Servië, l'histoire se répète ???

DE ROL VAN SERVIË BIJ HET ONTSTAAN VAN DE EERSTE WERELDOORLOG

Door: J.H.J. Andriessen

Artikel is afkomstig uit “De andere Waarheid” van dezelfde auteur.

 

Servië, een van die landen op de Balkan,die zich na jarenlange strijd hadden ontworsteld aan de Turkse heerschappij, was in de 19e en begin 20e eeuw nogal eens in het nieuws en wist ook in onze jaren weer alle aan­dacht op zich te vestigen. 

Onze generatie heeft Servië leren kennen tijdens de „Bosnische crisis” in de negentiger jaren en automatisch kwam daarbij de herinnering op aan de tijd, toen dat zelfde Servië zo om­streeks de eeuwwisseling de wereld in beroering bracht, als notaire troublemaker te boek stond en in 1914 uit­einde­lijk de aanlei­ding werd tot de „Eer­ste We­reldoor­log”.

 

Was Servië echter wel de grote onruststo­ker zoals destijds wel werd beweerd?

 

 

In 1919 rapporteerde een door de geallieer­den samen­gestelde „Commissie onderzoek schul­dvraag” inzake de verant­woordelijk­heid van Servië voor de aanslag op de Oosten­rijk-Hongaarse troonopvolger in 1914, dat:

„de mis­daad, uitge­voerd door een Oostenrijk-Hongaars onder­daan op Oostenrijk-Hongaars grondge­bied,in geen geval Servië kon compromitteren en dat de oorlog was ontstaan als gevolg van een door Oosten­rijk-Hongarije vooropgesteld plan, het kleine dappere Servië te vernieti­gen”.

 

En in 1920 verklaarde dr Slavko Gronitch, Ser­visch ambas­sadeur in de Verenigde Staten, dat:

„recentelijk de meest positieve bewijzen openbaar zijn gewor­den waaruit blijkt dat Oostenrijk-Hongarije en Duitsland ten tijde van het Oos­tenrijk-Hongaarse ultimatum aan Servië, reeds de monsterlijke beslissing genomen hadden dat, wat het Servi­sche antwoord ook zou zijn, zij het de oorlog zouden verkla­ren.*1

 

en nog onlangs,in 1982, schreef Milo Dor in „Der letzte Son­tag” dat ten tijde van de afloop van het ulti­matum aan Servië, de bewijzen dat de moord door Serviers was gepleegd, nog steeds niet waren aange­toond.­*2. 

 

Het zijn slechts drie verklaringen uit een reeks van zeer vele, die allen de onschuld en de tragiek van het kleine dappere Servische volk beschrijven en die vergelijkingen doen opwellen met het evenzo tragische lot van Nederland toen het in  1940 door de Duitse overweldigers onver­wacht en onverdiend werd aangevallen en bezet.

 

Thans, meer dan driekwart eeuw later, blijkt deze vergelijking echter de toets van een critisch histo­risch onderzoek niet te kunnen doorstaan en dringt de vraag zich op of ook ­Servië niet gevoegd dient te worden bij de rij van landen die, hun handen steeds in on­schuld was­sende, in werke­lijkheid de mede- veroor­zakers waren van het wereldconflict dat tussen 1914 en 1918 werd uitgevochten..  

Om daarover wat meer duidelijk­heid te krijgen is het noodzake­lijk eerst wat dieper op de geschiedenis van Servië in te gaan

Wat was het geval?

 

DE VOORGESCHIEDENIS

We nemen U dan eerst mee naar de periode waarin Servië nog onder Turks bewind stond, een bewind waarte­gen de Serven zich met hand en tand hadden verzet maar waarbij de Turkse Sultan steeds de overhand had gehouden.

 

In 1800 echter brak er, onder leiding van George Petro­vitch, een opstand uit tegen de Turkse overheersers.

Petrovitch, die ook de naam Kara George of Zwarte George droeg, slaagde er in 1807 in de Turken uit het noorden van Servië te verdrijven maar in 1812 hernamen de Turken het gehele gebied en nu sloot Kara George een overeenkomst met de Russen die daarop druk gingen uitoe­fenen op de Turken om Servië minimaal intern bestuur te geven.

De Turken beloofden dit maar in de praktijk kwam er niets van deze beloften terecht en in 1813 was geheel Servië weer volle­dig onder Turkse controle en moest Kara George naar Hongarije vluchten waar hij echter prompt door de Hongaarse politie werd gearresteerd en gevangen gezet.*3

 

Teneinde de schijn op te houden en Rusland niet al te veel te prikkelen stelden de Turken nu een nieuwe Servi­sche leider aan welke in hun naam het gebied zou moeten bestu­ren.

Ogenschijnlijk voldeed men daarmede aan de Russische eis om de Serven meer bevoegd­heid te geven bij het interne bestuur van het land maar het zal duidelijk zijn dat het hier een „schijn bestuur” betrof en zoals gezegd,de werkelijke touwtjes bleven dus in Turkse handen.

 

De­ nieuwe leider droeg de naam „Milosh Obrenovitch”, een anal­pha­beet, door en door corrupt en vooral ook bekend om z’n wreedheid en onbere­kenbaarheid. De Turken konden gerust zijn, hun belan­gen waren bij Milosh in goede handen.

 

In 1817 gelukte het Kara George echter weer uit Hongarije  naar Servië terug te keren. Milosh kwam daarvan al snel op de hoogte en nam geen halve maatregelen. Hij liet Kara George door een zijner trawanten opsporen en vermoorden waarna hij diens afge­houwen hoofd, volgens goed plaatselijk gebruik, naar zijn Turkse meesters zond die dat ongetwijfeld op prijs hebben gesteld en in elk geval van z’n trouw over­tuigd zullen zijn geweest.

Toen de Servische Aarts-bisschop  Nik­itch het aandurfde tegen deze barbaarse daad te protes­te­ren werd ook hij al snel uit de weg geruimd en zo hield Milosh zich de tegenstanders van het lijf en zichzelf in het zadel.

 

In 1829 echter dwong Rusland de Turkse sultan om de interne onafhan­kelijkheid van Servië te erkennen en dit werd vastge­legd met het verdrag van Adrianopel.(1829-1830) waarbij Milosh benoemd werd tot erfprins van Servië en Turkije afzag van elke bemoei­enis met het interne bestuur van Servië.

Wel bleven er nog Turkse garnizoenen in het land voor de externe verdediging maar zij mochten zich niet meer met het bestuur be­moeien.

 

Milosh Obrenovitch deed overigens wel enkele pogingen het land op een wat modernere leest te schoe­ien en in 1833 voerde hij zelfs grote landhervormingen door waarbij voor het eerst in de ge­schiede­nis van Servië de boeren eigenaar werden van het land dat ze bewerk­ten.

 

Toch waren Milosh’s barbaarse methoden uiteindelijk de oor­zaak­ van zijn val en moest hij afstand doen van zijn troon ten gun­ste van zijn oudste zoon.

Deze overleed echter reeds binnen enkele dagen om te worden opgevolgd door zijn broer Mi­chael die het tot 1842 uithield alvorens ook hij  het veld moest ruimen voor Alexander,een telg uit het rivaliserende „Karageor­gevitch” geslacht.

 

Alexander had de troon nog niet bestegen of reeds waren de complotten tegen zijn leven aan de orde van de dag.

Toen hij wei­gerde om Servië te laten deelnemen aan de kant van Rusland in de Krim-oorlog, was het met zijn populariteit, zo hij die al had bezeten, gedaan en het feit dat hij er in 1856 in slaagde van de Grootmachten een collectieve garantie te ver­krijgen inzake de onafhankelijkheid van zijn land,*4 kon niet verhinderen dat hij twee jaar later moest aftreden en samen met zijn zoon Peter het land moest verlaten.   

 

Zijn opvolger werd, het zal U verrassen, wederom de ons inmid­dels bekende Milosh Obrenovitch die, na te zijn terugkeerd, zijn oude bewind van intimida­tie, corruptie en willekeur weer vrolijk oppakte alsof hij nimmer was weggeweest.

 

Ook nu weer zou dat echter van korte duur zijn want reeds twee jaar later, in 1860, stierf Milosh waarop zijn zoon Michael voor de tweede keer de troon besteeg.

 

Het was deze Michael die reeds een jaar later voor het eerst democratische verkiezingen invoerde en een geregeld leger oprichtte van 150.000 man.*5 en er in 1867 in slaagde, met steun van Oostenrijk-Honga­rije, ook de laatste Turkse garni­zoenen uit Servië te doen vertrek­ken 

 

Michael slaagde er voorts in met het „Bulgaarse Vrijheidscomi­te” een soort verbond te sluiten waarbij werd afgesproken dat zodra ook Bulgarije onafhankelijk zou zijn geworden en zich van het Turkse juk zou hebben bevrijd, de twee landen zich zouden verenigen onder zijn soeverei­niteit.

Michael streefde met zijn buitenlandse politiek duidelijk de vereni­ging van alle Slavische volkeren na en als zodanig was hij eigenlijk de eerste practische uitvoerder en grond­legger van de „Groot Servië” gedachte.

 

Ook Michael Obrenovitch zou het echter niet lang maken want traditie getrouw werd hij, het was 10 juni 1868, tijdens een wandeling  in het stadspark vermoord, moge­lijk door een der leden van het geslacht Karageorgevitch alhoe­wel dat nimmer is bewezen.

Michael nu, werd opgevolgd door z’n 14-jarige neef Milan, welke, nadat hij oud genoeg was geworden om de troon te be­stijgen, al heel snel onder invloed van Oostenrijk-Hongarije kwam te staan.

Oostenrijk-Hongarije, dat er alle belang bij had om haar invloed in de Balkan zo groot mogelijk te houden, o.m om een tegen­wicht te vormen tegen de Russische aspiraties in dat gebied, wenste geen sterk zelfstandig Servië en probeerde dat land dan ook op vreedzame wijze te annexeren.

 

Koning Milan, die er maar op los leefde en zeer grote schulden maakte welke steeds door Oostenrijk-Hongarije werden gefinan­cierd, was daardoor een gemakkelijke prooi en de Oostenrijk-Hongaarse in­vloed op Servië in de jaren van zijn bewind was dan ook mani­fest, vooral ook op economisch gebied.

Milan liep geheel aan de leiband van Oostenrijk-Honga­rije en dacht er niet aan zijn positie in de waagschaal te stellen door zich tegen zijn „meesters” te verzetten.

 

Dat bleek bijvoorbeeld duidelijk in 1875 toen er in het door Turkije bestuurde Bosnië-Hercegovina een revolte uitbrak.

De Servische minister van buitenlandse zaken, Ristitch, was van mening dat dit de kans voor Servië was om haar ideaal,een  „Groot Servië”, te realiseren en stelde Milan voor deze twee provin­cies, waarvan het overgrote deel van de bevolking Ser­visch was,binnen te trekken om de Turken te helpen verdrijven. Op deze wijze dacht hij tevens een stap dichter bij het ver­krijgen van een eigen haven aan de Adriatische Zee te komen en tegelijkertijd te voorkomen dat Oostenrijk-Hongarije Bosnië zou bezetten, immers daar­door zouden er zowel aan haar Noord- als aan haar Westgrens Oostenrijk-Hon­gaarse troepen komen te liggen en dat was wel het laatste wat hij wilde.Ook de kans op een haven zou dan welhaast voor goed verkeken zijn.

Ristitch begreep natuurlijk wel dat zo’n actie zeker op verzet zou stuiten van de Grootmachten, maar hij was bereid de gok te nemen en ging van de gedachte uit dat als de Servische troepen eenmaal Bosnië-Hercegovina hadden bezet, ze daar niet gemakke­lijk meer uit te krijgen zouden zijn.

 

Koning Milan, begrijpende dat Oostenrijk-Hongarije hem zo’n actie niet in dank zou afnemen, aarzelde echter zijn toestem­ming te geven en toen hij eindelijk, in 1876, onder zeer grote druk kon worden overgehaald was het reeds te laat.  

In dat jaar n.l stelden de Russische Tsaar en de Oostenrijk-Hongaarse keizer in onderlinge afspraak hun invloedsferen in de Balkan vast waarbij Rusland zich op het Oosten en Oosten­rijk-Hongarije zich op het Westen (op Servië dus) gingen richten waardoor de Russische belangstelling voor de Serven uiteraard aanzienlijk verminderde.*6

 

Milan, die het gunstige moment derhalve had laten passeren, gaf nu, om z’n gezicht te redden, toch het sein tot de aanval maar dat kwam hem duur te staan.

De Turken sloegen hard terug en drongen al snel Servië binnen en nu was het Rusland dat ingreep,(october 18­76),­en de Turken dwong vrede te sluiten op straffe van oorlog.

 

Tijdens de daartoe gehouden conferentie van Constantinopel

moest Turkije nu tevens beloven dat het hervormingen zou doorvoeren t.b.v de Christenen in haar eigen land maar toen in 1877 bleek dat ook daar niets van terecht kwam en ook de Bulgaren weer in opstand kwamen, besloot Rusland, met hulp van Roemenië en Servië, Turkije de oorlog te verklaren.

Het was duidelijk dat Turkije in deze oorlog het onder­spit moest delven en op 3 maart 1878 tekende het dan ook het be­ruchte verdrag van San Stefano waarbij het grote stukken van haar grondgebied  aan de overwin­naars moest prijs­ge­ven.

 

RUSLAND EN DE VERDELING VAN DE BALKAN

Rusland begon daarop direct de verhoudin­gen in de Balkan in haar voor­deel om te zet­ten.  Bulgarije werd enorm vergroot en haar nieuwe grenzen reikten in het oosten tot dicht bij Con­stantinopel en in het zuiden tot diep in Macedonië.

Bosnië-Hercegovina werd autonoom  en ook Servië en Monte­negro profi­teerden van de Russische over­winning, uiteraard ten koste van Turk­ye.

 

Direct stond de gehele wereld op haar achter­ste benen, be­vreesd als men was dat Rusland nu te machtig zou worden en een te dominante positie in de Balkan zou gaan innemen en, nog be­lang­rij­ker, de kans dat Rusland in het bezit  van de Darda­nellen en Bosporus zou komen en daardoor recht­streeks toegang tot de Middel­landse Zee, werd aanmerkelijk vergroot en daar was men mordi­cus op tegen.

Zowel Engeland, Frank­rijk, Italië als Oosten­rijk-Honga­rije be­schouwden die Middel­landse Zee als hun eigen achtertuin waarin de Russen niets te zoeken hadden en men besloot dan ook met alle macht te voorkomen dat de Russen daar toegang toe zouden krijgen.

On­der druk van vooral Oosten­rijk-Honga­rije maar met medewer­king van de overige Groot­machten, werd Rusland nu min of meer gedwon­gen deel te nemen aan een inter­nationale conferen­tie te Ber­lijn (13 juli 1878)  waarbij Duitsland (Bis­marck) als „bemidde­laar” optrad.

 

Men eiste nu herzie­ning van het verdrag van Stefano  en na een verbeten diplomatieke strijd moest Rusland uiteinde­lijk toege­ven.

Zo kon het gebeuren dat Bulgarije het grootste deel van haar zojuist verkregen gebied weer moest afstaan .

Een deel daarvan werd aan Servië toegekend dat maar liefst vijftig procent groter werd, een ander deel aan Roeme­nië en geheel Macedonië werd weer aan Turk_e teruggegeven. Z.Bulga­rije werd omgedoopt tot Rume­lië en als aparte provin­cie, onder een Christen gou­verneur en met een eigen strijd­macht, bij Turkije gevoegd en tenslotte werd Oostenrijk-Honga­rije aange­wezen om het bestuur van Bosn­ië-Hercegovina op zich te nemen.

Het behoeft geen betoog dat de beslissingen van het Congres zowel in Rusland als in de betrokken landen diepe indruk maakten en als zeer vernederend werden ervaren.

Met name Servië, dat overi­gens een grote gebiedsuitbrei­ding onder­ging, was zeer ongeluk­kig.

Men had steeds de hoop gehad dat met het verdwijnen van het Europese deel van Turkij­e, Bosnië-Hercegovina, waar zoals bekend, miljoenen Slaven woonden, alsnog bij het Servi­sche moederland gevoegd zou worden en deze hoop werd nu de bodem ingeslagen door de be­slissing om n.b het vijandige Oostenrijk-Hongarije met het bestuur van beide provincies te belasten.

 

Ook Bulgarije was zeer teleurgesteld en begon onmiddellijk met ondergrondse acties in Macedonië in de hoop dit land in de toekomst alsnog bij haar grondgebied te kunnen voegen. Ook in Oost-Rumelia deed men er alles aan de bevolking te beïnvloeden en niet geheel zonder succes want in 1885 verklaarde dit gebied zich bij Bul­garije te willen voegen en dit werd natuur­lijk met graagte geaccepteerd.

Dit echter bleek nu voor Servië onverteer­baar en al snel verklaar­de het Bulgarije de oorlog doch weldra zou blijken dat dit een grote vergis­sing was.

De Bulgaren, die zich de toorn van Rusland op de hals hadden gehaald door hun eigenzinnig optreden in Oost-Rumelië en Macedonië kregen in eerste instantie een grote tegenslag te verwerken.

Het Bulgaarse leger werd n.l geleid door Russische hoofd-officieren en de Tsaar besloot die nu onmiddellijk terug te roepen waardoor het Bulgaarse leger in een klap zonder lei­ding kwam te zitten.

Toen de Serven het land binnen vielen vocht het Bulgaarse leger dan ook onder aanvoering van kapiteins, luitenants en onder-officieren maar ze verdedig­den zich fanatiek, ver­sloe­gen de Ser­ven binnen korte tijd waarna zij zelfs de ach­ter­vol­ging inzetten en diep het Servi­sche grondge­bied binnen drongen.

 

Het was ditmaal Oostenrijk-Hongarije, dat zich als bemidde­laar aanbood en kort daarop met gewa­pende inter­ventie dreig­de er daardoor voor zorgende dat de Bulgaren uiteindelijk de strijd staak­ten en Servië weer ver­lieten.*7

 

Dui­delijk is dat Oos­tenrijk daarmede haar invloed in Servië nog verder  versterkte en dat droeg er weer aan bij dat de positie van koning Milan intern steeds moeilijker werd.

Servië werd in feite een vazalstaat van Oostenrijk-Hongarije

waaraan koning Milan zich met huid en haar had verkocht.

Nog in 1881 had hij een geheime overeenkomst met de Oostenrij­kers gesloten waarbij hij zijn aanspraken op Bosnië-Hercego­vina opgaf en beloofde geen verdragen met anderen te zullen slui­ten zonder toestemming en medeweten van Oostenrijk-Honga­rije.

In ruil daarvoor garandeerde Oostenrijk-Hongarije de Obreno­vitch dynas­tie blijvend te zullen steunen.

In feite moet ge­steld worden dat de daarop volgende jaren Oostenrijk-Honga­rije Servië als haar eigen „protectoraat” behandelde.

Economisch betekende dat ondermeer dat alle Servi­sche export via Oostenrijk-Hongarije moest lopen, elk bouwcon­tract naar Oostenrijk-Hongaarse firma’s ging, de Servische plannen om een spoorlijn aan te leggen door Oostenrijk werden geblokkeerd en op internationale conferenties Oostenrijk-Hongarije namens Servië het woord voerde.

E.e.a leidde in Servië tot steeds grotere weerstand tegen koning Milan en uiteindelijk tot zijn val in 1889 toen hij moest aftreden ten gunste van zijn zoon Alexander Obreno­vitch.

 

HET EINDE VAN DE OBRENOVITCH DYNASTIE

DE MOORD OP KONING ALEXANDER

Inmiddels realiseerde men zich in Rusland meer en meer dat de pro-Oosten­rijk-Hongaarse politiek van de Servische koning niet in het voordeel van Rusland kon zijn en men begon zich af te vragen of de afspraak inzake de respec­tievelijke aan te houden in­vloedsfe­ren wel verstandig was geweest. 

Het was toen dat Rusland zich langzaam maar zeker ging verzet­ten tegen het bewind van de Obrenovitch-dynastie en op midde­len zon om daar een eind aan te maken.

 

Rusland begon in te zien dat het bezit van de

„Strai­ts”, voorlopig nog wel een schone droom zou blijven  zolang de Grote Mogendheden hun oppositie tegen een vrije doorgang van Russische oorlogs­schepen naar de Middellandse Zee, niet zouden opgeven.

Die oppositie zou mogelijk verdwijnen als men er in zou slagen de verhouding met o.a Frankrijk en Groot Brittannië te verbe­teren en vanaf dat moment werden de Russische plannen lang­zaam maar zeker in  die rich­ting bijge­steld.

 

Inmiddels bezette Alexander Obrenovitch nu de Servische troon. Hij pakte de zaken direct al zeer fors aan door zijn ministers tijdens een diner te laten arresteren en de door zijn vader in 1888 nog juist ingevoerde nieuwe constitutie , waarbij de ministers verantwoordelijk werden aan een parlement, op te heffen en de macht weer aan zichzelf te trekken.

Ook Alexander echter volgde een pro-Oostenrijk koers en dat zette kwaad bloed bij de top van de strijdkrachten.

Hij deed weinig om zich populair te maken en in 1897 liet hij zijn vader terugkeren als opper­bevelhebber van het leger hetgeen hem wederom niet in dank werd afgenomen. Toen hij tenslotte ook nog besloot tegen de wens van regering en volk in, te trouwen met een hofdame van zijn moeder waar­van gezegd werd dat ze onvruchtbaar was en derhalve niet voor nakomelin­gen zou kunnen zorgen, was de maat vol *8 en in juni 1903 werd de koning, zijn gemalin, haar twee broers en de minis­ter van Oorlog, op brute wijze vermoord en kwam er een eind aan de Obrenovitch-dynastie in Servië.*9

Het zal duidelijk zijn dat deze gang van zaken, welke overi­gens de gehele wereld door haar bruutheid deed schokken, Rusland niet onwelgevallig was en ze erkende Alexanders opvol­ger dan ook onmiddellijk en zonder aarzeling. 

 

Acht dagen na de moord op koning Alexander en zijn echtgeno­te,besteeg Peter Karageorgevitch de Servische troon. De 60 jarige Peter werd uit zijn ballingschap te Genève terug geroe­pen en op 15 juni 1903 tot koning gekroond.

 

Peter’s aantreden was het begin van de ver­wijde­ring tussen Servië en Oostenrijk-Honga­rije en leidde uiteindelijk tot een breuk welke nimmer meer hersteld zou worden.

Die verwijdering had twee oorzaken.

In 1905 probeerde de koning de knellende economische banden met Oostenrijk-Hongarije te versoepelen door een handelsver­drag te sluiten met Bulga­rije waar­door tevens ook de kunstma­tige tarief­barrieres tussen beide landen zouden komen te vervallen. Oostenrijk-Hongarije zag daarin een aantasting van haar be­voorrechte positie en verzette zich met hand en tand door te dreig­en dan alle handelsbetrekkingen met Servië te zullen beëindigen.

Om de zaak nog scherper te stellen eiste men tege­lij­kertijd dat Servië een order voor de levering van artillerie en spoor­wegmateriaal bij Frankrijk zou annule­ren en in Oostenrijk zou plaatsen.

 

Omdat 90% van alle Servi­sche export via Oostenrijk-Hongarije liep, was men er zeker van dat Servië bakzeil zou halen omdat het zich niet veroor­loven kon haar handelsbelangen en daarmede haar bestaan op het spel te zetten.

Koning Peter echter bleek zich van de Oostenrijk-Hongaarse dreigementen niets aan te trekken *10 en zocht nu naar moge­lijkheden de export via Turkije en via de Donau naar Europa te vervoeren en alhoewel Oostenrijk inderdaad haar grenzen sloot voor het voornaamste Servische exportproduct, varkens, bleek in 1906 dat het verlies van deze markt geheel kon worden opgevangen door nieuwe afzetkanalen in Frankrijk, Duitsland , Italië, Egypte en Bulgarije zodat de Oostenrijkse actie ­zich uiteindelijk tegen haar zelf keerde en een eind maakte aan de Oostenrijk-Hongaarse economische monopoliepositie.

 

Er was echter ook nog een politieke oorzaak voor de ontstane verwijdering tussen Servië en Oostenrijk-Hongarije.

Direct na de troonsbestijging van Peter Karageorgevitch leefde in Oostenrijk-Hongarije nog de hoop dat haar dominante positie in Servië gehandhaafd zou kunnen blijven maar het kwam daarbij bedro­gen uit. 

Peter zat nog geen dag op z’n troon toen hij reeds bekend maakte koning te willen zijn van een „Groot Servië” d.w.z van alle Serven in het Balkan gebied en hij maakte daarbij dus duidelijk aanspraak op Bosnië-Herce­govina, het nieuwe mandaat­gebied van Oostenrijk-Hongarije waar enige miljoenen Slaven woonden.

Deze openlijke aanspraak was uiter­aard koren op de Russische molen en het is duidelijk dat de Servisch-Russische verhouding uitermate innig werd terwijl die tussen Servië en Oostenrijk-Hongarije direct aanmerkelijk bekoelde.

Zo was de situatie in de Balkan, na het aantreden van koning Peter, in het nadeel van Oostenrijk-Hongarije veranderd en had dit land plotseling een bond­genoot,(Servië) verloren terwijl Ruslands invloed aanzienlijk toenam doordat het eerst Bulga­rije, dat de Oostenrijk-Hongaarse inmenging in haar oorlog met Servië nog niet was vergeten, en nu ook Servië aan zich had weten te binden. 

De basis voor een groot conflict in de Balkan was daarmede ge­legd en Oostenrijk-Hongarije begon zich dan ook zorgen te maken over de veiligheid van z’n gren­zen en, naar we zullen zien, niet geheel ten onrechte.

 

EEN GEVAARLIJKE ONTWIKKELING

De innige band tussen Rusland en Servië betekende een poten­tieel gevaar voor het voortbestaan van de Dubbel-Monarchie, ja zelfs voor de vrede in geheel Europa.

Als gevolg van het alliantie-stelsel, waarbij de diverse bondgenoten elkaar militaire steun beloofden ingeval een van hen zou worden aangevallen, zou zelfs het kleinste conflict zeer ernstige gevolgen kunnen hebben. Welnu, in de Balkan was een situatie ontstaan waarbij de conflictstof hoog opgesta­peld lag. Servië, een klein land met torenhoge ambities en met als ideaal de vorming van een „groot Servisch Rijk”, Oosten­rijk-Hongarije met enkele miljoenen Serven binnen haar lands­grenzen die steeds meer onder invloed raakten van de voortdu­rende Servische propaganda en agitatie, en Rusland dat haar invloed in de Balkan wilde handhaven en uitbreiden en in Servië de ideale mogelijkheid zag om de kastanjes voor haar uit het vuur te halen door als voortdurende bron van onrust te fungeren ter detrimentie van Oostenrijk-Hongarije, het land dat de Russi­sche positie op de Balkan betwistte.

Het is duidelijk dat Rusland alle troeven in handen had.*11. Het behoefde Servië slechts te steunen in haar „Groot Servi­sche” aspiraties om zodoende de sleutel tot het doen ontstaan van een groot conflict op de Balkan, in handen te houden.

Zo’n conflict, tussen Servië en Oostenrijk-Hongarije, zou Duitsland verplichten Oostenrijk-Hongarije te steunen, Rusland zou Servië steunen en Frankrijk en Engeland zouden zich bij Rusland aansluiten en geheel Europa zou in brand staan en dat was nu juist wat Rusland, Frankrijk en Engeland voor ogen stond toen ze hun alliantieplannen vervolmaakten, een Europese oorlog waarbij Frankrijk Elzas Lotheringen zou terugkrijgen, Rusland de toegang tot de Middellandse Zee en een leidende positie op de Balkan terwijl Engeland verlost zou worden van een concurrent die dreigde haar economisch en politiek voorbij te streven. 

Het behoeft geen betoog dat zo’n oorlog pas zou mogen uitbre­ken, op het moment dat Rusland en haar bondgenoten daarvoor gereed zouden zijn. Pas dan zou de afrekening met Duits­land kunnen beginnen, het land dat met naam en toenaam genoemd werd in artikel 3 van het Frans-Russische verdrag en waarvan de ontwerper, de Franse generaal Mirabel in een voorwoord

schreef:

„Het belangrijkste doel is eerst onze voornaamste vijand te vernie­tigen, de ondergang van diens bondgenoten zal dan auto­matisch volgen, in andere woorden, op het moment dat Duitsland van de aardbo­dem is verdwenen zullen de Frans-Russische legers hun wil kunnen opleggen aan Oostenrijk-Hongarije en Italie­*12.

 

RUSLAND STEUNT SERVIË

Vanaf 1903 begon er nu een duidelijke lijn te komen in de Russische Balkanpolitiek.

Men zag het fel begeerde doel, het bezit van de Dardanellen en de Bosporus- en daarmede een vrije toegang tot de Middellandse Zee, plotseling binnen bereik komen  en de Tsaar liet  zijn minister Witte weten dat hij van hem verwachtte dat dit doel nog tijdens zijn bewind zou worden gereali­seerd.*13.

 

Vanaf dat moment werd deze wens het politieke credo van het Russi­sche ministerie van Buitenlandse-Zaken en om e.e.a te bewerk­stelligen werd de Russische invloed op de Balkan nu met alle mogelijke middelen versterkt.

 

De Italiaanse minister-presi­dent, Nitti, schreef daarover na de oorlog in zijn memoi­res:

„De Russische politiek m.b.t Servië  was ronduit crimineel. Speciaal in Servië voerde Rusland een cynische en schaamteloze politiek van cor­ruptie en voedde op alle mogelij­ke manieren revolutionaire bewegingen tegen Oos­tenrijk-Honga­rije”.*14.

Maar ook buiten Servië was de  Russische agitatie actief en men probeerde d.m.v het oprichten en stimu­leren van een z.g. „Bal­kan League” aan dit streven rich­ting te geven.*15

De toenmalige Servische zaakgelastigde in Berlijn, Bogitshe­vitch, schreef hierover in zijn boek „Causes of the War”:

„Bezien we de maatregelen welke Rusland nam om haar invloed in Servië te vergroten, haar bemoeienissen met de interne situa­tie in dat land waaronder het opzetten van Servische politici tegen koning Milan en de onmiddellijke erkenning van de Kara­georgevich dynastie direct na de moord op koning Alexa­nder en tenslotte de activi­teiten van Rusland in de laatste jaren voor de oorlog , waar­bij Servische staatslieden willoze ge­reed­schappen werden van de Russische politiek ,dan moest dat alles wel leiden tot oorlog welke kans nog werd vergroot door de Russische inspan­ningen om tot een Balkan-League te ko­men”.*16.

 

Het past dan ook geheel in het tijdsbeeld dat eerder reeds,met Russische steun en Russisch geld in Servië een nieuwe politie­ke partij, de Radicale Partij, werd opgericht en het was deze partij die in het geheim meewerkte aan de verwijdering van de zwakke en Oostenrijk-Honga­rije-gezinde koning Milan en zich o.a bezig ging houden met het ver­sprei­den van sterk anti Oosten­rijk-Hongaarse propa­ganda waar­bij het feit dat dit Rijk vele Serven en Kroaten in haar territorium huisvestte, die poli­tiek na­tuurlijk in de kaart speelde.

 

Uit een geheim memorandum van 1904 lezen we o.m een aantal doelen welke deze partij nastreefde t.w.:

  1. Een bondgenootschap van Servië met Montenegro en Bulgarije.
  2. Het uitbreiden van de handel met andere landen ten koste van die met Oostenrijk-Hongarije.
  3. Het steunen van de Hon­gaarse onafhankelijkheidsbeweging in  Oostenrijk-Hongarije en het steunen van Servische groepe­ringen in Bosnië-Hercegovina.
  4. Het consequent en systema­tisch in diskrediet brengen van de Oostenrijk-Hongaarse rege­ring in Bosnië-Hercegovina.
  5. Het oprichten van een ambulant comité welke de geheime contacten moest onderhouden met de leiders van de Servische     groeperingen in Oostenrijk-Hongarije­*17.

Het zal duidelijk zijn dat zo’n politiek nu niet bepaald bevorder­lijk was voor een vreedzaam samengaan en vroeg of laat tot een conflict moest leiden.  

 

DE „ZWARTE HAND”

Naast de Servische „Radicale Partij” werden er voorts een aantal  ver­enigin­gen opgericht die uitsluitend tot doel hadden de „Groot Servi­sche” gedachte onder het Servische volk uit te dragen waaronder de „Narodne Odbrana” in 1909 en de „Ude­din­jenje Ili Smrt” alias „Zwarte Hand” alias „Union or Death” in 1911.

 

De statu­ten van de „Narodne Odbra­na” logen er niet om en voorzagen in o.m de oprichting van tegen Oostenrijk-Honga­rije gerichte vrijwilli­gerskorpsen en de voorbereiding daarvan op gewapende ac­ties, het organiseren van aparte gue­rillagroepen enz.enz.*­18.

De statuten van „De Zwarte Hand” waren nog radicaler.

Artikel 2 van die statuten stelde bijv, dat de voorkeur werd gegeven aan terrorisme boven propaganda en derhalve diende de strikste geheim­houding te worden bewaard t.o.v niet-leden.*19.

„Zwarte Hand” leden werden verplicht een verklaring te onder­tekenen waarin zij min of meer over zichzelf de doodstraf uitspraken indien zij de organisatie zouden verraden.

 

Het was vooral deze laatste organi­satie welks doelstellingen zich vooral op het „bevrijden” van Bosnië-Hercegovina richtte en die later de hand had in de moord op de Oostenrijk-Hongaar­se troonop­volger Franz Ferdi­nand, die het gehele poli­tieke leven in Servië ging bepalen en doordrong in practisch alle geledin­gen van het openbare leven.

Haar leden vond men tot in de hoogste kringen en uiteindelijk slaagde men er in om practisch alle belangrijke posten in leger, politie en regering in handen te krijgen.

 

In het begin ontstonden daarbij wel problemen en verzette een aantal ministers zich tegen de groeiende invloed van de „Zwar­te Hand” maar al snel bleek dat elk verzet nutteloos was en zelfs zeer gevaarlijk kon zijn omdat men niet schroomde tegen­standers met het leven te bedreigen en te intimideren.

 

De „Zwarte Hand” slaagde er voorts in ook in de „Radicale Partij” te infiltreren waardoor daar een splitsing ontstond tussen leden- en niet leden van de organisatie en dit gaf vaak aanleiding tot grote interne spanning welke echter uiteinde­lijk steeds door de „Zwarte Hand” gewonnen werd.*20

 

Servië richtte zich nu, open­lijk en  met alle kracht op agres­sie, agitatie en terrorisme tegen de Oosten­rijk-Hongaarse monar­chie en het werd daarbij in het geheim krachtig gesteund door Rusland.

Het uitein­delijke Servische doel was, een „Groot Servië” waar­bij alle Slavische volkeren verenigd zouden worden onder Servisch bestuur.

Dit doel kon natuurlijk alleen be­reikt worden ten koste van Oostenrijk-Hongarije dat immers miljoenen Slaven onder haar onderdanen telde. Zoals gezegd,een groot con­flict lag derhalve in het verschiet.

 

OOSTENRIJK-HONGARIJE OVERWEEGT MAATREGELEN

De nieuwe Oostenrijk-Hongaarse minister van Buitenlandse Zaken, Aehrenthal die in 1906 aantrad,zag al deze ontwikkelin­gen met grote zorg aan en hij werd daarbij  gesteund door de opperbe­velheb­ber Conrad.

Met name de toenemen­de steun van Rusland aan Servië baarde hen zorg en die bezorgdheid zou nog veel groter zijn geweest als ze ken­nis hadden kunnen nemen van enige andere artikelen van de statuten van de „Zwar­te Hand” zoals bijvoorbeeld:

 

artikel 1:”Het doel is de realisatie van het nationale ideaal, de een­wording van alle Serven”*21. en artikel 4 dat zei:”Ten­einde onze doelen te bereiken dient de organisa­tie haar in­vloed uit te breiden tot de regering, tot alle lagen der bevolking en het gehele socia­le leven te door­drin­gen. Ze dient voorts in alle gebieden waar Serven wonen, revolutio­naire activiteiten te ontplooien*22.

 

Het is voorts interes­sant kennis te nemen van de tekst van de afge­legde eed door nieuwe leden van deze organisatie. Ze luid­de:

„Ik zweer bij de zon welke op mij schijnt, bij de aarde welke mij voedt, bij God en het bloed van mijn voorvaderen, bij mijn eer en leven dat ik vanaf dit moment tot aan mijn dood,de zaak van de organi­satie getrouw zal dienen en immer gereed zal staans mij voor haar op te offeren.

Ik zweer bij God, mijn eer en leven dat ik alle op­drachten zonder vragen zal uitvoe­ren.

Ik zweer bij God, mijn eer en leven dat ik alle geheimen van de organi­satie in het graf zal meenemen.

Moge God en mijn kameraden over mij oorde­len als ik deze eed breek”.

 

Het afleg­gen van deze plechtige eed ge­schied­de dan in een geheel verduisterde kamer aan een met zwart doek om­floerste tafel waarop naast een doodshoofd voorts een dolk, een granaat en een flesje gif waren neergelegd, en dat alles om de drama­tiek van het moment te benadrukken.­*23.

 

De Oostenrijkse bezorgdheid bereikte een hoog­tepunt toen men er van overtuigd raakte dat de Servi­sche regering of althans leden daarvan de facto achter de doelstel­lingen van beide organisa­ties stonden en hoge legerof­ficieren daarin leidingge­vende posities be­kleedden. 

 

De situatie was dan ook bijzonder moei­lijk. Oosten­rijk-Honga­rije had bij het Congres van Berlijn het bestuur over Bosnië-Hercegovina gekre­gen maar het gebied stond offi­cieel nog onder suzereiniteit van de Turkse Sultan. Men kon er alleen politie­ta­ken uit­voeren maar voor binnen­landse problemen kon men geen militai­ren inzetten. 

Het aantal aanslagen en subversieve acties nam echter groteske afmetingen aan en het is duide­lijk dat men zich hier tegen wilde verwe­ren. Uitslui­tend een mili­taire actie zou echter resultaat kunnen opleveren maar daartoe was men niet in staat.

Het was generaal Conrad, die in een nota de ernst van de situatie samen­vatte.*24.

 

„Oos­ten­rijk-Honga­rije, zo schreef hij,

wordt momen­teel zowel van binnenuit als van buitenuit be­dreigd.

Van binnenuit door de tegenstel­lingen tussen de etni­sche groepe­ringen in Bosnië, de problemen met de Serven, die bij Servië willen horen, Tsje­chen, die ‘n onafhankelijke staat wil­len, de Mohammeda­nen, die bij de Turken aansluiting zoeken, en de Christenen, die bij Oos­ten­rijk-Hongarije willen blijven, en tenslotte is er dan nog de onrust in het Hongaarse deel van het Rijk.                     

Van buitenuit komen er bedrei­gingen door:

  1. Het streven van Rusland naar invloed in Constantinopel,naar     een leidende rol in de Balkan en door haar streven de Duitse plannen in Azië te doorkruisen.
  2. Door Italië, dat delen van Oostenrijks gebied aan de Itali­aanse grenzen in bezit wil krijgen en de hegemonie in de  Adriatische Zee.
  3. Door het streven van Servië naar een „Groot Servisch” Rijk en haar agitatie in Bosnië en Hercegovina om dit te berei­ken.
  4. Door Roemenië, dat de door Roemenen bewoonde Oostenrijkse gebieden in bezit wil krijgen en tenslotte:
  5. door de toenemende openlijke vijandigheid van Frankrij t.o.v Oostenrijks bondgenoot Duitsland.

Het is zonneklaar dat deze analyse een zorgwekkend plaat­je te zien gaf, vooral ook in het licht en de omstan­digheden van die tijd.

 

Het is opvallend dat er zo weinig aandacht is geschonken aan de toch wel benarde politieke situatie waarin de Dubbel-Monar­chie zich toendertijd bevond ook al moet worden toegegeven dat Oostenrijk-Hongarije e.e.a deels aan zichzelf te danken had als gevolg van de vrij cynische politiek die het steeds t.o.v Servië had gevoerd.

Dat de situatie ernstig was blijkt wel uit de berichten  over het toenemend aantal moorden en aanslagen en de onmacht van de autoriteiten zich daar tegen te verwe­ren.

Meer en meer werd men als gevolg van deze situatie in een rich­ting van krachtda­dig ingrijpen gedron­gen maar tegelijker­tijd besefte men daar­toe niet de mogelijk­heden te bezitten.

 

Het was weer Conrad die, in een memorandum aan minister Aeh­renthal van 19-11-1907, voorstelde om Bosnië-Hercegovina officieel te annexeren waardoor men militair kon ingrijpen om zo orde op zaken te stellen en de rust in Bosnië te doen wederkeren.

Hij achtte dit voorts dringend gewenst omdat het gebied z.i uitermate kwetsbaar was geworden voor eventuele onverwachte aanvallen door o.a Servië en/of Italië.*25.

 

Zoals bekend volgde Aehrenthal, na lang aarzelen, zijn advies op en annexeerde Bosnië-Hercegovina in oktober 1908, niet nadat hij hierover in het geheim overleg had gevoerd met zijn Russische collega Is­wols­ki. die hij in ruil voor acceptatie van de annexatie de belof­te deed deze te zullen steunen in zijn pogingen om toe­gang te krijgen tot de Dardanellen en de Bospo­rus, de Middel­landse Zee dus.*26.

 

Dat Aehrenthal een daartoe beno­digde conferentie echter niet afwachtte en de wijze waarop hij de annexatie daarna uitvoerde  maakte dat zijn Russische collega Iswolski, zich bedrogen voelde en was aanleiding tot een per­soonlijk con­flict tussen beide ministers dat in z’n consequen­ties uiteindelijk fatale gevol­gen zou hebben.

Anders gezegd, het kwam nooit meer goed tussen beide landen en de Russische houding t.o.v Oosten­rijk-Honga­rije werd be­paald vijandig.

Voorlopig echter had Oostenrijk z’n slag geslagen en men verwachtte dat de rust nu wel spoedig terug zou keren.

Voor Servië was de Oos­tenrijkse actie echter een regel­rechte slag in het gelaat en een ernstige doorkrui­sing van haar „Groot Servië” politiek.

De vernedering en woede werden nog groter toen bekend werd dat de annexatie met medewe­ten, ja zelfs met goedkeuring van Rusland was geschied, n.b het land dat Servië steeds tot agitatie had aangemoedigd.

 

SERVIË MOBILISEERT

DE ANNEXATIE CRISIS

De Servische minister Vesnitch vertrok onmiddellijk naar Parijs waar Iswolski zich voor besprekingen bevond,

Hij eiste ophel­dering en dreigde zelfs met oorlog en het daar op volgende gesprek was zeer verhit en emotioneel  en Iswols­ki werd open­lijk van verraad beschuldigd.

Deze verweerde zich door te stellen dat er de facto voor Servië niets was veranderd, dat de tijd voor een gewapend treffen nog niet was aangebroken maar dat er spoedig een internationale conferentie bijeen geroepen zou worden over deze annexatie waarbij hij-Iswolski- het volle gewicht van Rusland in de schaal zou werpen ten gunste van Servië.

 

„Ik begrijp uw agitatie niet” zo zei hij. „In werke­lijkheid ver­liest u niets, in tegendeel, u wint, immers u bent nu verzekerd van onze steun.*27

En tot de Servische ambassa­deur in Londen zei hij op 5 okto­ber 1908, dat zijn poli­tiek geheel op de Balkan ge­richt zou zijn. Servië, als het centrum van de Zuid-Slaven, was daarbij een belangrijke fac­tor. Het verkrijgen van Bosnië was nu voor Servië, zekerder dan ooit, maar op dit moment diende een conflict te worden vermeden omdat Rusland militair en diplo­matiek nog niet gereed was”.*28.

 

Iswolki’s verzekeringen van steun vermoch­ten de Ser­ven, die emotioneel op het kookpunt waren beland, echter niet te over­tui­gen en op 17 oktober verliet de Servische minister van Bui­tenlandse-Zaken Belgrado om een aantal Europese hoofdsteden te bezoeken.

In z’n tas had hij een aantal plannen en eisen.

Ook andere ministers reisden, met een zelfde missie, naar het buitenland w.o prins George, die naar Rusland ging.

Voorts reisde een Servisch parlementslid  naar Constantinopel met een plan waarin de Turkse regering veel geld werd geboden in ruil voor steun aan een Servische bezetting van de Sand­jak.*29.

 

Gelukkig ging dit plan niet door, het had zeker tot oorlog met Oostenrijk-Hongarije ge­leid. Ook het bezoek aan Rusland lever­de niets op.

De Tsaar stelde duidelijk dat Rus­land, zo vlak na de oorlog met Japan, nog niet gereed was voor een nieuw con­flict en, zo zei hij:

 

„­het parool voor Servië was te wachten en zich eerst mili­tair voor te bereiden opdat het gereed zou zijn als de tijd gekomen was”.*30.

 

En tenslotte ving men ook bot in Euro­pa. Men zag daar niets in een Servisch „avontuur” en derhalve kreeg Servië overal de kous op de kop.

Uiteraard wekte dit grote woede op bij het, door de pers opge­zweepte, Servische volk  en het is tekenend dat men ten­slotte besloot dan maar alleen te strijden en ging mobi­liseren.

 

Eind oktober 1908 waren er reeds twee lichtin­gen onder de wape­nen.*31 en ontstond er voor Oosten­rijk-Honga­rije dreigend gevaar voor oorlog. Dit land nam dan ook zijn maatre­gelen en ging over tot de z.g. „bruine” mobilisa­tie, een eerste fase waarbij de troepen zich zonder opzien te baren en zonder haast, naar hun kazernes begaven.

De spanningen namen nu enorm toe, ook al omdat Servië zich ner­gens iets van aan­trok en door ging met het op volle oor­logssterkte brengen van haar strijd­krach­ten.

In maart 1909 had men reeds twee divi­sies in het veld ter­wijl men koortsachtig werkte aan de ge­reedmaking van een derde.*32.

De Servische leiders gingen van het standpunt uit dat als ze een oorlog ontketenden, Rus­land uiteindelijk wel gedwongen zou zijn hen te steunen en zo zou dan de lang ver­wachte Europese oorlog een feit worden en de Servische idealen kunnen worden gereali­seerd.

 

Al spoedig maakte Rusland echter duidelijk dat ze er niet aan dacht zich tot een conflict te laten verleiden en ook Oos­tenrijk-Hongarije stelde zich uiterst terughoudend op. Maar ook dit maakte geen indruk.

Bij terugkeer van zijn mislukte missie naar St.Petersburg riep prins George toch op tot oorlog zeggende :”Laten wij ons op oorlog voorbereiden zonder te vragen hoe sterk de vijand is maar waar hij is”.­*33 en het parlement gaf in een resolutie te kennen van de rege­ring te verwachten dat deze de „bedreigde Servische belangen” op energieke wijze zou verdedigen en tegelijkertijd werd 16 miljoen Dinar uitge­trokken  voor extra militaire uitgaven.*34 en in december werd daar nog eens 18 miljoen bijgevoegd. In totaal werd uiteinde­lijk 40 mil­joen extra voor oorlogsdoeleinden gevoteerd.*35.

 

Servië wond zich over de annexatie buiten proporties op, vooral als men bedenkt dat men deze annexatie zelf had uitge­lokt door regelrechte terreurdaden en hevige agitatie in dat gebied en de terughoudende reacties van Oostenrijk-Hongarije, vooral op advies van keizer Franz Joseph, staken daar opval­lend bij af.

Men stelde een soort- we zouden tegenwoordig zeggen „gedoog-perio­de” vast welke men tot en met maart 1909 wilde laten duren alvorens tot definitievere maatregelen over te gaan.*36 ­zulks tot grote teleurstelling van de opperbe­velhebber, Con­rad, die meende dat het waar­schijnlijk de laat­ste kans was om Servië in te tomen omdat noch Frankrijk, noch Engeland en Rusland gereed waren om in een conflict te parti­ciperen.

De Oostenrijk-Hongaarse regering bleef echter op het standpunt staan dat oorlog met Servië vermeden diende te worden en dat de problemen langs diplo­matieke weg moesten worden opgelost, vooral ook omdat men bleef hopen  in de toekomst toch op vreedzame wijze met Servië te kunnen samenle­ven.

 

De Serven echter dachten daar heel anders over en bleven op oorlog aansturen, tegen alle rede en gezond verstand in en het begon er op te lijken dat die oorlog onvermijdelijk werd. 

Bogit­chevitch schreef daarover in z’n reactie op „fragmenten eines politi­schen Tagesbuches” van Baernreither dat:” vanuit staat­srechtelijk­ standpunt gezien, Oosten­rijk-Hongarije in 1909  had kunnen aanvallen en dat dit dan niet als een preven­tieve oorlog had kunnen worden opgevat maar als een (verdedi­gende) strijd om het naakte bestaan van de dubbelmonar­chie.*37.

Ook de „entente landen” begonnen zich nu echt zorgen te maken. Men was nog niet gereed voor oorlog, zelf dacht men aan 1917, en wenste zich dan ook niet door Servië in een avontuur te laten meeslepen.

 

DE VERNEDERING VAN SERVIË

Het was Duitsland dat het initiatief nam en haar bemid­de­ling aanbood.

Op 14 maart 1909 kwam de Duitse regering met het voorstel Oosten­rijk-Hongarije alsnog formeel bij de Grote Mogendheden een verzoek te laten indienen de annexatie van 1908 goed te keuren.Duitsland stelde daarbij wel de  eis dat Rusland zo’n verzoek niet zou boycotten zodat de Mogendhe­den e.e.a zonder problemen zouden kunnen sanc­tione­ren.*38.

 

Dit Duitse voorstel was zonder meer briljant immers, niet alleen werd daarmede de eenzijdige annexatie door Oostenrijk-Hongarije, officieel aanvaard en dus legaal, het ontnam Servië

Tegelijkertijd ook elke mogelijkheid op een legale claim op dit gebied en…tenslotte…voorkwam het de vernedering van Rusland dat nu niet behoefde deel te nemen aan een interna­tionale conferentie over dit onderwerp.

 

Wie er wel werd vernederd was uiteraard Servië dat voor het oog van de wereld door z’n voornaamste beschermer Rusland, wederom in de steek werd gelaten.

Is­wolski nu, pleegde overleg met de Tsaar en toen deze ak­koord ging accep­teerde hij op 22 maart het Duitse voorstel waarna de Tsaar de Duitse keizer telegrafisch hartelijk dank zegde voor zijn bemidde­ling.       

Aan­vaard­de Rus­land dus het Duitse voorstel ten koste van Servië, Oosten­rijk-Hongar_e verbond wel een eis aan z’n even­tu­ele acceptatie.

Men wilde dat Servië een officiële verkla­ring zou afleg­gen dat ook zij de annexatie van Bosnië-Hercegovina zou aanvaarden en dat het zich op geen enkele wijze in z’n belan­gen ge­schaad achtte. Rusland vond deze eis veel te ver gaan maar Aehrenthal  dreig­de de notulen van de besprekin­gen tussen hem en Iswolski over de annexatie openbaar te zullen maken en Iswolski bond nu haastig in en ook Enge­land,Frankrijk en Italië waren het al spoedig eens. Net op tijd overigens, want de Oostenrijk-Hon­gaarse opperbevelhebber Conrad had zeer zware druk uitgeoe­fend op de regering om Servië aan te vallen alvo­rens dat land zelf tot actie zou over­gaan en, zoals gezegd, in ‘t geheim was men reeds met de mobilisatie begon­nen.*39.

 

Servië stond nu geheel alleen en kreeg nog de extra vernede­ring te slikken te worden gedwongen een door de aartsvijand Aehrenthal, samen met Engeland, opgestelde verklaring te ondertekenen (op 31 maart 1909) waarvan de tekst luid­de:

„Ser­vië erkent dat haar rechten niet zijn aangetast door de an­nexatie van Bosnië-Hercegovina en dat ze derhalve akkoord gaat met de be­slissingen van de Grote Mogendheden. 

Op advies van de Grote Mogendheden verklaart Servië hierbij officieel haar houding van protest en oppositie tegen de annexatie te zullen opgeven evenals haar huidige houding t.o.v Oostenrijk-Honga­rije waarmede Servië in de toekomst op basis van goede nabuur­schap hoopt verder te leven.

In overeenstem­ming met deze verklaring en met het volste vertrouwen in de vredelievende intenties van Oosten­rijk-Honga­rije, zal Servië de sterkte van haar strijdkrachten terugbren­gen op het niveau van vóór de annexatie in de lente van 1908 en voorts de vrijwilli­gerskorp­sen ontwapenen alsmede voorkomen dat zulke korpsen nog zullen worden opge­richt”.*­40. 

 

Voorwaar, een keiharde klap in het gezicht van Servië, dat wel, maar gevoeligheden van dien aard waren voor de Grote Mogendheden uiteraard niet relevant.

 

Eindelijk duidelijkheid en rust, moet men gedacht hebben en de basis tot een vreed­zaam samengaan van Servië en Oostenrijk-Hongarije leek gelegd.

Helaas, de feiten bleken anders want de inkt van de Servische verklaring was nog niet opgedroogd toen de Servische regering haar ambassadeur in Wenen een geheim telegram deed toekomen met de mededeling dat Servië nu wel een verklaring had afgege­ven, maar dat dit niet betekende dat ze de inhoud daarvan ook daadwerkelijk wilde uitvoeren.

Letter­lijk luidde de bood­schap:

„Instructie van de Koninklijke Servische Regering van 17 april 1909 aan de Servische ambassa­deur te Wenen inzake de voortzet­ting van de Groot-Servische propaganda in Oostenrijk-Hongarij­e”. (zo men dus al getwij­feld mocht hebben of zulke, officieel door de Servische rege­ring gesteunde propaganda, wel had bestaan, dan bewijst alleen deze aanhef reeds dat die regering daar wel degelijk bij betrokken was)

De instructie ging dan verder:”De Kon.Ser­vische Regering, wiens buitenlandse politiek alle Serven betreft, vertrouwende op de steun van  Rusland, Engeland en Frankrijk, is vastbeslo­ten het moment af te wachten waarop Servië, met de beste kansen op succes,kan voortgaan met het realiseren van haar legitieme interesse in de Balkan en in geheel Zuid-Sla­vië”.

 

De instructie ging dan verder met de mededeling dat de ambas­sadeur  alle anti-Oostenrijk-Hongaarse propaganda  en contac­ten diende te beëindigen en alle sporen van zulke activitei­ten naar het Servische ministerie van buitenlandse zaken diende uit te wissen maar dat,teneinde de buitenlandse politiek van de Servische regering toch gewoon te continueren- in tegen­stel­ling tot voornoemde inhoud van de officiële verklaring, Servië thans haar propaganda onderge­bracht had bij een Pan-Slavische organi­satie welke per 1 juli 1909 in het broederland Rusland haar defini­tieve vorm zou krijgen.

„Deze steun van het machtige Russi­sche keizer­rijk zelf, verze­kerde de Servische regering van het bereiken van haar doelen en de nieuwe organi­satie zou worden voorzien van alle nood­zake­lijke facili­teiten”.

 

Voorts werd aangekondigd dat er een nieuw centrum van agita­tie zou worden opge­richt in Tsjechië waar omheen zich iedereen kon scharen die geïnteresseerd was-en moest zijn- in de redding van het natio­naal bewustzijn en in de triomf van de Pan-Slavi­sche gedachte.

 

„Met betrekking tot de revoluti­onaire propaganda, zo ging de instructie dan verder, deze zou vanaf dat moment vanuit St.Pe­tersburg en Praag worden gevoerd terwijl deze activiteiten in de toekomst onder leiding zouden komen te staan van de Servi­sche Generale Staf”.­*41.

 

Dat loog er dus niet om, De Servische regering was absoluut niet van plan zich aan haar beloftes te houden.

Naar buiten toe leek het er overigens korte tijd op dat Servië inderdaad haar leven zou beteren.

Op 29 augustus 1909 bracht de Servische minister Milovanovitch een bezoek aan Wenen en in Juli 1910 werd tussen beide landen zelfs een handelsver­drag gesloten.*42.

Voorts werd afgesproken dat de Servische koning begin 1911 op staats­bezoek zou komen maar toen de Servische pers daar de lucht van kreeg bracht dit zo’n opschudding teweeg dat al snel besloten werd hier van af te zien en al spoedig begonnen de Serviers weer- en steeds open­lijker- hun oude houding aan te nemen en werd de agitatie weer met volle kracht voortgezet.

 

Het was dus duidelijk genoeg. Servië dacht er niet aan haar campagne tegen Oostenrijk-Hongarije  op te geven en bleef onverdroten haar oude politiek trouw, dit­maal echter open­lij­ker dan ooit ge­steund door Rusland. (ook Frankrijk steunde Servië indirect o.a door het doen van grote investe­ringen.*43

 

De rol van Rusland in de Balkan bleek o.a uit een geheime nota van het bestuur van de Pan-Slavische Confe­rentie  in St.Peter­sburg in 1909 waarin o.m werd gezegd dat:” Rusland doende was haar strijd­krach­ten te reorganise­ren en dat de Slavische volkeren dienden te wachten tot e.e.a zou zijn afgerond.

Het moest echter duide­lijk zijn dat Rusland haar rol, als bescher­mer van de Slavi­sche wereld, tot een goed einde wilde brengen”.

De conferen­tie advi­seerde Servië en Monte­negro zich aaneen te slui­ten om zich voor te bereiden op het gezamenlijke doel, de bezetting van Novi-Pazar en de invasie van Bosnië-Hercegovina terwijl Bulga­rije zich gereed diende te houden de haar toege­zegde gebieden te bezet­ten tot aan de poorten van Con­stantino­pel.

 

Volgens dezelfde nota zou: ” het tijdstip  van de ineen­stor­ting van Tur­kije nabij zijn en dat zou voor Rusland het mo­ment zijn om de Slavische idea­len te realiseren.

Het beno­digde geld zou worden verstrekt door Rusland, Frank­rijk en Engeland en binnen twee jaar zou de tijd gekomen zijn om, o.l.v Rusland, in één klap de Slavische idealen tot stand te bren­gen”.*44.                

 

DE SERVISCH-RUSSISCHE SAMENWERKING

Terug nu weer naar de Servisch-Oostenrijkse verhoudingen.

 

Hoewel gekortwiekt in haar openlijke agitatie tegen de Dub­bel-Monarchie en ogenschijnlijk door Rusland in de steek gelaten, bleek al spoedig dat de annexatie van Bosnië-Hercegovina de band tussen Servië en Rusland juist versterkt had.

 

Dit land speelde helemaal in op de Servi­sche wraakgevoelens en deed er alles aan om de Slavische eenheid onder haar leiding te versterken.

Na de geruststel­lende woorden van Iswolski aan de Servische minister Vesnitch waarin hij hem toevoegde dat Bosnië-Hercego­vina uiteindelijk  zeker aan Servië zou komen, werden deze nog door vele verzeke­ringen van dien aard gevolgd.

We laten hier een kleine bloem­lezing van dit soort berichten volgen:

„Tele­gram 29-4-13. Servische ambassadeur te St.Petersburg aan Minister van Buitenlandse Zaken Bel­grado.

„De heer Sazonov, (de nieuwe Russische minister van Buiten­landse-Zaken) vertelde mij wederom dat Servië aan de toekomst moet werken omdat we een groot stuk van Oos­tenrijk-Hongaars geb­ied zullen verkrij­gen”.­*45.

 

„Telegram 13-11-1912 verzonden door de Servische min.Ris­titsch vanuit Bukarest aan het ministerie van Buitenlandse Zaken te Belgra­do:”De Russische en Franse ministers van Buitenlandse Zaken, adviseren ons, als vrienden van Servië, dat we op dit moment niet tot het uiter­ste moeten gaan bij het eisen van een haven aan de Adria­tische Zee en dat het beter is dat Servië, dat zeker 2x zo groot zal worden als thans het geval is, zich afwachtend opstelt en zich zo goed mogelijk voorbereidt op de uiterst belangrijke dingen die komen gaan.”*46.

 

Telegram 28-4-1913, Russische minister van Buitenlandse Zaken Sazanov, aan Russische ambassadeur in Belgrado:

” Het „beloofde land” ligt voor Servië in het huidige territo­rium van Oosten­rijk-Honga­rije. Het is van vitaal belang dat Servië enerzijds de confe­deratie met Bulgarije trouw blijft en aan de andere kant zichzelf met geduld en hard werken, gereed maakt voor de onvermijdelijke strijd in de nabije toekomst.De tijd werkt in het voordeel van Servië en voor de vernietiging van haar vijand welke reeds tekenen van verval vertoont.. Een breuk tussen Servië en Bulgarije zou een triomf betekenen voor Oostenrijk-Hongarije waardoor haar doodstrijd voor jaren zou worden uitgesteld.*47. 

 

En tenslotte:In december 1909 sloot Rusland een geheim mili­tair verdrag met Bulgarije. In artikel 5 van dit verdrag leest men:

„Gezien het feit dat de realisatie van de Slavische idea­len op de Balkan, welke zo na aan Rus­lands hart liggen, alleen maar mogelijk worden na een bevredigende uit­komst van Ruslands strijd met Duitsland en Oostenrijk-Honga­rije….enz *48  en dat is uiteraard duidelijke taal.

 

Duidelij­ke taal werd ook gesproken toen Servië in 1912 haar geschil­len met Bulgarije, onder Russische druk, opzij zette en een geheim militair verdrag met dit land sloot.

De Tsaar zei ter gele­genheid daarvan tegen de Servische kroon­prins Alexander dat: „Nu de aspiraties van Servië spoedig vervuld zouden worden” *49.

 

Niet iedereen echter was gelukkig met de gang van zaken getui­ge een uitspraak van de Servi­sche minister van Buitenlandse Zaken tij­dens een ge­sprek met zijn ambas­sadeur in Berlijn waarbij hij bezorgd opmerkte:

„Denkt u zich eens in, mr.Paschitch (de latere Servische premier en leider van de „Radicale Partij”) verklaarde zich tijdens een bijeen­komst van het „geheime beraad” in Belgrado, (alwaar men tij­dens de Bosnië-crisis bijeen was om te beslis­sen over oorlog of vrede met Oosten­rijk-Hongarije), vóór oorlog en dat, ter­wijl we militair volkomen onvoorbereid zijn.

Let op wat ik u zeg, deze man zal fataal blijken te zijn voor de toekomst van Servië”.*50.

 

Het was overigens deze Pa­schitch, die hem al spoe­dig als minis­ter opvolgde en wat later, als minister-president in Servië de dienst ging uitma­ken.

Het was ook deze Paschitch, die in 1913, tijdens een verblijf in Ma­riënbad tegen zijn ambassa­deur opmerkte:

„Om Bosnië-Hercego­vina te verkrijgen had ik al tij­dens de 1e Balkan-oorlog een algemene Europese oorlog kunnen laten uit­breken maar ik was bevreesd dat we dan verplicht zouden zijn om Bulgarije grotere concessies te moeten doen in Macedonië. Ik vond het voor Servië belangrijker eerst het bezit van Macedonië zeker te stellen om daarna dan te gaan werken aan het verkrijgen van Bosnië-Hercegovina”.*51

 

en in 1913 zei hij tegen de Griekse afge­vaardigde, mr.Politus, na de onderteke­ning van de vrede van Bukarest:

„Het eerste doel is bereikt, we kunnen ons nu gaan voor­berei­den op de tweede ronde, tegen Oostenrijk-Hongarije”.

 

Ook Rusland hield het vuurtje brandend. Guchkov, lid van de Duma zei tegen de Servi­sche ambassadeur in St.Petersburg:

„Zo­dra onze bewapening compleet is zullen we onze rekeningen met Oosten­rijk-Hongarije vereffenen. Begin daarom nog geen oorlog want dat zou zelf­moord betekenen. Houdt uw doelen geheim maar maakt u gereed, de dag van de overwinning komt nader­bij”.*52.

 

Overigens, niet alle Russen dachten zo positief over Servië.

De Russische gezant in Wenen schreef reeds op 25 februari 1912 dat hij tot de slotsom was gekomen dat:”men alle door de Servische regering  uit geheime bronnen geputte  berichten, slechts onder het grootste voorbehoud  moest geloven. De zwakke kant van de Serven, zo schreef hij, is hun voortduren­de behoefte aan politieke intriges. De hele atmosfeer in Bel­grado is met ongerechtvaardigde gevoeligheden verzadigd.Als ‘t niet de Servische regering is, dan is ‘t wel de Generale-Staf, die ons opmerkzaam maakt op dat perfide Oostenrijk-Hongarije”.

De gezant waarschuwde  verder tegen de Balkan-intriges „die ons licht - en tegen onze wil - tot een volle­dige breuk met Oos­tenrijk-Hongarije kunnen brengen”.*53.

 

Het is zonneklaar dat Servië niet dat kleine onschul­dige en door Oostenrijk-Hongarije overheerste landje was zoals dat zo vaak, en ook heden nog wel, wordt beweerd. De Groot-Servische aspiraties van de machthebbers in Belgrado vormden zo langza­merhand een levensgevaarlijke bedreiging voor de Donau-monar­chie,*54 ook al omdat achter deze Servische aspira­ties, nu eens meer,dan eens minder, maar altijd Rusland stond en vooral na het bekend worden van de oprichting van de Servische ter­reurorganisatie „Narod­na Odbrana” in 1908, waarbij zich reeds binnen 4 weken 223 afdelingen hadden ge­vormd met een eigen laboratorium voor het vervaardigen van explosieven,*55. be­greep men in Wenen dat terreur het middel was geworden waarme­de de Serven hun doelen, ten koste van Oostenrijk-Honga­rije, dachten te bereiken.*56     

 

Uit het vorengaande blijkt wel dat de Serviers zich bij hun optreden niet altijd lieten leiden door rationele en/of ver­standelij­ke argumenten doch bereid waren, op zuiver emoti­onele en nationalistische gronden elk denkbaar risico te nemen inclu­sief het eventueel doen ontstaan van een wereldoorlog. Het is ook duidelijk dat de Serven deze houding konden aanne­men omdat ze rekenden op de steun van Rusland, een Rusland dat zich niet ontzag de Servische nationalistische gevoelens steeds weer aan te wakkeren en haar vijandige houding t.o.v Oostenrijk-Honga­rije te stimuleren.

Rusland gebruikte Servië daarbij uitsluitend om haar eigen positie in de Balkan te verstevigen en de Dubbelmonarchie te verzwakken of te vernietigen waardoor Duitsland later, zonder bondgenoot, hulpeloos tegenover haar zou komen te staan.

 

DE BALKAN OORLOGEN

In september 1911 viel Italië Turkye binnen en geschiedde wat Oostenrijk-Hongarije gevreesd had. De Bulgaren verbroederden zich met Servië en sloten het hiervoor genoemde militaire verdrag. (1912) In dit verdrag werd een clausule opgenomen waarin de Bulgaren beloofden Servië mili­tair te zullen steunen als het door Oostenrijk-Hongarije zou worden aangevallen.*57

 

Al snel sloten nu ook Griekenland en Montenegro zich bij Servië aan en hoewel het verbond in eerste instantie tegen Turk_e was ge­richt zag Oostenrijk-Hongarije zich toch gesteld tegenover een onder Russische leiding staand anti-Oostenrijk-Hongarije blok in de Balkan hetgeen door haar, niet ten on­rechte, als zeer bedreigend werd ervaren.

Zoals gezegd, richtte het Blok zich in eerste instantie tegen Turkye dat nog gewikkeld was in een strijd op leven en dood tegen Italië. Gebruik makend van de zwakke Turkse positie vielen Servië-Montenegro-Bulgarije en Grieken­land nu Turk_e binnen zodat het zich tegen vijf vijanden tege­lijk moest verdedi­gen. Een uiteraard ongelijke strijd. Turkye verloor en werd gedwongen vrede te sluiten.

Servië was echter nog niet tevre­den en haar troepen drongen nu diep in Albanië door.

Ze be­reikten zelfs de kust waardoor het bezit van een eigen haven  plotse­ling reëel werd, tot schrik van Oosten­rijk-Honga­rije dat van Albanië een bufferstaat had willen maken. De spanningen tussen beide landen liepen weer huizehoog op en Oostenrijk-Honga­rije dacht weer aan mobilisa­tie.

 

Nu dreigde Rusland in te grijpen waarop Duitsland zich achter Oostenrijk-Honga­rije schaarde en de mogelijkheid van een groot conflict leek niet denkbeeldig.

Uiteindelijk bleek Rus­land zijn drei­ging niet waar te kunnen maken, het was militair nog niet gereed en trok zich terug en er bleef de Serven niets anders over de strijd op te geven en Albanië weer te verlaten.

Wat bleef, was een toenemende haat t.o.v Oostenrijk-Hongarije, het land dat Servië wederom ge­dwarsboomd had in haar plannen. 

 

Op 30 juni 1913 brak de 2e Balkanoorlog uit.

Ditmaal was het Bulga­rije dat de oorlog begon. Niet tevreden met de verdeling van de Turkse buit waarbij Servië een, zo vond men, onevenre­dig groot stuk had ingepikt, vielen de Bulgaren s’nachts onver­hoeds het land binnen om hun deel terug te pakken.

Maar nu her­haalde de geschiedenis zich maar dan omgekeerd. Deze keer waren het de Serven die krachtig terugsloegen en ze werden daarbij geholpen door Montenegro en Grie­kenland maar nog verrassender, ook door de Turken die de kans schoon zagen weer wat van het verloren terrein terug te nemen, nu ten koste van Bulgarije.

Ook Roemenië mengde zich in de strijd en de Bulga­ren dreigden geheel onder de voet te worden gelopen.

 

Oos­ten­rijk-Hongarije zag hierin een unieke kans om de rekening met Servië te veref­fenen en het land binnen te vallen maar werd hiervan door haar Duitse bond­genoot weerhouden.

Wel stelde het een ultima­tum dat ge­steund werd door Duitsland en dit had tot gevolg dat de strijd luwde, men tot bezinning kwam en uiteindelijk besloot tot de vrede van Bukarest (10 aug.1913) waarbij Servië wederom ge­biedsuit­brei­ding realiseer­de evenals Griekenland en Roemenië, uiter­aard alles ten koste van Bulgarije dat nu, aanzienlijk ver­zwakt, de toegestoken hand van Oostenrijk-Hongarije met beide handen aangreep.

 

De 2e Balkanoorlog had dus tot resul­taat dat Servië nog ster­ker was geworden maar Bulgarije niet langer tot haar bondgeno­ten kon rekenen.

Roemenië daarentegen had kleur bekend en kwam, alhoewel nog niet openlijk,in het Slavische kamp en dat was uiteindelijk nog zo’n gekke ruil niet voor de Serviers.

Met het einde van de 2e Balkanoorlog was de positie van Oos­tenrijk-Hongarije toch wel erg benard geworden terwijl Servië steeds meer een factor van belang werd in de Balkan.

Dit land voelde zich nu zo sterk dat het weer militaire acties begon in Albanië daarmede de Grote Mogendheden en vooral ook Oostenrijk Hongarije tartende. 

Op 17 aug. 1913 herhaalden deze hun eis aan Servië om zich uit Albanië terug te trekken. Servië zei „ja” maar deed zoals gewoonlijk „nee” en op 7 okto­ber besloot Oostenrijk-Hongarije haar weer een ulti­matum te overhandigen dat dan uiteinde­lijk het gewwenste resultaat had want pas toen trokken de Serven zich op het laatste moment terug.

 

Men was er duide­lijk op uit geweest te bezien hoever men kon gaan en dit leidde weer tot hernieuwde en toenemende spannin­gen waarbij het initiatief steeds weer op Servië terug te voeren was.

Het kon niet anders of vroeg of laat moest de bom barsten

Inmiddels was in Bosnië-Hercegovina de toestand explosief geworden.

We lezen:

„Iedereen die het gebied kende was het duidelijk dat elk moment de vlam in de pan kon slaan. Speciaal op de univer­siteiten had de Pan-Slavische propaganda zulke chaotische toestanden gecreëerd dat van normale colleges geen sprake meer was. De Bosnische regering verklaarde dat een catastrofe nog slechts zou kunnen worden voorkomen door de allerzwaarste maatregelen.*58. In het gehele land hing een atmosfeer van opwinding en agitatie.”*59.

 

En zo, terwijl de spanningen het kookpunt bereikten, nader­de 1914, het ­jaar waarin een gebeurtenis zou plaatsvinden die direct en indirect aanleiding zou worden tot de gruwelijke dood of onherstelbare verminking van zo’n 30 miljoen slachtof­fers, hele generaties in het graf bracht en keizer- en ko­ninkrijken van de aardbodem deed verdwijnen.

 

DE MOORD OP AARTSHERTOG FRANZ FERDINAND

Die gebeurtenis, u begrijpt het, was de moord op de Oosten­rijks-Hongaarse troonopvolger, Franz-Ferdinand en zijn echtge­note op 28 juni 1914.

De moord was voor Oostenrijk-Hongarije aanleiding om Servië de oorlog te verklaren en men beschul­digde de Servische regering er van, op de hoogte te zijn geweest van de aanslag en daar ook aan te hebben meegewerkt.

Deze be­schuldiging was ernstig genoeg en de gehele wereld, vriend en vijand, verafschuwde de misdaad.

Had Oostenrijk-Hongarije direct gereageerd en was men terstond Servië binnen gevallen, dan had de gehele beschaafde wereld daarvoor waarschijnlijk wel begrip op kunnen brengen en zelfs Rusland had zich dan niet tegen de wereld­opinie kunnen verzet­ten.

Oostenrijk-Hongarije maakte echter de tactische fout niet direct tot de aanval over te gaan.

Intern was de regering verdeeld over de te nemen maat­rege­len en m.n keizer Franz Joseph en de Hongaarse min.pres­i­dent Tisza verzetten zich tegen oorlog.

Nog steeds hoopten zij dat Servië met diploma­tieke middelen tot rede gebracht kon worden.

 

HET BESLUIT TOT OORLOG

Wie daar echter abso­luut niet meer in geloofden waren de Oostenrijk-Hongaarse opperbevelheb­ber Conrad. de militaire gouverneur van Bosnië-Hercegovina en de Oostenrijkse minister-president Berchtold.

Zij waren van mening dat de tot dan toe gevolgde politiek van de rede, volstrekt gefaald had en dat oorlog nog het enige middel was om de ondergang van Oostenrijk-Hongarije als grote mogendheid, te voorkomen. Zij waren er voorts absoluut van overtuigd dat de Servische regering medeplichtig was aan de moord en geloofden niet meer aan een redelijke oplossing.

 

In hoeverre was de Servische regering nu werkelijk van e.e.a op de hoogte en was zij inderdaad medeschuldig.?.

We kunnen natuurlijk stellen dat een regering die zich jaren achtereen zo provocerend opstelde dat de Grootmachten zich, overigens vaak uit eigenbelang, herhaaldelijk gedwongen zagen t.g.v Oostenrijk-Hongarije in te grijpen, een regering die daarna planmatig en in ‘t geheim toch doorging met ter­reur,a­gitatie en propaganda, een regering ook welke een klimaat schiep waarin agressieve geheime genootschappen  welig konden tie­ren, moreel mede verantwoordelijk was voor de gevolgen van dit beleid.

Het begrip „moreel” past echter niet in de hogere politiek, thans niet, maar zeker ook in die tijd niet.

Het is dus beter om de feiten te laten spreken en verba­zing­wekkend genoeg vinden we die o.m bij een der meest geres­pec­teerde verdedigers van Servië en haar politiek, de befaamde histori­cus en Serviëkenner bij uitstek, Seton Watson.

 

Watson, die z’n hele leven trouw bleef aan de Servische zaak was een der meest prominente voorvechters van de stichting van het latere Joegoslavië (de facto het „Groot Servië”)

Watson nu ontkende de Servische medeplichtigheid met verve en uitermate kundig. 

Servië, zo betoogde hij, had geen enkel belang bij een derge­lijke moord waarvan men wist dat die tot zeer ernstige gevol­gen zou leiden. Voorts zou, juist vóór de moord, koning Peter ernstig ziek geworden zijn en was de jonge en onervaren kroon­prins tot regent benoemd.

Tegelij­kertijd was de Servische regering in een hevige ­strijd gewik­keld met de oppositie en stonden de verkie­zingen vlak voor de deur, ook al geen ideale situatie voor het smeden van complot­ten.

Sterker nog, begin 1914 was de militai­re situatie  voor Servië zeer ongunstig na twee uitput­tende oorlogen en men had dan ook aan alles gebrek, vooral aan wapens, munitie en kle­ding.

Tenslotte waren er zeer delicate besprekingen gaande met Montenegro inzake de mogelijke vor­ming van een Unie en niets wees er dan ook op dat Servië, juist op dat ogenblik, een definitie­ve en laatste slag voorbereidde.

 

Seton Watson voerde dan ook aan dat Servië absoluut niet gereed was om een oorlog te voeren en derhalve wees hij de medeplichtig­heid van de Servi­sche rege­ring met kracht van de hand.

Hij had daarin -gedeeltelijk- gelijk. Gedeeltelijk, omdat het juist was dat niet alle leden van de regering van de komende aanslag op de hoogte waren. Niet alle leden, maar de minister-president Paschitch duidelijk wel. Ook enkele andere kabinets­le­den waren op de hoogte.

 

Wat was het geval?

Op de 10e verjaardag van de Eerste Wereldoorlog, schreef mr.Ljuba Jovanovitch, toen voorzitter van het Servische Parle­ment maar ten tijde van de moordaanslag, minister van Educatie onder Pasitch, ‘n essay in Krv Slovenstva (Bloed van het Slavi­sche volk) waarin hij opmerkte:

„Ik herinner mij dat op een dag, ergens eind mei of begin juni, mr Paschitch ons mededeelde dat bepaalde personen op weg waren naar Serajevo  om Frans Ferdi­nand te vermoorden die daar op St.Vitusdag ontvangen zou worden. Hij voegde er aan toe dat deze crimine­len tot een geheime organisatie van Bosnische studenten in Belgrado be­hoorden en dat de minister van Buiten­landse Zaken Protitch , met toestemming van z’n collegae,  order had gegeven aan de auto­riteiten  bij de grens, ze tegen te houden maar dat deze autoriteiten zelf ook tot deze samen­zwe­ring behoorden en  ze doorgelaten hadden waarna ze Belgrado meldden dat het al te laat was.”.

 

Javanovitch schreef ver­der:

„Hoewel ik dus wist wat men daar aan het voorbereiden was ,kreeg ik, toen ik het nieuws van de moord telefonisch vernam, een enorme schok,alsof iemand me totaal onverwacht een zware klap gaf.*60.  De meest vreselijke gedachten kwamen in mij op en het gehele weekend werd ik door angst voor de consequenties geplaagd.

Op maandag­morgen echter kwam majoor „N” me bezoe­ken. Hij was zeer rustig en ik be­stookte hem met mijn angstige voorgevoe­lens maar hij antwoord­de op rustige en opgewekte toon en zei:

„Mijn beste minister, het is niet nodig om zo wanhopig te zijn Laat Oostenrijk ons maar aanvallen, dat zou vroeg of laat toch gebeurd zijn. Het moment is wel erg ongunstig voor ons maar we hebben het nu eenmaal niet voor het zeggen. Als Oos­tenrijk de keus nu maakt, wel het zij zo, ‘t kan mogelijk slecht voor ons aflopen, maar wie weet, ‘t zou ook wel eens anders kunnen zijn”.*61 

 

„Deze woorden van majoor „N”, die suggereerde dat Servische militaire kringen de situatie niet zo zwaar inzagen en zich kennelijk zeker voelden van Russische hulp, brachten me weer tot bezinning en ik was gelukkig later te kunnen constateren dat de officiële Russische persberichten positief waren en ons verdedigden tegen de Oostenrijk-Hongaar­se be­schuldigin­gen”.*62.

 

Uit dit bericht is het dus duidelijk dat Paschitch en de minis­ter van Educatie op de hoogte waren van de plannen de Oosten­rijk-Hongaarse troonopvolger te ver­moorden hetgeen altijd heftig was ontkend.

Er is echter nog meer bewijs dat Paschitch e.a wel degelijk op de hoogte waren van die plannen.

 

Zoals reeds gesteld richtte hij in 1881 een ultra radicale partij op die streefde naar de hereniging van alle Serven in de Bal­kan.*63.

In 1911 werd daarop de geheime vereni­ging „Black Hand” opge­richt aan het hoofd waarvan de Servische leger-kolonel en hoofd van de Servische Geheime Dienst, Dimi­trijevitch stond welke nauwe contacten onderhield met de Russi­sche ambas­sadeur in Belgrado, Hartwig.

 

Al spoedig ont­stond er echter onenigheid tussen de Regering en de leiding van de Black-Hand waarbij de Servische kroonprins de kant van Paschitch koos.

Deze begon nu de Black-Hand als een gevaar­lijke concur­rent te beschouwen voor­al, toen ze zich tegen hem keerde *64.

 

Om precies op de hoogte te blijven liet Pasch­itch een zijner medewer­kers, een zekere Milan Ciganovitch, in de Black-Hand infiltre­ren. Hij werd als lid nr 412 ingeschre­ven en via hem hoorde Pasitch precies wat er zich allemaal binnen de vereni­ging afspeelde.*65.

 

Het was ook deze Ciganovitch welke nauw betrokken was bij de voorbereidingen van de moord op de Aartshertog en zijn echt­genote. Hij was de man, die samen met de even illustere majoor Tankositch, de Browingpistolen, het vergif en de bommen ver­strekte aan de drie jeugdige moordenaars en het was ook deze Giganovitch welke in 1917, toen het duidelijk was dat Rusland de oorlog zou gaan verliezen, optrad voor de Radicale Partij  als getuige tegen de inmiddels gearresteerde kolonel Dimitry­evitch die spoedig daarop werd geëxecuteerd, zogenaamd i.v.m een door hem georganiseerde samenzwering tegen kroonprins Alexander, maar waarschijnlijker is het dat hij te gevaar­lijk werd omdat hij de waarheid wist over de moord op Frans-Ferdi­nand en dus beter kon verdwijnen.

Het was tenslotte ook deze Ciganovitch die  direct na de aan­slag spoorloos verdween en toen Oosten­rijk-Hongarije om zijn bestraffing vroeg ontkende men zijn bestaan.

Het is dus zeer aannemelijk dat Paschitch zijn kennis van de moordplannen van deze Giganovitch had en dat hij pre­cies op de hoogte was hoe e.e.a zou gaan verlo­pen.

Dit geldt ook voor de Servische kroonprins Alexander waarvan inmiddels door verschillende schrijvers is aangetoond dat ook hij van de aanslagplannen op de hoogte moet zijn geweest.

 

Vlak voor de aanslag gebeurde er echter iets waardoor het hele plan nog had kunnen mislukken.

De strijd tussen de regering en de Black-Hand bereikte toen een hoogtepunt omdat de Black-Hand het niet eens was met de gevoerde politiek in de nieuw bezet­te Turkse gebieden.

Paschitch, gesteund door de kroon­prins, pro­beerde nu de macht te krijgen door een volksstem­ming uit te roepen. Dit werd echter door de koning van de hand gewe­zen.waarop Paschitch zijn ontslag indiende.*66.

Daarop greep de Russische ambassa­deur Hartwig in.

 

Hij dreigde alle Russische steun stop te zetten indien Pa­schitch niet onmid­del­lijk weer zou worden benoemd, sterker nog, de koning werd gedwongen het veld te ruimen t.g.v. zijn zoon die tot prins-regent werd aangesteld.

Hartwig nam deze radicale stap­pen omdat hij mogelijk vrees­de dat door de interne tegenstellin­gen de aanslag, waarvan hij op de hoogte was, in gevaar zou komen en voorts zou het ver­trek van Pa­schitch zeer ongewenst zijn en de Russische plannen m.b.t de Balkan ernstig kunnen versto­ren.

Uiteindelijk kwam Paschitch dus als overwin­naar uit de strijd. De moord vond plaats  en Paschitch kreeg zijn zin, we­reld­oorlog 1 brak enke­le weken later uit.

 

Terug nu weer even naar de verklaringen van Seton Watson. Toen hij het bericht van Jovanovitch onder ogen kreeg kon hij de waarheid daarvan niet accepteren.

Hij reisde onmiddellijk af naar Belgrado en vroeg hem om opheldering. Het ant­woord dat hij kreeg bevredigde hem echter niet en hij publi­ceerde daarop een artikel waarin hij Pa­schitch, ook toen nog minister-president, om opheldering vroeg.

Paschitch antwoordde echter niet maar wel kwam er bericht dat de Servi­sche regering een nieuw „Blauw­boek” over de zaak zou publice­ren.

 

Na acht maan­den wachten was dit nog altijd niet gebeurd en Watson schreef een ingezonden brief aan de lezers van de „London Times” waarin hij hen om geduld vroeg en verklaarde er zeker van te zijn dat de Servi­sche regering haar belofte zou nako­men  Hij vergiste zich daarin schromelijk en in zijn  boek schreef hij toen:

” 8 months have passed and nothing more has been heard of the Blue Book. It seems probable that the announce­ment was merely tactical , intended to appease the critics until the whole agitation should die down.Unfortunately, the Yougoslav Govern­ment, instead of demonstrating its innocence by a detai­led statement of the facts, shrouded itself in mystery.*67.

 

Het moet Seton Watson, groot verdediger van de Servische belangen en van de Groot-Servische gedachte, zeer veel moeite en pijn hebben gedaan deze openlijke kritiek op de Servische regering te uiten maar als integer politicus bleef hem geen andere keus.

Het is duidelijk, de moord op Frans-Ferdinand en zijn vrouw, gepleegd door Bosnisch-Servische studenten, bewapend met Servische bommen, hen toegespeeld door Servische militairen die een leiding­gevende rol speelden in de geheime en terroris­tische Servische beweging „De Zwarte Hand”, tot welke Kolonel Dimi­trijevitch en majoor Tankositch die zich ook belast­te met de schie­toplei­ding van de moordenaars, deze moord nu, ge­schiedde onder de ogen van- maar ook met medeweten van de Servische minister-president en een of meer leden van de Servische rege­ring,

Het motief van Paschitch daarbij was de hoop dat uit deze aan­slag een conflict zou ontstaan waarbij Rusland zich niet zou kunnen veroorloven afzijdig te blijven.

Russi­sche deelname betekende automa­tisch dat ze achter Servië zou gaan staan en het deed er dan niet veel meer toe of Servië militair wel of niet gereed zou zijn voor een confrontatie met Oosten­rijk-Hongarije. De verwachte wereldoorlog zou, daar was Paschitch zeker van, door de entente worden gewonnen en de reali­satie van het Groot-Ser­visch ideaal kon uitsluitend op deze wijze worden gereali­seerd.

 

HET OOSTENRIJK-HONGAARSE ULTIMATUM

Toen Oostenrijk-Hongarije dan ook uiteindelijk, na lang aarze­len en met goedkeuring van Duitsland, een ultimatum stelde waarvan de inhoud absoluut onaanvaardbaar was (het was ook de bedoe­ling dat Servië het niet zou accepteren) moet dit voor Paschitch een geruststelling zijn geweest.

Zijn reeds vroeger uitgespro­ken bereidheid het op een wereld­oorlog te laten aankomen om zijn ideaal, een Groot-Servië, te realise­ren werd door het ultimatum comfortabel ingevuld. 

Het inci­dent in de Balkan, het instrument dat Rusland nodig had om op een haar geschikt moment een oorlog te laten ont­staan waarbij het Frankrijk als bondgenoot aan haar zijde zou weten, was met de moordaanslag in zicht gekomen.

 

De tragiek daarbij was dat het getergde Oostenrijk-Hongarije zelf de sleutel in het slot stak en voor het oog van de wereld als schuldige aan het ontstaan van die oorlog ten tonele ver­scheen. 

Alhoewel de agressieve houding van Servië in die tijd inmid­dels door wel­haast niemand meer wordt ontkend, dient de stel­ling dat dit land ook daadwerkelijk en bewust aan het ontstaan daarvan heeft meegewerkt, nog enige toelichting.

Tegenstanders van deze mening brach­ten o.a naar voren dat Servië de Oostenrijk-Hongaarse rege­ring bijtijds gewaarschuwd had dat er iets broeide en dat het beter zou zijn als de Aartshertog zijn voorgenomen reis niet zou ondernemen.

Tege­lijkertijd brachten zij het, niet onbelang­rijke argument naar voren dat Servië praktisch alle in het ultimatum gestelde eisen zou hebben geaccepteerd en dat het, als men echt oorlog had gewild, zeker niet de moeite had hoeven nemen om de meeste eisen in te willigen, dat zou dan zeer onlogisch zijn geweest,

Immers het ferm afwijzen daarvan had dan zeker tot die oorlog geleid.De acceptatie van zoveel eisen zou wel eens voor Oos­tenrijk-Hongarije aanleiding hebben kunnen zijn haar oorlogs­plannen op te geven en dit zou dan de haviken in Servië in hun plannen hebben gedwarsboomd.

 

Zo eenvoudig lag het echter niet. De moord op Frans-Ferdinand had de publieke opinie in de gehele wereld ernstig geschokt en algemeen werd deze daad veroordeeld en de stemming was vrij anti-Servië in die dagen.

Zou Servië het ultimatum derhalve zonder meer van de hand hebben gewezen dan zouden velen dat gezien hebben als een bewijs van de kwade trouw van Servië en dit zou de bondgenoten van Rus­land, Frank­rijk en Engeland, er mogelijk van hebben weerhouden om  zich in het conflict te mengen. Servië zou dan wederom alleen komen te staan en dit kon het zich niet veroor­loven. 

Totale afwij­zing van het ultimatum was dus niet wenselijk. Maar openlijke en volledige aanvaarding er van uiteraard ook niet want dan zou de Groot-Servië gedachte geen stap verder komen.

Men koos derhalve voor de oplossing het ultima­tum op een aantal punten te aanvaarden maar de belangrijkste te verwerpen en dit op zo’n wijze dat het naar buiten zou lijken alsof Servië er alles aan had gedaan zo positief moge­lijk te reage­ren zonder haar integriteit als Staat prijs te geven.

 

Die „bijna” aanvaarding had succes en leidde er inderdaad toe dat de wereldopinie vrij plotseling van pro- naar anti-Oosten­rijk-Hongarije draaide en men sympathie begon te krijgen voor dat kleine Servië dat zich in doodsnood liet vernederen door Oostenrijk-Hongarije, er daarbij alles aan doende een oorlog te voorkomen.

 

Zelfs de Duitse keizer was van mening dat er, na de „bijna” aanvaarding, voor Oostenrijk-Hongarije geen reden meer was tot oorlog en vond e.e.a:”Een briljante diplomatieke overwin­ning in slechts 48 uur. Dit is meer dan men had mogen verwach­ten en een grote morele overwinning voor Wenen maar hierdoor vervalt  elke reden tot oorlog. Giesl (de Oostenrijk-Hongaarse ambassa­deur in Servië) had rustig in Belgrado kunnen blijven. Met zo’n antwoord zou ik nooit de mobilisatie bevolen hebben”.*68 en op 28 juni 1914 schreef hij aan zijn minister van Buiten­landse Zaken, Von Jagow:

 

„Nadat ik het Servische antwoord heb gelezen dat ik hedenoch­tend ontving, ben ik er van overtuigd dat, globaal genomen, aan alle wensen van de monarchie is voldaan. De overgebleven punten kunnen m.i door onderhandelin­gen worden opgelost­.Het resultaat is dat elke reden tot oorlog is komen te verval­len”.*69.

 

Oostenrijk-Hongarije echter dacht daar heel anders over.

Zij geloofde niet meer in diplomatieke overwinningen waar het Servië betrof. Alleen het aanwenden van macht zou nog resul­taat kunnen hebben en derhalve was men vastbesloten tot oor­log.

Wat de Serven ook geantwoord zouden hebben, oorlog was niet meer te voorkomen en dit begrepen de Serven zelf ook heel goed 

Dat blijkt o.a wel uit het feit dat toen men het ant­woord op het ultimatum indiende, slechts enkele minuten voor­dat de tijdlimiet verlopen was, de mobi­lisatie reeds in volle gang was.

Paschitch gokte volledig op Russische steun waar­van hij wist dat ze hem deze keer niet onthouden zou worden.

 

Tenslotte komen we dan bij de bewering dat de Servische rege­ring middels haar ambassadeur een waarschuwing zou hebben gegeven aan de Oostenrijkse minister van Buitenlandse Zaken dat er een aanslag op de Aartshertog te verwachten was.

Deze bewering is daarom reeds ongeloofwaardig omdat men steeds bij hoog en bij laag ontkend had iets van de aanslag te hebben afgeweten. Het is dan natuur­lijk wel vreemd als men dan tege­lijkertijd toch voor zo’n aanslag waarschuwt.  Toch kreeg deze bewering een eigen plaats in de geschiedenis.

De waarschuwing zou op 18 juni zijn uitge­gaan maar de Oosten­rijkers zouden er geen aandacht aan hebben besteed. Een be­richt van deze strek­king kwam voor in het boek „La Grande Serbie ” 1916 van E.Den­nis en ook in de „Wiener Sonn und Montags Zeitung” van 23-6-24 verscheen een dergelijk bericht waarbij als bron de Secretaris van de Servische lega­tie in Wenen, de heer George Josimovitch, genoemd werd.

 

Deze ontkende desgevraagd echter heftig ooit zo’n waarschuwing te hebben ontvangen noch te hebben doorge­geven.

Ook de Oosten­rijkse minister Billinski verklaarde in zijn memoires nooit een waarschuwing van die strekking aan de keizer te hebben door­gegeven terwijl het hoofd van de hofhou­ding van Franz-Ferdi­nand eveneens ontkende ooit iets van een waarschuwing te hebben gehoord.*70.

 

Wel is gebleken dat de Servische ambassa­deur in een privé-gesprek met Billinski, heeft gewaarschuwd dat een eventueel bezoek van de Aartshertog aan Bosnië, juist op St.Vitusdag, onverstandig was omdat dit wel eens als een provocatie zou kunnen worden opgevat* 71..

Billinski heeft deze opmerking als kennisgeving aangenomen en heeft ze gelaten  voor wat ze was en er verder niets mee gedaan. Franz-Ferdi­nand zou zich er overigens zeker niet door hebben laten tegenhou­den.

Er is, tenslotte, veel te doen geweest over de inhoud van het Oostenrijkse ultimatum. Het zou onaanvaardbaar en vernede­rend zijn geweest en was dat natuurlijk ook.

 

Maar het is evenzo een  feit dat de eisen welke de Grootmach­ten destijds,in 1909, aan Servië stelden, toen het gedwongen werd de annexatie van Bosnië-Hercegovina door Oostenrijk-Hongarije te aanvaarden en ze schriftelijk moest verklaren dat ze zich in het ver­volg fatsoenlijker zou gaan gedragen, de facto veel vernederender was, het land moest zich toen in het openbaar een lesje laten geven dat z’n weerga in de geschiede­nis niet kent.

Toen echter kwam dat de betrokken landen goed uit en niemand klaagde toen dat zulke eisen door geen enkel zich zelf respec­terend land konden worden geaccepteerd. Servië had maar te gehoorzamen en daar­mee uit.

De rest is wel bekend. Oostenrijk-Hongarije mobiliseerde haar troepen en viel Servië binnen. Enige dagen later werd het zelf aangevallen door Rusland, Duitsland viel België en Frankrijk binnen en Gr.Brittannië snelde deze landen daarop te hulp en de „Grote” of „Europese” oorlog was een feit.

En zo kwam dan het sinds 1893 in gang gezette proces ter voorbereiding op een wereldoorlog, toch voor velen nog verras­send,tot ontkno­ping.

Geestdriftig stortte de massa zich met de wapenen in de hand en met het gelijk aan hun zijde, in de oorlog.

 

Ruim vier jaar later en ten koste van 30 miljoen slacht­offers, eindigde het conflict en was het aanzien van de wereld radi­caal veran­derd.

Slechts één land realiseerde zijn doel­stellingen. dat land was Servië met Paschitch aan het hoofd. De Wereldoorlog die hij ge­wenst had, bracht hem ook het resul­taat,. „Groot-Servië” werd een feit. De realisatie er van had miljoenen slachtoffers gekost maar dat deerde Nicolas Pasitch niet. Hij werd wederom minister president.

 

Noten

*1   Smit,Gordon.”From Serbia to Yougoslavie”p.4

*2   Dor.Milo, „De laatste zondag” vert. uit Duits. Isbn 90604­ -5488X. Uitg.Hollandia bv,

      Baarn. P. 207

*3   Laffan.R.M.G.”The Serbs,The Guardians of the Gate,

      Dorset Press.N.Y 1989.Isbn 0-88029-413-2.P.33.

*4   Ibid.P.37.

*5   Ibid.P.42.

*6   Ibid.P.53.

*7   Ibid.P.73.

*8   Ibid.P.75..

*9   Ibid.

*10  Ibid. P.81

      Jelavich.Barbara. „History of the Balkans”.Cambridge University Press. (reprint

      1991) Vol,2 .P.33.

*11  Fay.S.B.”The origins of the World War”.N.Y. The Macmil­lan Comp.1932. 2nd.Ed.

        Vol.1. P.115.

*12  Ibid.P.366-367. Siccama.Ds.K.H. „De annexatie van Bosnië-Hercegovina 5

        october 1908-19 april 1909” Proefschrift 8-12-1950. P.24.

*13  Ibid.

*14  Nitti,F.S. „Peaceless Europe” Cassell & Comp.Ltd London,N.Y,Toronto and   

        Melbourne. p. 86-87

*15  Ibid.

*16  Bogitshevich,M. LL.D”Causes of the War” publ.by C.L.van Langenhuysen, A.dam,

        R.dam 1919 p.6-7

*17  Seton Watson,R.W. „Serajevo” Hutchinson & Co publ.Ltd.. London, p.27 

*18  Siccama, Ds. H.K. „De annexatie van….”p.16 quote Goosz p. `173-181.

        Fay.S.B. „The origins of the….”2nd ed.vol 2.p.80.

*19  ibid.p.87

       Jelavich.Barbara. „History of the Balkans”..vol 2.p.111

*20  Dobrivor.R.Lazerevich.”Die Swartze Hand”.Verlag der Librairie Nouvelle. Lausanne

       (Suisse) 1917.

*21  Fay.S.D. „The origins of the World War”.Vol.2. P.87.

*22  Ibid

*23  Jelavich.Barbara. „History of the Balkans”. vol 2. p.111

*24  Conrad,Feldmarschall.”Aus meiner Dienstzeit 1906-1918”

        Rikola Verlag Wien/Berlin/Leipzig/Munchen 1921 vol 1 p. 27,91

*25  Ibid

*26  Siccama. Ds.K.H. „De annexatie……” p.33.

*27  Fay.S.D. „The origins of the World War”.Vol.2. P.380

       quotes report of Vesnitch, Serbian minister Paris 5-10=1908.

*28  Ibid.

*29  Siccama. Ds.K.H. „De annexatie…..” p.76 e.v.

*30  Ibid p.78

       Bogitshevich.M.LL.D „Die Auswartige Politik Serbiens.Dl 1

*31  Conrad,Feldmarschall.”Aus meiner Dienstzeit..”Dl 1.p.115

*32  Siccama. Ds.K.H. „De annexatie van..” p.110

*33  Ibid. p.115.

*34  Oesterreich Ungarns Auszenpolitik.(Wenen 1913) nrs 162,

     165,167,181,249,256,396.

     Die Grosze Politik der Europeische Kabinette (1871-1914. 26 (1) 9093.

*35  OUA 1, nr 787.

       Siccama. Ds.K.H. „De annexatie van….” p.118.

*36  Ibid.P.119.

*37  Baernreither. „Fragmenten eines Politisches Tagesbuches”

*38  Fay.S.B. „The Origins of the World War..” Vol 1. p.388

     quote G.P XXV1 669 e.v.

*39  Ibid vol 1 p.392

*40  Grosze Politik. 26. p.731

     Fay.S.B.”The origins of the World War”Vol 1.p.39⅔93

     Laffan.R.G.D „The Serbs,the Guardians of the Gate p96

*41  Ibid. Vol 1 p.400/401 quote Conrad vol 1 p.181 e.v en

     Grosze Politik 26, p.776 e.v.

*42  Verseput,j.”De voorgeschiedenis van de Oostenrijk-

       Hongaarsche nota aan Servië van juli 1914” P.4-5.

*43  Fay.S.B. „The origins of the World War”vol 1 p.402

     Herre.Paul. „Die kleinen Staaten Europas…” p.336

*44  Grosze Politik 26, p.844 e.v.

*45  Bogitshevich.M LL.D  „Causes of the War” p.99

*46  Ibid. P.98.

*47  Observations on the report of the Commission of the

        Allied & Associated Governments concerning the responsi­bilities of the Authors of

        the War. p.44-45

*48  Bogitshevich.M. LL.D „Causes of the War” p.90

*49  Ibid. p.30

*50  Ibid. p.26

*51  Ibid. p.53

*52  Rapport Kossutitch 3-3-09, „Deutschland Schuldig” p.112.

*53  Benckendorff „Diplomatischen Schriftwechsel” Vol 1

*54  Siccama. Ds. K.H. „De annexatie….” p.17

*55  Ibid

*56  ibid

*57  Bulgaro-Serbian Treatie 29-02-12.”Key Treaties for the

     Great Powers 1814-1914. Selected & edited by Michael

     Hurst.David & Charles:Newton Abbot. Isbn 0-7153-5633X

     Vol.2.P.822.

*58  Seton Watson.R.W.”Serajevo” Hutchinson & Co.Publishers Ltd.A study in the

       origins of the Great War.P.76.note.

*59  Ibid.

*60  Ibid.P.153

*61  Fay.S.B. „The origins of the World War” vol 2.p.64

*62  Ibid

*63  Bogitshevich.M. LL.D. „Causes of the World War” p.10

*64  Fay.S.B „The origins of the World War” vol 2 p.144

*65  Ibid, vol 2. p.90 quote Durham „The Serajevo Crime”

     p. 80, 174, 182.

*66  Fay.S.B. „The origins of the World War”. Vol.2. P.144.

*67  Seton Watson.R.W.”Serajevo”, P.156.

*68  Fay,S.B. „The origins of the World War” Vol.2.P.348.

*69  Ibid.

*70  Ibid. P.155 e.v.

*71  Ibid. P.158-159.

overzicht: