Meest recente overige artikelen

Oorlogsgeschiedenis op internet

Door: ir.E.Wils

 

In het Britse geschiedenis tijdschrift History Today stond in het nummer van mei 2010 een artikel over een nieuwe website over de Tweede Wereldoorlog, www.WW2History.com. De website is gemaakt onder supervisie van Laurence Rees, bekend van zijn documentaires op de BBC en de boeken Behind closed doors en Auschwitz. Het oogt als een mooie website met teksten, video’s en geluidfragmenten. Er is overduidelijk veel tijd en energie ingestoken. De website illustreert dat internet als medium mogelijkheden heeft die boeken en films niet hebben. Maar voor de toegang tot het meeste materiaal moet betaald worden. Ergens moet het geld vandaan komen om de staf te betalen die de website onderhoudt. Of dat een succes wordt zal moeten blijken, het gaat in ieder geval in tegen de mantra dat niemand voor informatie op internet wil betalen. Maar als de website wel een succes wordt, dan kan het een trendsetter worden en zal er wellicht een vergelijkbare website opgezet worden over de Eerste Wereldoorlog.


Nederlandse cocaïne aan het oorlogsfront

Door ir. Eric R.J. Wils

 

Bij de uitgeverij Nieuw Amsterdam verscheen najaar 2009 de roman De Handelsreiziger van de Nederlandsche Cocaïne Fabriek van de schrijfster Conny Braam (416 pagina’s; € 19,90; ISBN: 978-90-468-0675-3). Zoals de titel van het boek al aangeeft is de hoofdpersoon een jonge ambitieuze Nederlandse handelsreiziger. Hij wil zoveel mogelijk cocaïne aan buitenlandse klanten verkopen tijdens de Eerste Wereldoorlog en in de jaren vlak na die oorlog. Wat ze er mee doen is zijn zorg niet. Het gebruik van cocaïne was voor en tijdens de oorlog overigens niet verboden en werd o.a. door artsen naast morfine toegepast als verdovingsmiddel.


Het is een ingenieursoorlog

Chemie in militaire dienst in Nederland 1914-1925 

Dr. Wim Klinkert   Nederlandse Defensie Academie, Breda 

  

Inleiding

Sinds de uitvinding van het buskruit zijn chemie en oorlogvoering nauw met elkaar verbonden. De Eerste Wereldoorlog voegde hier nog een dimensie aan toe, die van de chemische wapens en de bescherming daartegen. Deze bijdrage gaat in op de Nederlandse chemische oorlogsproductie in en kort na de Eerste Wereldoorlog. Nederland was toen teruggeworpen op zichzelf, het ontbeerde veel van de grondstoffen die noodzakelijk waren voor chemische productie en het zag zich voor ingewikkelde (chemische) uitdagingen geplaatst, die voor de inzet van de krijgsmacht essentieel waren. Een analyse van de Nederlandse inspanningen om rookzwak kruit, strijdgas, vlammenwerpers, nevels en gasmaskers te produceren vormt een bijdrage tot beantwoording van de vraag in welke mate Nederland in 1914-1918 dezelfde ervaringen doormaakte als de belligerenten. Maartje Abbenhuis maakt  in haar proefschrift[2] duidelijk dat de defensieorganisatie in Nederland zich in deze periode  ook op maatschappelijke en economisch gebied moest gaan bewegen. Zij heeft hiermee de veelzijdigheid van de militaire activiteiten aangetoond. Ik zou het debat nog willen aanscherpen door het begrip uit het internationale historische debat total mobilization[3] toe te passen op de Nederlandse neutraliteitservaring. Dit begrip is een afgeleide van het in de internationale historiografie ruimer toegepaste begrip total war.Juist een land dat zo ingeklemd lag tussen de oorlogvoerenden moest, om zijn neutraliteit te handhaven, veel van dezelfde ingrijpende maatregelen nemen of processen ervaren, die de buurstaten doormaakten om de oorlog te voeren. De mobilisatie had dus een veel totaler karakter dan alleen het op oorlogssterkte brengen van de krijgsmacht.  Vanzelfsprekend had het gebrek aan daadwerkelijke oorlogservaring op de Nederlandse situatie een dempende werking. Echter, in wezen waren veel ervaringen gelijk en kwamen ze voort uit de reële mogelijkheid betrokken te raken in het conflict. Hierbij valt in algemene zin te denken aan de inzet van grote delen van de bevolking in het leger - en aan ideeen om die nog verder te vergroten - , inperking van allerlei vrijheden, het ingrijpen van de overheid in het economisch leven en de honorering van wensen van de militaire organisatie. Meer in detail op militair gebied gaat het dan om de modernisering van de krijgsmacht op technisch, tactisch en organisatorisch gebied.


Germany: A Neurotic Nation - still unable to come to terms with its past

Een artikel dat op ‘Het Forum Eerste Wereldoorlog” werd geplaatst en het lezen meer dan waard is . Derhalve nemen wij dit graag over ter publicatie op onze website:

  

On the first of January of this year Germany’s last known veteran of the First World War, Erich Kastner, died at the ripe old age of 107. Although not a celebrity in any way, shape, or form, his death was significant in that it betrayed the continued neurosis that Germany as a nation still suffers from. This neurosis is due to its ignominious role during the Second World War and is so powerful that it subsequently still affects the way Germans view themselves in the past, foremost during the 20th century.


De strijd om de Dardanellen

Door: Dr. M. Kraaijestein en Dr. P. Schulten

Berichtgeving en beeldvorming

Inleiding

De smalle doorgang van de Middellandse Zee naar de Zwarte Zee is in de geschiedenis altijd van groot strategisch belang geweest. Tijdens de Eerste Wereldoorlog misschien nog meer omdat het een broodnodige verbinding kon vormen tussen Rusland en zijn bondgenoten. Bij het uitbreken van de oorlog was het nog niet helemaal zeker of het Ottomaanse rijk partij zou kiezen en zo ja aan welke zijde. In Konstantinopel streden Duitsers, Engelsen en Fransen om de gunst van de machthebbers. In de loop van augustus 1914 werd deze diplomatieke slag om de hoofdstad aan de Bosporus door de Centralen gewonnen.[1] In de loop van 1915 beslisten zij ook het militaire gevecht in hun voordeel op het schiereiland bij de Dardanellen, dat vooral onder de naam Gallipoli een lang en intens voortleven zou hebben.[2] In dit artikel schetsen wij het verloop van de gevechten en geven aan wat er in Nederland op dat moment bekend was over de strijd. Voor het publiek kwam de informatie vooral uit de Nederlandse pers en voor de regering van het gezantschap in Konstantinopel. Voor de journalistieke verslaggeving is met name de Nieuwe Rotterdamsche Courant van belang, die de beschikking had over een eigen correspondent in Konstantinopel, terwijl de minister van Buitenlandse Zaken regelmatig politieke rapporten ontving van de gezant aldaar.[3]