Those Victorious last hundred days!

De positie van de geallieerden aan het eind van de Eerste Wereldoorlog

Door: J.H.J. Andriessen

Uit de literatuur over de laatste maanden van 1918 en met name uit de Britse literatuur, kan men niet anders dan de indruk krijgen dat die laatste „victorious hundred days” een opeenstapeling van eclatante overwinningen vormden waarbij de geallieerde legers de „Duitse horden” voor zich uitdreven tot aan en voorbij de Duitse grens.

De vraag is echter gerechtvaardigd; was dat nu wel zo?

Allereerst valt op dat de geallieerden niet op de hoogte bleken te zijn van de zeer slechte omstandigheden waarin het Duitse leger verkeerde en erger nog, van de situatie in Duitsland zelf.

Lloyd George , de Britse minister-president, schreef hierover in zijn memoires: 

„It is evident that we had no clear realisation in May of the extent to which the tremendous battles of March and April had crippled the Germans and incapacitated them from organising any further offensives on a scale which even approximated to the magnitude of their attack in the spring. Whilst they were unable to patch up the rents torn in the ranks of their armies, we were under the impression that by withdrawing fresh divisions from Russia they were increasing their strength week by week, and that they would shortly be in a position to launch a greater attack than ever upon the Allied Front. French and English Staffs might differ as to whether the attack would be on the British or French lines, but they were in agreements to the immensity of its scale. Haig reported that he anticipated an attack by about 80 divisions. Foch did not agree about the locality of the offensive. Sir Henry Wilson reported ten days later that: „by the second week in June, the Germans would have reached their maximum available force, and might attack with at least 100 divisions which would be a larger force than that took part in the offensive of 21st March”. *1

Deze vrees maakte de geallieerden onzeker, temeer, daar men zelf diep in de problemen zat.

Ook zij  waren aan het absolute eind van hun krachten gekomen en voorlopig niet meer tot enig groot offensief in staat.

Dit verontrustte de bevelhebber der Britse troepen in Frankrijk, Sir Douglas Haig, in hoge mate.

Hij was bevreesd dat Duitsland uiteindelijk toch nog de overhand zou krijgen en van de situatie gebruik zou maken om zijn positie te versterken. De nood aan geallieerde zijde was zo hoog, dat Haig zijn regering adviseerde om Duitsland gunstige vredesvoorwaarden aan te bieden om zo een dreigende nederlaag te voorkomen.*2 

Waar was die vrees op gegrond?

Het door Lloyd George geciteerde rapport van Field Marshal Wilson, Chief of the Imperial Defence Staff aan het War Cabinet, werd ondersteund door de uitslag van de gevechten bij de Chemin des Dames, begin juni, waarbij de Duitsers 50 km diep in de vijandelijke linies doordrongen, 2000 machinegeweren, 650 stukken geschut en enorme hoeveelheden munitie buit maakten en 55.000 man krijgsgevangen maakten. (het Duitse leger was toen in werkelijkheid al zeer verzwakt en leed reeds aan alle eerder gemelde gebreken).

Op 8 oktober, tijdens een bijeenkomst te Versailles behandelde men de nota van Generaal Foch waarin deze de voorlopige militaire condities voor een wapenstilstand met de Duitsers had vastgelegd. Deze werden veel te zwaar bevonden. De Brit Bonar Law was van mening dat de eisen overeenkwamen met het vragen om absolute capitulatie en ook de Italiaanse afgevaardigde, baron Sonnini, vond dat Foch zijn hand overvroeg en dat de eisen absoluut niet overeen kwamen met de werkelijke militaire situatie aan het front.*3.

Op 17 oktober 1918, nog slechts drie weken vóór het einde en op de dag waarop ook een soortgelijke bespreking tussen Ludendorff en de regering te Berlijn plaatsvond, lanceerden de Britten een lokale aanval waarover Haig rapporteerde dat het hem daarbij was opgevallen dat de Duitsers nog over zeer zware gevechtskracht beschikten  en nog lang niet aan opgeven dachten. Hij voegde daar aan toe dat de oorlog z.i nog wel 1 á 2 jaar zou kunnen voortduren, vooral, als de vijand zich achter z’n eigen grenzen zou terugtrekken (hetgeen men inderdaad van plan was) en de Duitse bevolking de legerleiding zou blijven steunen. (hetgeen achteraf niet het geval bleek te zijn).

Dit pessimisme van Haig was opvallend omdat de geallieerden toch duidelijk het initiatief  hadden genomen en dagelijks flinke vooruitgang boekten. Eind september hadden ze zelfs de altijd onneembaar geachte Hindenburglinie doorbroken waardoor de Duitsers toch tot een algehele terugtocht gedwongen werden. 

Vanwaar dan toch dit pessimisme?

Haig’s twijfel aan de mogelijkheid de strijd nog voort te kunnen zetten moet gezocht worden in het feit dat de geallieerde verliezen in de maand oktober wederom zo enorm waren  dat gevreesd werd dat vervanging hiervan  niet meer mogelijk was. Reeds tijdens het Duitse maartoffensief was het aanvullen van de enorme verliezen aan manschappen en materieel al een probleem geworden.

Lloyd George schreef hierover:

„The course of the fighting in the March offensive made it clear that our losses could not be made good by reinforcements. So, in April, certain regiments of mounted rifles were broken up and in May, two divisions were placed at the disposal of the Army Group to be broken up and distributed between the other divisions. In spite of this, we were unable in April and May  to fill up the gaps and to maintain our attacking divisions  at full strength. The average field strength of the battalions, which at the end of February still amounted to 807 men, had sunk by the end of May to 692 men.”*4.

Evenals bij de Duitsers.moesten ook de Britten hun bataljons noodgedwongen al terugbrengen van 12 naar 9 per divisie maar de tekorten bleven toenemen.*5 De reserves die nog kwamen bestonden voor 50%  uit schoolknapen van amper 18 jaar oud. Johnson citeerde daarover in zijn boek „The Unexpected Victory” : 

„It is a thousand pities that they should have been sent from England at all. Owing to age and physique some of these immature boys were quite incapable of carrying the weight and doing the work required of an infantry soldier in the line; their presence in he ranks rendered them a danger to their units. To use them at the time was only a waste of those who might later on, with proper training and physical development, have become valuable reinforcements for the army” *6

Hij beschreef in feite soortgelijke toestanden zoals die al geruime tijd ook in het Duitse leger voorkwamen.

Alleen al in de maand oktober  verloren de Britten ruim 120.000 man en gedurende de periode tussen 1 juli en 11 november, de dag van de wapenstilstand, waren die verliezen in totaal ruim 430.000 man terwijl de Fransen toen reeds 531.000 en de Amerikanen ruim 200.000 man hadden verloren.*7

Alles tezamen was dat meer dan 1,1 miljoen man!

Het waren deze gigantische verliezen welke voor Haig en de zijnen de oorzaak  vormden voor hun toenemend pessimisme. Het verklaart tevens waarom men vreesde dat de Duitsers er toch nog in zouden kunnen slagen  de strijd tot de winter voort te zetten.

Die verliezen waren het gevolg van de militaire strategie van de geallieerden die er van uitgingen dat ze uiteindelijk de overhand zouden behalen, simpel door de macht van het getal. Ze gingen er van uit dat ze altijd meer Duitsers zouden kunnen doden dan omgekeerd en op die gedachten baseerden ze hun aanvalstactiek waarbij het doel de middelen heiligde en het aantal gesneuvelden er minder toe deed. De Duitsers waren gedurende de gehele oorlog steeds veel zuiniger met hun mankracht omgesprongen en de feiten tonen aan dat zij daarmede veel succesvoller waren dan hun opponenten.  

De historicus Niall Ferguson gaf in zijn boek „The Pity of War” hiervan een aantal treffende voorbeelden. Hij schreef sprekende over de slag aan de Somme dat de realiteit was dat de Somme wederom een aderlating voor de geallieerden betekende. De Britten verloren 419654 man en de Fransen 204253, samen 623917. De officiële Duitse verliescijfers bedroegen 450.000 man.*8 De Amerikaanse historicus John Mosier noemt voor de Duitse verliezen in zijn boek „The Myth of the Great War” echter een getal van 257.159 waarbij hij zich baseert op de officiële opgave van het Reichsarchiv. Dit was echter niet alleen bij de slag aan de Somme het geval. Fergusson schreef dat de grote paradox van de Eerste Wereldoorlog was,  dat ondanks dat de economische situatie voor Duitsland fnuikend was geworden, de Centralen veel succesvoller waren in het vernietigen van de vijand dan de geallieerden.*9 De geallieerden verloren  ongeveer 5,4 miljoen man gedurende de strijd, de Centralen ongeveer 4 miljoen. Nog opvallender was dat de Centralen er in slaagden ongeveer 38% meer geallieerde soldaten krijgsgevangenen te maken dan omgekeerd en ook het aantal gewonden was bij de geallieerden veel hoger (ca 3 miljoen) dan aan de kant van de Centralen. Aangenomen wordt dat de Duitsers in totaal ongeveer 20% minder verliezen aan doden, gewonden en vermisten leden dan de geallieerden en hun manschappen veel effectiever inzetten. Van augustus 1914 tot juni 1918 was er niet een maand waarin de Duitsers de geallieerden niet meer verliezen toebrachten dan omgekeerd en de maanden augustus, september en oktober 1918 maakte daarop geen uitzondering.*10. Fergusson besloot dan met:

„In short, the Germans archieved and maintained a higher level of military effectiveness in the crucial theatre for most of the war. This makes the possiblility that they might have won  the war, despite the economic odds against them, seem a good deal less fantastic”.*11.

Een en ander maakt wel duidelijk waarom de Britse regering en de Britse generaals zich grote zorgen maakten en vooralsnog niet in een snelle afloop van de oorlog geloofden. Het maakt ook het enorme belang van de Amerikaanse deelname aan de oorlog duidelijk. Zonder de toevoer van Amerikaanse troepen zouden de geallieerden de oorlog, ook getalsmatig, niet meer hebben kunnen volhouden. De cijfers tonen dit glashelder aan. Het maakt ook de Duitse beslissing om de onbeperkte onderzeebootoorlog weer in gang te zetten alsmede de latere beslissing om nog een maal alles op alles te zetten en het maartoffensief te starten, begrijpelijker en niet zo stupide als sommige historici wel hebben beweerd. 

Alhoewel Lloyd George het in zijn memoires later wel deed voorkomen alsof hij zich door het pessimisme van de militaire top  niet van de wijs had laten brengen, was zijn bittere opmerking dat hij soms wenste dat het niet nodig zou zijn om zoveel „glorievolle” ovewinningen te behalen gezien het grote aanal doden en gewonden dat men daarbij moest incasseren.*12 Hij vroeg zich voorts af hoelang  de Britse en Franse volkeren een voortzetting van de gevechten in 1919 nog wel zouden toestaan?

DE VERGADERING VAN 19 OKTOBER 1918

Op 19 oktober 1918, twee dagen nadat Ludendorff zijn bespreking met de Duitse regering te Berlijn hield, vond er een soortgelijk onderhoud te Londen plaats.

Lloyd George had Haig ontboden om tijdens een zitting van het Imperial War Cabinet de militaire situatie uiteen te zetten.

Bij deze vergadering werd gesproken over de eisen welke men aan de Duitsers zou kunnen stellen tijdens een te houden wapenstilstandsbespreking waar Duitsland op 4 oktober, via de Amerikaanse president Wilson, om had gevraagd..

Ook de notulen van deze bijeenkomst zijn bewaard gebleven en daaruit bleek duidelijk hoe somber de Britten hun eigen situatie inschatten, nog geen drie weken voor het einde van de vijandelijkheden.

Haig stelde daar toen twee vragen:

  1. Is Duitsland op het slagveld dusdanig verslagen dat het zware wapenstilstandseisen zal accepteren?
  2. Kunnen de geallieerden  de Duitsers de komende maanden zo snel verdrijven en achtervolgen dat ze geen gelegenheid krijgen om over te gaan tot massale vernietiging van de voor ons noodzakelijke communicatielijnen zoals spoorlijnen, bruggen en wegen?            

Haig antwoordde op beide vragen ontkennend.

„Het Duitse leger is nog niet gebroken en nog in staat terug te trekken achter de eigen grenzen om daar linies te bezetten, sterk genoeg om gelijke, ja zelfs sterkere strijdkrachten tegen te houden.

De lengte van hun linie , welke momenteel ca 400 mijl bedraagt, zal dan verkort worden tot slechts 235 mijl terwijl onze eigen aanvoerlijnen zeer lang worden.*13.

„De Fransen”. Zo ging hij verder „zijn geheel uitgeput en mijn inlichtingendienst meldt dat ze niet meer bereid zijn hun leven in de waagschaal te stellen. De laatste zes weken hebben ze nog nauwelijks enige aanval van betekenis gelanceerd. Reeds in juli waren het voornamelijk de Britten en Amerikanen welke de Fransen voorgingen in de strijd bij de Marne.”

„De Amerikanen zijn echter gedesorganiseerd, slecht uitgerust en onervaren. Het zal op z’n minst nog een vol jaar duren alvorens daar sprake zal zijn van een bruikbare strijdmacht.” (Deze stelling van Haig komt overeen met de mening die Ludendorff twee dagen eerder te Berlijn over de Amerikanen ten beste gaf toen hij zei dat de Duitse soldaat zich superieur achtte aan de Amerikanen  en dat die dan ook nog geen probleem vormden, zelfs niet, als de Duitsers in de minderheid waren).

„De Britten” concludeerde Haig,”hebben hard gevochten, het is een echt veteranenleger. Maar de infanterie heeft al een tekort van 50.000 man.

Als de infanterie weer op peil kan worden gebracht en het leger krijgt gedurende de wintermaanden rust, dan kan gesproken worden van de meest formidabele strijdmacht ter wereld. Aan de andere kant is er momenteel sprake van een dalend moreel  omdat de oorlogvoering de laatste tijd praktisch uitsluitend op Britse schouders rust”. Haig merkte hierbij bitter op dat de goede naam van het Franse leger voornamelijk stoelde op overtrokken krantenartikelen en niet op de werkelijkheid!” *14

De Britse soldaat raakte vermoeid en kwam aan het eind van z’n krachten. Ook Gr.Brittannie kon op het laatst niet meer over voldoende reserves beschikken om de enorme verliezen aan te vullen en bij het begin van de grote offensieven schijnt Lloyd George geweigerd te hebben reserves te zenden omdat hij bevreesd zou zijn geweest dat te grote verliezen hem de politieke kop zou kosten.*15

„Als de Franse en Amerikaanse legers”, zo ging Haig verder „in staat zouden zijn om in November een serieus offensief te openen, dan zouden de Duitsers mogelijk overrompeld kunnen worden voordat ze zich kunnen terugtrekken achter de Antwerpen-Maaslinie.

Helaas zijn onze bondgenoten tot zulk een offensief niet in staat”, waarmede hij het plan van Foch om in november een nieuw offensief te beginnen, naar de prullenbak verwees als niet realistisch. „Wij dienen met deze feiten rekening te houden, net als met het feit dat het Britse leger alléén,  niet voldoende is uitgerust noch voldoende sterk is, om zelfstandig de strijd te beslechten. Dit betekent dat de geallieerden niet in de positie verkeren om de vijand te verhinderen  op grote schaal over te gaan tot vernietiging van alle communicatielijnen in „nomansland”, zoals de spoorlijnen, het wegennet, bruggen, tunnels etc.etc, tijdens zijn terugtocht naar nieuwe linies.

Zodra de geallieerden dan ook weer in staat zullen zijn hun opmars voor te zetten, zal deze zeer gehinderd worden  en derhalve uitermate langzaam verlopen. Tegelijkertijd krijgt de vijand gedurende de komende wintermaanden de gelegenheid  tot herstel en aanvulling met de 1901 klasse welke ze tot op heden nog niet hebben opgeroepen.

Derhalve moet ik concluderen dat de vijand in staat moet worden geacht haar linies te verdedigen tot enige tijd na de hervatting van onze opmars in 1919.

De geallieerden zullen misschien wel in staat zijn  de Duitsers te verslaan” maar hij vroeg zich af of dat, met de vrede in zicht, (hij doelde daarmede waarschijnlijk op de op handen zijnde wapenstilstands- besprekingen) wel zinvol zou zijn omdat dit ongetwijfeld ten koste zou gaan van nieuwe en enorme verliezen.*16

Haig waarschuwde de regering om niet in te gaan op de Franse wapenstilstandseisen omdat hij die veel te zwaar achtte en hij legde er de nadruk op dat de Britse soldaat oorlogsmoe was  en zich wel eens zou kunnen gaan verzetten tegen een voortzetting van de strijd vooral als dat voornamelijk tbv Franse belangen zou zijn.. „We zitten hier niet om het Franse oud zeer te helpen oplossen, dat doen ze dan maar zelf!” was zijn conclusie. Hij zal niet vermoed hebben dat zijn voorspelling slechts een aantal weken later zou uitkomen toen ook in het Britse leger forse muiterijen uitbraken  en o.a de stad Calais enkele dagen door muitende Britse soldaten bezet zou worden gehouden,  muiterijen die slechts met geweld van de wapenen konden worden beëindigd.  

Het „War Cabinet” was diep onder de indruk en Lloyd George schreef als zijn conclusie: 

„The British Government had been following the developments of the situation with the closest attention. They were anxious not to prolong the slaughter one hour beyond  the moment when victory  was so assured that the Germans could not, by a short period of rest, put a complete triumph in jeopardy. If a few more weeks  would place the Allies in that  position then a premature armistice  would be a blunder. On the other hand, if the German Army were still capable  of holding on behind the Rhine until the winter came and the condition of the roads  made a further advance  impracticable , then we should have to face  the prospect of a renewal of the campaign in 1919.  With the Germans driven out or France  and Belgium I was more than doubtful  whether public opinion in Britain of in France would face the sacrifices  of another campaign merely to force Germany to disgorge her Eastern conquests. Our decisions as to the terms of the armistice therefore depended on the military prospects. *17

Feitelijk gaf Lloyd George met deze mening reeds aan dat Ludendorff’s idee dat de geallieerde situatie zodanig was dat een terugtrekken achter de Antwerpen-Maaslinie niet verhinderd zou kunnen worden, wel degelijk realistisch was en niet zo onhaalbaar en naïef als later wel werd beweerd.

Dat werd in militaire zin nog eens bevestigd en wel door de Z.Afrikaanse generaal Smuts die zich, slechts twee weken voor het einde van de oorlog, tot Loyd George wendde met een tweetal brieven  (22 en 23 oktober) waarin hij waarschuwde dat de Britse regering er zeer onverstandig aan zou doen aan te nemen dat Duitsland zware capitulatie-eisen zou accepteren. Zware eisen, zo stelde Smuts, werden zeker niet door de militaire  positie van beide partijen gerechtvaardigd!”. Hij stelde dan ook voor om niet over een wapenstilstand te gaan onderhandelen maar direct over het sluiten van vrede, op basis van het inmiddels door de Amerikaanse president Wilson ingediende  „Veertien punten plan” dat een „Peace without Victory” voorstelde. 

Zoals gezegd,  de geallieerden waren dus niet optimistisch over hun kansen en dat waren ze eigenlijk in geheel 1918 al niet geweest.

Pershing, de bevelhebber van de Amerikaanse strijdkrachten in Frankrijk, beschreef in zijn memoires hoe serieus de militaire situatie na het Duitse maartoffensief voor de geallieerden was geworden.

Op 20 maart 1918 had hij een gesprek met maarschalk Foch die hem mededeelde dat Frankrijk spoedig zo’n 25 divisies zou moeten halveren.*18 (Het waren dus niet alleen de Duitsers die hun divisies niet meer aangevuld konden krijgen, eerder hadden ook de Britten  het aantal bataljons reeds moeten inkrimpen! En ook de Fransen moesten daartoe nu overgaan)

Pershing verwees voorts naar de Duitse aanval op Chateau Thierry waar ze 60.000 krijgsgevangenen maakten en 2000 kanonnen veroverden en hij sprak daarbij openlijk van een” defeat of the French”.

Hij constateerde voorts bij een bezoek aan de Franse Generale Staf, dat de sfeer in mineur was en schreef:

„it would be difficult to imagine a more depressed group of officers”*19

Ook van andere zijde werd de wanhopige stemming onder de Fransen opgemerkt. De eerder genoemde Britse veldmaarschalk Wilson bezocht het front op 1 juni 1918 en nam deel aan een conferentie bij welke gelegenheid maarschalk Foch hem mededeelde dat als de Britten niet snel hun troepenmacht zouden aanvullen, de oorlog verloren zou zijn*20

In zijn dagboek noteerde hij die ochtend:

„writing now, before breakfast, I find it difficult to realize that there is a possibility, perhaps a probability, of the French Army being beaten. What would this mean? The destruction  of our Army in France? In Italy?, in Saloniki?. What of Palestine, Mesopotania, India, Siberia and the sea? What of Archangel and America?”

Het was ook  in deze periode dat de Franse regering in paniek voorbereidingen trof om Parijs te ontvluchten en Foch meldde aan Pershing van mening te zijn dat de geallieerden verslagen zouden worden tenzij Amerika onmiddellijk 4 miljoen man naar Europa zou zenden, een absurde eis die er op neer kwam, dat Amerika evenveel manschappen zou moeten sturen als er op dat moment samen aan geallieerde soldaten  al in Frankrijk waren.*21.

De paniek leidde tot een gezamenlijk telegram van Clemenceau, Lloyd George en Orlando, de Italiaanse minister president aan de Amerikaanse president Wilson, met de smeekbede  de gevraagde troepen met spoed te zenden omdat anders de oorlog verloren zou zijn.*22.

De hulp van de Amerikanen werd zo dringend geacht dat men afsprak de te zenden troepen niet eerst in Amerika te trainen maar ze direct na aankomst gereed te maken voor de strijd. Letterlijk schreef men:

„We recognize that the troops to be dispatched in July may have to include troops with insufficient training but we consider the present emergency as such, as to justify a temporary and exceptional departure by the USA from sound training principles.”*23

Pershing schreef verder op 21 juni 1918 aan het War Department, dat het moreel bij de geallieerden een absoluut dieptepunt had bereikt en dat Foch en andere geallieerde generaals, hem hadden verteld dat alleen de komst van Amerikaanse troepen het verlies van de oorlog nog zou kunnen voorkomen, let wel, het was toen juni 1918, slechts enkele maanden voor het einde van de oorlog. 

Een maand later, op 24 juli, schreef Foch een memorandum ten behoeve van een conferentie met de militaire leiders waarin hij plannen ontvouwde voor een nieuw en groot offensief maar hij voegde daar tegelijkertijd wel aan toe dat, zelfs als zijn offensief zou slagen, de oorlog toch nog zeker tot in 1919 zou voortduren.

Overigens hebben historici vaak veel te veel waarde gehecht aan deze plannen van Foch en ze gebruikt als bewijs om aan te tonen hoe vitaal de geallieerden in juli al weer waren en hoe snel ze nu korte metten met Duitsland zouden maken. Het waren echter maar plannen en niet meer dan dat en er is grote twijfel of die plannen, op dat moment, ook wel zo realistisch waren. De geallieerde commandanten Haig, Petain en Pershing reageerden in elk geval nogal sceptisch en probeerden er onderuit te komen. Haig en Petain brachten naar voren dat hun troepen eerst rust nodig hadden, Pershing bracht de onervarenheid van zijn troepen als argument om niet aan het offensief te hoeven deel te nemen

De Franse generaal René Tournés die op de conferentie aanwezig was schreef daar over: 

„Foch’s plan, by the scope and  number of the attacks contemplated, at once called forth objections from its audience. Haig and Petain plead the fatigue of their Armies: Pershing the inexperience of his. Not one of the three commanders-in-chief framed a formal refusal  however, being convinced that events would be responsible for bringing the plan of the General-in-Chief of the Allied Armies back within the bounds of their own conceptions”.

Ook generaal Petain zag weinig in de ambitieuze plannen van Foch en achtte ze in strijd met alle realiteit.*24  In zijn memoires maakte Foch alleen melding van Haig’s aarzelingen en deed het voorkomen alsof Pétain en Pershing het volledig met hem eens waren. Petain protesteerde echter wel degelijk, ook schriftelijk. Op 26 juli schreef hij dat Foch’s plan voor  een offensief te vroeg kwam en dat Frankrijk daarmede haar mogelijkheden zou overschrijden.*25

HET MEMORANDUM VAN GENERAAL WILSON

Ook de Britse veldmaarschalk Wilson zag niets in Fochs voorstellen. Twee dagen eerder had hij het Cabinet reeds gewaarschuwd niet te optimistisch te zijn.over een snelle afloop van de oorlog.*26.

Hij stelde een memorandum op genaamd: „British Military Policy 1918-1919”. Het was gebaseerd op zijn bezoek aan het front waarbij hij gesprekken had gevoerd met Haig en Petain.

Dit memorandum dat niet alleen zijn eigen, maar ook de mening van deze beide commandanten vertegenwoordigde,  was zo pessimistisch dat men na lezing niet anders dan tot de conclusie kan komen dat, in tegenstelling tot wat historici later hebben gesuggereerd, er geen sprake was van een optimistische sfeer, laat staan van een overwinningsroes in die laatste maanden voor de wapenstilstand. Wilson schilderde de militaire situatie, daarbij waarschijnlijk mede geïnspireerd door de ontzaggelijke verliezen van de laatste maanden,  in de meest sombere kleuren en veegde de vloer aan met Fochs plannen. Wilson somde vijf mogelijkheden op.

  1. Het lukt ons de vijand tot stilstand te brengen.
  2. Het Britse  leger wordt gedwongen de kanaalhavens te verlaten.
  3. De vijand  bezet Parijs, snijdt ons van onze spoorwegverbindingen af waardoor  de aanvoer van munitie wordt geblokkeerd.
  4. Het gelukt de vijand de Britse en Franse legers van elkaar te scheiden waardoor onze positie onhoudbaar zal worden of,
  5. de vijand slaagt er in de Franse linies oost van Parijs te doorbreken en hun strijdmacht te splijten.*27

Hij verklaarde dat de geallieerden in 1918 tot niet meer in staat zouden zijn dan tot het voeren van enkele kleine lokale acties en gaf aan dat hij voorzag dat de geallieerden in het gunstigste geval pas in de zomer van 1919 weer tot een offensief zouden kunnen overgaan als ze dan tenminste nog niet de nederlaag hadden geleden. Hij besloot met de woorden:

„The end of the war will leave us with a much more formidable enemy on our distant marches than we had to encounter before and it will  tax our resources to the utmost to preserve our frontiers inviolate”.*28

Wilson vroeg zich af  wanneer de strijd gestreden zou zijn waarbij hij niet uitsloot dat de oorlog nog wel tot in 1920 zou kunnen voortduren. Het was inmiddels begin augustus 1918 en nog steeds waren de hoogste geallieerde legerleiders zeer somber over hun eigen militaire situatie en duidelijk niet op de hoogte van de deplorabele toestand waarin het Duitse volk en de Duitse strijdkrachten zich in werkelijkheid bevonden.

Eind augustus zond generaal Smuts , ruim na de voor Duitsland fatale nederlaag van 8 augustus, eveneens een memorandum. De Britten hadden absoluut geen idee dat zij de vijand reeds een zware slag hadden toegebracht. Smuts schreef:  

„Mr.Balfour had stated our peace aims from the Foreign Office point of view and on the assumption of the complete defeat of the enenmy. I cannot see that the programme based on that assumption is justified by the present military situation. I do not suppose that anything will happen materially to effect that situation during the present year. I fear that the enemy, giving ground slowly in the West, will concentrate a considerable effort, mainly carried out by Turkish troops, in the East.”

Ook Smuts  vreesde, nog geen 10 weken voor het einde, dat de oorlog zeker nog wel tot in  1920 zou voortduren en voorzag voorlopig dan ook nog lang geen vrede.*29.  

Op het zelfde moment schreef Ludendorff:

„De situatie is zeer ernstig. Als de vijand doorgaat met zijn aanvallen,zullen we niet langer in staat zijn onze posities westelijk van de Somme te handhaven” en #Hindenburg noteerde: „De vijand realiseert zich kennelijk niet  dat ze een groot tactisch succes heeft behaald. Ze zette haar aanval bij de Somme niet door juist op een moment dat we daar geen troepen meer voorradig hadden om ze tegen te houden”.

Er is later wel gezegd dat het pessimisme, na de Duitse nederlaag van 8 augustus, bij de geallieerden op slag was verdwenen, dat men toen geheel anders tegen de plannen van Foch ging aankijken, dat men inzag dat de Duitse situatie eigenlijk hopeloos was geworden en dat het besef doordrong dat de overwinning nu snel binnen handbereik zou komen te liggen. Daarbij verwijst men dan ook naar de plotselinge vooruitgang aan het front, naar het doorbreken van de Hindenburglinie, naar het terugdringen van de frontlijn en het voortdurende terugtrekken van de Duitse strijdkrachten en als gevolg daarvan het groeien van het moreel bij de eigen troepen en de afname daarvan bij de Duitsers.

In deze redenering zitten zeker elementen van waarheid. Het is juist dat het moreel bij de geallieerden steeg toen men constateerde dat de Duitsers over het gehele front aan het terugtrekken waren, dat men voelde dat de overwinning tot de mogelijkheden begon te horen. Maar het was een vergissing het daarna voor te stellen alsof die overwinning reeds gerealiseerd was, het was een vergissing om te spreken van „those 100 last victorious days” en  te suggereren dat glorieuze geallieerde troepen een verslagen vijand meedogenloos voor zich uitdreven, terug- en over de eigen grenzen. De werkelijkheid was anders, de werkelijkheid was dat, alhoewel de oorlog voor Duitsland inderdaad definitief verloren was, het Duitse leger desondanks nog niet op het slagveld was verslagen en de geallieerden er ook maar niet in slaagden de vijandelijke linies te doorbreken.De werkelijkheid was ook dat de geallieerden tussen 1 juli en 11 november ruim 1,1 miljoen man verloren  en de Britten in de laatste oorlogsmaand alleen al 120.000 man. 

Vastgesteld moet ook worden dat de geallieerden tot bijna aan het begin van de dag van de  wapenstilstandovereenkomst op 11 november, niet geheel onlogisch, in de mening verkeerden dat Duitsland nog steeds niet verslagen was en dat de oorlog nog tot diep in 1919 zou voortduren! Toen het einde dan toch kwam, kwam die als een volslagen verrassing, onverwacht en zonder dat er sprake was van een duidelijke definitieve geallieerde overwinning te velde. 

Het waren overigens niet alleen de geallieerde opperbevelhebbers die zo pessimistisch waren over een spoedige afloop van de oorlog. Ook de politieke leiders toonden zich somber. Zij konden niet anders dan een algehele oorlogsmoeheid bij hun bevolkingen constateren. Het werd hen duidelijk dat alle enthousiasme voor de oorlog verdwenen was.*30.  Ook zij waren niet op de hoogte van de toestand in Duitsland en bij het Duitse leger. Ze hoorden van hun militaire leiders dat de Duitsers nog zeer sterk waren en ze konden niet anders dan rekening houden met de mogelijkheid dat die hun leger snel weer met ruim 1 miljoen man, afkomstig van het Russische front, zouden kunnen versterken nu Rusland door hen verslagen was. Daar kwam nog bij dat de Duitsers nog steeds grote delen van Frankrijk en België bezet hielden en zich nog steeds tot het uiterste verzetten. De eigen verliezen waren enorm en uitputting en oorlogsmoeheid werden overal merkbaar. Er was geen sprake van optimisme, integendeel, men was zelfs bevreesd dat men de oorlog  mogelijk zelf niet lang meer zou kunnen volhouden. Aan deze mismoedige sfeer was wel zo het een en ander vooraf gegaan., We gaan daarvoor even terug naar de situatie in juni 1918. 

Als gevolg van de slechte militaire situatie na de zware Duitse offensieven begonnen de politieke leiders nu zondebokken te zoeken voor het falen van de verdediging. Vooral de Amerikaanse opperbevelhebber, generaal Pershing,  kreeg het zwaar te verduren.  De Franse minister-president Clemenceau stak niet onder stoelen of banken dat hij vond dat de Amerikanen militair niets presteerden en dat generaal Pershing absoluut niet voor zijn taak berekend was.. Hij beschuldigde hem zelfs van tegenwerking en van het weigeren van bevelen en drong er bij Foch op aan de Amerikaanse president in te lichten over wat hij noemde „de waarheid over de Amerikaanse troepenmacht in Frankrijk”.*31 

De zenuwachtigheid van de geallieerden was overigens wel begrijpelijk. Zelf waren ze aan het eind van hun krachten gekomen en alle hoop was gevestigd op de hulp van de Amerikanen. Die hulp viel in eerste instantie, vooral door de onervarenheid van de Amerikaanse troepen, nogal tegen terwijl de Duitsers, in  de ogen van de geallieerden, nog steeds een opmerkelijke vitaliteit aan de dag legden.  

Nog op 31 oktober , slechts 11 dagen voor het einde noteerde generaal Haig:

” General Byng, Horne, Rawlinson and Birdhood are all agreed that from the military standpoint, the enemy has not yet been sufficiently beaten to cause him to accept an ignominous peace. The enemy is fighting a very good rearguard.”*32

en in een update van de militaire situatie gedateerd 9 november, lezen we:  

„Het is duidelijk dat het vijandelijk moreel aan het verbeteren is. Ze zijn er in geslaagd een groot deel van hun artillerie met munitie naar Duitsland te transporteren Binnen de Duitse strijdkrachten leeft bij de manschappen zonder uitzondering de mening dat de oorlog nog wel 2 a 3 maanden zal duren. Hun officieren denken zelfs dat dat nog wel 6 maanden kan zijn. In het algemeen is men er echter vrij zeker van dat Duitsland het, indien noodzakelijk, nog wel enkele jaren kan volhouden. Gebleken is dat de geallieerde overwinningen van de laatste maanden niet echt zoveel indruk op de Duitsers hebben gemaakt als wel werd gedacht”.*33

en op 9 november werd voorts gerapporteerd:  

„Sterke Duitse tegenaanvallen vonden plaats tegen de belangrijke spoorwegknooppunten te Hirson, Montmedy en Mezieres. De Duitse weerstand is nog steeds niet ingestort. Alhoewel hun discipline begint te verslappen blijkt de vijand nog steeds in staat in goede orde terug te trekken. Ze zijn nu ook weer begonnen met het toestaan van thuisverlof voor hun troepen in de voorste linies. Geconstateerd werd  dat de Duitsers 337.000 nieuwe rekruten bijeen hebben gebracht in hun depots sinds de aanvang van de wapenstilstands besprekingen”.*34

Maar ook eerder, in de maand oktober, kwamen dit soort berichten met de regelmaat van de klok binnen. Op 13 oktober meldde het 3e Bureau (Inlichtingen):

„Enige dagen geleden dachten we dat de vijand het zou opgeven maar thans blijkt er geen enkel teken van verminderd  moreel te bemerken en de Duitsers achten zich nog absoluut niet verslagen.”*35

en tijdens de meeting van het Imperial War Cabinet op 19 oktober stelde Haig onomwonden vast dat:  

„Het Duitse leger is zwaar aangeslagen maar nog niet verslagen. Het is nog steeds in staat tot serieuze tegenstand en er is geen enkel teken van desorganisatie welke normaal altijd volgt op een nederlaag. Ik ben dan ook van mening dat de Duitsers zeer goed in staat zullen zijn tot een ordelijke terugtocht op reeds voorbereide stellingen welke ze dan kunnen verdedigen tegen gelijke of mogelijk veel sterkere geallieerde troepen. Ik sluit zelfs niet uit dat ze in staat zullen zijn met 8 a 10 divisies over te gaan.” *36

en hij vervolgde met de mededeling dat  

„het Britse leger alléén, te klein was om een beslissing te forceren. Het zal op z’n vroegst in de lente van 1919 in staat zijn een aanval te wagen op de nieuwe Duitse stellingen en als die „formidabele” taak zou slagen, dan zou mogelijk in 1920 de definitieve afrekening kunnen volgen, er steeds wel van uitgaande dat het Britse leger dan op z’n volle sterkte kon worden gehouden”.*37 (waaraan hij gezien de eigen enorme verliezen overigens duidelijk twijfelde.)

Haigs mening van de 19e oktober, werd de volgende dag nog eens bevestigd door generaal Currie. Die schreef in zijn oorlogsdagboek:  

„The fact is, the enemy is making a very orderly  and practically unmolested retirement. Our trouble is that our troops are very tired and too far ahead of their railheads”.*38

en voorts schreef generaal Rawlinson nog op 5 november, zes dagen voor het einde: 

” It is a physical impossibility for the British Armies and I think for the Armies of any nation, to continue their advance in strength rapidly. If they do so, they will starve”.*39

en tenslotte schreef generaal Charteris in zijn memoires:  

„One or two things was certain that first week in November.Either the Germans throw in their hands or there must be a delay of at least a month (precies de maand die Ludendorff dacht nodig te hebben) before we could fight another battle on a big scale. The destruction of roads and railway made this inevitable.*40

OORLOGSMOEHEID

Het valt dan ook niet te ontkennen dat de Britten, ondanks de overwinningen in de laatste oorlogsmaanden en de vooruitgang die ze boekten, toch enorm opzagen tegen voortzetting van de strijd omdat ze er van overtuigd waren dat Duitsland nog lang niet verslagen was en het nog wel tot in 1920 zou kunnen volhouden. De geallieerde verliezen waren inmiddels zo groot geworden en de oorlogsmoeheid zo manifest dat men, ondanks het feit dat men dit naar buiten toe volstrekt lochende, snakte naar vrede en toen die vrede dan ook in zicht kwam na het verzoek van de Duitsers om een wapenstilstand, leek het wel alsof alle lust om de strijd nog voort te zetten als sneeuw voor de zon verdween. Zoals reeds eerder gesteld, Haig waarschuwde zijn regering niet in te gaan op de Franse harde eisen omdat hij vreesde dat de Britse soldaat mogelijk niet meer zou willen vechten als de Duitsers eenmaal uit Frankrijk en België verdwenen zouden zijn.*41

Er was bij de geallieerde legers natuurlijk ook wel het e.e.a gebeurd.

Kijken we naar Frankrijk, dan noemen we de grote muiterij in het Franse leger, waardoor offensieve acties niet meer mogelijk waren. De Franse generaals verloren de macht over hun troepen en het had maar een haartje gescheeld of Frankrijk had zich uit de oorlog moeten terugtrekken Het Franse leger zou zich van deze klap nooit meer geheel herstellen.

In Rusland was het zo mogelijk nog erger. Het moreel stortte volledig in en leidde tot de revolutie in 1917 en tot het uittreden van Rusland uit de oorlog.. Dit feit, de  Duitse overwinning op Rusland, had het moreel bij de geallieerden een enorme klap gegeven.

Zelfs de wraakzuchtige Clemenceau erkende nog op 31 oktober 1918, tijdens een vergadering van het „Allied supreme War Counsel” te Versailles dat, hoewel het moreel bij de geallieerde troepen  z.i op dat moment goed was, hij er niet zeker van was dat dit  niet zou instorten als de gevechten weer hernieuwd zouden moeten worden. *42.

Dat dit een reële mogelijkheid was  werd nog eens erkend door de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Robert Lansing die in zijn memoires schreef:

„Wat we ook mogen denken in het licht van onze huidige kennis, in 1918 trokken de Duitsers zich ordelijk en weloverwogen terug, ze verloren wel veel manschappen, maar dat was in 1917 ook al eens het geval geweest. Dat ze hun oorlogsdoelen niet meer zouden realiseren was ons wel duidelijk maar er was een groot verschil tussen het niet meer kunnen realiseren van de overwinning en het volledig verslagen zijn”.

En zo was het dan ook. Het Duitse leger was pas definitief verslagen na de wapenstilstand, niet er vóór! 

Daar kwam nog iets bij. Lloyd George was bevreesd voor communistische infectie vanuit Duitsland als dat land ten prooi zou vallen aan Sovjet invloeden veroorzaakt door te harde vredeseisen. 

Hij sprak daarover met Colonnel House tijdens diens bezoek aan Parijs  waarbij hij hem vertelde dat het gevaar voor revolutie in Gr.Brittannie zeker niet denkbeeldig was. Hij waarschuwde bij die gelegenheid dat ook Italië voor dergelijke invloeden zeer gevoelig zou zijn.*43. Dat was ook een van de redenen waarom president Wilson van mening was dat een redelijke vrede noodzakelijk was omdat te harde voorwaarden een politiek vacuüm zouden kunnen scheppen in Europa hetgeen een uitnodiging naar het Bolsjhevism zou betekenen. De Amerikaanse president sloot zelfs niet uit dat ook in Amerika zelf het uitbreken van onrust onder de bevolking, als gevolg van wat hij noemde „oorlogsmoeheid” tot de mogelijkheden behoorde.*44

STAKINGEN, MUITERIJ EN COUPPOGINGEN

Lloyd George had ook wel reden om bezorgd te zijn voor revolutionaire krachten in zijn land. Churchill heeft na de oorlog beweerd dat Gr.Brittannie de strijd uiteindelijk had gewonnen omdat het hele volk als één man gedurende de gehele oorlog in de overwinning bleef geloven in tegenstelling tot het Duitse volk dat het vertrouwen in de eindoverwinning uiteindelijk op moest geven.

Bij die bewering moet toch wel een vraagteken worden gezet. De politieke situatie en met name de onrust onder bijv. de Britse arbeiders was gedurende de gehele oorlog steeds een bron van grote zorg geweest. Niet alleen in Duitsland waren er  stakingen en onrust. Ook Gr.Brittannie ontkwam niet aan de malaise.

Daar was de grote staking bij de scheepswerven aan de Clyde, reeds in 1914-1915, de onlusten veroorzaakt door de „rank and file” beweging die gesteund werd door de Britse Socialistische Partij die tegen verdere Britse deelname aan de oorlog was en die m.n in 1917 grote stakingen organiseerde waaronder de zeer ernstige stakingen in de munitie-industrie. Ze gingen gepaard met grote onlusten die soms maar met moeite bedwongen konden worden.. In dat jaar staakten in totaal 877000 arbeiders en gingen bijna 6 miljoen werkdagen verloren.  Bedenk, het was oorlogstijd en de zonen van die stakende arbeiders vochten voor hun leven aan het front!.

Daar was voorts de zeer ernstige staking van munitiearbeiders te Barrow die duurde van 21 maart tot 2 april en de staking van 60.000 arbeiders in de machine-industrie die in Lancashire begon en binnen enkele dagen oversloeg naar andere steden en slechts door de inzet van het leger en de arrestatie van de leiders, beëindigd kon worden. Het was deze staking die uiteindelijk oversloeg naar 48 steden waarbij 220.000 arbeiders betrokken raakten en die 1500.000 arbeidsdagen verloren deed gaan en het was ook deze staking die leidde tot een groot gebrek aan munitie bij de Britse troepen te velde.

In totaal gingen er in Gr.Brittannie tussen 1914 en 1918 ruim 27 miljoen werkdagen verloren als gevolg van arbeidsonrust en stakingen. (Een vergelijking met Duitsland leert dat daar ongeveer 5 miljoen arbeidsdagen verloren gingen als gevolg van stakingen)*45 Het viel dus nogal mee met die beweerde eenheid en solidariteit onder het britse volk. 

Ook in Gr.Brittannie was de toestand onder de bevolking explosief  en ook hier werden pogingen ondernomen om een revolutie te doen uitbreken. Het was eind 1917 toen  de overheid ontdekte dat de „Independent Labour Party, samen met de „Union of Democratic Control” plannen bleek te hebben uitgewerkt tot het organiseren van een staking die gevolgd zou moeten worden door onlusten van zulk een aard dat het leger wel gedwongen zou worden om in te grijpen en te schieten. Dat zou, naar men plande, een algemene staking tot gevolg hebben die het voortzetten van de oorlog onmogelijk zou maken, zulks naar het voorbeeld van wat in Rusland was geschied.*46.

 De zorgen van Lloyd George over wat er kon gebeuren als hij de oorlog nog zou willen voortzetten, moeten dan ook niet worden onderschat. Dat de angst voor revolutie ook in Groot Brittannie niet overdreven was, blijkt niet alleen uit de gespannen arbeidsverhoudingen uit voorgaande jaren en uit de  ontdekte plannen eind 1917, maar ook  uit een aantal gebeurtenissen die direct na de wapenstilstand, eind 1918 en in de eerste maanden van 1919, plaats vonden.*47

Het begon met een aantal onregelmatigheden bij een aantal legeronderdelen. In een week werden meer dan 30 gevallen van insubordinatie gemeld en in enkele gevallen weigerden grote hoeveelheden manschappen een of meer dagen de bevelen van hun officieren te gehoorzamen. De grootste onregelmatigheden vonden plaats bij het „Army Service Corps”  in de „Grove Park” en Kempton Park Mechanical Transport Depots”. Enkele eenheden vertelden hun officieren dat ze „soldatenraden” hadden opgericht en van plan waren naar de dichtstbijzijnde stad op te rukken om zich daar te gaan verbroederen met de arbeiders. Alhoewel ze  in een aantal gevallen tot andere gedachten konden worden gebracht, kon men toch niet worden voorkomen dat er serieuze onlusten uitbraken. In Luton werd het stadhuis in brand gestoken en er brak muiterij uit onder de legeronderdelen te Calais.

De muiters aldaar trokken naar de haven om de met soldaten terugkerende transportschepen op te wachten en slaagden er in een groot aantal van deze verlofgangers over te halen zich bij hen aan te sluiten. Binnen 24 uur was de groep muiters uitgegroeide tot drie a vierduizend man die de stad volledig in handen hadden. Er moesten twee divisies van het front worden teruggehaald om de muiterij te  onderdrukken maar terwijl dit met moeite gelukte,ontstonden er soortgelijke onlusten in Glasgow en Belfast. Ook hier moest gewapenderhand worden  ingegrepen en in Glasgow moesten twee brigades worden ingezet om de opstand te onderdrukken.. Een volgende ,eveneens serieuze opstand vond tenslotte plaats op 8 februari 1919. 

Enkele duizenden soldaten weigerden in de trein op het Victoria Station te stappen die hen naar het front zou terugvoeren. Zij marcheerden in gesloten gelederen naar Whitehall waar zij grote chaos veroorzaakten. Ook hier moesten andere troepen worden ingezet om de opstand te beteugelen waarbij enkele doden vielen. Men moet zich hierbij realiseren dat dit alles geschiedde terwijl de oorlog nog steeds nietwas beëindigd en de muiters allen de doodstraf riskeerden.*48

Overigens, ook de loyaliteit van het Britse opperbevel had de regering  gedurende de gehele oorlog zorgen gebaard en de Britse regering was steeds beducht voor een militaire coup.

Vooral tijdens het bewind van Lloyd George vanaf 1916, waren er enorme spanningen tussen regering en opperbevel. Een belangrijk deel van de Britse pers schaarde zich daarbij  aan de kant van de militairen en in de „Globe” werd zelfs openlijk gezinspeeld op de wenselijkheid van een militaire dictatuur voor de duur van de oorlog waarbij een vergelijking werd gemaakt met de situatie in Duitsland waar Hindenburg en Ludendorff feitelijk de dienst zouden uitmaken.*49.

De „Globe” verklaarde onder andere dat „het nu wel bewezen was dat de democratie in oorlogstijd volkomen faalde en dat het,om die oorlog te kunnen winnen absoluut noodzakelijk was die democratie over boord te gooien en te vervangen door een autocratie, op z,n minst in elk geval gedurende de tijd van de oorlog”.*50 en de  „Morning Post” adviseerde de regering om twee kabinetten te formeren, een kabinet voor de civiele zaken en een dat zich met de oorlogsvoering zou moeten bezighouden en uit militairen zou moeten bestaan, *51 

De democratie in Groot Brittannie liep eigenlijk gedurende de gehele oorlog gevaar maar de problemen met de militaire top werden midden 1917 acuut. 

Het begon er mee dat de minister van Marine, Carson, weigerde admiraal Jellicoe te ontslaan. Dat ontslag werd door Lloyd George noodzakelijk geacht omdat hij vond dat van Jellicoe, na de slag bij Jutland, onvoldoende gezag uit ging en de sfeer in de Britse marine defaitistisch was geworden. Ook zijn maatregelen tegen de verschrikkelijke verliezen bij de Britse kooopvaardij als gevolg van de Duitse duikbootactiviteiten achtte Lloyd George volstrekt onvoldoende.

Carson weigerde echter aan dit ontslag mee te werken en daagde daarmede het gezag van de Britse minister-president openlijk uit. Deze besloot daarop zowel Carson als Jellicoe van hun functie te ontheffen hetgeen tot enorme opschudding in de Britse pers leidde en het voortbestaan van de regering hing geruime tijd aan een zijden draadje.  Eind 1917 werd de situatie wederom kritiek.  

Lloyd George raakte er van overtuigd dat de Chief Imperial Staff, generaal Robertson,  generaal Haig en enkele andere hoge militairen  openlijk en in het verborgene oppositie tegen hem en zijn regering aan het voeren waren met als doel de regering  omver te werpen. De Britse minister-president zag zich genoodzaakt  in te grijpen en hij besloot Robertson en Haig te verwijderen.*52

Dat was natuurlijk een ingreep met uitermate verstrekkende gevolgen en hij stuitte dan ook openorme weerstanden.  Uiteindelijk gelukte het hem pas na zeer veel moeite en met groot gevaar voor het voortbestaan van zijn kabinet, zich van Robertson te ontdoen maar Haig ontsprong de dans door zijn  kameraden in het kwaad te verloochenen en eieren voor zijn geld te kiezen. *53 

Lloyd George schreef later in zijn memoires: 

„we were about to witness a very determined effort- not the first nor the last- made by this party to form a cabal which would overthrow the existing War Cabinet and especially its Chief, and enthrone a Government which would be practically the nominee and menial of the military party”.*54

Bij zijn besluit om deze topmilitairen van hun functie te ontheffen kreeg hij zeer weinig medewerking van de Britse koning. Die stond openlijk achter de generaals. Hij vond dat de regering zich te veel met de militairen en hun operaties bemoeide en dat Lloyd George de oorlogvoering aan de militairen moest overlaten. Hij gaf dan ook pas nadat Lloyd George met aftreden had gedreigd,  zijn goedkeuring aan de ontslagen.*55

We mogen stellen dat het aan de moed, durf en daadkracht van de Britse premier te danken is geweest dat in Gr.Brittannie niet een zelfde situatie ontstond als in Duitsland waar de politici niet de kracht konden opbrengen om de legerleiding onder controle te houden met als gevolg dat aldaar de generaals het in grote lijnen voor het zeggen kregen. 

Uit dit alles blijkt wel dat zowel de politieke, sociale en militaire situatie ook in Gr.Brittannie in het laatste oorlogsjaar verre van bevredigend was en dat ook hier de democratie voortdurend gevaar liep, de militairen ook hier meer macht wilden en het voor de Britse regering ook om die redenen belangrijk was, snel een eind te maken aan de oorlog vóórdat de omstandigheden zich tegen haar zouden keren of, een mogelijkheid waarmede Lloyd George terdege rekening mee hield, vóórdat de positie van de Amerikanen in de oorlogvoering zo overheersend zou worden dat zij- en niet de geallieerden, de komende wapenstilstands- en vredeseisen zouden kunnen bepalen. Dat die vrees niet irreëel was bleek wel uit opmerking die de Amerikaanse president in de zomer van 1917 tegen kolonel House maakte toen hij zei:

„Engeland and France  have not the same views with regard  to peace that we have….but after the war, we can force them to our way of thinking because  by that time they will be financial in our hands”.*56

Het is dan ook tekenend voor de situatie dat de Britten nu voor het eerst voelhorens uitstaken om tot vrede te komen. Een verklaring van de Britse minister Balfour (16 mei 1918) dat Engeland bereid was vrede te sluiten op redelijke voorwaarden werd door Ludendorff echter arrogant van de hand gewezen. Een nieuwe Britse poging om tot vredesbesprekingen te komen werd gedaan tijdens een conferentie in Den Haag over de uitwisseling van krijgsgevangenen. In eerste instantie leek deze meer kans van slagen te hebben. Van Duitse zijde werd prins Hatzfeldt Wildenburg afgevaardigd. Hij voerde besprekingen met Sir George Cave over een zg „compromis vrede” *57 Ook deze poging mislukte echter omdat de verantwoordelijke Duitse minister Kuhlmann, die in de Rijksdag al openlijk verklaard had dat Duitsland de oorlog niet meer met de wapenen kon winnen, door het ingrijpen van Hindenburg en Ludendorff, gedwongen werd in juli af te treden.

E.e.a geeft echter wel aan dat nog slechts enkele weken vóór de fatale 8ste augustus (de zwarte dag voor de Duitse strijdkrachten) de Britten, door de militaire en politieke situatie gedwongen, nu toch serieus aan vredesonderhandelingen dachten.Helaas werden  die wederom geblokkeerd door de Duitse legerleiding.

Toch was de politiek van Lloyd George in de laatste oorlogsmaanden gericht op het bereiken van een spoedige vrede.Tot vlak voor de wapenstilstand van 11 november en vooral ook na de bespreking tussen de regering en generaal Haig van 19 october was de algemene mening bij de Britten, dat als de oorlog nog lang zou moeten voortduren, een „soft peace” wellicht geaccepteerd zou moeten worden.*58  Lloyd George deed ook tijdens de besprekingen te Versailles nog moeite om Clemenceau en Foch te overtuigen dat te zware  wapenstilstandseisen mogelijk niet door de Duitsers zouden worden geaccepteerd, met alle gevolgen van dien, overigens zonder succes. 

Het voorgaande geeft toch wel aan dat het plan van Ludendorff om te proberen de strijd nog enkele weken vol te houden tot de winter zou aanbreken, niet met de gedachte dat de dorlog nog te winnen zou zijn maar met de hoop dat Duitsland dan gunstiger vredesvoorwaarden zou kunnen bedingen, mogelijk kans van slagen zou hebben gehad. Of het Duitse leger nu wel of niet meer de kracht zou hebben gehad om nog enige tijd door te vechten was eigenlijk niet meer zo relevant.  Wel relevant en zelfs bepalend was, hoe de geallieerden- en met name de Britten,  die kracht inschatten en in hoeverre ze daar hun beslissingen door lieten beïnvloeden. 

Hindsight vertelt ons nu dat ze natuurlijk veel te pessimistisch waren en bij hun inschatting van de situatie de plank hopeloos missloegen.

Maar juist dat element en eigenlijk alleen dat element was bepalend voor de geallieerde meningsvorming over het al dan niet voortzetten van de strijd en uit de besprekingen te Londen op 19 en 25 oktober, weten we dat men er van overtuigd was geraakt dat de Duitsers nog niet waren verslagen en dat de strijd nog lang zou kunnen duren.

We herhalen nog maar eens de woorden van Lloyd George, die opmerkte dat als de Duitsers nog in staat zouden zijn om zich achter de Rijn terug te trekken en het tot de winter zouden kunnen uithouden,voortzetting van de oorlog waarschijnlijk geen zin meer zou hebben en dat hij vreesde dat het Franse en Britse volk zulk een voortzetting ook niet meer zouden toestaan.

Lloyd George zei dit, nadat hij van zijn bevelhebbers had vernomen dat zij dachten dat de Duitsers inderdaad nog konden doorvechten en dat de strijd dus zeker nog na de winter zou moeten worden voortgezet. Zijn opmerking was in dit verband derhalve van eminent belang en toonde aan dat hij er serieus over dacht snel een eind aan de strijd te maken. De enige manier waarop dit kon worden bereikt was door Duitsland  redelijke wapenstilstandseisen te bieden. 

Er zijn historici die vonden dat de mening van Gr.Brittannie en een eventuele beslissing om een vroegtijdige (aparte) vrede te sluiten, niet van doorslaggevend belang zou zijn geweest. Zij stellen dat Frankrijk en Amerika de strijd dan zeker hadden willen voortzetten. Dat is echter toch zeer de vraag. Als Gr.Brittannie de strijd zou hebben gestaakt, dan zou het zeer onzeker zijn geworden of de USA nog wel alleen met Frankrijk had willen door gaan en niet een afzonderlijke vrede met Duitsland zou hebben gesloten. President Wilson was niet zo overtuigd van de Franse motieven. Toen hij vernam dat de geallieerden reeds bezig waren met het formuleren van wapenstilstandseisen zonder hem daarin te kennen was hij razend.

Toen hij ook nog hoorde dat de Franse  eisen uitermate zwaar waren, ontbood hij de Franse ambassadeur in Washington en deelde hem mede geschokt te zijn. „Als het Amerikaanse volk te weten komt hoe ver jullie willen gaan” zo beet hij de ambassadeur toe; „dan zal het mij dwingen de Amerikaanse troepen uit Europa terug te trekken”*59. Op 15 oktober 1918 stuurde de Britse ambassadeur nog een telegram aan zijn regering waarin hij schreef:  

„that the president was outstandingly fearful that the Allied naval and military authorities might urge an armistice so humiliating, (en dat was duidelijk wel het plan van de Fransen) that Germany could not accept it. His mind appeared to be set upon the kind of armistice which would leave no rancour and demonstrate the high plane on which the Allies stood”.

Overigens, na de wapenstilstand zou de houding van de Amerikaanse president ingrijpend veranderen en zou hij zijn edele motieven volledig prijsgeven.  

Waren de Britten er dus nog niet zo zeker van dat de oorlog na het invallen van de winter nog zouden kunnen continueren, er zijn ook  critici die wijzen op de veel positievere meningen van Pershing en Pétain die zich wel onomwonden zouden hebben  uitgesproken voor voortzetting van de oorlog met alle middelen . 

Als dat al het geval is geweest, dan moet men toch goed in het oog houden op welk moment deze generaals hun mening ter zake kenbaar maakten (en dat was veelal in hun memoires nadat de oorlog was beëindigd) en of men niet te veel waarde heeft gehecht aan de mening van deze militairen. Het waren toch de politici en niet de militairen die uiteindelijk uitmaakten hoe de vredesvoorwaarden zouden gaan luiden en of de oorlog wel of niet spoedig moest worden beëindigd.

In het geval van Pershing werd dat wel heel duidelijk. . Op 26 oktober 1918 zond president Wilson hem een telegram waarin hij om zijn mening vroeg over het Franse plan Duitsland in te trekken en daar bruggenhoofden te bezetten na de wapenstilstand.

Wilson zelf was daar tegen en vond dat dit plan praktisch overeenkwam met een invasie op Duits grondgebied. Hij was bevreesd dat Duitsland daardoor mogelijk de wapenstilstandseisen zou weigeren. Pershing antwoordde dat hij zijn mening hieromtrent reeds (op eigen initiatief)  aan de Opperste Oorlogsraad (Supreme War Council) had doen toekomen en dat hij daarin had gewezen op de  z.i schitterende mogelijkheden om Duitsland tot een „unconditional surrender” te dwingen. 

De president was razend, Hier maakte een ordinaire generaal zijn  mening, die grote politieke consequenties had, zonder toestemming of medeweten van zijn politieke superieuren , openbaar. Pershing werd beschuldigd „Glory mad” te zijn  en  tevens verantwoordelijk voor de grote verliezen onder de Amerikaanse troepen.

Op de 27e kwam er  ten overvloede nog een rapport van de persoonlijke vertegenwoordiger van Wilson in Frankrijk, kolonel House, binnen waarin die mededeelde dat Foch en Clemenceau beiden van mening waren dat Pershing een slecht generaal was en dat zijn verliezen veel groter waren dan noodzakelijk. Inmiddels deden geruchten de ronde dat Pershing er op uit was om zich verkiesbaar te laten stellen voor het Amerikaanse presidentschap en dat deed de deur natuurlijk helemaal dicht.*60  

De beweringen dat Frankrijk en Amerika de oorlog zeker hadden willen voortzetten en er absoluut niets voor voelden om Duitsland gunstige voorwaarden toe te staan zijn voornamelijk gebaseerd op de uitlatingen van de Franse en Amerikaanse generaals.

In werkelijkheid zaten presidentWilson en Lloyd George, die steeds bevreesd waren dat te zware eisen door Duitsland zouden worden geweigerd, veel meer op één lijn, zeker in de periode dat de wapenstilstand nog gesloten moest worden, en was het voornamelijk Clemenceau die er een andere mening op na hield.

De eenheid tussen de geallieerde leiders zou pas worden hersteld toen Duitsland in 1919 tenslotte het vredesverdrag van Versailles onder protest had getekend. Tot dat moment bleven de geallieerden onzeker over de uiteindelijke houding van Duitsland. Zij waren niet alleen nog steeds onzeker maar zelfs bevreesd dat Duitsland op het allerlaatste toch nog  verzet zou gaan bieden en zelfs de strijd weer zou hervatten. De reden daarvoor was dat na de wapenstilstand de geallieerde strijdmacht snel aan het inkrimpen was. In november 1918 had men 198 divisies aan het front staan, in juni 1919 waren dat er nog maar 39 en men was er niet zeker van dat die troepen in geval van een Duitse weigering het vredesverdrag te ondertekenen, nog tot vechten bereid zouden zijn.*61 Natuurlijk, het Duitse leger was verslagen,maar haar commandostructuur tezamen met duizenden getrainde manschappen waren nog steeds beschikbaar.

Dat bleek nog eens duidelijk toen Duitse troepen, direct na de wapenstilstand in de Baltische Staten  opnieuw- en nu met stilzwijgende goedkeuring van de geallieerden- in de aanval gingen, nu om de Duitse Oostgrens te verdedigen tegen het opdringende Rode Leger, en daar verrassende resultaten behaalden. Begin mei 1919 veroverden ze zelfs de stad Riga.*62  De oorlog ging dus eigenlijk nog gewoon door!

Het was ook toen dat de geallieerden openlijk moesten toegeven niet meer de militaire macht te hebben daar iets aan te doen en men begon zich nu ook grote zorgen te maken over deze ontwikkelingen. De Duitsers traden zo zelfverzekerd op dat  toen de geallieerden, militaire waarnemers naar dat gebied wilden sturen, die bij het Duitse opperbevel een visum moesten aanvragen alvorens ze toestemming kregen om het gebied binnen te gaan. Pas toen de geallieerde wapenstilstandcommissie de Duitse regering dreigde de wapenstilstand niet te zullen verlengen als die niet onmiddellijk bevel zou geven de strijd te staken en Riga te ontruimen, gelukte het om de Duitsers aldaar te stoppen. *63.

Men realiseerde zich plotseling ook dat ondanks dat Duitsland de oorlog verloren had, er nog steeds zo’n 75 miljoen Duitsers en slechts 40 miljoen Fransen waren en dat een hernieuwing van de strijd toch mogelijk nog wel eens problematisch zou kunnen worden.

Ook hieruit blijkt wel dat de geallieerden,ondanks hun overwinningsroes, toch tot op het allerlaatst de adem inhielden en er niet zeker van waren  dat ze Duitsland definitief onder de knie hadden gekregen. De eerder genoemde verklaring van Foch in juni 1919, dat hij voor een invasie van Duitsland te weinig troepen tot zijn beschikking had, spreekt in dit verband boekdelen.  

Een zelfde situatie deed zich ook vóór en tijdens de besprekingen over de wapenstilstand in november 1918 voor.Ondanks alle beweringen van het tegendeel, waren de geallieerden toen werkelijk aan het absolute eind van hun militaire en vooral logistieke mogelijkheden gekomen.

Niemand, maar dan ook niemand, bevroedde ook maar een moment dat de Duitsers toen inderdaad reeds aan opgeven dachten en de Britse admiraal Fisher sloeg de spijker op z’n kop toen hij verklaarde dat „de door Duitsland aangevraagde wapenstilstand ‘n „mirakel was geweest dat precies op tijd was gekomen omdat de geallieerden aan het eind van hun krachten waren”.

Het was tenslotte de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Lansing, die na de oorlog schreef:  

„Dat men dit nu wel kon ontkennen en kon beweren dat Duitsland in november reeds op het slagveld verslagen was, maar dat de geallieerden er toen juist van overtuigd waren geweest dat Duitsland de strijd nog kon voortzetten en nog lang niet was verslagen en dat daarom de onzekerheid over het vaststellen van de wapenstilstand- eisen volkomen begrijpelijk was geweest.”

Te zware eisen zouden voor Duitsland immers rede kunnen zijn de strijd nog voort te zetten en daar zat zo langzamerhand niemand meer op te wachten, integendeel. 

Er waren ook nogal wat tegenstellingen ontstaan tussen de geallieerden! We lezen:  

„Ludendorff could count on diverging basic interests between the Anglo Saxon and the French Allies. While France intended to guarantee her future security  by a complete and decisive victory over Germany, Gr.Brittain and the USA were not interested in a dominant or even hegemonic French position in Europe after the elimination of Russia and Germany as leading Powers”.

Ook hieruit blijkt wel dat als Gr.Brittannie de oorlog snel had kunnen beëindigen door Duitsland redelijke vredesvoorwaarden aan te bieden, ze daarmede in de kaart zou hebben gespeeld van president Wilson, (wiens 14 punten programma immers bol stond van redelijkheid) en daarmede was de kans voor Frankrijk om nog alleen haar doel te bereiken dan tot nul gereduceerd. Pas toen in Duitsland de revolutie uitbrak, verviel voor Gr.Brittannie de noodzaak om te kiezen  tussen doorvechten of het bieden van gunstige voorwaarden en daarmede ook de kans op een rechtvaardige vrede voor Duitsland. Niet vergeten  mag worden dat de wapenstilstandseisen van de geallieerden pas definitief werden vastgesteld op 4 november 1918,*64 dus nadat bekend werd dat er in Duitsland een revolutie was uitgebroken. Het werd toen duidelijk dat men nu kon eisen wat men wilde omdat de Duitsers nu totaal geen weerstand meer konden bieden.  Tot die tijd had met name Gr.Brittannie maar ook de Amerikaanse president, zich verzet tegen te zware eisen omdat men bevreesd was dat die dan mogelijk door de Duitsers zouden worden afgewezen.

De „overwinning” kon uiteindelijk dan toch worden geïncasseerd maar het was overduidelijk en wel degelijk een „Pyrus-overwinning”.

 

1: Lloyd George, War Memoirs, Vol 2, p.1838.

2: Blake, (edited by), The private papers of Douglas Haig 1914-1919.

3: Lloyd George, War Memoirs, Vol 2, p.1956

4: Ibid, p.1837

5  Ibid.

6: Johnson, The Unexpected Victory. P.93.

7: Lloyd George, War memoirs, Vol 2, p.1882.

8: Fergusson,N., The Pity of War. P.292-303.

9: Ibid, p.294.

10: Ibid.

11: Ibid, p.303.

12: Ibid, p.293.

13: Charteris,Brig.Gen.J., Field Marshal Earl Haig, p.363.

14: Blake, (edited by), The private papers…, p.314.

15: Ibid, p.47.

16: Ibid, p.333.

      Charteris,Brig.Gen.J., Field Marshall Earl Haig, p.363.

17: Lloyd George, War Memoirs, Vol 2, p.1968.

18: Pershing,John.Gen., My experiences in the World War.

19: Ibid, .

20: Callwell, C.E.Maj.Gen..Sir.,  Field Marshal Sir Henry Wilson, Vol 2, p.103.

21: Pershing,John.Gen., My experiences…, p.421.

22: Ibid, p.424-425.

23: Ibid.

24: Lloyd George, War Memoirs, Vol.2, p.1856.

      Tournés,Gen.R.T., Histoire de la Guerre mondial, Vol.4, p.193.

25: Lloyd George, War Memoirs, Vol 2,p.1856.

26: Lloyd George, War Memoirs, Vol.2, p.1857.

27: Ibid, p.1860.

28: Ibid, p.1860,1866.

29: Ibid, p.1866.

30: Ibid, p.1862.

31: Foch, Marshal., The memoires of Marshal Foch, p.504-507.

32: Winter,D., Haigs Command, p.220.

33: WoodrowWilson Papers, 9-11-18..

34: Grand Diaries, Report 9-11-18.

35: Pershing Papers, Clark, 13-10-1918.

36: Haig to Cabinet, memorandum 19-10-18. (cab 2316).

37: Ibid.

38: Currie Papers, Currie’s Diary, 20-10-18.

39: Rawlinson, quoted by Massingberd in, Truth, 7-7-20.

40: Charteris Papers. 

41: Lloyd George, War Memoirs, Vol.2, p.1971.

42 Walworth,A., America’s Moment. p.37n

43: ibid, p.44.

44: ibid, p.2

45: Lloyd George, War Memoirs, vol.2, p.1148-1164.

46: Ibid, p.1153.

47: Churchill,W., The World Crisis, Vol 5, p.61.e.v.

48: Ibid, p.62.

49: Beaverbrook, Men and Power, p.55.

50; Ibid, p.56.

51: Ibid,

52: Ibid, p 167.

53: Ibid, p.53 e.v.

54: Lloyd Georg, War memoirs, Vol 2, p.1669.

55: Beaverbrook, Men and Power, p.205.

56: Zieger, H., America’s Great War, p.163, quotes Knock, To end all

        War. P.138.

         Horn,M., Britain,France, and the Financing of the First World War,

         p.117 e.v, waarin duidelijk wordt dat Fankrijk op 24 augustus

         1916 bij de „bespreking van Calais” formeel financieel geheel

         afhankelijk werd van Gr.Brittannie. Aan het eind van de oorlog

         had Frankrijk bij Engeland een schuld van 417 miljard pond

         Sterling. Engeland zelf stond er financieel zo slecht voor dat ze

         gedwongen was de goudstandaard los te laten.(p.183)

57: Guinn, British Strategy and Politics, p.308.

         Brugmans,H., Geschiedenis van den Wereldoorlog, p.172,173.

58: Brugmans,H., p.319.

59: Walworth,A., America’s Moment, p.24.

60: Ibid, p.44

61: MacMillan,M., Peacemakers,p.1`68.

62: Watt,R.M., The Kings depart, p.385,386.

63: Ibid, p.385 e.v.

64: Calwell,C.E.Maj.Gen.Sir., Field Marshal Sir Henry Wilson, Vol.2,  p.147.

www.ssew.nl/node/

overzicht: