De slag bij Loos 1915: 25 september - 8 oktober 1915

Door: Luitenant-generaal b.d. W. Loos

INHOUD

I Inleiding

1. WOI en ‘the state of the art’

2. Westfront 1914-1915 en The British Expeditionary Force (BEF)

II De slag bij Loos

3. Aanloop en operationele planning

4. Uitvoering van de operatie

III Nabeschouwing

5. Analyse

6. Gevolgen

IV Bronnen/literatuur

I INLEIDING

1. WO I en ‘the state of the art’

De Eerste Wereldoorlog (1914-1918) ligt alweer bijna een eeuw achter ons. De vraag is dan ook gerechtvaardigd of die oorlog en dan met name de slag bij LOOS nog wel zo interessant en belangwekkend is. Wat is er zo wetenswaar-dig aan een vier jaren durende loopgravenoorlog met miljoenen doden? Militair interessant zijn eigenlijk alleen de perioden waarin, naast het overweldigende vuur ook de manoeuvre een rol speelt. Het gaat dan v.w.b. het Westfront voornamelijk om de eerste oorlogsweken, in augustus en september 1914, en om de laatste fase van de oorlog te beginnen bij het laatste grote Duitse offensief vanaf maart 1918. Het tijdvak daartussen is voornamelijk het bestuderen waard vanwege de pogingen om de impasse van de loop-gravenoorlog te doorbreken, al of niet door het openen van een 2e of 3e front. Belangwekkend daarbij zijn dan de ont-wikkelingen van nieuwe strijdmiddelen en/of de verdere vervolmaking daarvan (tanks, vliegtuigen, gifgas, vlammen-werpers, etc.). Ook het zoeken naar nieuwe aanvals- en verdedigingsconcepten en de verfijning van het op elkaar afstemmen van vuur en beweging vragen de aandacht. De commandovoering - voor het eerst in de geschiedenis over massa-legers - in een periode dat de vuurkracht heerst over de manoeuvre, stelt geheel nieuwe eisen aan de informatie-verzorging en aan de kwaliteit van commandanten en stafofficieren met name op de hogere niveaus. De Eerste Wereldoorlog zet vele van deze ontwikkelingen in beweging en spoort militaire denkers en technologen aan om met oplossingen te komen. Pas na de Eerste Wereldoorlog komen de bruikbare voorlopers van de vervolmaakte middelen van vandaag beschikbaar. In het begin van de Tweede Wereldoorlog kon dan ook voor het eerst echt inhoud worden gegeven aan het begrip ‘Blitzkrieg’ en het principe ‘Funken, Fahren und Schieszen’. Deze uitdrukkingen in de Duitse taal geven aan dat met name de Duitsers in de periode tussen beide wereldoorlogen, in denken en doen op dit gebied een grote voorsprong op de geallieerden hadden. Wie dus aan het begin van de 21e Eeuw de slag bij LOOS bestudeert en analyseert moet trachten zich te realiseren wat ‘the state of the art’ van 1915 voor de oorlogvoering betekent. Oorlog werd in die tijd geaccepteerd als voortzetting van de politiek met andere middelen (Von Clausewitz). Dat daarbij (heel) veel slachtoffers vielen werd als onontkoombaar beschouwd. De Koningin van het slagveld, de infanterie, moest zwaar bepakt en met de bajonet op het geweer in dichte golven aanvallen. Beide partijen gebruikten aanvan-kelijk nog cavalerie voor verkenningen en als manoeuvre-element. Paardentractie gold voor artillerie en logistiek. Automobielen waren schaars (slechts voor hogere staven e.d.); vrachtauto’s hadden weinig capaciteit, geringe technische betrouwbaarheid en waren in relatief geringe aantallen beschikbaar. Spoorwegen werden gebruikt voor strategische verplaatsingen en de aanvoer van reserves en voorraden. De informatieverzorging t.b.v. de commando-voering was afhankelijk van primitieve verbindingsmid-delen zoals de telegraaf (hogere niveaus), veldtelefoons (kwetsbare kabelverbindingen), ordonnansen (sneuvelend als vliegen), seinvlaggen, seinlampen, trompetsignalen en postduiven. Radio’s voor tactische commandovoering waren er nog niet. Het gebruik van grote aantallen vuur-monden met redelijk grote dracht en vurend met indirecte richting begon men pas in 1915 geleidelijk onder de knie te krijgen (vuur concentreren en verplaatsen). Het verkrijgen van doelinformatie was een probleem. Naast voorwaartse waarnemers (geen radioverbindingen) gebruikte men kwetsbare waarnemingsballonnen (telefoonverbindingen).

2. Westfront 1914-1915 en de BEF

De in grote lijnen volgens het Von Schlieffenplan verlopende Duitse opmars in augustus 1914 door België en Noord-Frankrijk kwam, na het Franse tegenoffensief in de slag aan de MARNE, in september tot stilstand. De ‘race naar de zee’ bracht geen doorbraak; het westfront liep vast en zo begon de loopgravenoorlog, die met grotere en kleinere offensieven van beide zijden niet veel anders opleverde dan enorme verliezen. Het betrekkelijk kleine Engelse Expeditieleger, British Expeditionary Force (BEF), speelde bij de vertragende terugtocht op de linkerflank (o.a. MONS) en bij het stoppen van de Duitsers (IEPER) een niet onbelangrijke rol.
Het jaar 1915 was tot half september voor de geallieerden nog al frustrerend en kostbaar verlopen.
Aan het oostfront was Duitsland succesvol geweest. Turkije bleek bij de Dardanellen een geduchte tegenstander. Italië, dat op 23 mei 1915 Oostenrijk de oorlog verklaarde was, daaren-tegen weinig succesvol. In 1915 waren de luchtaanvallen met Zeppelins op Engeland begonnen. Vooral Londen moest het ontgelden, hetgeen behalve aanzienlijke materiële schade ook negatieve effecten op het moreel veroorzaakte.
Het Engelse expeditieleger, dat in 1914 bestond uit 250.000 man professionals, had zware verliezen geleden. 50% van de officieren en onderofficieren werden in 1914 uitgeschakeld. Een grootscheepse wervingscampagne (‘England needs you’) leverde een stroom van vrijwilligers op. Hiermee en met ‘territorials’ werd vanaf begin 1915 ‘the New Army’ opgebouwd. Het was de bedoeling deze ‘Volunteer Army’ een sterkte van maar liefst 2 miljoen man te geven. Er zouden daarmee 56 divisies gecreëerd worden, ingedeeld in legerkorp-sen en legers. Training en encadrering leverden, gezien de reeds geleden verliezen aan beroepskader, niet geringe problemen op. De militaire kwaliteiten waren dan ook, ondanks een hoog moreel, aanvankelijk laag. Oorlogservaring zou, ten koste van gruwelijke verliezen, in de praktijk worden opgedaan.

II DE SLAG BIJ LOOS

3. Aanloop en operationele planning

Na de 2e slag bij IEPER in april 1915, waarbij de Duitsers voor de eerste maal gifgas gebruikten bij hun aanval, begon een offensieve periode voor de geallieerden. In mei van dat jaar vielen de Fransen en Engelsen bij respectievelijk Souchez (Vimy) en Festubert aan. Daarbij werden zware verliezen geleden en de resultaten waren verwaarloosbaar. Het onervaren nieuwe Engelse vrijwilligersleger (the New Army) had al eerder een soort vuurdoop ondergaan in de periode van 10-13 maart 1915 bij NEUVE CHAPELLE, een betrekkelijk kleinschalig offensief met slechts een aantal brigades. Het ging daarbij om een verrassingsaanval met een ‘early initial succes followed by the usual inability to exploit it’: geringe terrein-winst, zware verliezen en terugkeer van de overlevenden naar de eigen loopgraven. ‘Usual’ betreft dan ook een beeld dat zich in die periode en nog lang daarna zal herhalen. Overschatting van de resultaten van het eigen artillerievuur, onderschatting van de uitwerking van mitrailleurs, oprukken in gesloten aanvalsgolven over veelal open terrein en de reserves te ver naar achteren opgesteld. Bovendien was daar de snelle reactie van de Duitsers door aanvoer van versterkingen en het uitvoeren van onmiddellijke tegenaanvallen. Daarnaast gingen de Duitsers, onder andere n.a.v. de slag bij NEUVE CHAPELLE, hun verdediging in de diepte uitbouwen.
Na de periode van wat de Fransen noemden ‘la guerre de stabilisation’ vonden zij de tijd gekomen voor een groot offensief in Artois gelijktijdig met een grootschalig offensief in Champagne. Zij achtten deelname van de Engelsen essentieel, het moest gaan om een gezamenlijke krachtsinspanning. De Engelse generaal Haig, die de aanvallende Britse divisies moest leiden zag daar aanvankelijk niets in. Een aanval over open en vrij vlak terrein tegen een goed voorbereide verdediger beloofde, gezien de voorgaande ervaringen, niet veel goeds. Haig gaf voor de Engelse krachtsinspanning de voorkeur aan IEPER. De Franse bevelhebber Joffre stond er echter op dat de Engelsen ‘dan en daar’, bij LOOS, in nauwe samenwerking met de Fransen (bij LENS) zouden aanvallen. De Fransen oefenden daartoe grote druk uit op de Engelse bevelhebber French en zijn minister van Defensie, Kitchener, een beroep op het Engelse eergevoel doende om hun Franse vrienden niet in de steek te laten. Kitchener stemde toe, ook al om de publieke aandacht af te leiden van het debacle in de Dardanellen en tevens om de Duitse druk op de Russen te verlichten (E). Voor ‘the New Army divisions’ zou het de eerste grote slag worden.
Door een tekort aan artillerie en artilleriegranaten liet Haig twee opties ontwikkelen. De eerste optie ging uit van de mogelijkheid om gas in te zetten; een aanval met initieel zes divisies zou dan voldoende kunnen worden gesteund. Indien het niet mogelijk was om gas te gebruiken als gevolg van een verkeerde windrichting, dan zouden slechts twee divisies met de beschikbare artillerie voldoende kunnen worden gesteund. Pas in een laat stadium, namelijk in de nacht voor de aanval, zou de keuze gemaakt kunnen worden.
De Engelsen kozen voor uur U het aanbreken van de dag van 25 september 1915, zodat de consolidatie nog voor het invallen van de duisternis kon worden afgerond. De Fransen wilden niet voor 10.00 uur aanvallen omdat zij eerst de uitwerking van hun inleidende beschieting wilden kunnen zien. Tussen beide aanvalstijdstippen lag een periode van enkele uren, hetgeen de verrassing niet ten goede kwam.
De Engelsen hadden de LOOS-sector pas een maand voor de aanval van de Fransen overgenomen. Dit in verband met de groei van het Engelse leger. Joffre sprak bij die gelegenheid over ‘ideaal terrein voor een infanterieaanval’.
LOOS was in die tijd een mijnstadje omgeven door kolen-mijnen met de daarbijbehorende installaties en afvalbergen. Het terrein was over het algemeen open en vlak. Het lag in een lichte terreininzinking met een flauwe helling. Een lichte verhoging liep, in oostelijke richting, naar heuvel 70. De Duitsers bevonden zich op de wat hoger gelegen grond, verschanst achter prikkeldraad en in ook naar achteren uitgebouwde loopgraven met prima schootsvelden voor hun mitrailleurs (E).

4. Uitvoering van de operatie

De Engelsen begonnen hun voorbereidende beschieting bij het aanbreken van de dag op 21 september met 110 zware vuur-monden en 84 lichtere vuurmonden, rekening houdend met een frontbreedte van 12 km, de ‘grote optie’: 4 dagen, dag en nacht … Door de moeilijk te voorspellen ontwikkeling van de wind-richting besloot de door twijfels gekwelde Haig pas op het laatste moment gas te gebruiken. Om 06.30 werd derhalve de aanval ingezet met zes divisies. De initiële reserve bestond uit drie divisies. Deze ‘many miles to rear’ gelegen divisies stonden echter niet onder direct bevel van Haig, maar bleven onder controle van French, die om niet geheel duidelijke redenen een vinger in de pap wenste te houden.
Op de rechterflank woei op uur U de wind in de richting van de Duitse loopgraven. Door een speling van het lot hadden de Engelsen op de linkerflank echter de wind tegen met alle gevolgen van dien. In die dagen bestond de bescherming tegen gifgas nog slechts uit in vloeistof gedrenkte mondlapjes en ooglappen. Deze beperkte middelen boden slechts korte tijd bescherming (‘a few minutes’) en beperkten het zicht tot 10 yards. Toch ging men ook op de noordflank voorwaarts. Hoewel de verliezen om begrijpelijke redenen zeer hoog waren, noemde men de eerste dag van het offensief ‘succesvol’. Reserves zouden nu de doorbraak moeten voltooien. Die reserves waren echter op het cruciale moment niet ter plaatse. Men was nog onderweg en op dat moment op 9 mijl van de oorspronkelijke frontlijn verwijderd. De zwaar bepakte infanteriedivisies moesten in de stromende regen van te ver afgelegen verzamelgebieden opmarcheren (‘in darkness and rain’). Bovendien werden zij veel te laat onder bevel van Haig gesteld. Tijd en ruimte klopten dus absoluut niet met de operationele behoefte. Pas de volgende dag om 16.30 werden zij ingezet. De kwaliteit van deze troepen liet uiteraard te wensen over: doornat en dodelijk vermoeid. Bovendien betroffen het divisies van the New Army, zgn. Kitchener Volunteers, die nog maar net in Frankrijk waren aangekomen. Zij hadden derhalve nog geen enkele ervaring en moesten hun vuurdoop hier ondergaan. Waarom niet wat meer ervaren eenheden - die er wel waren - zijn ingezet is niet geheel duidelijk. Hieraan liggen geen rationele militaire redenen ten grondslag.
Ondanks vermoeidheid en de, wederom, verschrikkelijke verliezen gingen zij voorwaarts en maakten zij vorderingen, maar tot een doorbraak (en dan?) kwam het niet. Door mitrailleurvuur vielen in één uur 8000 man. De Duitsers spraken van ‘das Leichenfeld von LOOS’, hetgeen de situatie treffend weergeeft. Het is bijna niet te geloven dat Haig vijf maanden eerder nog tegenover the British War Councel had verklaard dat ‘the machine gun is a much overrated weapon and two per battalion is more than sufficient’. En dat na ongeveer driekwart jaar ervaring (C).
De latere Engelse Eerste Minister Harold MacMillan raakte op de tweede dag van de slag in de buurt van LOOS licht gewond. Hoewel er in de Eerste Wereldoorlog vaak werd gesproken van ‘les Généraux de Châteaux’, omdat de gevechten op de hogere niveaus veelal werden geleid vanuit wat meer achterwaarts gelegen kastelen (die zijn er nu eenmaal veel in Frankrijk), is het des te opmerkelijker, dat er in de slag bij LOOS drie Engelse generaals zijn gesneuveld. Bijvoorbeeld de comman-dant van de 7e divisie - die voorin zijn troepen leidde - sneuvel-de toen hij een van de laatste reservepelotons in de strijd voorging omdat de pelotonscommandant voor zijn voeten neerviel (E).
De gevechten gingen met aanvallen en tegenaanvallen nog door tot het einde van de eerste week van oktober, zonder dat er nog een duidelijk geconcentreerde poging tot doorbraak werd gedaan. Als het niet om mensenlevens ging zou men kunnen spreken van ‘men hield de kachel op een laag pitje brandend tot het hout op was’ (A).
Opmerkelijk is dat op het moment dat de uitgeputte Engelse reserves voorwaarts gingen Joffre de Franse aanval op de Vimy-hoogte afblies, omdat de Duitse artillerie niet voldoende tot zwijgen was gebracht. Hij gaf daarbij strikte orders de Engelsen (nog) niet op de hoogte te brengen, omdat zulks slecht voor hun moreel zou zijn ….. (E).
De verliezen aan beide zijden waren hoog. De Engelsen verloren 43.000 man, de Duitsers 20.000 (doden en gewonden). Hoog in relatieve zin, maar in absolute aantallen nog gering vergeleken bij de grotere slagen die aan het westfront nog zouden volgen.

III NABESCHOUWING

5. Analyse

Nadat de gevechten bij LOOS tot stilstand waren gekomen claimden beide partijen de ‘overwinning’ (B). Hoewel er objectief bezien geen sprake van ‘overwinning’ kan zijn trachten de Engelsen in hun literatuur daar toch wat inhoud aan te geven: ‘A great deal of nonsense has been written about LOOS. The real tragedy of that battle was its nearness to complete succes. But, alas, neither ammo nor reinforcements were immediately available and the great opportunity passed’ (E).
Natuurlijk zijn de genoemde factoren van invloed geweest op het verloop van de slag. Maar datgene wat de geallieerden in september 1915 voor ogen stond: inbraak en doorbraak gevolgd door doorstoten in diepte (‘to push on to LILLE’ (B)), teneinde de Duitsers in een bewegingsoorlog te kunnen verslaan was in die fase van de oorlog nog niet realiseerbaar. De ‘state of the art’ maakte dat onmogelijk: het vuur had een absoluut over-wicht op de beweging, middelen om de strijd flexibel en adequaat te leiden in de vorm van radioverbindingen ontbraken, cavalerie was ongeschikt om een doorbraak uit te buiten; de mitrailleur maakte dat volstrekt onmogelijk. Bovendien waren beide partijen nog onvoldoende uitgeput om te kunnen verwachten dat een van hen wel zou inzakken. Het was het stadium van loopgraven en slijtage waarbij ‘geen meter werd gewonnen’ doch daarentegen grote verliezen werden geleden door dagenlange artilleriebeschietingen gevolgd door massale infanterieaanvallen over veelal open terrein.
Pas geleidelijk kwamen nieuwe middelen ter beschikking die wederom geleidelijk geschikter werden voor het gebruik, zoals tanks (vanaf 1916) en vliegtuigen (eerst voor verkenningen en vuurleiding, later ook voor luchtsteun). Ook het zoeken naar andere methoden om te verdedigen (de diepte) en aan te vallen (Stosztruppen), alsmede het meer effectieve gebruik van de artillerie (Bruchmüller-Verfahren) begonnen pas vanaf 1916 enig effect te sorteren.
De slag bij LOOS wordt achteraf dan ook gekenschetst als ‘more of the same’, meer van hetzelfde met ook dezelfde resultaten: slechts zware verliezen en verder niets.
Het ‘leerproces’ nam noodgedwongen veel tijd. Tijd, die men zich politiek en militair niet gunde en ook niet kón gunnen. Een oorlog laat zich wel beëindigen, maar niet tijdelijk stilleggen. De tijden van het 12-jarig bestand uit de 80-jarige oorlog lagen, ook toen, al ver in de nacht van de geschiedenis. Zo bleef ook na de slag bij LOOS de behoefte bestaan een militaire beslis-sing te forceren. Van een politieke oplossing wilden politici en militairen toen nog niets weten en dat bleef zo tot het bittere einde in november 1918.

6. Gevolgen

De gevolgen van de voor de Engelsen toch wel dramatisch verlopen slag bij LOOS waren ingrijpend. Allereerst werd generaal French vervangen door Haig. Twee maanden na de slag ontving Haig een brief van Prime Minister Herbert Asquith met de mededeling dat French zijn functie ter beschikking had gesteld en ‘I have the pleasure of proposing you that you should be his successor’. (A)
In de tweede plaats werd het ‘munitieschandaal’ aangepakt. De munitieproductie had geen gelijke tred gehouden met de uitbreiding van de BEF. Lloyd George, de latere Prime Minister, werd als minister o.m. belast met een rigoureuze opvoering van de productie; Engeland trad daarmee het tijdperk binnen van wat wordt genoemd ‘the industrial war’.
Tot slot werd een ingrijpende wijziging van het legervormings-systeem doorgevoerd. Een ‘voluntary effort’ bleek niet voldoende te zijn om, ook op de langere termijn, de aanvulling van de BEF te kunnen garanderen. In januari 1916 werd ‘the Bill for Conscription’ aangenomen en daarmee was de algemene dienstplicht een feit: van Professional Army via Volunteer Army naar Conscript Army.
Eind 1915 bevonden de geallieerden zich in een weinig florissante positie. Aan het oostfront eindigde op 27 december een mislukt Russisch offensief tegen de Oostenrijkers. Russisch Polen was geheel in handen van Duitsland en Servië was op dat moment geheel bezet door Bulgaren en Oostenrijkers.
Op 27 december besloot het Engelse kabinet het Gallipoli- schiereiland (Dardanellen) te ontruimen.
De Duitsers begonnen de planning voor wat ‘het uitdelen van de genadeklap’ voor Frankrijk moest worden: VERDUN. Ook ontwierp Duitsland plannen voor de totale U-bootoorlog. De oorlog was eind 1915, ondanks de miljoenen gesneuvelden, nog geen stap dichter bij het einde gekomen. Beide partijen dachten in 1916 de beslissing wel te kunnen forceren: de Duitsers bij VERDUN, de Engelsen aan de SOMME.

IV BRONNEN / LITERATUUR

A Battlefields of the First World War, T. and V. Holt, ISBN 1-85793-770-8

B. The German High Command at War, R.B. Asprey, ISBN 0-7515-1038-6

C. First World War, M. Gilbert, ISBN 0-00637666-5

D. De Eerste Wereldoorlog, H.W. Baldwin, Het Spectrum 1965

E. World War One, Ph. Warner (A Chronological Narrative), ISBN 1-86019-8465

overzicht: