Recensie overgenomen uit NRC Handelsblad dd 5 juni 2008 alsmede de kritiek op deze recensie

In NRC Handelsblad van 5 juni lazen wij de volgende recensie n.a.v de in Huis Doorn recent geopende  semi-permanente expositie over Wilhelm II, de voormalige Duitse keizer die in 1918 nadat Duitsland een wapenstilstand moest sluiten met de geallieerden, zijn toevlucht tot ons land nam en de rest van zijn leven tot aan zijn dood in 1941, eerst in Amerongen en daarna in Doorn, heeft doorgebracht.

De directie van het rijksmuseum Huis Doorn besloot in 2006 het museum verder uit te breiden en het leven van de laatste Duitse keizer gedurende de belle epoque, de eerste wereldoorlog en het interbellum, nader toe te lichten.

In NRC Handelsblad van 5 juni 2008 verscheen over deze semi-permanente expositie een recensie van de hand van Bart Funnekotter die wij hier onverkort overnemen.

 

Recensie

Wie was toch keizer Wilhelm II?

Door: Bart Funnekotter

 

Huis Doorn is een van de aardigste musea in Nederland. De laatste residentie van de Duitse keizer Willem II, die er van 1920 tot zijn dood in 1941 woonde, is tot de nok toe gevuld met prachtige kunst en artefacten, afkomstig uit zijn paleizen in Berlijn en Potsdam.

Toen hij na afloop van de Eerste Wereldoorlog in 1918 naar Nederland vluchtte, nam de vorst 58 treinwagons vol persoonlijke bezittingen mee naar Nederland. Deze schat doet Huis Doorn bijna uit zijn voegen barsten, maar geeft het museum ook een heel intiem karakter. De bezoeker heeft het gevoel dat de keizer ieder moment de kamer kan komen binnenlopen.

Nergens in de permanente tentoonstelling werd echter goed uitgelegd wie de keizer nu precies was, en in welke tijd hij leefde. De vorige week geopende vaste expositie De keizer en Europa moet dat hiaat opvullen.

„Niet elke scholier weet tegenwoordig meer wie Wilhelm II was”, zei directeur Diederik van Beekhof afgelopen vrijdag in zijn openingstoespraak. Helaas zal De keizer en Europa daar niet veel aan veranderen. De samenstellers van de tentoonstelling hebben er namelijk voor gekozen een wel heel beperkt deel van het leven van Wilhelm II te belichten.

In de kelder van het huis wordt het leven van de Duitse keizer behandeld in drie periodes: de Belle Epoque, de Eerste Wereldoorlog en het Interbellum. Per periode worden drie thema’s nader toegelicht en zichtbaar gemaakt met foto- en filmmateriaal.

In korte begeleidende teksten wordt uitgelegd wat er zoal gebeurde in deze tijd. We zien Wilhelm parades afnemen, op vakantie gaan en eindeloos poseren in alsmaar verschillende uniformen. Waar de bezoeker echter niets over leest, is de rol die de keizer speelde bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog.

Wie niet beter weet, zou denken dat het conflict als een vloedgolf het leven aan het Duitse hof wegspoelde, zonder dat Wilhelm daar zelf iets mee te maken had. Het ene moment was hij nog op zijn vakantiehuis op Korfoe, het volgende moment is zijn land opeens in oorlog met bijna de gehele westerse wereld. Hoe kan dat?

Zeker, tijdens de oorlog had de keizer weinig te vertellen en was hij overgeleverd aan zijn generaals. Het decennium ervoor was hij echter in belangrijke mate verantwoordelijk voor het verzieken van de verhoudingen op het Europese continent.

Hij stond bijvoorbeeld op de uitbreiding van de Duitse vloot, ook al wist hij dat die groei door de Britten als een provocatie zou worden opgevat. Zijn confronterende stijl van politiek bedrijven, zorgde ervoor dat elk optreden van Wilhelm gespannen situaties alleen maar erger maakte.

Ook tijdens de toespraken afgelopen vrijdag, onder andere van Wilhelms achterkleinzoon Prinz Georg Friedrich von Preussen, werd geen moment gewag gemaakt van de kwalijke rol die de keizer speelde bij de overgang tussen Belle Epoque en Wereldoorlog. Het lijkt erop dat het verstrijken van de tijd bij sommige mensen tot selectief geheugenverlies heeft geleid. De curatoren van Huis Doorn doen er goed aan de tentoonstelling snel aan te passen en een genuanceerder beeld van het Europese optreden van keizer Wilhelm II te schetsen. Met de tentoonstelling zoals hij nu is, wordt de bezoeker geen dienst bewezen.

 

Kritiek op deze recensie

Funnekotter begint met te stellen dat de bezoeker van de expositie nergens iets te zien krijgt over de rol die de keizer gespeeld heeft bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. en hij voegt daar dan aan toe; ‘Wie niet beter weet, zou denken dat het conflict als een vloedgolf het leven aan het Duitse hof wegspoelde, zonder dat Wilhelm daar zelf iets mee te maken had. Het ene moment was hij nog op zijn vakantiehuis op Korfoe, het volgende moment is zijn land opeens in oorlog met bijna de gehele westerse wereld. Hoe kan dat?’.

Een interessante vraag maar Funnekotter realiseert zich kennelijk niet dat nu juist die vraag momenteel weer in het brandpunt van de belangstelling ligt en dat de historici het bij lange na niet eens zijn over de rol die de keizer bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog heeft gespeeld. Het is dus verstandig van het museum dat ze daarbij geen standpunt inneemt en het beantwoorden van die vraag voorlopig nog even aan de historici overlaat.

Funnekotter vervolgt dan met de mededeling dat de keizer in belangrijke mate verantwoordelijk is geweest voor het verzieken van de verhoudingen op het Europese continent en verwijst dan naar de uitbreiding van de Duitse vloot die door de Britten als een provocatie zou zijn opgevat.

Het Duitse vlootbouwprogramma wordt inderdaad vaak genoemd als reden voor het verslechteren van de verhoudingen in Europa maar ook die stelling is zeer omstreden. Het Britse dagblad The Nation van 15 Augustus 1908 schreef naar aanleiding van de toenemende druk van de Britse Marine op de regering om meer oorlogsschepen te mogen bouwen;

„It is clear that a great error was committed by the Government when it came in power in not at once reducing our naval and military expenditures to a peace footing. Had this been done, it is improbable that Germany would have propounded its recent Naval Programme. The opportunity was lost and what we now reduced to hope for is, that there will be no further increase”.

Het was Churchill zelf die een jaar later met betrekking tot dit zelfde onderwerp en naar aanleiding van een rapport van de Britse admiraliteit over de Duitse Marine, schreef dat dit rapport;

„the result is of a false, lying panic, started in the party interest of the Conservatives  and a part of a showy, sensational aggressive and jingo policy”, 

en de Britse minister-president Lloyd George schreef in zijn memoires dat:

„men in 1913 nog berekend had dat de Britse vloot, zelfs zonder verdere uitbreiding, nog tot in 1917 oppermachtig over de Duitse vloot zou zijn, zelfs als Duitsland haar plannen tot het verder uitbreiden van haar marine zou uitvoeren”. (hetgeen zoals we weten, niet het geval is geweest)

De Britse Marine speelde echter een eigen rol en deed er alles aan om met een eigen nieuwbouwprogramma te komen als antwoord op de uitbreiding van de Duitse vloot en eiste toestemming tot de bouw van 8 schepen van het type ‘Dreadnought’.

Wederom echter verzette Churchill zich hier met kracht tegen en somde een groot aantal kritische punten op inzake de z.i onverantwoordelijke beweringen over het Duitse vlootbouwprogramma. Hij verklaarde dat het duidelijk was dat de nationale veiligheid van Gr.Brittannië op geen enkele manier in gevaar kwam door het Duitse bouwprogramma en later is ook gebleken dat de beweringen van de Britse admiraliteit dat Duitsland in 1912 over 21 dreadnoughts zou beschikken zwaar overdreven is geweest. In werkelijkheid waren dat er slechts tien. De Duitse vloot heeft overigens ook nooit een bedreiging gevormd voor de overmacht van de Britse vloot en het is ook nimmer de bedoeling geweest van Duitsland om een vloot te bouwen die sterker zou moeten zijn dan de Britse vloot. Integendeel, bij de openbare behandeling van de Duitse vlootwet in 1900 werd vastgesteld dat de Duitse vloot niet sterker mocht worden dan ⅔ van de sterkte van de Britse vloot, zulks om provocatie van de Britten te voorkomen.

De bewering dat de bouw van de Duitse marinevloot de doorzaak is geweest van het verzieken van de verhoudingen in Europa is dan ook een mythe die niet door de feiten wordt onderbouwd en de bewering van  Funnekotter terzake mist dan ook de noodzakelijke historische onderbouwing.

Funnekotter wijst voorts op de „kwalijke rol”die de keizer aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog gespeeld zou hebben. Ook hier baseert hij zich echter weer op de mythevorming die zich rond de figuur van de Duitse keizer heeft gevormd. Moderne historici relativeren die rol in aanzienlijke mate en de bewering dat Wilhelm II een soort oorlogshitser is geweest (kwalijke rol) wordt dan ook niet door de feiten onderbouwd.

Er is een verbijsterende tendens in de hedendaagse literatuur en in de opinie van sommige historici te constateren om de beoordeling van Duitsland met betrekking tot oorzaak en schuld aan de Eerste Wereldoorlog  steeds door Britse ogen te willen blijven zien en de Britse visie op bijv. haar koloniale expansie en haar beweerde recht op alleenheerschappij en de de Britse visie op de ‘balance of power’ en de schuldvraag en oorzaken van de oorlog, als volstrekt logisch en legitiem te aanvaarden maar tegelijkertijd de Duitse protesten daartegen en Duitse reacties, acties en tegenmaatregelen automatisch te beoordelen als welbewuste provocaties en honger naar wereldmacht.

Dat komt een zo objectief mogelijke geschiedschrijving natuurlijk niet ten goede.

 

Het leveren van kritiek is een goed recht maar men dient dan wel te weten waarover men praat en uit de recensie van Funnekotter blijkt duidelijk dat zulks hier niet het geval is. Dat is jammer want de semi-permanente expositie in Huis Doorn is het bezoeken zeer zeker de moeite waard.

 

Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog

J.H.J. Andriessen

Voorzitter

overzicht: