Schenking SSEW

Het komt regelmatig voor dat er voorwerpen aan de SSEW geschonken worden.

Met het oog op de tentoonstellingen die rond 2014 over de herdenking van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog verwacht worden, komt dat goed uit. De SSEW heeft contacten met musea en stelt haar verzameling ter beschikking voor tentoonstellingen. Andere schenkingen zijn welkom. Neem daarvoor eerst even contact op met de heer J. van Raan.

Recent ontving de SSEW een naaidoosje van een mevrouw wier overgrootmoeder het gekocht heeft in vluchtelingenkamp Zeist, waar zij werkte. Het doosje heeft als bijzonderheid een ingezet stukje hout aan de achterkant met de tekst:

Fait en exil Zeist 1917

Het “interneringsdepot” Zeist lag aan de weg Utrecht-Zeist-Amersfoort, 1 km ten zuiden van Soesterberg, op het terrein van de legerplaats Zeist van de Genie. (Veel later werd op deze locatie het Militair Luchtvaartmuseum aangelegd). Na drie weken bouwen, konden begin oktober 1914 6.000 personen het kamp betrekken, hoewel er nog nauwelijks sanitaire voorzieningen aanwezig waren. In december kwam het tweede deel gereed. Het kamp had 2 afdelingen voor geïnterneerde Belgische militairen die van elkaar gescheiden waren door hoge afrasteringen prikkeldraad. Er waren per kamp 26 barakken waarin, per barak, 250 soldaten moesten verblijven. Ook werden er 2 kerken en kleine winkeltjes gebouwd. Het leven was er hard, de daken lekten en er braken veel ziektes uit. De wegen in het kamp waren onverhard en zaten vol modder. Het afval bleef dagen liggen stinken en douchen kon men eens per drie weken.

Het dagelijks leven begon al om 7 uur met reveille, appèl en aardappelschillen. Om 9 uur een tweede rappèl, waarna de verplichte werkzaamheden begonnen. Om 12 uur een soepmaaltijd en weer aan het werk tot 16 uur, dan derde appèl, avondmaaltijd, taptoe en om 21.30 lichten uit. Voor de werkzaamheden werd een vergoeding verstrekt die varieerde van 10 tot 50 cent per dag. Het leven leek op een gevangenis.

In december 1914 was er al een opstand, die begon met schelden tegen de bewakers. Zij werden uitgemaakt voor “dutsen” en “kaaskoppen”. Vervolgens werden de ruiten van de kantine ingegooid en werd er etenswaren en bier gestolen. Toen de dag daarop de oproer weer begon, besloot de leiding hard in te grijpen. De bewaking werd bekogeld met stenen waarop na diverse waarschuwingen er met scherp geschoten werd. Het resultaat was 8 doden en 19 gewonden. De verontwaardiging in Nederland was groot en er werd een onderzoek ingesteld. De omstandigheden in de kampen werden daarna wat verbeterd. 

 

(foto:minister Bosboom brengt een bezoek aan het kamp na de opstand)

Maar comfortabel werd het niet. In de koude winter van 1916/17 waren de barakken nog steeds onverwarmd. De inspecteur der geneeskundige Dienst had eerder gerapporteerd dat verwarming niet nodig was. Wel werd er een verlofregeling ingesteld binnen een straal van acht km. De Belgen moesten dan beloven om op de afgesproken tijd terug te keren.

De Belgen hadden het idee dat hun regering geen belangstelling had voor hun lot. Hierdoor kon het socialisme en de Vlaamse Beweging opbloeien met krantjes, waarin gepleit werd voor samenwerking met Duitsland om de Vlaamse zelfstandigheid te bereiken. Er waren ook spanningen tussen de Walen en Vlamingen. Een duidelijke verbetering was de mogelijkheid voor gehuwde mannen om hun gezin over te laten komen. Dat leverde wel weer nieuwe huisvestingsproblemen op. Er werden hoge huren gevraagd, waardoor de vrouwen genoodzaakt waren om werk te zoeken. Ook werden er gezinsdorpen in de omtrek aangelegd. Op de zondagen was er een levendig verkeer tussen de kampen en dorpen en moesten er extra trams tussen Zeist en Amersfoort ingezet worden. De Nederlandse regering probeerde de hereniging binnen de perken te houden.

Er was een toenemende behoefte aan arbeidskrachten in Nederland, omdat veel mannen gemobiliseerd waren. Door tewerkstelling in Nederlandse bedrijven verlieten steeds meer geïnterneerden de kampen. Zij werden gehuisvest bij hun arbeidsplaatsen zoals de mijnen in Zuid Limburg en in de havens van Rotterdam. Deze tewerkstelling gebeurde na overleg met de Centrale Arbeidsbeurs; toestemming werd alleen verleend als er geen Nederlandse arbeidskrachten beschikbaar waren. De interneringskampen raakten dus langzamerhand ontvolkt. Er werden daarom reorganisaties doorgevoerd. Vanaf het midden van 1917 waren er daardoor nog slechts vier kampen in gebruik, waaronder Zeist en Harderwijk. Begin 1918 dreigde ook kamp Harderwijk te worden opgeheven; de overgebleven geïnterneerden zouden worden overgebracht naar kamp Zeist. Na een intensieve lobby door de middenstand van Harderwijk, werden echter op 2 september 1918, geheel tegen de verwachting in, de overgebleven 4.500 bewoners van kamp Zeist overgebracht naar Harderwijk.

In totaal zijn in Nederland geïnterneerd geweest: 33.105 Belgen (onder wie 406 officieren), 1.751 Engelsen (139 officieren), 1.461 Duitsers (68 officieren), 8 Fransen (5 officieren) en 4 Amerikanen officieren. De geïnterneerden van Franse en Amerikaanse nationaliteit waren afkomstig van op Nederlandse bodem gelande vliegtuigen. Op 11 november 1918 werd de oorlog beëindigd. Het duurde echter tot het tekenen van de wapenstilstandsovereenkomst voordat de Nederlandse regering de onderhandelingen over de repatriëring begon; vanaf december 1918 konden de geïnterneerden terugkeren naar hun vaderland.

In 1980 verhuisde het Luchtvaartmuseum naar het kamp Zeist. Tussen 1999 en 2002 was een groot deel van het terrein Schots grondgebied voor de huisvesting van een Schotse rechtbank en gevangenis voor de rechtszaak over de Lockerbie-aanslag. Die gebouwen werden vervolgens bestemd tot detentiecentrum voor uitgeprocedeerde asielzoekers. Ook  Geert Wilders woonde enige tijd op dit terrein.

Jos van Raan
Coördinator museumactiviteiten

 

Bronnen:

Vluchten voor de Groote oorlog, 1988
E. de Roodt: Oorlogsgasten, 2000
Wikipedia

overzicht: