[6] De Schaepdrijver, p. 78.

[7] J.H.J. Andriessen, Keizer Wilhelm II, Mythe en werkelijkheid, Soesterberg, 2007. Hoofdstuk 17. Het proces dat nooit plaats vond. Wilhelm schuldig?

Binnen de Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog (www.ssew.nl) is momenteel een werkgroep bezig om dit proces voor te bereiden en fictief alsnog plaats te laten vinden.

[8] Gaston Durnez, Zeg mij waar de bloemen zijn, Vlaanderen 1914-1918, Leuven, 1988. Hoofdstuk 13: De zangstem van het volk.

[9] De Roodt, Oorlogsgasten, p. 185.

[10] Zie voor meer informatie over het boek: www.bduboeken.nl.

[11] Geciteerd in M. Hendrickx-van der Avert, De vluchtoorden, in: Vluchten voor de Groote Oorlog, Belgen in Nederland 1914-1918, Amsterdam, 1988, p. 43.

[12] Postema, p. 69.

[13] Inventaris van het archief van het Vluchtoord te Nunspeet 1914-1918,Register van overlijden, dec. 1914 t/m juni 1918, www.streekarchivariaat.nl.

[14] Zie bijvoorbeeld:

Rolf ter Sluis, De“keizer-quaestie”. Nederland en de vlucht van Wilhelm II, november 1918-maart 1920, Doorn, 1994.

Perry Pierik en Henk Pors, De verlaten monarch, Keizer Wilhelm II in Nederland, Soesterberg, 1999.

Op internet:

Keizer Wilhelm II (1859-1941), www.wereldoorlog1418.nl/keizer-wilhelm/index.html.

Wilhelm II, keizer (1859-1941), anderetijden.nl. Met audio en videofragmenten.

[15] Sigurd von Ilsemann, Der Kaiser in Nederland, Aantekeningen van de laatste vleugeladjudant van Keizer Wilhelm II uit Amerongen en Doorn 1918-1923, Baarn, 1968.

Sigurd von Ilsemann, Der Kaiser in Nederland, Monarchie en nationaal-socialisme, Aantekeningen uit de jaren 1924-1941, Baarn, 1969.

[16] Von Ilsemann, deel 2, p. 241.

[17] J.H.J. Andriessen, “Die enge man met dat armpje”, www.ssew.nl/die-enge-man-met-armpje.

[18] Bijna 90 jaar na het bloedbad op burgers in Dinant tijdens de Eerste Wereldoorlog, heeft Duitsland zich verontschuldigd voor deze wandaad. “Ik wil jullie allen vragen, het door Duitsers begane onrecht in uw land te vergeven”, zei Walter Kolbow (SPD), Duits staatssecretaris voor defensie, in mei 2001 tijdens een verzoeningsplechtigheid in Dinant.

Zie: Het belang van Limburg van 6 mei 2001 en Hayward, p. 143.

overzicht: