Tsjecho-Slowaakse Legioenen in Rusland

Door: Prof. dr. Z.R. Dittrich

(Dit artikel werd eerder gepubliceerd in het jaarboek van de stichting in 2004)

In de loop van de Eerste Wereldoorlog vormden er zich in de landen van de Entente legereenheden van Tsjechische en Slowaakse vrijwilligers welke zich ten doel stelden aan geallieerde zijde strijdend, hun vaderland van zijn vreemde juk te bevrijden. De latere ‘geuzennamen’ legioenen, legionairs, kwamen het eerst in Frankrijk in zwang omdat de vrijwilligers aldaar aanvankelijk als een onderdeel van het Vreemdelingenlegioen werden ondergebracht. In Rusland daarentegen bleef men zich lang dobrovoltsy (vrijwilligers) noemen. Wellicht omdat de naam ‘legioen’ te zeer geassocieerd werd met de Poolse combattanten van Pilsudski welke aan de kant van de Centralen stonden.

Aan het westfront en in Italië konden de Tsjecho-Slowaken gezien hun geringe getalsterkte - in beide gevallen minder dan 10.000 man - geen rol van betekenis spelen. Hun optreden aldaar was meer van symbolische waarde hoezeer zij zich ook in verschillende sectoren van die fronten onderscheidden. In Rusland evenwel, waar het Tsjecho-Slowaakse legioen uiteindelijk ongeveer 100.000 man telde, groeiden zij tijdens de chaotische toestanden van revolutie en burgeroorlog uit tot een belangrijke machtsfactor en hun optreden werd van doorslaggevende betekenis voor de erkenning door de zegevierende mogendheden, van de Tsjecho-Slowaakse aspiraties.

In de vredestijd van vóór 1914 waren er nauwelijks Tsjechen, om van Slowaken al niet eens te spreken, die zich een politieke toekomst van hun volk buiten het kader van de Donau-monarchie konden voorstellen. Wel waren brede lagen van de natie russofiel en keizer Franz- Joseph heeft ooit gezegd dat de helft van de Tsjechen openlijke en de andere helft geheime russofielen waren. Met die inschatting is hij er niet veel naast geweest maar het was allemaal gevoelsmatig, vaag en miste nagenoeg elke politieke dimensie.

Men zou kunnen zeggen dat in dit geval het onbekende zichzelf bemind maakte doch dat die sympathie niet bestand was tegen een aanvaring met de harde werkelijkheid. En aan de Russische kant was het eigenlijk al niet anders gesteld.

In het tsarenrijk leefden indertijd meer dan 100.000 Tsjechen - boeren-kolonisten, leraren, zakenlui - die bij de Russische overheid doorgaans goed aangeschreven stonden doch te klein in aantal waren om de openbare mening ten gunste van de Tsjechische zaak te kunnen beïnvloeden. De Russen weliswaar waren fel tegen het Habsburgse rijk gekant, maar zij waren vooral geïnteresseerd in de Balkan-Slaven en de Galicische Ruthenen. Ook lagen de Tsjechen buiten het gezichtsveld van de diplomatie, zij het dat hier dienaangaande, meer nuances te bespeuren waren.

De Russische consul in Praag, Zjoekovskij, onderhield nauwe relaties met enkele Tsjechische politici, met name met de liberaal Kramar en de nationaal-socialist Klofac. Bij hen moedigde hij - tot ongenoegen van de ambassade te Wenen die meer afstand wenste - een pro-Russische instelling aan. In het voorjaar van 1914 liet de bewindsman van buitenlandse zaken, Sazonov, aan zijn Tsjechische bezoeker Scheiner, leider van de nationalistische turnverenigingen Sokol, onverholen blijken dat de Tsjechen een interessant volk waren maar niet op de agenda van zijn regering stonden. Dat was niet helemaal waar, maar hij wilde zich nochtans niet committeren.

Het uitbreken van de oorlog schiep hier nieuwe perspectieven. Nationaal gezinde Tsjechen en Slowaken die in krijgsdienst van het Kaiserliche und Königliche (K.u.K.) leger moesten, belandden in een schier kafkaiaanse situatie. Het vechten voor de onbeminde monarchie, samen met de gehate Duitsers en Hongaren, tegen hun Slavische broedervolken de Russen en de Serven, werd door de meeste hunner als een grimmige absurditeit ervaren. Het verbaast dan ook niet dat de gevechtswaarde van deze soldaten gering was. Gevallen van desertie of dienstweigering kwamen weliswaar slechts sporadisch voor, de neiging echter zich op allerlei manieren aan gevaarlijke opdrachten te onttrekken of, zoals de brave soldaat Schweik, door geveinsde dienstijver de zaak te saboteren was een handige oplossing. De Russische opmars in Galicië bood velen de kans om in krijgsgevangenschap te geraken, er waren veel overlopers, in 1915 zelfs twee regimenten.

Aan Russische zijde werd met deze gang van zaken rekening gehouden. Reeds 12 augustus 1914 werd de grondslag gelegd tot de oprichting van de aparte militaire eenheid Ceská druzina (Tsjechische strijdgemeenschap). Onder de leiding van Russische officieren zouden Russische staatsburgers van Tsjechische afkomst en zich daartoe hadden aangemeld op het front als verkenners opereren en landgenoten bij de tegenpartij tot overlopen aan moedigen, o.a. door het zingen van volksliederen. Ofschoon hun aantal de 1.000 man niet oversteeg, bleken zij voor de Russische strijdkrachten een goede investering. Deze vrijwilligers ondernamen avontuurlijke tochten door de frontlinies heen soms tot in het Oostenrijkse achterland en wisten duizenden Tsjechen in Oostenrijks uniform, tot overlopen aan te moedigen. Ceská druzina zou later in het Tsjecho-Slowaaks legioen opgaan doch na een langer en moeizamer proces dan haar oprichters hadden verwacht.

E.e.a. was voornamelijk te wijten aan de aarzelende houding van de Russische regering die schijnbaar niet wist wat men met de Tsjechen, respectievelijk Tsjecho-Slowaken aan moest. In het manifest dat Nicolaas II na de oorlogsverklaring uitvaardigde werd verzekerd dat „Rusland, verenigd met de Slavische volken door geloof en bloedverwantschap, niet onverschillig stond ten aanzien van hun lot….” In zijn toespraak tot de Doema had de tsaar het over „….de Slaven van hetzelfde bloed en geloof die hij wilde bevrijden….” Bedoelde de tsaar daarmee ook de Tsjechen en Slowaken? De leiders van Tsjechische en Slowaakse verenigingen in St. Petersburg, Moskou en Kiev legden de betekenis van deze verklaring in hun aanhankelijks-adressen en memoranda aan de Russische autoriteiten ieder geval zeer ruim uit. Zij spraken zich hierin uit voor een eigen, Tsjecho-Slowaakse staat onder Russisch beschermheerschap welke, naast de Boheemse landen ook de Lausitz en Slowakije zou omvatten. Tevens drongen zij aan op de oprichting van een vrijwilligersleger binnen de organisatie van het Russische leger, een leger dat zelf voor eigen bevrijding zou vechten. In september 1914 ontving Nicolaas II een delegatie van Tsjecho-Slowaakse kopstukken om hoogstpersoonlijk hun hartenwensen aan te horen. Uiteraard vermeed hij tijdens deze audiëntie enigerlei toezegging te doen, hij vroeg zich evenwel af of deze Russische ingezetenen ook voor het volk ‘thuis’ spraken en of de Slowaken bereid waren om met de Tsjechen in een gemeenschappelijke staat op te gaan.

De aarzelingen aan Russische zijde zijn stellig te begrijpen. Een apart Tsjecho-Slowakije betekende het uiteenvallen van de Donaumonarchie, het ultieme oorlogsdoel van de westerse bondgenoten Engeland en Frankrijk en daarnaast een Russische machtsaanwas waarvoor men van oudsher zeer beducht was. Neen, een zodanig voorstel was simpelweg niet aan hen te verkopen.Pas in de zomer van 1918 toen dat gevaar niet meer bestond en het Habsburgse rijk zich, als mogelijk tegengewicht van Duitsland, definitief uitrangeerde, konden zij e.e.a. accepteren.

De oprichting van een vrijwilligersleger samengesteld uit, zoals de Tsjecho-Slowaken dat wensten, ex-krijgsgevangenen en overlopers stuitte op onoverkomelijke bezwaren. Hiermee zou men de Centrale mogendheden de kans bieden om de Russen, door het formeren van vrijwilligerseenheden opgebouwd uit Russische krijgsgevangenen van Poolse, Finse of Kaukasische afkomst, met gelijke munt te betalen. Nog daargelaten de morele bedenkingen van behoudende Russen die, van lieden die hun eed van trouw aan hun monarch verbroken hadden, niet veel goeds verwachtten.

Ook het Tsjecho-Slowaakse concept dat door de achterban van deze eenheden in Rusland als vanzelfsprekend werd aangehangen, werd door de Russische gezagdragers niet zonder meer aanvaard. Conservatieve persoonlijkheden, zoals met name de oberprokoeror van de Heilige Synode, Sabler, beschouwden de Tsjechen als te westers, te vrijzinnig en te vrijpostig. Zij waren meer gecharmeerd van de Slowaken dat als een archaïsch en gezagsgetrouw boerenvolk beter binnen de Russische verhoudingen paste en dat zij liever een aparte toekomstpositie gunden. Voorlopig was men bereid tot kleine, liefst niets verplichtende tegemoetkomingen, zoals het toestaan van de Ceská druzina, niet om te vechten, maar voor spionagetaken en ‘lokvogelrol’. Verenigingen van landgenoten mochten zich als een politieke lobby vrijelijk ontplooien en met zusterorganisaties elders in contact treden, soms werden zij van hogerhand in hun activiteiten gesteund. Slavische krijgsgevangenen kregen als regel een voorkeursbehandeling, werkwilligen kregen gelegenheid om als landarbeiders, mijnwerkers of fabrieksarbeiders bij te verdienen en meer bewegingsvrijheid te genieten dit gold des te meer voor specialisten op elk gebied waarnaar in aan Rusland zeer veel vraag was.

In het jaar 1915 begon zich niettemin een verandering af te tekenen. Het was de Russische troepen in de winter van 1914/1915 niet gelukt om vanuit de Karpaten in de laagvlakte door te dringen en aldus de Donaumonarchie dodelijk te treffen. Met de val van de belegerde vesting Przemysl (maart 1915), welke meer dan 150.000 krijgsgevangenen opleverde, was het laatste succes geboekt. In mei 1915 slaagden de Centralen erin bij Tarnow-Gorlice een doorbraak te forceren. De Russen zagen zich, vanwege gebrek aan wapens en ammunitie, genoodzaakt een lange en rampzalige terugtocht te ondernemen. Toen het front zich in de herfst stabiliseerde hadden zij Koerland, Litouwen, Polen en het grootste deel van het veroverde Galicië aan de vijand prijsgegeven. Het droombeeld dat hun legers de Boheemse landen en Slowakije zouden bevrijden was nu voorgoed van de baan. De tot dan toe overheersend russofiele stroming onder politici en publiek, verloor gaandeweg aan kracht en betekenis. Zelfs in Rusland verzwakte het kamp van de aanhangers van een grote Slavische monarchie onder Russische leiding, ten gunste van de voorstanders van volledige onafhankelijkheid. Van belang was dat, in 1915, de Tsjecho-Slowaakse beweging in de Ententelanden een alom erkende leider kreeg in de persoon van prof. Masaryk, een afgevaardigde van de Weense rijksraad, die eind 1914 naar Italië was uitgeweken. Als geleerde van internatio-nale bekendheid en met uitstekende, persoonlijke contacten, wist hij zowel in het Westen alsook in Rusland het Tsjecho-Slowaaks verzet in een gemeenschappelijk netwerk te bundelen.

Masaryk, een eminente Ruslandkenner, was als overtuigd democraat afkerig van het tsaristisch regime en stond daarom in Russische regeringskringen slecht aangeschreven. Zijn Tsjechische tegenstanders stuurden daarom de conservatieve politicus Dr. Dürich naar het buitenland om er als het ware voor tegenwicht te zorgen. Na onderlinge afspraak bleef Masaryk aan het hoofd van de Nationale Raad met de zetel in Parijs en Dürich vertrok naar Rusland om dáár namens de Raad de leiding over te nemen. Al spoedig bleek dit compromis niet te werken. Dürich, een ouderwetse russofiel, ontpopte zich als voorstander van het tsarisme hetgeen hem in Tsjecho-Slowaakse kringen aldaar niet in dank werd afgenomen. Tegen de tijd dat de revolutie uitbrak raakte hij geïsoleerd. Slechts een minderheid van de landgenoten volgde hem in het kamp van de witten in het Dongebied.

Laten we even in de tijd teruggaan. De nederlagen van 1915 bewerkstelligden dat de Russische militairen in hun houding t.a.v. de Tsjecho-Slowaakse vrijwilligers toeschietelijker werden. Een klein aantal hunner mocht tot de Ceská druzina toetreden, de ongeduldigen sloten zich aan bij het Servische legertje, de divisie-Hadzic, die in Rusland werd geformeerd en in de strijd om de Dobroedzja (1916) meevocht. Waar de Centralen in de door hen veroverde gebieden de toeloop naar de Poolse legioenen toelieten bestond er aan Russische zijde geen grond meer om het vormen van Tsjecho-Slowaakse legioenen tegen te werken. Met medewerking van de Russische legerleiding voerden de functionarissen van Tsjecho-Slowaakse verenigingen onder de krijgsgevangenen een wervingscampagne die aansloeg. Tegen het einde van 1916 waren al twee Tsjecho-Slowaakse regimenten gevormd, met Russische hoofdofficieren weliswaar, doch met Tsjechische bevelvoering. De Tsjecho-Slowaken die zich al eerder bij de Servische troepen hadden aangesloten, namen deel aan de strijd om de Dobroedzja. Toen aanvang 1917 de Serven via Archangelsk en Wladiwostok vertrokken om aan het Salonikifront te worden ingezet, ging een deel van Tsjecho-Slowaakse vrijwilligers met hen mee. Die groep belandde uiteindelijk aan het Westfront.

De Februarirevolutie van 1917 bracht niet alleen onder het Russische volk doch ook elders in de wereld een schier ongelofelijke euforie teweeg. Men verwachtte dat de Russische reus zijn kracht zou herwinnen en de oorlog met groter inzet zou voeren. Zulke illusies werden ook in de Tsjecho-Slowaakse kringen in Rusland gekoesterd waar de aanhang van Dürich en andere, behoudende notabelen het moest afleggen tegen een democratisch gezind leiderschap. Het legioen kreeg een grote toeloop van mensen die voorheen een afwachtende houding hadden aangenomen, hoofdzakelijk socialistische arbeiders en intellectuelen. In april 1917 vertrok de politieke leider prof. Masaryk uit Engeland naar Rusland om daar orde op zaken te stellen en het proces van de legervorming te bespoedigen. Onder het oude regime was hij een ongewenst persoon, nu hoopte hij bij het Voorlopig Bewind, waar hij op zijn oude vriend prof. Miljoekov rekende, begrip te vinden voor de Tsjecho-Slowaakse aspiraties. Toen hij na een gevaarlijke zeereis in St. Petersburg aankwam, was evenwel Miljoekov als minister van buitenlandse zaken ten val gebracht. De socialist Kerenskij, die nu in de regering het hoogste woord voerde was de Tsjecho-Slowaken niet welgezind. Hij verdacht ze van tsaristische sympathieën en vond dat zij tegen Habsburg maar thuis een revolutie moesten voeren. Het legioen wilde hij botweg ontbinden en het kostte Masaryk veel moeite om hem van dit voornemen af te brengen. Kort daarna volgde een radicale wending ten goede. De Westerse geallieerden hadden het Voorlopig Bewind onder stevige druk gezet opdat het op het oostfront een offensief zou beginnen, een ondernemen waartoe de moegestreden en door de bolsjewistische agitatie gedemoraliseerde Russische troepen niet meer in staat waren. Voor de legerleiding was het dus een buitenkans dat zij vrijwilligerseenheden in de strijd kon werpen. Op 2 Juni 1917 forceerde de Tsjecho-Slowaakse brigade bij Zborow een doorbraak van het front waarbij ze meer soldaten krijgsgevangen maakte dan zij zelf telde. Kerenskij, die het slagveld bezocht gaf zich gewonnen en de Tsjecho-Slowaken kregen vrij baan om hun leger als een aparte krijgsmacht op touw te zetten. Het offensief heeft overigens maar een kleine terreinwinst opgeleverd welke na een tegenaanval van de Centralen weer verloren ging.

Over wat het legioen in de toekomst zou gaan doen had Mazaryk al eerder nagedacht. Het liefst zou hij het uit Rusland naar het Westfront willen verplaatsen waar, naar hij meende, de beslissing zou vallen. Naarmate de revolutie in Rusland in de loop van 1917 radicaliseerde, werd de problematiek van het legioen nijpender. Reeds ten tijde van de mislukte Kornilovstaatsgreep bleek een deel van de Tsjechische officieren met de opstandelingen te sympathiseren. Toen in oktober 1917 de Bolsjewiki de macht grepen besefte Masaryk dat een burgeroorlog tussen links en rechts in Rusland onvermijdelijk was. Hijzelf kreeg in Moskou er een voorproefje van toen hij bij de beschieting van zijn hotel ternauwernood aan de dood ontsnapte. Het was hem van meet af aan zonneklaar dat het Tsjecho-Slowaakse leger, intussen tot bijna 100.000 man uitgegroeid, van elke deelneming aan de Russische broederstrijd moest afzien wilde men het eigenlijke doel, de vestiging van een onafhankelijke staat thuis, niet in gevaar brengen. Om Rusland zo snel mogelijk in georganiseerd verband te kunnen verlaten was het onvermijdelijk om in gesprek te komen met de feitelijke machthebbers, de Bolsjewiki die de ruggengraat van de Sovjetregering vormden. Voor Masaryk persoonlijk was het bijten in een zure appel. Het radicale Marxisme van Russische makelij, despotisch, wreedaardig, dat de democratisch gekozen volksvertegen-woordiging uiteenjoeg en met de Centralen inderhaast een bestand sloot, belichaamde ongeveer alles waarvan hij gruwde. Bovendien was het, als onderhandelingspartner, uiterst onbetrouwbaar.

In de chaotische weken na de val van Kerenskij werden van Tsjecho-Slowaakse zijde allerlei mogelijkheden bekeken welke uiteindelijk alle onuitvoerbaar bleken. Zoals bijv. het inzetten van het leger op het Roemeense front of het in dienst treden van de autonome republiek! Bessarabië. Westerse diplomaten in Rusland, voor wie het wegvallen van de Russische bondgenoot een zware tegenslag was, speelden bovendien met de gedachte Tsjecho-Slowaakse troepen, al dan niet in samenwerking met Russische anti-sovjetkrachten, bij wijze van tweede front tegen de Centralen in te zetten. Omgekeerd hielden de nieuwe machthebbers, m.n. de volkscommissaris Trotski contact met de Geallieerden voor het geval dat de vredesonderhandelingen te Brest-Litowsk zouden vastlopen. In de nogal ingewikkelde situatie zorgden de Oekraïense autonomisten voor een ontknoping. Toen de Bolsjewiki hun bolwerken, in de eerste plaats Kiev, gingen bedreigen zetten zij alles op de Duitse kaart. Na het mislukken van de vredesonderhandelingen te Brest-Litowsk gingen de Centralen tot hervatting van de vijandelijkheden over. Hun offensief, tegen de zo goed als lege Russische loopgraven gevoerd, bracht hun een enorme terreinwinst op. Het in het zuiden geconcen-treerde Tsjecho-Slowaakse leger, geraakte in een uiterst gevaarlijke situatie. Samen met de terugtrekkende Rode Gardes wisten de Tsjecho-Slowaken bij Bachmatsj (13 maart 1918) de Duitse opmars te stoppen en een vrije weg naar het oosten te bevechten.Masaryk zelf was inmiddels uit Moskou vertrokken in de richting van Wladiwostok, waar hij zich naar Amerika zou verschepen. Vóór zijn reis beklemtoonde hij de wenselijkheid van een neutrale houding van zijn troepen die hij zo spoedig mogelijk naar Frankrijk wilde zien afreizen. Zijn gevolmachtigden wisten na het succes bij Bachmatsj met de volkscommis-saris Stalin een overeenkomst te sluiten. De Tsjecho-Slowaken zouden als gewapende burgers met medewerking van de Sovjetorganen Rusland verlaten, of dat via Archangelsk zou geschieden of langs een langere route door Siberië werd niet helemaal vastgelegd. In elk geval was het de bedoeling om op het Westfront de strijd voort te zetten. Tijdens de onderhande-lingen liet Stalin zich ontvallen dat de Sovjets zich bij een aanhoudende Duitse bedreiging mogelijkerwijs tot aan de Oeral zouden terugtrekken en hij rekende dan op een partizanen-oorlog. Daarvan is evenwel niets gekomen. De vrede van Brest-Litowsk gaf de Centralen de controle over uitgebreide gebieden van Rusland (o.a. de Oostzeegewesten, Wit-Rusland, de Oekraïne en een deel van de Caucasus op.

Tsjecho-Slowaakse vrijwilligers

De Russische revolutie volgde haar eigen dialectiek en ook de tot neutraliteit verplichte (Tsjechi-Slowaken?)/konden zich daar niet aan onttrekken. Een kleine groep links radicale landgenoten, die zich bij de Bolsjewiki had aangesloten, ging de legionairs met revolutionaire agitatie bestoken. Veel weerklank vonden zij niet doch wisten met hun verhalen over ‘het duikbootgevaar dat de troepentransporten via Archangelsk zou bedreigen’ toch wat onzekerheid in het legioen te zaaien. Op rechterflank echter was aanvankelijk meer druk te bespeuren. Dürich en zijn volgelingen vonden toevlucht in het Kozakkengebied aan de Don, waar generaal Kaledin de vijanden van de Sovjetmacht verzamelde. Ofschoon het aantal Tsjecho-Slowaken dat zich bij deze contra’s aansloot nauwelijks groter was dan dat in het Rode kamp, vonden de opvattingen die aan de Don werden uitgedragen veel weerklank in de gelederen van het legioen, met name in het officierskorps dat gaandeweg meer en meer uit Tsjecho-Slowaken bestond. De afkeer van Lenin c.s. die als collaborateurs met de Duitse vijand te boek stonden en de sympathie voor het Russische volk dat aan de terreur en anarchie was overgeleverd bepaalde de stemming die in het legioen heerste.

Onder deze omstandigheden bleek de neutraliteit die Masaryk predikte al gauw een hersenschim. Een snel vertrek van het legioen naar het Russische noorden waarop hij gehoopt had, bleek onmogelijk doordat de Geallieerden de noordelijke havens bezet hadden. Men moest dus oostwaarts via Siberië; de treinen met de legionairs waren op de spoorlijn tussen Penza en Wladiwostok verspreid en wat hun verplaatsingen aangaat afhankelijk van de plaatselijke Sovjets die naar eigen goeddunken handelden. De overeenkomst die men met Stalin gesloten had werd door beide partijen geschonden. De Sovjets saboteerden in verschillende plaatsen de afspraak en stonden een intensieve communistische agitatie toe, de Tsjecho-Slowaken leverden maar een klein deel van hun wapens in en vervoerden de rest clandestien in hun wagons. Er was maar een vonk nodig om de gespannen verhouding tot explosie te brengen. Op 14 mei 1918 vond te Tsjeljabinsk het befaamde incident plaats. Op het station kwamen twee treinstellen naast elkaar te staan: een trein die de Tsjecho-Slowaken oostwaarts voerde en een trein met repatriërende Hongaarse krijgsgevangenen in omgekeerde richting. Van Hongaarse zijde werd een steen naar een Tsjecho-Slowaakse wachtsoldaat geworpen welke hem verwondde. Zijn woedende kameraden hebben daarop de vermoedelijke dader gepakt en met hun geweerkolven doodgeslagen. De plaatselijke Sovjet kwam tussenbeide en liet de erbij betrokken legionairs naar de gevangenis wegvoeren. Toen dit bij de Tsjecho-Slowaakse legereenheid bekend werd kwam het tot een militaire bevrijdingsactie die culmineerde in ontwapening van de Rode Garde en de val van het Sovjetbewind in Tsjeljabinsk. Toen kort daarop werd besloten het vervoer van de troepen op de spoorlijn in eigen hand te nemen was de breuk met de Sovjetregering te Moskou compleet.

De opstand der Tsjecho-Slowaken, zoals dat voortaan in de sovjetgeschiedschrijving heette, bracht in het oosten van het Russische rijk de nog talrijke tegenstanders van het communistisch regime in beweging. In de zomer van 1918 zagen de Sovjets zich op het centrale gedeelte van Rusland teruggeworpen, hun krijgsmacht, het Rode leger, bevond zich nog in het stadium van beginnende opbouw. Bovendien maakte de regering van Lenin c.s. een zware crisis door omdat de linkse socialisten-revolutionairen, die haar tot dan gesteund hadden, zich in juli tegen haar keerden. Alleen met uiterste inspanning kon hun verzet gebroken worden, wel raakte Lenin, het brein achter de 1917-revolutie, door een moordaanslag van Dora Kaplan ernstig gewond. Wat de sovjetregering van de totale ondergang redde was de blijvende verdeeldheid bij haar tegenstanders: tussen de democratische socialisten en rechtse contra-revolutionairen was elke samenwerking uitgesloten. Ook de beide, aanvankelijk vrij links staande tegenregeringen - de ene in Samara en de andere in Omsk - wisten onderling geen eendracht te bewerkstelligen. Hoe dan ook, het nieuws over de ontwikkelingen in Rusland veroorzaakte in het kamp der geallieerden een golf van enthousiasme waarvan Masaryk en de door hem behartigde Tsjecho-Slowaakse zaak danig profiteerde. Een eigenlijk paradoxale gang van zaken: waar de door hem gewenste neutraliteit in het Russische conflict een volkomen echec leed werd hij in Amerika als heerser over Siberië bejubeld. Hierbij speelde uiteraard een rol dat de Tsjecho-Slowaken daar een barrière vormden tegen een mogelijke Japanse interventie die de Verenigde Staten koste wat het kost wilden voorkomen. Als hoofd van een 100.000 man tellende krijgsmacht, die op een strategisch belangrijke plaats was gelegerd, oogstte Masaryk internationaal erkenning voor zijn staatkundige ambities.

De gedisciplineerde en welgemotiveerde legionairs opereerden aanvankelijk fortuinlijk. Binnen de kortste tijd kregen zij de spoorlijn tussen Penza en Wladiwostok onder controle en, ofschoon matig door hun Russische medestrijders geholpen, boekten zij verschillende successen aan het Volgafront. Zij veroverden tal van strategisch belangrijke steden waaronder Samara, dat de zetel werd van een democratische tegenregering en Kazan, waar zij de Russische goudreserve buitmaakten welke zij goeddeels aan het nieuwe bewind te Samara overdroegen. In september 1918 echter keerde het tij. De numeriek niet bepaald sterke Tsjecho-Slowaken moesten wijken voor een tegenoffensief van de Roden, die in volkscommissaris Trotski een bekwaam aanvoerder hadden gevonden. Aan de Oeral stabili-seerde het front zich toen de harde Russische winter de operaties stillegde. In diezelfde tijd, november 1918, vond te Omsk een militaire staatsgreep plaats welke admiraal Koltsjak als regent van het Russische rijk in het zadel bracht. Omringd door de aanhangers van het ancien régime en heimelijk door Groot-Brittannië gesteund kreeg de nieuwe machthebber aanvan-kelijk ook enige steun van het Tsjecho-Slowaakse officierskorps, met name van dat, van de avontuurlijke generaal Gajda. Van meet af aan gedroeg de omhooggevallen admiraal zich als alleenheerser in oud-Russische stijl, doch zijn machtsbasis was wankel. Kozakken-atamannen met hun aanhang en Russische generaals met privé legertjes en paramilitaire eenheden opereerden liefst naar eigen goeddunken, terwijl de Tsjecho-Slowaken, wier vaderland inmiddels een onafhankelijke republiek was geworden, zich in het geheel niet aan zijn pretenties stoorden. Met een bijeengeraapt leger, dat grotendeels uit onervaren en onwillige rekruten bestond, begon de admiraal in het voorjaar van 1919 een offensief dat hem naar het hart van Rusland zou moeten brengen. Aan het noordelijk deel van het front, waar generaal Gajda à titre personel het bevel voerde werd aanvankelijk voortgang geboekt. Gajda veroverde Perm maar brouilleerde zich daarna met Koltsjak, verliet zijn dienst en keerde in de gelederen van het legioen terug. Het offensief zelf liep nog vóór de Volga vast en eind april 1919 gingen de Roden tot de tegenaanval over. De Armee van Koltsjak- gebrekkig bewapend en onbekwaam aangevoerd - moest zich terugtrekken, onderweg geplaagd door een misera-bele bevoorrading en toenemende deserties. De Tsjecho-Slowaken, die bij deze onderneming maar zijdelings betrokken waren, hadden intussen handen vol werk aan het bewaken en vrijhouden van de trans-Siberische spoorlijn tegen aanvallen van rode partizanen en criminele bendes die zich aan de achterzijde van het front hadden gevormd. Zolang zij voor hun hachje vochten waren de legionairs nog steeds strijdbaar, tot deelneming aan een Russische burger-oorlog echter waren zij niet meer bereid. Het verlangen naar een snelle terugkeer naar het vaderland was allesoverheersend.

Het legioen was een vrijwilligersleger en dat tekende zowel het bewustzijn van de manschappen als hun omgang met elkaar. Velen hunner waren in vredestijd leden van de nationale turnorganisatie Sokol (de Valk) wat de denkwijze en het gedrag van het legioen op een markante wijze heeft beïnvloed. Vergeleken met de strak hiërarchische opbouw, de kastegeest en de kadaverdiscipline die in het oude Russische leger, en in de meeste legers van de oorlogvoerende naties schering en inslag waren deed het legioen nogal democratisch en kameraadschappelijk aan. Vandaar dat het de revolutionaire stroomversnelling van 1917 tamelijk goed kon verwerken. Terwijl de Russische krijgsmacht binnen enkele maanden in volstrekte ontbinding geraakte, wisten de Tsjecho-Slowaken hun interne gezagsverhoudingen en discipline onverkort te handhaven. Wat niet wegneemt dat ook in het legioen enkele revolutionaire nieuwigheden binnengeslopen waren zoals, de regeringscomités en het van tijd tot tijd bijeengeroepen legerparlement. Russische officieren die in de begintijd bij het legioen gedetacheerd waren werden op den duur - uitzonderingen daargelaten - vervangen door eigen mensen, in de meeste gevallen voormalige reserveofficieren van de K.u.K-armee. In het legioen sprak men elkaar - in de traditie van de Sokol - met „broeder” aan en er werd van hoog tot laag getutoyeerd, hetgeen de afstand tussen de rangen voelbaar verkleinde. Aan de andere kant werden de onderlinge spanningen er eerder groter door, ook al omdat men in de treinwagons te dicht op elkaar zat. Het gezag van de officieren was geen uitgemaakte zaak, men moest het vertrouwen van de manschappen zien te verdienen. Tragisch was het geval van overste Svec, die zich op 28 oktober 1918 - de dag dat in Praag de republiek was uitgeroepen - op het station van Aksakovo doodschoot omdat zij mannen hem hun gehoorzaamheid opzegden.

Geen wonder dat de Tsjecho-Slowaken in Siberië op buitenstaanders zoals de Franse generaal Janin, de hoogste man van de geallieerde missie en Stefánik, Minister van Oorlog in de Praagse regering als een vrijgevochten bende over kwamen. Hun streven om daarin verandering te brengen liep op niets uit. Officieren, die trachtten hun traditionele voorrechten te herstellen, werden door de soldaten teruggefloten. Desalniettemin bewaarde het eigen-aardige vrijwilligersleger zijn interne samenhang en noodzakelijke slagvaardigheid tot aan de uiteindelijke inscheping in Wladiwostok. Siberië was een belangrijke kweekplaats voor het Tsjecho-Slowaakse officierskorps in zijn algemeenheid. Verscheidene reserveofficieren, van huis uit onderwijzers, houtvesters, bankemployés, drogisten bereikten rond hun dertigste reeds de rang van generaal. Terug in Patria vormden zij, samen met andere hoofdofficieren van het Siberische leger, de ruggengraat van de Tsjecho-Slowaakse krijgsmacht en zetten hun carrières voort. Met als enige uitzondering generaal Gajda, die in 1926 met de politieke leiding van de republiek in conflict geraakte, gesuspendeerd werd en daarna als stichter van een fascistische partij een onverkwikkelijke rol speelde.

In de zomer van 1919 was het Rode leger het Oeralgebergte gepasseerd en de terugtocht van Koltsjaks troepen veranderde gaandeweg in een panische vlucht. De uitzinnige terreur waarmee de witte regering in Omsk elk verzet tegen haar maatregelen trachtte te breken, werkte averechts. Het voorheen zo rustige Siberië veranderde in een heksenketel van boerenopstanden en banditisme. De 60 treinen met Tsjecho-Slowaakse soldaten, verdeeld over de schier onmetelijke spoorlijn die zij hadden te bewaken, stonden bloot aan imminent gevaar. Het tweede congres van het legioen (juni 1919) openbaarde de onrust in zijn gelederen, de wil om onverwijld naar huis te vertrekken was manifest. In Irkoetsk kwam het zelfs tot muiterij, welke door de regeringsdelegatie uit Praag met veel moeite gesust kon worden. Pogingen van generaal Janin om de Tsjecho-Slowaken ondanks alles voor de hulp aan de bedreigde regering-Koltsjak op het instortende front in te zetten leden schipbreuk evenals de plannen van sommige Tsjecho-Slowaakse voormannen om, via een doorbraak in het zuiden, naar het leger van Denikin door te stoten en via de Oekraïne naar huis te trekken. Het resultaat van al deze machinaties was alleen dat men in november 1919 de regering in Omsk halsoverkop moest evacueren en de Tsjecho-Slowaken op de spoorlijn in de grootste moeilijkheden geraakten. De vluchtende admiraal moest, met alles wat hem van zijn macht nog restte, met een transport van het legioen naar het oosten mee. Toen zij in Irkoetsk aankwamen was de stad reeds in handen van Koltsjaks tegenstanders. Deze namen hem gevangen en lieten hem in februari 1920 fusilleren. Kort daarop werd in Wladiwostok, met stilzwijgende instemming van de heersers in het Kremlin, de republiek van het Verre Oosten in het leven geroepen, een soort bufferstaat tussen Rusland en China die als een smalle strook land van het Bajkalmeer tot aan de Stille Oceaan reikte. Voordat de treinen die de legionairs naar de zeekust vervoerden het grondgebied van deze nieuwe staat inreden, moest nog gevochten worden met de bendes van de ataman Semjonov die de weg trachtten te blokkeren. Semjonov, beschermeling van de Japanners, had geen politieke doelen, eigenlijk wilde hij alleen het Russische goud dat de Tsjecho-Slowaken, in opdracht van de Geallieerden uit Omsk meevoerden. Na een harde afstraffing van zijn troepen werd hij gered door Japanse bemiddelaars die de Tsjecho-Slowaken vrije doortocht garandeerden.

Moeizamer verliepen de onderhandelingen met de Roden die door hun snelle opmars en opstandige bewegingen in de Bajkalregio de achterhoede van het legioen van de rest dreigden af te snijden. In een uitermate ondoorzichtige situatie waarbij de wilde vlucht van Koltsjaks aanhangers die hun hachje trachtten te redden, telkens voor verwikkelingen zorgde werd tenslotte op 7 februari 1920, de sterfdag van de onfortuinlijke admiraal, in het station Koejtoen een overeenkomst getekend die een einde aan de vijandelijkheden maakte. De Tsjecho-Slowaken en de met hen meereizende eenheden van Zuid-Slaven, Roemenen en Letten, kregen vrije doortocht op de spoorlijn met medeneming van hun wapens en bezittingen, wel moesten zij het Russische goud dat zij uit Omsk meevoerden aan de Sovjets overdragen. De aftocht, deels op de spoorlijn ten noorden van de Amoer, deels via Mantsjoerije met als einddoel Wladiwostok, verliep daarna zonder veel incidenten. In deze havenstad die in april 1920 door de Japanners werd bezet vond, nu de Geallieerden over voldoende tonnage beschikten, de inscheping van de Tsjecho-Slowaakse troepen plaats om hen naar hun verre vaderland te vervoeren. In de zomermaanden van 1920 ging de reis over de halve wereld naar Triëst vanwaar de legionairs met de trein de tocht met bestemming Praag vervolgden. De laatsten arriveerden in december 1920.

Degenen die zich bij het Rode leger hadden aangesloten en de vrijwilligers van de Witten in Zuid Rusland waren toen al lang gerepatrieerd. Vrijwel gelijktijdig met de laatste thuiskomers kwam de auteur van de Goede soldaat Schweik, Jaroslav Hasek, met zijn Russische echtgenote in Praag aan. Nadat hij in 1918 uit het legioen was gestapt en zich bij de Bolsjewiki had aangesloten maakte hij carrière als commissaris in de Oeralregio en als uitgever van partijkranten in diverse talen, totdat hij als redacteur in Irkoetsk belandde. Tsjecho-Slowaakse geestverwanten zetten zijn repatriëring door in de hoop dat hij hun de revolutionaire idealen zou helpen uitdragen. Hij deed dit echter niet. Uit de biografische satire „Commissaris van de stad Boegoelma” blijkt duidelijk zijn kritische afstandsname van de fanatieke wereldverbeteraars en hun terroristische praktijken.

overzicht: