De strijd om de Dardanellen

Door: Dr. M. Kraaijestein en Dr. P. Schulten

Berichtgeving en beeldvorming

 

Inleiding

De smalle doorgang van de Middellandse Zee naar de Zwarte Zee is in de geschiedenis altijd van groot strategisch belang geweest. Tijdens de Eerste Wereldoorlog misschien nog meer omdat het een broodnodige verbinding kon vormen tussen Rusland en zijn bondgenoten. Bij het uitbreken van de oorlog was het nog niet helemaal zeker of het Ottomaanse rijk partij zou kiezen en zo ja aan welke zijde. In Konstantinopel streden Duitsers, Engelsen en Fransen om de gunst van de machthebbers. In de loop van augustus 1914 werd deze diplomatieke slag om de hoofdstad aan de Bosporus door de Centralen gewonnen.[1] In de loop van 1915 beslisten zij ook het militaire gevecht in hun voordeel op het schiereiland bij de Dardanellen, dat vooral onder de naam Gallipoli een lang en intens voortleven zou hebben.[2] In dit artikel schetsen wij het verloop van de gevechten en geven aan wat er in Nederland op dat moment bekend was over de strijd. Voor het publiek kwam de informatie vooral uit de Nederlandse pers en voor de regering van het gezantschap in Konstantinopel. Voor de journalistieke verslaggeving is met name de Nieuwe Rotterdamsche Courant van belang, die de beschikking had over een eigen correspondent in Konstantinopel, terwijl de minister van Buitenlandse Zaken regelmatig politieke rapporten ontving van de gezant aldaar.[3]

Over het geallieerde fiasco in Turkije is een grote hoeveelheid studies verschenen. Die geven een redelijk eenvormig beeld van de feitelijke gebeurtenissen, maar zijn zeer uiteenlopend in interpretatie en in de beantwoording van de bij militaire nederlagen onvermijdelijk opdoemende schuldvraag. Wie hebben het goed en wie hebben het slecht gedaan?[4] Ten gevolge van vragen in het Engelse Lagerhuis werd al in 1916 een commissie benoemd om de waarheid over de mislukte operatiën rond de Dardanellen boven water te krijgen.[5] Het eindrapport van deze commissie had als algemene conclusie, dat succes in Gallipoli, als het al mogelijk was geweest, alleen behaald had kunnen worden als de regering meer middelen had uitgetrokken. Daarvoor had zij moeten korten op de uitgaven aan materieel en op soldaten aan het westelijk front. Aan die voorwaarde was nooit voldaan. De bevelhebber van het landingsleger, Ian Hamilton, werd aangerekend dat hij in een bepaald geval te persoonlijk had ingegrepen, maar vooral dat hij geen goede inschatting had gemaakt van de gevechtskracht van de Turkse vijand, met name vlak na de eerste landingen.[6] De veteranen van Gallipoli hebben zich ook bij de kamp om de herinnering niet onbetuigd gelaten.[7] Reeksen dagboeken en mémoires zagen het licht.[8] Zij geven uiteraard vrijwel nooit een donker beeld van de schrijvers zelf.

De hagelwitte grafstenen van de vele fraai aangelegde geallieerde kerkhoven op het schiereiland dragen weer bij aan een heel eigen soort beeldvorming, net als de talloze andere monumenten van geallieerde en Turkse zijde die in Gallipoli in een grote hoeveelheden zijn opgericht. Opvallend daaronder zijn de opmerkelijk vele recente gedenktekens en -parken. De herinnering aan de Eerste Wereldoorlog is op het schiereiland duidelijk geen aflopende zaak. Deze ‘ankerplaatsen voor het geheugen’ zullen in het tweede deel van het artikel aan de orde komen.

 

De besluitvorming

Aan het eind van het jaar 1914 komt bij sommige militairen en politici in het geallieerde kamp het idee op de oorlog enigszins over te brengen van het vastgelopen front in het westen naar de grenzen van het Ottomaanse rijk. Begin november hadden successievelijk Rusland, Engeland en Frankrijk de oorlog verklaard aan Turkije. Op dat moment waren er zowel bij de Fransen als bij de Engelsen al vage ideeën in omloop om met Russische of Griekse hulp de Dardanellen te bezetten. Serieuzer was de suggestie van Churchill op 25 november in de Oorlogsraad om een mogelijke Turkse aanval op het Suezkanaal te voorkomen door een geallieerde aanval op Gallipoli.[9] Hoewel dat toen in de raad geen enkele bijval kreeg, maakt het duidelijk dat hij al lang met de gedachte speelde.[10] In december uitten meer mensen belangstelling voor een aanval op Turkije. De secretaris van de raad, luitenant-kolonel Hankey, deed hierover een voorstel in een memorandum op Tweede Kerstdag.[11] Naar zijn idee zou een aanval wellicht de regering van de Jonge Turken doen vallen en de andere Balkanstaten in de armen van de Entente drijven. Verder zou de opening van de Zwarte Zee de aanvoer van Russisch graan mogelijk maken. Ook zou de broodnodige militaire bevoorrading van het Russische leger veel makkelijker gaan. Op 1 januari 1915 pleitte een ander lid van de raad, de minister van Financiën Lloyd George, ervoor dat Britse troepen op het westelijk front vrijgemaakt zouden worden om iets te ondernemen op de Balkan. Zo kon de zwakste schakel van de Centralen, Oostenrijk-Hongarije, worden beproefd. Één dag later kwam ook nog eens een telegram van de Russische opperbevelhebber uit Petrograd binnen met het verzoek om een militaire demonstratie tegen het Ottomaanse rijk, zodat de Turken minder troepen zouden kunnen vrijmaken voor het front in de Kaukasus. Daar waren de Russen en de Turken in een dodelijke, en vooral koude, omhelzing gewikkeld. Dit alles had tot gevolg dat Churchill op 3 januari een telegram stuurde naar admiraal Carden, de bevelhebber van de vloot in het oosten van de Middellandse Zee. Hij vroeg daarin om een inschatting van de kansen om met alleen de vloot de toegang tot de Dardanellen te forceren. Daarbij mochten aanzienlijke verliezen op de koop toe worden genomen gezien het belang van het resultaat. Twee dagen later kwam het antwoord van de admiraal. Naar zijn idee konden de forten aan het begin en het midden van de zeeëngte niet stormenderhand worden genomen, maar waren er uitgebreide operaties voor nodig met een groot aantal schepen. Een week later stuurde hij meer uitgewerkte plannen naar Londen, waarin hij aangaf dat er meer schepen, meer munitie en vliegtuigen voor verkenningsvluchten nodig waren. Op 28 januari nam de Oorlogsraad definitief het besluit tot een aanval van de vloot, ondanks ernstige tegenwerpingen van de bevelhebber van de Marine, lord Fisher. Hij zag succes bij de Dardanellen alleen weggelegd voor een gecombineerde actie van de vloot met het leger.[12] Uiteindelijk gaf de admiraal toch toe aan de wensen van zijn politieke meerdere, Churchill.

 

De eerste acties

Op 19 februari begon de eerste fase van de aanval uit zee. Op de fonkelnieuwe Queen Elizabeth met haar 15 inch geschut na, bestond de geallieerde vloot uit verouderde slagschepen die konden worden gemist in de Noordzee. Die aanval richtte zich op de buitenste forten van de zeeëngte op de Europese en de Aziatische kust. De forten werden eerst beschoten van ongeveer twaalf kilometer afstand, waarna de schepen tot zo’n vijf kilometer naderden. Ofschoon de schade aanvankelijk meeviel waren eind februari de buitenforten buiten werking gesteld en was de toegang tot de zeeëngte geopend. Daarna begon eigenlijk pas het echt moeilijke karwei. De talrijke forten rond de plek, waar de Dardanellen tussen Chanak en Kilid Bahr het smalst waren, moesten worden aangevallen. Tegelijkertijd moesten diverse mijnenvelden worden geruimd en bovendien een aantal mobiele batterijen op beide oevers uitgeschakeld.

De succesjes van februari hadden hoofdzakelijk winst op het front van de psychologische oorlogsvoering opgeleverd. Zo waren de burgers in Istanboel op basis van allerlei geruchten ervan overtuigd dat binnen niet al te lange tijd hun vrouwen zouden worden verkracht en hun stad in vlammen zou opgaan.[13] Volgens de Nederlandse gezant, jhr. P.J.F.M. van de Does de Villebois, hadden Duitse officieren hem wel verteld dat de schade van de bombardementen betrekkelijk gering was geweest, maar waren de zenuwen bij de Turken erg gespannen en stond de Sultan klaar voor vertrek naar Konya in het binnenland. De Villebois rapporteerde zijn minister in Den Haag verder nog dat hij niet dacht dat de geallieerden een serieuze doorbraak naar de Zee van Marmara en de Bosporus overwogen. Het zou om niet meer gaan dan inderdaad een demonstratief gebaar tegenover Rusland.[14] Enkele dagen daarna was hij daar kennelijk niet meer zo zeker van. Hij meldde op 1 maart dat de Turkse regering de val van de buitenste forten verzweeg, maar dat de banken in Istanboel zich opmaakten hun goud in veiligheid te brengen. De Duitse gezant, Hans von Wangenheim, had hem in alle vertrouwelijkheid ingelicht over de val van de forten. Een grote vloot kon de mijnenvelden passeren en bij Istanboel op kazernes schieten, maar ook op de ambassades van de Centrale Mogendheden. De stad kon worden uitgehongerd. Een Duitse maarschalk was hierover zo bezorgd dat hij De Villebois had gevraagd zijn dochter in de Nederlandse ambassade asyl te verschaffen.[15] De gezant zag ook in de ontruiming van de Prinseneilanden in de Zee van Marmara een duidelijk signaal van de grote onrust en meende ook dat de gevechten in de Kaukasus desastreus voor de Turken verliepen. Al met al vond hij de door hem waargenomen werkelijkheid ‘in krasse tegenspraak’ met de in het openbaar tentoongespreide rust en onbezorgdheid van de Turkse regering. Hij sloot dan ook niet uit dat er snel een regeringswisseling zou komen en dat een nieuwe regering meer tot vrede bereid zou zijn dan de leiders van de jonge Turken, Enver Pasja en Talaat Bey.

De berichtgeving in de NRC in die dagen kwam vooral van de persagentschappen uit de verschillende kampen, Reuter uit Engeland, Havas uit Frankrijk en Wolff uit Duitsland. Nederland was een van de weinige landen waar zonder veel selectie berichten van alle partijen in de kranten werden opgenomen. Niet ten onrechte werd het publiceren van de ‘leugens van beide kanten’ gezien als nog de beste methode om de waarheid enigszins te benaderen.[16] Eind februari gaven uit Engeland afkomstige berichten aan dat commando’s succesvolle raids op de buitenforten hadden uitgevoerd, waarbij slechts kleine verliezen waren geleden. De Turken berichtten dat de forten slechts op enkele plaatsen waren beschadigd. Verder benadrukten zij vooral de haast Olympische rust en het zelfvertrouwen van hun leger. Dit leger had op 1 maart een flink aantal journalisten naar het schiereiland en Chanak aangevoerd zodat deze met eigen ogen de onaangetaste kracht en de goede staat van de batterijen daar konden zien.[17] Dit was ongetwijfeld een doelbewuste poging vooral de Balkanstaten en Griekenland te waarschuwen niet overhaast de zijde van de Entente te kiezen in de hoop mee te kunnen eten van een al aangevreten prooi. In dit licht moeten wij ongetwijfeld ook beschouwingen in de Duitse pers zien die betoogden dat de geallieerden bij een aanval zouden moeten rekenen op zeer zware verliezen ter land en ter zee. Een aanval werd overigens niet uitgesloten geacht, want er werd melding gemaakt van de aanwezigheid van tenminste veertig grote oorlogsbodems en van de aanwezigheid van grote troepentransportschepen bij de nabij gelegen eilanden Tenedos en Lesbos. Die gesignaleerde dreiging was zeker niet denkbeeldig. Op 4 maart schreef de correspondent van de NRC in Athene dat de beschietingen voor enorme ontroering bij het Griekse volk hadden gezorgd. Allen hadden de bevrijding van Konstantinopel en het herstel van Groot-Griekenland in gedachten. De koning van Griekenland zou weer keizer van Byzantium worden en de in 1453 bij de val van Konstantinopel afgebroken mis zou weldra voltooid kunnen worden door een Griekse bisschop. Geen wonder, schreef de correspondent, dat het Griekse publiek enthousiast was over de door de geallieerden gevraagde deelname van Griekse troepen.[18]

In de krant was trouwens in die dagen een vrijwel juiste schatting te lezen over eventuele landingstroepen die de geallieerden tot hun beschikking hadden. In een bericht van het Duitse persagentschap Wolff van 4 maart werd gemeld dat er een Engels-Frans landingscorps klaarstond bestaande uit 4 divisies, waaronder twee Australische en één Franse divisie met Senegalezen.[19] Engelse kranten berichtten dat de bezetting van Konstantinopel niet lang meer op zich zou laten wachten. Op 15 maart meldde de Kölner Zeitung nog eens dat circa 100.000 man landingstroepen door de geallieerden in gereedheid waren gebracht.

 

Het fiasco van de vloot

Wat is er in feite in die eerste weken van maart gebeurd? Het is duidelijk dat toen de operaties eenmaal waren begonnen, er nauwelijks sprake meer kon zijn van stoppen in geval van tegenslag.[20] Te veel raderen waren in werking gezet en de publieke interesse in Londen in de mogelijkheden van eventueel succes was te groot geworden.

In februari waren al Australische en Nieuw-Zeelandse eenheden in Egypte, die eigenlijk op weg naar het westelijk front waren, klaargemaakt om naar de Aegeïsche Zee te vertrekken. De eerste kwamen daar op 1 maart aan onder commando van generaal-majoor Birdwood, een officier van het leger in India. Deze liet deze Kitchener snel weten dat er naar zijn idee landingen uitgevoerd moesten worden bij Bulair aan het begin van het schiereiland en op het uiterste zuidelijke punt bij Kaap Helles. De Aziatische kust leek hem geen goed idee. Voor landingen daar waren veel meer troepen nodig. Hij achtte de inzet van het leger noodzakelijk. Daarom stuurde hij, ondanks geruststellende verzekeringen van Churchill dat de vloot spoedig op eigen kracht de Zee van Marmara zou bereiken, op 16 maart een telegram naar Kitchener waarin stond dat naar zijn mening het met de vloot alleen nooit zou lukken.[21]

Die inschatting bleek maar al te juist. Vooral het noodzakelijke opruimen van de mijnen was een enorm probleem. De schepen, die dat moesten doen, waren bemand met burgers. Wanneer deze onder vuur kwamen van de mobiele batterijen of van de vaste forten voorbij de baai van Kephez verloren zij snel hun enthousiasme. Bovendien kwamen hun trawlers maar moeizaam vooruit, omdat zij de behoorlijk sterke stroming in de Dardanellen tegen hadden. De talrijke bombardementen op de forten hadden ook weinig succes. Het was ongetwijfeld een knappe en indrukwekkende prestatie dat de Queen Elizabeth met haar grote geschut de Aziatische forten kon beschieten van de andere kant van het schiereiland, maar het rendement, in tegenstelling tot de verrassing, was uiteindelijk gering. Uiteindelijk werd besloten de zaak te forceren. Op de achttiende maart voeren achttien grote slagschepen omringd door een grote hoeveelheid kleinere vaartuigen om half elf in de ochtend de Dardanellen binnen en gingen tot de aanval over.[22] De schepen waren in drie aanvalslinies verdeeld. De eerste linie begon op een afstand van 14 kilometer van Chanak vuur uit te brengen op de forten. Die beantwoordden dat nauwelijks. De tweede linie, bestaande uit Franse schepen, voer vlak na twaalven door de eerste heen om op een afstand van 8 kilometer van dichterbij te schieten. Zij moesten zelf ook hevig tegenvuur incasseren. Om 13.45 gaf de Britse admiraal De Robeck, die op het laatste moment de doorgedraaide Carden had vervangen, de derde linie de opdracht de tweede af te lossen en liet hij de mijnenvegers met hun opruimingswerk beginnen.

In de uren daarna ging er heel wat mis. Enkele oorlogsschepen liepen op mijnen en aan het eind van een flinke marinewerkdag was de oogst eigenlijk nihil. Er waren toen wel drie slagschepen gezonken, in één geval met vrijwel de hele bemanning, en drie andere zwaar beschadigd. De poging van de vloot om alleen tot de Zee van Marmara door te dringen moest voorlopig als totaal mislukt worden beschouwd. Een week voor deze nederlaag was luitenant-generaal Hamilton, een stafchef van Kitchener in de Boerenoorlog, tot commandant van de troepen in het Aegeïsch gebied benoemd.[23] Dit tot ontzetting van Birdwood die die positie aan zichzelf had toegedacht. De Britse 29e divisie, bestaande uit beroepssoldaten, had intussen ook de opdracht gekregen zich naar Lemnos te begeven. Met de Franse en Australisch-Nieuw-Zeelandse troepen (de Anzacs) kwamen daar langzamerhand zo’n vijf kleine divisies bij elkaar, in totaal 75000 man. Met die troepen was het nu de beurt aan Hamilton van het land af te bereiken wat de marine van zee uit niet had gekund: inname en vernietiging van de Turkse verdedigingslinies langs de oevers.

De NRC brengt al op 19 maart de eerste berichten over het Dardanellenfiasco. De krant plaatst een bericht van Wolff over het tot zinken brengen van de Franse pantserkruiser Bouvet met de afmetingen van het schip en beschrijving van de bewapening.. Wolff laat overigens verder weten dat de Amerikaanse gezant Morgenthau de forten had bekeken en kon constateren dat zij volledig intact waren. Uit particuliere bron heeft de krant dat de Franse admiraal Guépratte gezegd zou hebben dat het nu tijd was de mijnen op te ruimen, maar niet zonder de hulp van troepen op het land. In de krant van 20 maart vinden wij al redelijk precieze beschrijvingen van de gevechtshandelingen, waarbij nog wel de fout wordt gemaakt te denken aan drijvende mijnen die de schade zouden hebben veroorzaakt.[24] In feite was het een nog niet ontdekt, nieuw gelegd mijnenveldje geweest, maar dat wist niemand nog[25]. Diezelfde dag is de bekende rubriek De Toestand, waarin de krant telkens zijn inschatting van de oorlogssituatie gaf, volledig aan de Dardanellen gewijd.

De schrijver constateert dat de geallieerde bulletins waarin stond dat de Turkse kanonnen tot zwijgen waren gebracht, niet meer betekenden dan dat zij op een gegeven moment zwegen. Hij vraagt zich af waarom de geallieerden in vredesnaam zonder landingsleger aangevallen hadden. Zij hadden nu het omgekeerde bereikt van wat zij beoogden, de steun van de Balkanstaten. Verder constateert hij nog dat het niet de eerste keer was dat de Turken enorm waren onderschat.[26]

De Londense correspondent van de NRC, de historicus Geyl, schrijft op 24 maart dat in Engeland voor de strijd in Gallipoli voor het eerst het woord ‘reverse’ (tegenslag) was gebruikt.[27] Het eerste duidelijke teken dat het niet allemaal vlekkeloos verliep. Volgens hem sprak men tot dan toe hooguit over ‘onvermijdelijke verliezen, die het proces niet ophielden’. Op 25 maart verschijnt een stuk van de NRC correspondent in Istanboel, S. Yoost de Kruyff. Snel kwamen zijn stukken overigens niet bij de redactie aan, want dit was al op de achtste maart door De Kruyff geschreven. Hij herhaalt zijn eerdere inschattingen dat een aanval van de vloot op Konstantinopel niet zou lukken tenzij er landingstroepen bij betrokken werden in de orde van grootte van 400.000 man.[28] De mijnen konden niet geveegd worden, tenzij beide oevers in handen van de geallieerden waren.

Achteraf blijken de analyses van de correspondent helemaal niet slecht te zijn geweest. Hij heeft alleen de politieke druk in Engeland om tot actie over te gaan onderschat en schatte daardoor ook de gevechtsbereidheid van de Engelsen te laag in. Misschien werd dat ook bevorderd door het feit dat hij zelf geen lage dunk had van de gevechtskracht van de Turken. Bovendien wist hij van nabij dat die nog groter was omdat belangrijke posities in het Turkse leger en vloot op dat moment door ervaren Duitsers werden vervuld. Zo werd de verdediging van Gallipoli al snel overgedragen aan de bekwame generaal Liman von Sanders, terwijl bijvoorbeeld in de forten veel ervaren Duitse artilleristen aanwezig waren.[29]

Ruim een week na de mislukte aanval van de vloot zendt De Kruyff een nieuw artikel naar Rotterdam.[30] Hij meldt daarin grote verliezen voor de geallieerden, terwijl de Turken maar 100 man verloren zouden hebben. Er waren nieuwe mijnen gelegd, dus verwacht hij weinig van nieuwe pogingen. Hij benadrukt opnieuw de noodzaak van landingstroepen die tenminste uit enige honderdduizenden manschappen zouden moeten bestaan. Voor een eventuele landing acht hij overigens het gebied bij Smyrna het meest geschikt, een flink eind ten zuiden van de Dardanellen. De indrukken van de correspondent vóór de achttiende maart komen vrij aardig overeen met de berichten van de gezant aan Den Haag. Deze meldt op 17 maart dat er weliswaar weinig betrouwbare berichten over gevechtshandelingen zijn, maar dat het er naar uitziet dat de geallieerden geen grote offers aan scheepsmateriaal willen brengen.[31] Alleen een landingsleger zou uitkomst kunnen brengen, maar moest dan wel opgewassen zijn tegen de sterke Turkse troepen daar. De krantenlezers in Rotterdam en de minister in Den Haag moeten ongeveer dezelfde indruk van de situatie hebben gekregen. Waarschijnlijk niet zo verrassend omdat gezant en correspondent waarschijnlijk regelmatig contact met elkaar hebben onderhouden.

Dat contact zou de volgende maanden alleen nog maar per brief verlopen. Op 31 maart werd de journalist door de Turkse politie gearresteerd en vervolgens het land uitgezet. Als reden daarvoor gaf de Turkse regering later aan de gezant op dat het gebeurd was wegens zijn schadelijke publicaties en verkeerde houding. Zelf was De Kruyff van mening erin te zijn geluisd door de Duitse militaire kliek in de hoofdstad rond Liman von Sanders. Zij zouden het hem kwalijk hebben genomen dat hij via de Duitse ambassade inlichtingen over hen doorgaf aan een andere krant waarvoor hij werkte, de Kölner Zeitung. Zo had hij spanningen tussen Von Sanders en Enver Pasha gemeld. In feite waren de militairen volgens hem jaloers op zijn goede verstandhouding met de Duitse gezant Von Wangenheim. Bovendien hadden deze ultra-conservatieve Duitsers rancune tegen een vertegenwoordiger van een land dat niet hun zijde koos. Fel gebeten was hij op de dochters van Von Sanders, die hij gemene provocatrices noemde.

De Kruyff koos domicilie in Sofia, waarvandaan hij regelmatig met de Nederlandse gezant correspondeerde en vroeg of die zijn terugkeer kon regelen of tenminste de in zijn woning inbeslaggenomen stukken weer terug kon krijgen. De gezant vond duidelijk een terugkeer geen goed idee en bracht hier ook verslag over uit aan zijn minister.[32] De Kruyff zou overigens journalistiek geluk hebben, want zijn nieuwe gedwongen standplaats werd eind september ineens veel interessanter voor een verslaggever dan Istanboel, toen Bulgarije aan de zijde van de Centralen mee ging vechten.

Het is niet mogelijk met zekerheid te beweren dat het verbreken van het contact met De Kruyff de kwaliteit van de berichtgeving van het gezantschap negatief heeft beïnvloed. Opvallend is wel dat minister Loudon in Den Haag in april beter de NRC kon lezen. Waar de gezant in april bijvoorbeeld niets rapporteert over een eventuele aanval over land, publiceert de krant een aantal berichten van Duitse zijde, waarin wordt gesproken van grote troepenconcentraties op Tenedos en Lesbos. Op 20 april laat Wolff weten dat deze toenemende troepensterkte de komende ontwikkelingen duidelijk lijken te voorzeggen. Ook de NRC trekt die conclusie. In de vaste rubriek De Oorlog van 23 april staat geschreven: ‘Het is duidelijk dat eerlang de Franschen en Engelschen een tweede poging zullen doen om de Dardanellen te forceeren. Ongetwijfeld zal deze beter zijn voorbereid dan de eerste, maar de Turken zullen ook hebben geleerd en tegenmaatregelen hebben getroffen’. Dat laatste was zeker waar. De bevelhebber van het Vijfde Leger Von Sanders was op 25 maart naar Gallipoli vertrokken, waar hij zes infanterie divisies tot zijn beschikking had. Omdat de Aziatische kust hem het meest kwetsbaar leek had hij twee daarvan vlak onder het oude Troje geplaatst. Twee andere legde hij bij Bulair, als meest voor de hand liggende plek voor een landing op het schiereiland zelf. Van de resterende twee divisies hield hij er één in reserve in het midden van het eiland, terwijl de andere werd verspreid over het zuidelijk deel. Zo werden diverse plekken aan de kust helemaal niet of slechts door compagnieën of pelotons bewaakt. De reservedivisie stond onder commando van luitenant-kolonel Mustafa Kemal, een van de tot dan toe in zijn carrière minder succesvolle Jonge Turken in vergelijking met zijn leeftijdsgenoten Enver Pasja en Talaat Bey.

 

De landingen van 25 april

In de ochtend van de vijfentwintigste april, toen de zee eindelijk kalm was en er ook even geen maanlicht was, gingen de troepen van Hamilton op verschillende plaatsen aan land. In de betrekkelijk korte tijd van enkele dagen stonden vrijwel al de 75000 man, die hem ter beschikking stonden, op het schiereiland. Daarvoor waren veel verschillende landingsplaatsen gebruikt, gedeeltelijk om de onzekerheid bij de Turken groter te maken, maar ook omdat een zo grote hoeveelheid wel verspreid moest worden over de vele kleine strandjes die Gallipoli telt. Op de zuidpunt bij Kaap Helles waren er vijf aangewezen landingsplaatsen, aangeduid met de letters S,V, W, X en Y. Op de westkust was vlak boven Gaba Tepe een strand uitgekozen voor de landing van de Australiërs en Nieuw-Zeelanders. Verder waren er schijnaanvallen gepland bij Bulair en Kum Kale. Bij Bulair vond de misschien meest tot de verbeelding sprekende misleidingsactie plaats. Eén man zwom midden in de nacht naar de kust, schoot daar een aantal vuurpijlen af en haalde net nog de tocht terug naar de boot.[33] Transportschepen voeren voor de kust heen en weer om de indruk te wekken alsof een echte landing zou plaatsvinden.

Over de waarde van deze misleidingsacties kan verschillend worden geoordeeld, maar omdat Liman von Sanders toch al Bulair als het meest waarschijnlijke punt van de aanval zag, bleef hij enige dagen daar iets verwachten.[34] Op de Aziatische kust bij Kum Kale gingen de Fransen aan land en bereikten vrij gemakkelijk het fort. Zij trokken zich de volgende dag terug op het schiereiland. Over de landingen op de verschillende stranden kunnen we hier kort zijn gezien de enorme hoeveelheid gedetailleerde studies hierover. Het komt erop neer dat de stranden zelf ten koste van soms enorme verliezen veilig werden gesteld, maar dat de troepen er niet in slaagden zo diep in het binnenland verder door te stoten dat zij de hoogten konden bezetten die toegang gaven tot de forten. Bij de landing van de Anzacs is nog van enige betekenis geweest dat zij door vergissingen of voorzichtigheid van de stuurlieden van de landingsboten iets ten noorden van het beoogde doel uitkwamen.[35] Veel verschil lijkt dat uiteindelijk niet te hebben gemaakt.

De zwaarste verliezen bij de landing zijn op V beach geleden waar de ligging tussen forten en vlak bij het dorp Sedd El Bahr zonder twijfel debet aan is. De landing op Y beach liep daarentegen weer zonder enige problemen, maar bleek zinloos te zijn geweest, omdat er geen contact met de andere troepen kon worden gemaakt.

De berichtgeving over de landingen is in de eerste dagen net zo onduidelijk als de resultaten ervan in de ogen van de commandanten. Op 27 april komt het eerste nieuws in de NRC uit Londen waar Reuter meldt dat er volkomen geslaagde landingen hebben plaatsgevonden. Deze berichten worden tegengesproken door berichten van Wolff uit Konstantinopel waar gesproken wordt over het weer terugdrijven van de vijanden naar de schepen. Ongetwijfeld ter versterking van de eigen moraal worden er ook vreemde dingen gemeld zoals het overlopen van een hele Franse afdeling die uit Mohammedanen bestond. In zijn eigen analyse in de rubriek De Oorlog is de krant nog erg onzeker. De Franse landing op Kum Kale was kennelijk niet verwacht, want men denkt kennelijk nog steeds aan een landing ten zuiden daarvan. De krant komt nog niet veel verder dan de constatering dat er kennelijk zwaar gevochten wordt. De Nederlandse gezant heeft meer vertrouwen in de Turkse bronnen. Hij meldt Den Haag op 28 april dat de landingen in een volkomen zegepraal voor het Turkse leger zijn geëindigd. Dit kon volgens hem ook niet uitblijven gezien de grote overmacht van de Turken onder Duitse leiding, terwijl de geallieerden niet beschikten over een toereikende sterkte.

De krant blijft een week lang niet veel meer doen dan de tegengestelde berichten van beide zijden vermelden, die de waarheid nogal geweld aandoen. Pas op 2 mei komt een serieus bericht via het Britse gezantschap in Den Haag in de krant waarin naar waarheid staat dat de landingen op vijf plaatsen succesvol waren, alleen bij Sedd el Bahr (V beach) niet, totdat men ‘s avonds door een flankaanval daar ook vaste voet aan land kreeg. De volgende dag werd het dorp om 14.00 in een stormaanval genomen.[36] Het was de bedoeling de volgende dagen verder op te rukken naar het dorpje Krithia en de daar achterliggende hoogte van Achi Baba. Vanaf deze heuvel was een opmars naar de forten mogelijk. Er waren nu drie punten bezet. De Anzacs zaten bij Sari Bahr, de Britten bij kaap Helles en de Fransen bij Kum Kale. De verliezen van het leger waren uiteraard zwaar, van de vloot veel minder. Een dag later komt de militaire commentator van de krant met een eigen analyse. Volgens hem was een aantal landingsplaatsen bedoeld als afleiding. Het echte zwaartepunt moest het schiereiland zijn, waarbij de lengte van de kust daar een aanvankelijk succes mogelijk had gemaakt. Met het oog echter op de afloop van dergelijke landingen in het verleden, bijvoorbeeld die van de Engelsen in Noord-Holland in 1799, ziet hij op langere termijn verdere operaties mislukken. Volgens hem is er in Gallipoli wel één gunstige omstandigheid: de geringe breedte van het schiereiland maakt het mogelijk overal het scheepsgeschut te gebruiken. Hij denkt dat de vijand zijn troepen geconcentreerd heeft boven Kilid Bahr en langs de hele kust zwakkere afdelingen heeft geplaatst. Berichten over een landing bij Bulair waren volgens hem alleen een afleidingsmanoeuvre, omdat de Balkanoorlog al duidelijk had gemaakt dat er daar geen doorkomen aan was.[37]

Dit was een uitstekende inschatting van de situatie. Ook de conclusie kon, achteraf gezien, nauwelijks beter. De militaire analist gaf aan dat de landingen wel gelukt moesten zijn, maar dat de echte moeilijkheden nu pas kwamen. Hij had, zeker na kennisneming van de Turkse communiqués, ernstige twijfels aan een uiteindelijk succes. De krant blijft over het algemeen in mei in deze teneur berichten. Zo wordt uitgebreid aandacht gegeven aan de artikelen in Engelse kranten van de bekende oorlogscorrespondent Ellis Ashmead-Bartlett, die schrijft dat men af en toe wel enige honderden meters terreinwinst boekt, maar Krithia niet overmeestert en dus helemaal niet zelfs maar in de buurt komt van Achi Baba.[38] De Nederlandse gezant daarentegen stelt in mei zijn oorspronkelijke verwachtingen over het mislukken van de landingen aardig bij. In zijn rapportage aan Den Haag geeft hij aan dat het slechts was gelukt de Frans-Britse troepen bij Kum Kale te verdrijven. In feite hadden de Fransen daar een afleidingsaanval ingezet en waren na korte tijd uit eigen beweging naar de Europese kust van Gallipoli overgevaren. Verder meldt De Villebois dat de Turken heel veel verliezen hadden geleden, waaronder waarschijnlijk zelfs een hele divisie.[39] Zijn analyses lijken op dat moment meer geleid door wisselende geruchten dan door de werkelijkheid.

Nadat eind april en in mei twee offensieven tegen de Turkse stellingen bij Krithia waren mislukt, werd de derde poging ingezet op 4 juni. Churchill hield op 5 juni een rede in de stad Dundee, waar hij het volgende zei over de actie die onder de naam Krithia 3 bekend is geworden: ‘wij staan op enkele mijlen afstand van een overwinning zoals die in deze oorlog niet is vertoond en die alle verliezen in één klap goed zal maken’. In de rubriek De Toestand geeft op 7 juni de krant enigszins ironisch als commentaar daarop, dat die woorden ongetwijfeld juist zijn, maar dat het nu juist de kunst is die laatste mijlen af te leggen. ‘Tot nu toe is dat niet gelukt’.

De NRC verdient hier weer lof voor de intelligente en ter zake kundige analyses. Des te opvallender is het dat er op hetzelfde moment iets mis lijkt te gaan met de stukken in de krant van de correspondent ter plekke. Deze zijn te weinig objectief, en in ieder geval te pro-Duits en anti-Brits. Ze gaan over ongedisciplineerde Australiërs en niet te controleren zwarten. Hij schrijft dat de Australiërs door de Turken werden gezien als ruwe avonturiers die alleen maar kwamen om te plunderen. ‘De Engelsen zouden hun eigen mensen sparen, maar voornamelijk Australiërs en Indiërs opofferen in de verbitterde loopgravengevechten. Verder hadden zij een volstrekt onterechte minachting voor de Turkse militairen’. De correspondent was daar overigens zelf ook niet helemaal vrij van, want volgens hem moesten Duitse officieren vaak het onoordeelkundig optreden van Turkse bevelhebbers corrigeren en tevens waken voor de discipline.[40] De Turkse stellingen waren onaantastbaar en de soldaten werden van alles uitstekend voorzien. Ze hoefden eigenlijk niets te ondernemen, maar werden om de krijgslust en opgewektheid erin te houden af en toe op de vijand losgelaten. Daarom waren er dan toch wat verliezen. Over de latere landingen bij Suvla maakt hij het nog bonter: ‘als er Duitse soldaten of matrozen aan de stranden waren geweest, dan zouden de geallieerden niet eens aan land gekomen zijn’.

Deze niet erg objectieve correspondent moet iemand anders dan De Kruyff zijn geweest die op dat moment immers zijn stukken uit Sofia schrijft en veel professioneler lijkt. Waarschijnlijk is de noodzaak snel een vervanger voor hem te vinden een probleem geweest. De nieuwe scribent voldoet in ieder geval sterk aan de Duits-Turkse behoefte om de indruk te wekken dat zij alles goed onder controle hebben.

 

Suvla baai

In juni en juli verandert er weinig aan de militaire situatie op het schiereiland. Niet dat er niet gevochten wordt. Vergeefse offensieven in de richting van Krithia in deze periode zijn nog altijd goed voor meer dan 12000 verliezen aan manschappen, waaronder 7000 Britten.[41] Toch wordt de hele onderneming voortgezet. In deze periode wordt er in fasen besloten vijf nieuwe divisies aan Hamilton’s troepen toe te voegen. Dat heeft ongetwijfeld ook te maken met de voor de Entente zeer negatieve gang van zaken aan het Russische front. Angst voor een ineenstorting daarvan en een eventueel afzonderlijke vrede tussen de Centralen en Rusland geeft Londen nieuwe impulsen de strijd bij de Dardanellen voort te zetten. Eind juli stuurt Kitchener zelfs een telegram aan Hamilton waarin hij hem aanbiedt zoveel manschappen, kanonnen en munitie te sturen als deze nodig acht.[42]

Hamilton had toen al zijn hoop op een doorbraak verplaatst van het front bij Helles naar de Anzacpositie. De commandant daar, Birdwood, had al eerder aangegeven dat er aan de noordzijde mogelijkheden lagen tot een uitbraak naar de heuvelrug van Sari Bair. Wanneer de hoogten daar bezet waren, kon een doorgang naar de forten worden geforceerd.

De nieuwe divisies konden niet allemaal aan land gezet worden op het kleine gebied van de Anzac Cove, dus werd een nieuwe landing iets daarboven gepland in de Suvla Baai. Deze landing vond plaats in de nacht van 6 op 7 augustus. De landingstroepen werden aangevoerd door luitenant-generaal Stopford. Hij zou later een van de voornaamste zondebokken worden voor het uiteindelijk mislukken van deze operatie.[43] Hij had de goede mogelijkheden om verder op te rukken door gebrek aan besluitvaardigheid niet benut. Het was de bedoeling dat op 7 augustus de troepen vanuit de Anzacstellingen en uit Suvla zouden oprukken en de hoogten van Sari Bair zouden bezetten en verzekeren. Om hen meer kans te geven werden er afleidingsaanvallen bij Helles uitgevoerd en op de zuidflank van de Anzacs. Deze schijnaanvallen leverden weinig resultaat op, maar wel weer veel verliezen. Beroemd is de aanval op het plateau van Lone Pine geworden, uitgevoerd door de 1e Australische Brigade. Van zijn 2900 man verloor deze brigade er 1700 tijdens de gevechten. Er werden voor deze actie niet minder dan zeven Victoria Crosses uitgereikt, wat nog eens duidelijk maakt dat afzonderlijke acties zich goed leenden en driftig gebruikt werden voor de latere heroïsering van de strijd bij Gallipoli. Als men de totale gang van zaken in ogenschouw neemt, liep ook de hele onderneming in augustus niet goed af. Op de noordflank van de Anzacs bereikte het Nieuw-Zeelandse Wellington bataljon wel de hoogte van Chunuk Bair, maar werd daar in de volgende dagen weer afgegooid door Turkse troepen onder leiding van Mustafa Kemal. Deze was door Liman von Sanders op 8 augustus tot commandant van het hele Suvlagebied gemaakt.

Bij Suvla zelf gebeurde wat al eerder in april was voorgekomen. De landingen lukten wel, maar de troepen stootten om allerlei redenen niet snel genoeg door naar de strategisch essentiele punten in het binnenland. Toen zij daar uiteindelijk te laat arriveerden, was de Turkse tegenstand al te energiek en krachtig georganiseerd en werd het al gauw weer een loopgravenoorlog met hoofdzakelijk veel verliezers. De schattingen zijn dat er vanaf het begin van de acties van eind april tot de evacuatie van het schiereiland in het begin van januari 1916 500.000 geallieerde militairen op Gallipoli zijn geweest. Ongeveer de helft daarvan is gesneuveld, gewond of zwaar ziek geraakt. De Turkse verliezen moeten ongeveer even zwaar zijn geweest.[44]

Ziekte vormde bijna een even groot gevaar als vijandelijke kogels of bajonetten, waar je overigens ook nergens veilig voor was. De geallieerde troepen zaten boven op elkaar in een klein gebied, overal bereikbaar voor het Turkse geschut.

Over het dagelijks leven van de soldaten valt dan ook weinig positiefs te vermelden.[45] In de zomer waren hitte en vliegen belangrijke tegenstanders en vrijwel iedereen had in meerdere of mindere mate last van dysenterie. In december zijn aan beide kanten soldaten in de loopgraven omgekomen ten gevolge van blizzards. Ijskoude waterstromen spoelden hen de loopgraven uit en van de heuvels af. De aanvoer van goederen was altijd een probleem, zelfs van essentiele zaken als water. De dichtstbijzijnde operationele basis, Alexandrië, lag op een afstand van niet minder dan 1300 kilometer. Het mag dan ook geen wonder heten dat na de hernieuwde patstelling van eind augustus er steeds sterker gedacht werd aan evacuatie van de troepen.

 

Het bitter-glorieuze einde

In september zwelt de kritiek op de hele onderneming steeds meer aan. Ook de Engelse pers laat zich moeilijker censureren.[46] Op 15 oktober wordt Hamilton van zijn commando ontheven en vervangen door luitenant-generaal Monro. Dat is een duidelijk signaal. Monro stond bekend als een overtuigde ‘westerner’, dat wil zeggen iemand die de mening was toegedaan dat de strijd nergens anders dan aan het westerse front beslist zou worden.[47] Hij koerst dan ook overduidelijk op de terugtrekking van alle troepen en materieel uit Gallipoli aan. Uiteindelijk zal dat in twee stappen lukken. Op 20 december wordt het bruggenhoofd bij Anzac-Suvla ontruimd en op 8 januari 1916 bij Kaap Helles. Het is typerend dat juist de evacuatie, die uitgevoerd wordt zonder gevreesde verliezen, eigenlijk de succes story in de geallieerde beeldvorming is geworden.

Hoe worden nu de Nederlandse lezers met deze periode geconfronteerd? Enkele dagen na de landingen op 10 augustus kunnen zij korte berichten uit Konstantinopel en Londen lezen. De Turken melden dat ze aanvallen bij Ari Burnu (Anzac Cove) afslaan, terwijl Londen meedeelt dat vaste voet is verkregen op Chunuk Bair. Een gedeelte van Sari Bair is bezet en er zijn landingen uitgevoerd. Het is hier weer duidelijk dat beide partijen niet zo zeer onwaarheden vertellen, als wel slechts een heel klein gedeelte van de waarheid. De week daarna zijn er slechts korte berichten die erg lijken op de voorafgaande. Pas op 23 augustus komt er een wat uitgebreider bericht uit Londen waarin de ‘schitterendste operaties bij Suvla’ worden verheerlijkt. Er is contact gemaakt tussen beide eenheden, dus is er een linie ontstaan met een lengte van 20 kilometer. De Turkse verliezen worden geschat op 27.000 man. Toch zijn er nog felle gevechten te verwachten vóór de hele breedte genomen zal zijn. Drie dagen later volgt een wat realistischer boodschap: ‘het gaat wel aardig, want de Turken verliezen wel veel en de linies zijn gesloten, maar op Chunuk Bair en Sari Bair kon niet elke stelling worden gehouden. De aanval uit Suvla kwam daarvoor niet ver genoeg. Het publiek moet niet denken dat we op het punt staan te overwinnen’. Op 10 september wordt een stuk geplaatst van de nieuwe correspondent in Istanboel.[48] Hij geeft aan dat er al drie weken enorm gevochten wordt met nog grotere slachtpartijen dan daarvoor. ‘De Engelsen hebben bij Suvla de Turken verschalkt. Dit laat weer eens zien dat de Duitsers niet gemist kunnen worden. Misschien komt het ook omdat de Turkse kamaraden (sic) slecht hebben opgelet omdat het de laatste week van de Ramadan was. Pas op de negende augustus waren er voldoende troepen verzameld voor de tegenaanval. De Engelsen zaten toen al op het hoogste punt van Sari Bair, de Koja Chemen Dagh, met een hoogte van 735 meter. (hij verwart meters met voet) De Fransen deden niet mee omdat zij het nut van de onderneming niet inzagen. De Engelsen hebben meer dan 30.000 man verloren. De Turken leden ook grote verliezen, maar daar waren veel lichtgewonden onder. Zij hebben later in de maand nieuwe aanvallen afgeslagen. De Indische Ghurka’s van de vijand wilden niet meer en er was muiterij bij de Nieuw Zeelanders. In de laatste week van augustus zijn er 800 Engelse officieren gesneuveld tegen maar 20 bij de Turken’. De correspondent vraagt zich af wat in vredesnaam de bedoelingen kunnen zijn van zo’n zinloze onderneming.

Afgezien van zijn verkeerde inschatting van de hoogte van de heuvel Koja Chemen is het weer een zeer subjectief bericht van deze raadselachtige correspondent. De Duitsers zijn weer de competente helden. Omdat De Kruyff ook voor de Kölner Zeitung schreef, heeft wellicht iemand uit die kringen zijn werk overgenomen. Het is ook goed mogelijk dat De Kruyff zelf de pro-Duitse en pro-Turkse toonzetting vanuit Sofia op een of andere manier inspireerde. Uit zijn correspondentie met de gezant blijkt immers dat hij hoopt naar Istanbul te kunnen terugkeren, omdat hij altijd positief heeft geschreven over Duitsers en Turken.[49] Behalve dit bericht is er betrekkelijk weinig aandacht meer in de NRC voor Gallipoli. Er is meer belangstelling voor andere oorlogsterreinen terwijl ook de op handen zijnde deelname aan de oorlog van Bulgarije en de toestand op de Balkan kolommen opeisen.[50] Begin oktober laat de krant weten dat de geallieerden waarschijnlijk bezig zijn het gevechtsterrein tegen de Turken te verplaatsen uit Gallipoli. De al eerder genoemde Militaire Beschouwingen gaan er ook van uit dat de oorlog op het schiereiland voorbij is en dat er hooguit nog wat troepen worden achtergelaten om Turkse eenheden te binden.[51]

Aan het eind van de maand brengt de krant uitvoerige verslagen van redevoeringen die kritische Engelse journalisten in Londen hebben gehouden.[52] Het feit dat ze in Londen zitten geeft volgens de NRC al aan dat er weinig meer staat te gebeuren. De befaamde Ashmead-Bartlett heeft het volgende gezegd: „geen enkel ander volk dan het Engelse zou het hebben gedaan of erin hebben volhard. De achttiende maart staat bekend als afdoend bewijs van krankzinnigheid. De landingen bevestigden dat beeld. Wij hebben als volk de eigenaardige gewoonte grootse plannen te maken en er ons op stel en sprong in te storten, zonder kosten te berekenen, ons verlatende op de dapperheid van de troepen om succes te boeken”. Verder oefende Bartlett nogal forse kritiek uit op de operaties zelf. De meegebrachte kaarten van het gebied deugden niet. De aanval op Achi Baba was een totale mislukking. Begin mei hadden er of veel meer troepen ingezet moeten worden of men had moeten terugtrekken. Overal werd men geteisterd door vals optimisme. Men had zekere successen moeten boeken om de Bulgaren in het gareel te houden. Er lijkt nauwelijks een einde te komen aan zijn kritiek.

In het spoor hiervan richt de NRC zich in haar verslaggeving nu steeds meer op de afrekening die in Londen volop aan de gang is. De lezingen markeren het begin van een tot nu toe voortdurende golf van enerzijds felle kritiek op de onderneming en anderzijds verdediging ervan.[53] Daaraan gekoppeld ontstaat er een groeiende bewondering en eerbied voor de heroïek en romantiek van het avontuur van het zo dicht bij Troje gelegen Gallipoli.

Half november houdt een van de hoofdrolspelers in het avontuur een rede in het Lagerhuis.[54] Churchill zegt daar dat de uitvoerige voorbereidingen de goedkeuring hadden van Engelse en Franse deskundigen terwijl ook Lord Fisher geen afwijkende mening had. Overigens meldt hij ook wat meer defensief, dat eenstemmigheid onder deskundigen een zeldzaam verschijnsel is. Hij ziet de oorlogsvoering van 1915 vooral in het licht van een tekort aan munitie, maar spreekt hoopvol de verwachting uit dat 1916 gekarakteriseerd zal worden door het gebrek aan manschappen bij de Centralen. De voormalige Sealord Fisher wil desgevraagd in het Hogerhuis geen commentaar geven op de woorden van Churchill. In de gegeven situatie vindt hij dat niet passend, maar hij laat zo zijn zwijgen kritische boekdelen spreken. Ook de leider van het kabinet, Asquith, is in zijn oordeel over de woorden van Churchill tamelijk dubbelzinnig. Hij prijst de rede, maar benadrukt dat er wel wat dingen zijn gezegd die niet gezegd hadden moeten worden en dingen weggelaten die niet weggelaten hadden moeten worden. Verder wordt het Hogerhuis nog opgeschrikt door de woorden van Lord Ribblesdale over een rapport dat de nieuwe bevelhebber Monro geschreven had.[55] Daarin zou door Monro duidelijk zijn aangegeven dat de hele onderneming zo snel mogelijk gestaakt diende te worden.

Het lijkt in de eerste plaats wonderlijk dat Ribblesdale over het rapport gesproken heeft, maar nog verbazingwekkender dat zijn woorden ondanks de censuur in de Engelse kranten zijn gepubliceerd. Het gaat hier immers om belangrijke militaire informatie, waarvan bekendmaking levens zou kunnen kosten. Kennelijk werd dat toch van minder belang gevonden dan het gewicht van het parlement. Op 20 november plaatst de NRC een commentaar op de rede van Churchill van de hand van zijn Londense correspondent. Net als Asquith prijst deze de prachtige woorden en ziet het als een rechtstreekse aanval op Fisher. Het onderstreept volgens hem, het probleem van de verhouding tussen de politieke en de militaire leiding. De correspondent geeft overigens aan, dat hij naar aanleiding van de rede meer vragen heeft dan antwoorden. Wel is hij ervan overtuigd dat de toespraak mede belangrijk is, omdat hij het einde van de onderneming markeert en het beginpunt vormt van de discussies erover.

Uiteraard houdt ook Bartlett zijn commentaar niet voor zich. In de Times van 24 november prijst hij Fisher’s verzet tegen de voortzetting van de aanvallen van de vloot na 18 maart. Dat zou een ramp zijn geworden. Hij bekritiseert fel het idee van Churchill dat de februaribeschietingen in belangrijke mate succesvol waren geweest.

Na deze opleving in de berichtgeving van de NRC in verband met de debatten in Engeland wordt het weer redelijk stil tot het nieuws van eind december over de evacuatie van Anzac. Op 21 december heeft de rubriek De Oorlog telegrammen van alle persbureaus waarin ieder weer successen meldt. Volgens Wolff hebben de Turken grote aanvallen op de stellingen van Anzac gedaan waardoor deze hun toevlucht tot de schepen moesten nemen met achterlating van een enorme buit aan wapens en voorraden. Parijs meldt dat de positie van Anzac geen enkel strategisch belang meer had en dus succesvol ontruimd was. De Times schrijft dat de monumentaalste mislukking toch nog afgesloten is met een nog nooit eerder gelukt wapenfeit. De verliezen tijdens de evacuatie waren belachelijk gering en de kanonnen waren gered. De NRC kiest voor de Engelse versie waarin Anzac is ontruimd uit vrije wil.[56] Die mening wordt in januari na de evacuatie van Helles gedeeld door de Nederlandse gezant. Hij rapporteert zijn minister de ontvangst van een telegram van Liman von Sanders met de mededeling dat er geen vreemde troepen meer op Gallipoli zijn. Sanders had dat voorgesteld als een grote overwinning. De gezant schrijft: ‘ik geloof dat voorlopig niet. Het moet vrijwillig zijn geweest, eventueel met wat kleine verliezen’.[57] En zo was het ook.

 

Krant of gezant

De meeste Nederlanders in 1915 hadden als ze iets wilden weten over het verloop van de oorlog alleen toegang tot de informatie uit de kranten. Onder hen waren de lezers van de Nieuwe Rotterdamsche Courant niet slecht af. Dat was althans de mening van een werknemer van dat blad. In een van zijn brieven uit Sofia schreef De Kruyff dat de Ottomaanse regering er belang bij had een goede relatie te hebben met een blad als de NRC, ‘dat op het ogenblik onder de voornaamste en invloedrijkste organen van de wereldpers telt. Overal bij oorlogvoerende regeringen is er waardering voor de grote neutrale kranten, onder welke byzonder de NRC’.[58]

De Kruyff is natuurlijk geen onbevooroordeelde bron, maar helemaal ongelijk had hij niet. Er was grote belangstelling bij de strijdende partijen voor de Nederlandse pers, die immers berichten van alle kanten kregen en publiceerden. Niet alleen worden die publicaties nauwlettend gelezen, maar er is ook sprake van pogingen de inhoud ervan te beïnvloeden. In Rotterdam bijvoorbeeld hadden de Britten daar een hele afdeling voor onder leiding van George Steward.[59] Ook de Duitsers lieten zich op dit front niet onbetuigd.[60] Met name journalisten van de NRC zouden af en toe flinke geldbedragen hebben gekregen om gewenste berichtgeving te verzorgen. Dat gerucht is waarschijnlijk ontstaan omdat de directeur van het blad, Nijgh, twee maal een bedrag van 10.000 mark ontvangen had dat oorspronkelijk van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken afkomstig was.[61] Het geld zou door een Nederlandse contactpersoon zijn uitbetaald.

Daarom is de vraag vaak gesteld, of de NRC wel zo neutraal en dus objectief was? Het is echter maar de vraag of de Duitse pogingen tot omkoping zich ooit tot de redactie hebben uitgestrekt. Hoofdredacteur Van der Hoeven wordt in enkele recente publicaties genoemd als iemand die geen enkele inmenging van buiten accepteerde.[62] Het zijn waarschijnlijk vooral de genoemde donaties aan Nijgh geweest die de hardnekkige mening hebben gevestigd bij velen dat de NRC In WO 1 enigszins een pro-Duitse houding aannam. Niet zo sterk als de Telegraaf pro-Entente was, maar toch wel zichtbaar.[63] Het feit dat juist de Telegraaf tijdens de oorlog vaak de NRC van Duitse sympathieën beschuldigde, zal hier ook wel een rol hebben gespeeld. Uit het onderzoek naar de Gallipoli artikelen van de NRC blijkt in ieder geval geen eventuele vooringenomenheid, behalve dan in de berichtgeving van de correspondent na De Kruyff. De analyses van de krant in de rubriek De Toestand en de Militaire Beschouwingen waren van een zeer goed niveau en volgden de werkelijkheid op de voet. De lezer werd toen, gek genoeg, beter geïnformeerd over de oorlog dan wij in deze tijd, die nog wel vaak het informatietijdperk wordt genoemd. Dat was meer aan de redactie in Nederland toe te schrijven dan aan correspondenten ter plaatse, hoe locaal goed geïnformeerd die soms ook waren. De minister van Buitenlandse zaken, die over nog meer bronnen beschikte, had er goed aan gedaan voornamelijk de krant te volgen in de gevallen waarin deze een andere mening verkondigde dan Hare Majesteits Gezant in zijn rapporten.

 

Herinnering en Monumenten

Het drama in Gallipoli is bijna al negentig jaar geleden. Die afstand heeft de plaats ervan in het collectief geheugen van met name de volkeren van Australië, Nieuw Zeeland en Turkije niet kleiner gemaakt. Voor de andere betrokkenen was het slechts een van de gebeurtenissen, die voor hen de Eerste Wereldoorlog markeren. Dat geldt zowel voor de Britten als voor de Fransen, hoewel voor de eerstgenoemden vooral de discussies over de schuldvraag extra impulsen hebben gegeven aan het herinneren. In Australië en Nieuw-Zeeland wordt al sinds 1916 op 25 april Anzac Day plechtig herdacht, de dag van de eerste landingen bij Anzac Cove. In de twintiger jaren kwamen de eerste pelgrimages naar de plek zelf van enkele overlevenden en nabestaanden. Nu is er een enorme optocht in de nacht met bussen uit Istanbul. Die voeren duizenden Australiërs en Nieuw-Zeelanders aan om samen met degenen die er al zijn, op het schiereiland om 5.30 de ‘dawn service’ bij te wonen. Onder hen zijn opvallend veel jonge mensen.[64] Een vast onderdeel van de bijeenkomst is het uitspreken van de ‘ode van de herinnering’, die tegenwoordig bij het monument voor de gevallen Nieuw Zeelanders op Chunuk Bair ook in het Maori wordt opgezegd. In Australië zijn overigens genoeg monumenten om de verre reis uit te sparen en toch aan dezelfde ceremonie deel te kunnen nemen. Net als in Frankrijk zijn er weinig plaatsen te vinden waar er geen gedenkteken te vinden is.[65]

Er is een aantal redenen aan te voeren voor de intensiteit waarmee onze antipoden de herinnering aan Gallipoli koesteren. De belangrijkste is dat zij hun besef van nationale identiteit voor een groot deel ophangen aan hun optreden daar. De bekende militair-historicus John Keegan zegt het in zijn laatste boek over de Eerste Wereldoorlog als volgt: ‘zij gingen de oorlog in als soldaten van zes afzonderlijke staten. Zij kwamen terug als burgers van één volk’.[66] Daarmee verbonden zijn de welhaast mythische proporties van de verhalen over hun heldenmoed, zoals die in de locale kranten in die tijd breed uitgemeten werden. Die verhalen worden nog steeds verteld zodat een kennelijk bezielde Keegan nu nog schrijft dat het moeilijk te zeggen valt welk epos Homerus het mooist zou hebben gevonden. Die opwinding over de jonge helden werd mede geïnspireerd door de aanwezigheid bij Gallipoli van een aantal literatoren in de overigens Engelse Royal Naval Division. Onder hen was de dichter Rupert Brooke de bekendste. Deze ‘jonge Apollo’ overleed op 23 april aan de gevolgen van een zonnesteek voordat hij kon deelnemen aan de landingen, ‘magnificently unprepared for the long littleness of life’ zoals een medepoëet over hem schreef. Maar het waren juist ook hun verzen zoals die van Brooke over ‘some corner of a foreign field that is for ever England’ die bijdroegen aan de heroïsche glans die de onderneming althans op papier kreeg.

Die schittering was met name voor Austaliërs onweerstaanbaar. Op Tweede Kerstdag van 1915 verschijnt er een verslag in de NRC over een artikel van de journalist F. Egglestone in de Nation van Melbourne onder de titel: wat Australië van de Dardanellen denkt. Daarin zegt Egglestone dat Australië behoefte heeft aan een eigen geluid, niet alleen dat van de Engelse persbureaus. ‘Die vertellen dat Australië zich opwindt over de verliezen en een minister naar Londen wil sturen om daarover te praten. Niemand die Australiërs kent, verwacht dat grote verliezen hen van de wijs kunnen brengen. Het is juist reden voor sombere trots. Denk aan de zeven Victoria Crosses bij de Lone Pine. Wij beseffen de dramatische kracht van Gallipoli en hebben meer verbeeldingskracht dan de stam waaruit wij voortkomen. Wij zijn verder als natie mondig en trots ons bewust van de daden van onze dappere zonen. Australische soldaten zijn de gelijken gebleken van de Britten of nog beter. De Dardanellen zullen niet vergeefs zijn geweest’.[67] De journalist bedoelde met die laatste zin natuurlijk niet dat Gallipoli balsem was voor koloniale minderwaardigheidsgevoelens, maar zo moet het wel zijn gevoeld. Zo is het als moment van gestegen zelfrespect ongetwijfeld belangrijk geworden als nationale herinnering.

Wat voor de Australiërs de 25e april is, is voor de Turken de 18e maart. Deze datum wordt gevierd met allerlei ceremonies in Chanakkale, maar de laatste tijd zijn er ook nieuwe monumenten voor de herinnering eraan opgericht. Een van de opvallendste daaronder is het grote bronzen stanbeeld uit 1992 van korporaal Seyit, op de oever bij het nauwste gedeelte van de zeeëngte. De korporaal torst in zijn armen een granaat van 275 kilo. Het verhaal erbij is dat deze artillerist, nadat 61 van zijn makkers waren gedood door het vuur van de geallieerde schepen, in het magazijn de laatste granaat had gehaald, naar boven naar zijn kanon had gebracht en afgevuurd. De onwaarschijnlijkheid van het gewicht wordt nog overtroffen door de rest van het verhaal. Met die granaat raakte hij het slagschip de Ocean, die vervolgens onbestuurbaar werd en daardoor op een mijn liep en zonk. Het grootste aantal van de vele nieuwe monumenten en herinneringsparken die in de laatste twee decennia zijn verschenen op het schiereiland gaat over de periode van de landingen. De meeste aandacht is overduidelijk gericht op de glorieuze herinnering aan de daden van Kemal Mustafa, later de stichter van de moderne, seculiere Turkse staat en drager van de erenaam Ataturk, vader van de Turken. Zo zijn onder andere in de jaren tachtig een aantal enorme monolieten op Gallipoli geplaatst met teksten over de glorieuze gevechten en het grote aandeel daarin van Ataturk. Zij staan bij bekende plekken als Suvla Point, Scimitar Hill en Ari Burnu. De kennelijk gestegen behoefte om de rol van het leger bij de totstandkoming en instandhouding van de staat te belichten, is ongetwijfeld belangrijk geweest voor de recente opleving in de monumentale herinnering.

De Turkse monumenten zijn vooral van na de Tweede Wereldoorlog en met name van de laatste 15 jaar. Sommige zijn zo nieuw dat ze nog niet eens opgenomen zijn in de meest recente Battlefield Guide van het Engelse echtpaar Holt.[68] Het enorme monument voor de Turkse martelaren op wat de Turkse zijde van de loopgraven bij Helles was, dateert uit 1960. Er is een gedicht van de populaire dichter Mehmet Akir Ersoy (1873-1936) op aangebracht met ondermeer de versregel: wie kan een graf delven dat niet te nauw voor u zal zijn.

De nieuwe of vernieuwde standbeelden en herdenkingsparken van de laatste tijd bezingen voornamelijk nog steeds de lof van de door nationalisme bezielde soldaten onder leiding van Mustafa Kemal. Toch wordt er ook op een aantal andere thema’s nadruk gelegd, zoals de hulpvaardigheid van de soldaten onderling maar ook soms jegens de vijand. Het symbool van de olijftak rukt op en zogenaamde vredesbomen staan in de parken. Daarin zijn er ook nogal wat verwijzingen naar de religie zoals de koran, fonteinen en delen van moskeeën. Veel aandacht heeft ook het thema van verbroedering met de vijand gekregen in de gemeenschappelijke nood. Die nieuwe visie op het verleden laat zich ook herkennen in het feit dat bij de herdenkingen de volksliederen van Australië, Nieuw Zeeland en Turkije worden gezongen. Bovendien is sinds 1985 de Turkse naam Ari Burnu voor de Anzac Cove officieel veranderd in Anzal Koyu, een waarschijnlijk redelijk uniek feit in de wereldgeschiedenis. In ruil voor deze geste is er in Canberra in hetzelfde jaar een Ataturk Memorial Garden gemaakt.[69] Vóór dat jaar mochten mensen van Turkse origine in Australië niet eens meelopen in de herdenkingstochten. Er is duidelijk sprake van een gedeelde aandacht voor elkaars slachtoffers. Niet voor niets zijn nu de woorden die Ataturk in 1934 door zijn minister van Binnenlandse zaken liet uitspreken over het gedeelde lot in Gallipoli van de Johnnies en de Mehmets op verschillende plaatsen aangebracht.

De Turkse monumenten zijn dus vrijwel allemaal van veel later datum dan die van de geallieerden. Er was wel een monument in de laatste oorlogsjaren bij Lone Pine opgericht, maar dat is na de overgave van Turkije in december 1918 door een Australisch regiment vernield. Deze soldaten waren woedend toen zij een aantal graven van hun eigen mensen vernield of geplunderd aantroffen. Vrijwel alle geallieerde monumenten zijn uit het interbellum. Er zijn 31 begraafplaatsen voor de Britten en Anzacs, alle goed onderhouden door de War Graves Commission.[70] De grafstenen, anders dan in Frankrijk en België zijn plat en op een kleine sokkel geplaatst in verband met het water dat soms met kracht langs de hellingen op het schiereiland naar beneden stroomt. Het kruis wat aan het westelijk front altijd duidelijk zichtbaar van buiten het kerkhof aanwezig is is hier uit taktische overwegingen [71]om de moslimgevoelens te sparen aan de binnenmuur aangebracht.

De Fransen hebben al hun doden bijeengebracht op één groot kerkhof bij Morto Baai. Binnen de omheining van dit kerkhof heeft ook het Franse monument van 1930 zijn plaats gevonden. Prominent op dit monument zijn regels ingelegd van weer een andere literator, Victor Hugo.

GlOIRE A NOTRE FRANCE ETERNELLE

GLOIRE A CEUX QUI SONTS MORTS POUR ELLE

AUX MARTYRS AUX VAILLANTS AUX FORTS

A CEUX QU’ENFLAMME LEUR EXEMPLE

QUI VEULENT PLACE DANS LE TEMPLE

ET QUI MOURRONT COMME ILS SONT MORTS

Het herinneren is hier nog duidelijk bedoeld om enthousiasme te wekken de offers van de Franse gesneuvelden in Gallipoli eventueel te kopieren, alles tot roem van de natie.

In de inleiding is de vraag gesteld waarom er in de laatste jaren een grote toename is geweest van Turkse gedenktekens en -plaatsen. De belangrijkste factor lijkt daarbij de behoefte van vooral het leger te zijn geweest haar rol bij het verkrijgen en het behoud van de nationale eenheid nog eens extra te afficheren. Daarnaast speelden waarschijnlijk nog wat andere zaken mee, van meer triviale aard. De belangen van het opkomend toerisme en de wens op zijn minst evenveel Turkse gedenkplaatsen te hebben als die van de invasiemachten. De nieuwe gedenktekens zijn vooral complementair met die van de Anzacs geworden. Dat zal gedeeltelijk zijn gekomen omdat er ten aanzien van de nieuwe zingeving aan het verleden vooral organisatorisch werd samengewerkt met Australië en Nieuw Zeeland, maar ook omdat de daden van Mustafa Kemal nu eenmaal tegen de Anzacstellingen plaatsvonden. In de slagveldengids van de Holts, zoals ook in andere boeken, wordt enigszins zuur gesproken over de Mythe van Gallipoli.[72] Daarmee wordt de buitensporige aandacht voor de Anzacs bedoeld, waardoor wel de indruk is ontstaan dat het vooral hun zaak en hun offer geweest zou zijn. Dat zou niet juist zijn omdat zij veel minder gesneuvelden telden, dan de Fransen en met name de Britten.[73]

Ook de gemoederen over de strijd om de herinnering blijven dus in beroering. Roerloos liggen de vele grafstenen op het schiereiland, als herinneringen aan een zinloze onderneming. Epen en versregels kunnen die herinnering wel kleuren, maar niet veranderen.

Martin Kraaijestein

Paul Schulten

 


[1] In een boek uit 1915 van de Engelse diplomaat Sir Edwin Pears, Forty years in Constantinople: the recollections of sir Edwin Pears (London, 1916) wordt aangegeven dat in deze tijd er op de Engelse ambassade helemaal niemand was die een woord Turks sprak of verstond.

[2] Bij de Turken staat het gebied meer bekend onder de naam Canakkale, naar het stadje Chanak op de Aziatische kust van de Dardanellen.

[3] Niet voor niets wordt in een bericht uit 1915 van het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken de NRC opinieleider genoemd. Zie

M. Frey, Der Erste Weltkrieg und die Niederlande. Ein neutrales Land im politischen und wirtschaftlichen Kalkül der Kriegsgegner (Berlin, 1998) 72

[4] Zie bijvoorbeeld het bibliografisch overzichtje bij J. Keegan, The First World War (London, 1999).

[5] In 1916 werd een ‘royal commission’ daarvoor ingesteld. Over deze enquête zie T. Travers, Gallipoli 1915 (Stroud, 2001) hoofdstuk 11.

[6] The Final Report of the Dardanelles Commission (Part II - Conduct of operations/c) Command paper 371. (London: HMSO, 1919)

[7] In Engeland wordt de periode van de jaren ‘20 en ‘30 wel gekenmerkt als ‘the battle of memoirs. Zie I.F.W. Becket, The Great War 1914-1918 (Harlow, 2001) 109.

[8] Enkele voorbeelden hiervan zijn I. Hamilton, Gallipoli Diary 2 delen (Londen, 1920), W. Wemys, The Navy in the Dardanelles Campaign (Londen, 1924) en P.-E. Guépratte, L’expédition des Dardanelles, 1914-1915 (Parijs, 1935).

[9] Begin November was er uit de gelederen van het kabinet de War Council opgericht waarbinnen de verantwoording voor de oorlogsvoering was gelegd. De belangrijkste leden waren de Eerste Minister Asquith en de ministers van Oorlog en Marine, Kitchener en Churchill.

[10] Zie hierover N. Steel and P. Hart, Defeat at Gallipoli (Londen, 1994) 6-7.

[11] Het zogenaamde Boxing Day Memorandum.

[12] Over dit stadium van de besluitvorming zie C.F. Aspinall-Oglander, History of the Great War, based on Official Documents: Military Operations: Gallipoli: Inception of the Campaign to May 1915, Vol 1 (London, 1929) 53-55.

[13] Over de paniek zie A. Moorehead, Gallipoli (1989, London) 58-59.

[14] Brief van 27 februari 1915. Archief BuZa. Inventaris Nederlandse vertegenwoordiging in het Buitenland. Turkije. Gezantschap + Consulaat Generaal in Istanboel 1872-1954. Inv.no. 457. Reg.no 244.

[15] De Villebois doelt hier vrijwel zeker op de chef van de Duitse militaire missie veldmaarschalk v.d. Goltz. Deze mededeling staat in een zogenaamd cijfertelegram (no. 14) aan de minister.

[16] ‘Telling the lies from both sides’ geciteerd uit L.J. Plemp van Duiveland, Journalistiek in Nederland (Den Haag, 1924) 69.

[17] Berichten hierover in de NRC van 4 maart.

[18] Gepubliceerd in de NRC van 13 maart.

[19] NRC 5 maart.

[20] Dat was toen en ook later een misvatting bij de politieke leiding met te weinig kennis van militaire operaties.

[21] Steel, Gallipoli, 16-17.

[22] Details in Steel, Gallipoli, 21-27 en Travers, Gallipoli, 28-32.

[23] Als commandant van de Gordon Highlanders was hij mede verantwoordelijk voor de vernietiging van het Hollanderkorps bij Elandslaagte in oktober 1899.

[24] Duitse bronnen melden nog op 4 april dat de Bouvet door artillerie tot zinken was gebracht.

[25] Op 8 maart waren 20 mijnen ‘s nachts gelegd door de Nousret parallel aan de Erin Kevi baai.

[26] Het zou ook niet de laatste keer zijn als wij kijken naar de eerder aangehaalde conclusie van de onderzoekscommissie in 1916. Overigens wijzen ook de meeste moderne studies op dit fenomeen.

[27] Van Geyl in deze periode is ook de aardige uitspraak in de krant verschenen dat het voor een Engelsman meer moed vereiste niet zich voor het leger op te geven dan wel.

[28] Al in een stuk van 20 december 1914 (NRC 8-1-1915) had De Kruyff verkondigd dat hij een aanval op de stad hoogst onwaarschijnlijk achtte. De forten waren volgens hem sterk en modern en een aanval daarop zou te grote offers vragen. Volgens hem zouden de Fransen en Engelsen dat er niet voor over hebben, zeker niet omdat het voornaamste resultaat het in handen van de Russen spelen van de Bosporus zou zijn.

[29] Liman von Sanders, sinds 1913 al in Turkijke, kreeg in maart het bevel over het Turkse Vijfde Leger in Gallipoli.

[30] Verschenen in de NRC van 4 april.

[31] Archief Buza, invno. 457 no 320.

[32] Deze hele correspondentie in Archief Buza, inv. No. 811.

[33] De Nieuw-Zeelander Bernard Freyberg, later ontvanger van een VC in Frankrijk.

[34] Green, Gallipoli, 79-80.

[35] Op het strandje wat zij later zelf Anzac Cove noemden, omdat het zo beschut achter een helling lag. Bij de Turken stond de plek bekend als Ari Burnu.

[36] Bij deze aanval sneuvelde de bekende Engelse officier Doughty Wylie. Als enige geallieerde militair heeft hij daar een eigen graf.

[37] No. XXXIX van de Militaire Beschouwingen in de rubriek De Oorlog op 3-5-1915. Het artikel is voorzien van een prachtige gedetailleerde kaart uit Engelse bron.

[38] Zie De Oorlog van 20-5-1915.

[39] Archief Buza no. 501. Rapport van 6-5-1915.

[40] Artikelen verschenen in de NRC van 17-5, 1-7 en 5-8, 9-8 en 4-9.

[41] Steel, Gallipoli, 213.

[42] Aspinall-Oglander, Military Operations, 65.

[43] Op 15 augustus werd Stopford al vervangen en hij bleef ook later in de geschiedwerken veel blaam krijgen. Enige nuancering hierbij bij Travers, Gallipoli, 140.

[44] Moorehead, Gallipoli, 300. Volgens Moorehead zijn er aan geallieerde zijde 21.255 Britten gesneuveld, 9.874 Fransen, 8.709 Australiërs, 7.594 Indiërs en 2.701 Nieuw-Zeelanders.

[45] Goede beschrijving van de leefomstanigheden bij Steel, Gallipoli, 300-363.

[46] Zie voor de rol hierbij van de journalisten Asmead-Bartlett en Keith Murdoch bv. M. Hickey, Gallipoli (London, 1995) 316-321.

[47] Travers, Gallipoli, 204.

[48] Het stuk is door hem op 1 september geschreven.

[49] Zie met name zijn brief van 15-11-1916 uit Sofia.

[50] Uiteindelijk verklaart Bulgarije op 14 oktober Servië de oorlog. Engeland op zijn beurt een dag later aan Turkijke. Frankrijk volgt op de zeventiende.

[51] Respectievelijk de rubriek De Oorlog in de NRC van 5-10-1915 en Militaire Beschouwingen in de krant van 7-10-1915.

[52] In de bladen van 26-10, 27-10 en 29-10. Een grote rol in de aanzwellende kritiek was weggelegd voor de Australische journalist Keith Murdoch die in september een zeer kritisch verslag over een overigens zeer kort bezoek aan het schiereiland door de censuur smokkelde. Moorehead, Gallipoli, 257-260.

[53] Een goed voorbeeld van het laatste is de brochure van J. Masefield, Gallipoli (London,1916). Hij wil Gallipoli verdedigen tegenover allerlei door de vijand geïnspireerde vragen in de U.S.A, waar volgens hem veel mensen ‘happily ignorant of war’ zijn. Hij verkoopt Gallipoli als een prachtige mislukking, de tweede grote gebeurtenis van de oorlog na de Belgische afwijzing van het ultimatum. Grootse schoonheid moet kennelijk kritiek overstemmen.

[54] Opgenomen in de NRC van 16-11-1915 en een dag later besproken. Het was de voorlopige afscheidsrede van Churchill die zich 18 november meldde bij zijn regiment de Queens Own Oxfordshire Hussars. Hij vertrok vervolgens naar Frankrijk in de rang van majoor.

[55] NRC 20-11-1915. Rubriek De Oorlog.

[56] Op 20 december had overigens De Kruyff uit Sofia geschreven dat de Turken wel degelijk een aanval hadden gedaan met net aangekomen Skodamortieren met een kaliber van 30 cm. Opgenomen in De Oorlog van 27-12-1915. Ook De Kruyff is kennelijk meer onder Duits-Turkse invloed gekomen.

[57] Archief Buza, no. 15. Brief van 10-1-1916.

[58] Brief van 25-3-1916 aan De Villebois.

[59] Steward, Short Report of the Work of the Press Department at Rotterdam, 23 oktober 1916, Public Record Office, Foreign Office, 395/22, 217161.

[60] Zie hierover Frey, Der Erste Weltkrieg, 287-292. Ook R.J. Bouman, De Nederlandse Pers In Oorlogstijd 1914-1918. Scriptie Erasmus Universiteit

[61] F. van Vree, De Nederlandse Pers en Duitsland 1930-1939. Een studie over de vorming van de publieke opinie (Groningen, 1989) 123. Zie ook C. Smit (red.) Bescheiden betreffende de Buitenlandse Politiek van Nederland - derde serie 7e deel 1914-1917 (Den Haag, 1957-1974) 5-6.

[62] Zie E. Blankenstein in haar proefschrift over haar bekende grootvader, correspondent in Berlijn van de NRC, en de slotconclusie in Bouman, Nederlandse Dagpladpers, 123.

[63] Over de ondubbelzinnige houding van de Telegraaf zie bv. P. Moeyes, Buiten Schot. Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog (Amsterdam, 2001) 225-231.

[64] Over hun verschillende motieven om daarheen te gaan zie B. Skates, ‘In Gallipoli’s Shadow. Pilgimage, Memory, Mourning and the Great War’, in: Australian Historical Studies vol. 33, 119 (2002) 1-21.

[65] Zie hierover de fraaie studie van K.S. Inglis, Secret Places. War memorials in the Australian landscape (Melbourne, 1998).

[66] Keegan, First War, 268.

[67] In de rubriek De Oorlog van 26-12-1915. Besproken wordt een artikel dat op 5 november was verschenen.

[68] Major & Mrs. Holt’s Battlefield Guide Gallipoli (Barnsley, 2000).

[69] Inglis, Secret Places, 405.

[70] Ibid. 252.

[71] Ibid. 255.

[72] Holt, Battlefield, 41.

[73] Zie de aantallen in noot 44 van dit artikel.

overzicht: