De Tjechische Maffia in de Eerste Wereldoorlog

Door: Gert Andeweg

 

IN DE REICHSTAG

De Praagse professor in de filosofie T.G.Masaryk zat in de Weense Reichsrat als afgevaardigde van de ‘Realisten’, een kleine maar invloedrijke Tsjechische partij van hoofdzakelijk vooruitstrevende intellectuelen. Al enkele keren was hij in botsing gekomen met de Oostenrijks-Hongaarse autoriteiten, met name met de minister van Buitenlandse Zaken Aehrenthal. Zo was Masaryk in 1909 naar Zagreb gereisd om het proces tegen 53 Kroaten bij te wonen, die verdacht werden van hoogverraad. Het bleek geënsceneerd te zijn op basis van door Hongaarse agenten vervalste documenten. Het vonnis werd vernietigd.

Masaryk, die het streven naar gelijkberechtiging van de Slavische onderdanen van Habsburg zowel op de Balkan als in zijn geboorteland van harte ondersteunde, trok van leer in de Reichsrat tegen Aehrenthal. Enige tijd later volgde het Friedjungproces.

Op grond van door de Oostenrijkse gezant in Belgrado vervaardigde valse documenten had de historicus Friedjung een artikel in de Neue Freie Presse geplaatst waarin een aantal vooraanstaande Serviërs beschuldigd werd van spionnage tegen Oostenrijk-Hongarije. Masaryk heeft enkele reizen naar Belgrado ondernomen om de vervalsingen te verifiëren. Friedjung werd aangeklaagd en verloor de zaak jammerlijk.1) Weer kwam het door Masaryk tot een confrontatie in de Reichstag. Masaryks optreden trok de aandacht van de Europese pers, in het bijzonder van de Engelse journalisten Henry Wickham Steed en Robert William Seton-Watson, die overigens toen al geen onbekenden meer voor hem waren. Vooral de laatste, een Schotse jongeman, zou tijdens de Eerste Wereldoorlog voor Masaryk een grote steun blijken te zijn. Bij het uitbreken van de oorlog had Masaryk al vergaande ideeën ontwikkeld over de toekomst van zijn vaderland. Hij zocht een middel om deze aan de geallieerden kenbaar te maken. Zijn probleem was geen argwaan te wekken bij het Habsburgse bewind en de door de ontketende oorlog veroorzaakte obstakels te omzeilen.

 

VLUCHT NAAR AMERIKA

Charlotte Garrigue, Masaryks uit Amerika afkomstige vrouw, had in de zomer van1914 haar jongste zuster Esperanza op bezoek. Ze brachten de warme Julidagen door in een natuurgebied in Valašsko (Moravisch Walachije). Esperanza had veel gemeen met haar 13 jaar oudere zuster: een onafhankelijke geest en een kunstzinnige aanleg. Uit hun correspondentie blijkt dat zij een goed en vertrouwelijk contact met elkaar hadden. Niettemin besloot Esperanza vanwege de oorlogsdreiging terug te keren naar Amerika. Masaryk bood haar aan behulpzaam te zijn bij haar terugreis. Een lid van de Reichsrat zou aan de Oostenrijkse en Duitse grenzen nog weinig belemmeringen in de weg gelegd worden. Zo ging het tweetal op weg naar Rotterdam en arriveerde daar op zaterdag 12 september.2)De Maasstad was één van de laatste havensteden waaruit de oversteek gemaakt kon worden.3)

Opvallend was dat Esperanza in Rotterdam arriveerde zonder passagebiljet voor deovertocht naar Amerika, hoewel de Hol­land-Amerika Lijn in Wenen drie vesti­gingen had. Bovendien had de Hal in Dresden en Leipzig kantoren.4) Waren de oorlogs­om­stan­digheden al zodanig dat er geen mogelijkheid meer be­stond om in één van die steden te boeken? De HAL was in vol bedrijf. De telegraafverbindingen tussen het neutrale Neder­land en de oorlogvoerende landen waren niet verbroken.5) Burgers van landen die niet bij de oorlog betrokken waren, konden zonder belemme­ring Duitse en Oostenrijkse steden bezoe­ken. Zelfs Masa­ryk heeft in de herfst van 1914 nog enkele malen onge­stoord door Duits­land gereisd.

Op de dag van hun aankomst in de Maasstad ver­trok de ‘Nieuw Amsterdam’ voor zijn tweede overtocht in oor­logstijd. Mrs.Gar­rigue bevond zich niet onder de passagiers. Daar zijn enkele verklaringen voor te bedenken. In de eerste oorlogs­maanden ondervon­den de interna­ti­onale treinengrote vertra­gin­gen. Troepentransporten hadden in Duitsland voor­rang boven het burgerverkeer.6) Mogelijk is zij daar­door niet op tijd voor de afvaart in Rotterdam gearri­veerd.

Een andere oorzaak kan de capaciteit van de Nieuw Amster­dam geweest zijn, die niet overeenstemde met de vraag van dat moment. Het derde­klasdek, door­gaans bestemd voor emigranten, bleef door de oorlogsomstandigheden groten­deels leeg. Daaren­tegen waren de luxere hutten ver overboekt, hoofdzakelijk door Amerikanen die het Europese oorlogs­geweld zo snel moge­lijk wilden ont­vluch­ten.7)

Een derde verklaring zou gezocht kunnen worden in hetgeen haar begeleider, Prof. Masaryk, met deze reis voor­had. Hij had nog andere oogmerken dan het dragen van het valies van Espe­ranza. Hij arriveerde in Rotterdam met uitgesproken ideeën over de toekomst van zijn vaderland, daarin gesteund door een aantal invloedrijke, Praagse medestanders. Volledige onafhankelijkheid, los van het Habsburgse Oostenrijk, leek hem de enig juiste bestemming.

Hij had de reis zoals hij later memoreerde met de nodige voorzorg ondernomen. Hij wilde op geen enkele manier de aan­dacht trekken of de schijn op zich laden met iets subversiefs bezig te zijn. Wie kon er dan beter als dekmantel fungeren voor zijn bezoek aan Neder­land dan zijn Amerikaanse schoonzuster? Door in deze hectische tijd zonder passagebiljet voor Amerika naar Rotter­dam te reizen, werd voor haar de kans op een langer verblijf in de Maasstad aanzienlijk ver­groot. Dat Esperanza op 12 septem­ber de Nieuw Amsterdam gemist heeft, moet Masaryk niet onwel­ge­vallig zijn geweest. Het gaf hem een alibi om langere tijd in Rotter­dam te verblij­ven. Jaren later merkte Masaryk tegenover de bevriende schrijver Karel Čapek op dat alleen al de naam van zijn schoonzuster hem sterkte in zijn ‘hoop’.8)

De volgende HAL-boot vertrok anderhalve week later, op 23 septem­ber. Dat was de

Noordam.3) Bij de NASM heeft Esperanza de passage geboekt en contant $120,- (equiva­lent f300), betaald voor een eerste­klashut.9) Hoewel er op de HAL-kade een specia­le uitgang voor eer­steklaspassagiers was, moet zij op de ‘Noord­am’ ook wel iets bemerkt hebben van het ‘gedrang’. De HAL kampte bij deze reis met dezelfde problemen als bij de eerste twee reizen in oor­logstijd van de Nieuw Amsterdam.10) Passa­giers moesten hutten delen met anderen. In de eetzaal was perma­nent gedekt; men at er in ploe­gen.4) Ook de navigatie werd een pro­bleem; de eerste zeemijnen doken op.3)

Anderhalve week hebben Masaryk en zijn schoonzuster dus in Rotterdam

doorgebracht voordat Esperanza kon vertrekken. Ze hebben in hotel Weimar gelogeerd.

­

Het hotel, op de hoek van Spaansche Kade en Haringvliet, lag niet ver van het Maasstation, eindpunt van alle treinen uit Duitsland. Bovendien bood ‘Weimar’ een service die overeenkwam met de wensen van welgestelde Amerikanen. September 1914 was de tijd dat er meer en meer Belgi­sche vluchtelingen de stad binnenkwamen. Ze vonden onder­dak in allerlei vorm: in loodsen, binnenschepen, logemen­ten, hotels en bij particulieren.11) ‘Weimar’, het chicste en in die tijd modernste hotel van Rotterdam, heeft zich overigens niet geleend voor de opvang van die arme ontheemden. Kamers met bad, w.c. en centrale verwarming waren bestemd voor mensen die gewend waren bediend te worden door deftige obers in rok. Het Jugendstilpaleis van de architect Molenbroek met zijn prachti­ge zalen en hallen moet een merkwaardig eilandje van luxe geweest zijn in de Rotterdamse entourage, waar schaarste en oorlogs­leed meer en meer merkbaar werden.12)

 

HET VOORSPEL TOT DE „TSJECHISCHE MAFFIA”

Vanuit het neutrale Nederland is Masaryk aan het werk gegaan. Twee dagen na aankomst, op maandag 14 september, is hij begonnen zijn eerste schiftelijke contacten te leggen. Allereerst heeft hij een briefkaart naar het thuisfront gestuurd, en wel naar de redactie van „Čas” (De Tijd), het Praagse tijdschrift waaraan hij verbonden was. De kaart die hij vanuit het hotel geschreven had en die niet ondertekend was, bevatte 2 regels in het Tsjechisch: „Ik probeer Nederlands te lezen, het lukt nog ook.

Regen en storm (op zee). Tot ziens!”13)

Van Masaryk was bekend dat hij zich beknopt en kernachtig uitdrukte. Waarschijnlijk wilde hij de redactieleden meer laten weten dan zijn behouden aankomst in Rotterdam. De eerste regel kan op het verzamelen van informatie slaan. In zijn memoires schreef hij dat hij zijn verblijf in Nederland benut heeft met het uitgebreid raadplegen van oorlogspublicaties. De tweede regel van de briefkaart kan duiden op te verwachten problemen met het leggen van overzeese contacten.

Eveneens op de 14de schreef Masaryk de eerder genoemde Steed, buitenland-redacteur van The Times in Londen en inmiddels een goede vriend. Masaryk zou Steed graag in Rotterdam willen spreken. Op de zeventiende kon nog geen antwoord binnen zijn, maar Masaryk las die dag in The Times een artikel van Seton-Watson over het Zuid-Slavische patriottisme. Hij heeft daarop Seton-Watson eveneens een verzoek gestuurd om over te komen. Ook zij waren geen onbekenden meer voor elkaar. Zeven jaar eerder was er een eerste vluchtige ontmoeting tussen de jonge Schot en Masaryk in de Weense Reichstag geweest. Vanaf 1910 was er een groeiende waardering van Seton-Watson voor Masaryk, vooral na diens anti-Oostenrijkse stellingname in de Zuid-Slavische kwestie. Masaryk schreef in zijn brief aan Seton-Watson dat hij van plan was op maandag de 21ste naar Amsterdam te reizen (Hotel Royal) en dat hij op de 23ste , de dag van Esperanza’s vertrek naar Amerika, naar Praag zou terugkeren. Hij vroeg dringend om een telegrafisch antwoord van Steed of van Seton-Watson. Mocht dit niet lukken, dan moest Seton-Watson een Engelse correspondent in Nederland verzoeken een telegram naar Praag te sturen met de tekst „Waldemar nur verletzt”, voor Masaryk een teken om nogmaals naar Rotterdam te komen. Op het postkantoor van Rotterdam, toen nog aan het Beursplein gelegen, had hij inmiddels een poste restante-bus geopend onder de naam A.R.Mill. Masaryk was bedacht op verraad. Zo schreef hij Seton-Watson in dezelfde brief dat hij het niet waagde om in Den Haag (geallieerde) ambassades te bezoeken uit vrees dat een Oostenrijkse spion hem in de gaten zou krijgen. Masaryks brief kwam met grote vertraging bij Seton-Watson aan. De Engelse censor had hem geopend en 4 dagen achtergehouden.14)

Afgaande op zijn memoires heeft Masaryk zijn uitstapje naar Amsterdam geschrapt en is hij in Rotterdam blijven wachten op een reactie uit Londen.2) Toen antwoord uitbleef zou Masaryk op de 26ste september, drie dagen na Esperanza’s vertrek, onverrichterzake op terugreis naar Praag zijn gegaan. (Seton-Watson houdt het overigens bij de 23ste als vertrekdatum.). Aan het einde van zijn brief aan Seton-Watson sprak Masaryk het vermoeden uit binnen 2 à 3 weken in Rotterdam terug te zijn.

Terug in Praag bespeurde Masaryk een grotere onvrede onder de Tsjechische

bevolking. Dat hun jongemannen in het Oostenrijkse leger moesten optrekken tegen de Russische en Servische broedervolkeren was moeilijk te accepteren. Er ontstond lijdzaam verzet. (Wie kent niet de beroemde soldaat Švejk?) Vele soldaten zijn aan het front overgelopen naar de ‘vijand’. De Oostenrijks-Hongaarse legerleiding beantwoordde dit met gruwelijke represailles. Masaryk vond een brief op zijn bureau van graaf Thun, de Oostenrijkse ‘Statthalter’ voor Bohemen. Deze dreigde zijn blad Čas met een definitief verbod. Te vaak moesten edities wegens voor Oostenrijk ontoelaatbare artikelen geconfisqueerd worden. De professor ging direct bij Thun op audiëntie en vertelde hem onverbloemd wat er mis was met de Oostenrijkse benadering van de Tsjechen. Masaryks stijl en argumentatie maakten indruk op de graaf, die zelf uit Bohemen afkomstig was en wel enig begrip voor de Tsjechische grieven kon opbrengen. Čas was in ieder geval voorlopig gered.

Alvorens voor de tweede maal naar Rotterdam te reizen, overlegde Masaryk met

representanten van een aantal politieke groeperingen van Tsjechisch-nationalistische signatuur.2) Hij heeft geluisterd naar hun ideeën over een toekomstig Bohemen, die varieerden van vergaande autonomie tot volledige zelfstandigheid, en wist zich door hen gesterkt voor zijn tweede reis naar de Maasstad, hoewel een mandaat voor onderhandelen hem niet expliciet gegeven werd. Door de algehele onvrede en de steeds sterkere repressie ontstond er langzaamaan een voedingsbodem voor een georganiseerd Tsjechisch verzet. De organi­satie, die begin 1915 vaste vorm aannam, kreeg later de ironische bij­naam ‘Tsje­chi­sche Maffia’.15)

 

HET CONTACT „ACHTER DE GRENZEN”

De eerste maanden van de oorlog werd Masaryk nog weinig in de weg gelegd. Hijkreeg zelfs een visum voor een tweede bezoek aan Nederland. Hij maakte een omweg via Berlijn, waar hij met enkele sociaal-democratische politici en journalisten over de Duitse oorlogskredieten gesproken heeft. Op 14 oktober betrok hij weer een kamer in het Rotterdamse hotel Weimar.16) Het was kamer 106 op de eerste etage met uitzicht op de Oude haven en het Witte Huis­.17) De Haagse correspondent van The Times stuurde Steed een verzoek om eveneens naar Rotterdam te komen, of een vervanger te sturen. Het was echter voor de buitenlandredacteur in deze dramatische tijd onmogelijk zijn post voor enkele dagen te verlaten. Daarom maakte in zijn plaats Seton-Wat­son de overstee­k naar Nederland. Deze had al naam gemaakt als Oost-Europaspecialist. Bij aankomst verwonderde hij zich erover dat in deze oorlogstijd er in het neutrale Nederland nauwelijks enige controle op inreizende buitenlanders was. Seton-Watson heeft zelfs zijn paspoort niet hoeven laten zien. Hij nam net als Masaryk zijn intrek in hotel Weimar, in een naburige kamer. De ontmoeting tussen de twee vond zo onop­vallend mogelijk plaats. Overdag hebben de heren in hun kamers in het diepste geheim overleg ge­voerd.14)18) ’s Avonds na het invallen van de duisternis begaven zij zich op straat en wandelden naar Seton-Watsons zeggen al discussiërend mijlen ver over de Rotterdamse kaden. De Tsjech heeft de Engelsman zijn ideeën voorge­legd: Zouden de strijdende partijen tot bezinning komen en een wapenstilstand sluiten, dan zat er voor Bohemen niet meer in dan autonomie in een gefederaliseerde Habsburgse staat. Echter lord Kitchener, de Engelse defensieminister, zag een lange, minstens 3 jaar durende, oorlog voor zich. In dat geval zouden de centrale machten, Duitsland en Oostenrijk-Hongarije, verslagen kunnen worden. De uit zoveel entiteiten bestaande dubbelmonarchie zou dan definitief uiteenvallen. Masaryk schetste voor Seton-Watson vrij nauwkeurig de contouren van de Tsjechische (later Tsjechoslowaakse) staat die hem daarbij voor ogen stond: Bohemen, Moravië, Silezië, het Slowaakse deel van Hongarije en ook nog het oostelijker gelegen Roethenië om een gemeenschappelijke grens met het bevriende Rusland te verkrijgen. Vier jaar later bleek dat Masaryk daar in het Rotterdamse hotel Weimar profetische uitspraken gedaan had.

Gezien de eerste oorlogssuccessen van de Russen leefden de Tsjechen met het idee dat de tsaar op een gegeven moment Praag zou binnen trekken. In het gesprek tussen de twee in ‘Weimar’ kwam het probleem van het staatshoofd aan de orde. Ook de meest verlichte geesten dachten toen nog dat aan het hoofd van koninkrijk Bohemen zoals gebruikelijk weer een koning zou moeten staan. Masaryk vond, om de grote Duitse minderheid in Bohemen te ontzien en om niet te sterk gebonden te worden aan het autocratische Rusland, dat niet een Russische prins de Boheemse kroon moest dragen, maar het liefst een Deen of een Belg. Nederland had toen alleen maar een prinsesje van 5 voor handen: Juliana. Hadden we een prins gehad dan zou hij zeker een serieuze kandidaat geweest zijn. Tenslotte hadden de Staten-Generaal in 1621 de laatste, onafhankelijke Boheemse koning (Frederik V van de Palts, de Winterkoning) na de catastrofe op de Witte Berg genereus asiel verleend. De revoluties in Rusland en Duitsland en het vigerende systeem in Amerika hebben de Tsjechen in de loop van de oorlog van hun monarchale ideeën afgebracht.

Seton-Watson heeft tijdens die twee dagen uitgebreide notities gemaakt en hierover een vele bladzijden beslaand memoran­dum opge­steld, waarvan vier kopieën vervaardigd werden Eén behield hij zelf, de tweede gaf hij aan Steed voor de Franse minister van Buitenlandse Zaken Delcassé, de derde was bestemd voor George Clerk 19) op het BritseForeign Office en de laatste voor professor Vinogradovin Oxford, een vriend van Masaryk, die bij een bezoek aan Sint-Petersburg het doorgaf aan de Russische minister van Buitenlandse Zaken Sazonov. De drie belangrijkste landen van de Entente kregen gelijktijdig de informatie over Masaryks ideeën, overigens zonder vermelding van de naam van de auteur, en zo kwamen deze de Tsjechische, deloyale opstelling tegenover Oostenrijk-Hongarije te weten en de stemming die in Bohemen heerste.

Voor contacten in Frankrijk had Masaryk de 65-jarige ‘Bohemist’ Ernest Denis,professor aan de Sorbonne, op het oog. Ook deze expert in Boheemse zaken kreeg vanuit Rotterdam een brief van de Tsjech, waarin Masaryk schreef een reis naar Frankrijk te overwegen, dus een reis naar de ‘vijand’. Vermoedelijk heeft Masaryk deze brief nog tijdens zijn eerste bezoek aan Rotterdam gepost. Het telegrafisch antwoord van Denis heeft hij nooit ontvangen. Masaryk ondernam een tweede poging via Seton-Watson. Deze heeft Masaryks brief samen met een eigen aan Denis gerichte brief in Londen gepost. Ook nu kon Denis’ antwoord Masaryk niet meer tijdig in Nederland bereiken. Het was volslagen onmogelijk post met een politieke lading vanuit Frankrijk naar Praag te verzenden Pas in april 1915 kreeg Masaryk het in handen.

Masaryk schreef in zijn memoires dat hij bij zijn tweede verblijf in Nederland de indruk had dat hij in de gaten gehou­den werd. Misschien wekten de buitenlandse reizen van de professor, die officieel nog steeds afgevaardigde was in de Oostenrijk­se Reichsrat, enige achterdocht. Door de zorg waar­mee hij te werk ging, was het uitgesloten dat er in Duitsland en Oostenrijk iets concreets bekend was over zijn activi­tei­ten. Hadden de Oostenrijkers het geweten dan had dat vol­gens hem de ‘galg’ bete­kend, want op 18 september was voor alle afgevaardigden de parlementaire onschendbaarheid opgeheven.

Het beraad met Seton-Watson, dat soms tot in de nacht voortduurde, had veel van Masaryks krachten gevergd. Na het vertrek van de Engelsman werd hij door koorts geveld. Het duurde een kleine week alvorens Masaryk in staat was ‘Weimar’ te verlaten. Hij bezocht Den Haag, Amsterdam en Naarden. Masaryk ontving in Nederland een eerste geldbedrag voor de ‘Maffia’. De schenking kwam van een oude vriend, de Amerikaanse zakenman Charles Crane. 1) Het was de eerste materiële steun voor zijn onderneming, die hij zelf betitelde als „Kšaft Kom­enského” (De erfenis van Come­nius).2)

 

NUTTIGE EN GEMISTE CONTACTEN

Een Rus, Kasteljanski genaamd, heeft Masaryk ook in Rotterdam te spre­ken kunnen krijgen. Abraham Isaäc Kastelj­anski was afkomstig uit Sint-Petersburg en namens de Jewish Coloni­sation Association werkzaam bij de URANIUM Steamship Company.20) Dit was de Engelse rederij die Russisch-Joodse emigran­ten tegen een zeer laag tarief naar Amerika vervoerde. De direc­teur, de Engelse kapitein Richard Bolton Tinsley, heeft eveneens Masaryk ontmoet. Kasteljanski en Tinsley, beiden zouden zij zich zeer verdienstelijk maken voor de ‘Tsjechische Maffia’. 15)

Begin augustus was een tweetal Tsjechen in Rotterdam terechtgekomen, de schilder Emil Filla en zijn vrouw Hana. Zij verbleven in een pover onderkomen tussen de zeemanskroegen en bordelen aan de Schiedamsche Dijk.15) Het opmerkelijke is dat Hana Fil­lová ­professor Masaryk zeer goed gekend moet hebben. Haar vader, professor Krejčí, was collega en partijgenoot („De Realisten”) van de toen al bekende hoogleraar en poli­ti­cus. Bovendien was Hana bevriend met Masaryks jongste doch­ter Olga. De jongedames waren klas­genoten op het vermaarde meisjes­gymna­sium Minerva in Praag. Hadden Hana en Masaryk elkaar getroffen, wat zeer wel moge­lijk was op zo’n korte af­stand, dan had de ontmoeting ergens in de stad op straat hebben moeten plaatsvinden, want Hana had niet de middelen om dure gelegenheden, zoals het chique „Wei­mar”, te bezoeken en in Masa­ryks hoofd kwam het waarschijnlijk niet op om de Schie­damsche Dijk op te gaan. Masaryk vermeed elke rucht­baar­heid rond zijn reizen en zodoende wisten ze beiden niet van elkaars nabije aanwe­zigheid.

Enkele maanden later zou Masaryk, samen met zijn dochter Olga, in ballingschap gaan. Tot april 1917 verbleef hij in Londen. Daarna ging hij op reis naar Rusland o.a. om de Tsjechische legionairs een hart onder de riem te steken. Via Amerika keerde hij pas op 29 november 1918 terug in Londen. Kasteljanski, die al enige jaren daarvoor vanuit Rotterdam naar de Engelse hoofdstad verhuisd was, las het in de krant en schreef Masaryk de volgende dag een brief, waarin de volgende passage:”….There is still vivid in my memory that autumnday in 1914, when I quite unexpectedly met you in a Rotterdam hotel, full of German spies, and I feel I have had the privilege to witness the last moments of the labouring of the Czech nation….. „21) Op 21 december 1918 keerde Masaryk terug naar Praag, verwelkomd door een grote menigte als de ‘Presi­dent-Bevrijder’.22)

Na afloop van de Eerste Wereldoorlog drong het tot de directie van hotel Weimar door welke belangrijke gast in okto­ber 1914 in het hotel had verbleven. In kamer 106, waar prof.T.G­.M­asaryk gelogeerd en geconfe­reerd had, werd een portret van de eerste Tsjechoslowaakse president opgehangen.12) Het vertrek werd sinds­dien de Tomas Masaryk­kamer genoemd. Of het por­tret in kamer 106 is blijven hangen, toen laat in de jaren dertig Duitse vertegenwoordi­gers van het nazibe­wind hotel Weimar fre­quenteer­den en het Verdrag van München Masaryks levenswerk al had vernield, vermeldt de geschiede­nis niet.23) Tijdens het bombardement van 14 mei 1940 is het hotel ver­woest. Het gas­tenboek, dat diverse beroemde namen bevatte, is nooit terugge­vonden.

 

Noten

1) Jan Herben: T.G. Masaryk (5de druk, Praag,1946)

2) T.G. Masaryk: Světová revoluce. (De wereldrevolutie.) (Praag,1925)

3) Zie ook De Grote Oorlog, Kroniek 1914 - 1918, Deel 1 (Aspekt, Soesterberg, 2002):

Drs. Kees de Haas: Het stoomschip Noordam liep tweemaal op een mijn maar overleefde de strijd.

4) A.D. Wentholt: Brug over den oceaan. (Rotterdam/Den Haag, 1973)

5) Archief van het Museum voor Communicatie te Den Haag.

In de „Dienstorders betreffende den Post- en Telegraafdienst” staat onder het hoofd Mededelingen van augustus 1914 te lezen dat er per land beper­kende maatregelen zijn ingevoerd. Naar Duitsland mocht alleen in het Duits geschreven worden. Geheimschrift was bij vele landen taboe.

6) Archief Spoorwegmuseum te Utrecht.

7) De Nieuw Amsterdam was ingericht voor

440 eersteklas-, 246 tweedeklas- en 2200 derdeklaspassagiers.

(G.J. de Boer: 125 jaar Holland Amerika Lijn.) (Alkmaar,1998)

Voor de overtocht, vertrekdatum 12 september 1914, waren

751 eerste­klas-, 675 tweedeklas- en 364 derdeklasboekingen. (GAR Passagierslijsten HAL.)

8) Karel Čapek: Hovory s T.G.Masarykem. (Gesprekken met Masaryk.) (Praag, 1936)

9) GAR (Gemeente Archief Rotterdam) Passagierslijsten HAL.

10) De Noordam was ingericht voor

286 eersteklas-, 192 tweedeklas- en 1800 derdeklaspassagiers.

(G.J. de Boer: 125 jaar Holland Amerika Lijn.)

Voor de overtocht, vertrekdatum 23 september 1914, waren

458 eersteklas-, 467 tweedeklas- en 547 derdeklasboekingen. (GAR Passagierslijsten HAL.)

11) Evelyn de Roodt: Oorlogsgasten (Europese bibliotheek, Zaltbommel, 2000). Blz’n 150 t/m 153.

12) W. Bruis en D. van Hooff: Grands hotels van de Benelux. (Amsterdam,1991)

13) Archiv Národního muzea (Archief van het Nationaal Museum, Praag)

14) R.W. Seton-Watson heeft zijn ontmoetingen en correspondentie met Masaryk beschreven in zijn boek ‘Masaryk in England’ (Cambridge, At the university press 1943). Zijn zoons Hugh and Christopher Seton-Watson hebben dit in de uitgebreide biografie over hun vader ‘The Making of a New Europe’ (Londen, Methuen 1981) eveneens gememoreerd.

15) Zie ook De Grote Oorlog, Kroniek 1914 - 1918, Deel 2 (Aspekt, Soesterberg, 2002):

Gert Andeweg: De Wacht van de ‘Tsjechische Maffia’ in Holland. Blz’n 16 t/m 21.

16) Cestami odboje. (Langs de wegen van het verzet.) Opstellen over het Tsjechische verzet tijdens de

Eerste Wereldoorlog. (Praag,1926)

17) M.M.S. Feringa en H.A. Voet: De stadsdriehoek, deel 4. (GAR,1994)

18) A. Žípek: Válka národů (De oorlog van de volkeren) Deel 1 (Praag,1921)

19) Sir George Russell Clerk was werkzaam op het Engelse Ministerie van Buitenlandse Zaken. Hij werd later de eerste Engelse ambassadeur in de nieuwe staat Tsjechoslowakije.

20) GAR Politie-archief. (Vreemdelingenregister.)

21) Archiv Vojenského historického ústavu v Praze (Het archief van het Militair historisch instituut in Praag)

22) Z. Zeman: The Masaryks (Londen, 1976)

23) J.G. Kikkert: Artikel „Barretje Weimar” in de Groene Amsterdammer van 4-3-1998.

overzicht: