The origins of the First World War

Door J.H.J. Andriessen
Voorzitter Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog.

 

Dit is de eerste in een reeks analyses van boeken geschreven door bekende Angelsaksische historici die in de laatste jaren zijn verschenen en waarin  naar mijn mening de werkelijkheid over de Eerste Wereldoorlog, het ontstaan daarvan en de schuldvraagkwestie bewust of onbewust geweld wordt aangedaan.

Naast de stellingen van deze Angelsaksische historici wordt getracht aan de hand van duidelijke documentatie en primair bronnenmateriaal  aan te tonen dat met name hedendaagse vooral ook Britse historici nog steeds een visie onderhouden die op veel punten het gevolg is van generaties lange indoctrinatie waarbij kennis van de werkelijkheid ondergeschikt is gemaakt aan chauvinistische en nationalistische argumenten. Deze Angelsaksische visie is zo dominant en had- en heeft nog steeds zo’n grote invloed op met name ook  Nederlandse historici en binnen Nederlandse onderwijsinstellingen, dat het de vraag is of een realistischer visie wel ooit in dit land zal doordringen.

Met deze serie analyses wordt daartoe nu een poging gedaan.

 

Boek: The origins of the First World War. Controversies and consensus.

Door: Anika Mombauer.
Isbn 0 582 41872 0
Pearson Education Ltd (2002)

 

In dit boek maakt Mombauer een vergelijking tussen de conventionele en de revisionistische geschiedschrijving over de Eerste Wereldoorlog en zij doet dat op uitstekende wijze. Nog beter zou het echter zijn geweest als zij zich daartoe beperkt had. kennelijk kon zij echter de verleiding niet weerstaan om zelf ook met een oordeel te komen. Dat oordeel komt tot uitdrukking in haar ‘introduction’ en verder in de diverse hoofdstukken waar ze bepaalde standpunten van diverse historici van commentaar voorziet.

 

Het gevolg is dat Mombauer zich uiteindelijk toch weer confirmeert aan de Angelsaksische geschiedschrijving over de Eerste Wereldoorlog al is het juist dat zij daarbij een minder uitgesproken standpunt inneemt dan onder de Angelsaksische historici gebruikelijk is.

 

Wij zullen nu haar eigen stellingen citeren en van commentaar voorzien

 

Stelling: In haar ‘introduction’ stelt Mombauer het volgende:

 

“It will be suggested that there are several underlying reasons behind this ongoing quest to apportion responsibility. In part, emotional reactions to the horror of the war led to an understandable desire on the part of the victorious Allies to find someone to blame. They blamed the Central Powers and Germany in particular. At the same time, national pride led to a strident denial of this alleged responsibility within Germany”.  

 

Commentaar: De reden waarom de geallieerden de Schuldvraag vastgesteld wilden zien had in  feite niets met emotie te maken maar alles met herstelbetalingen. Zouden  ze er in slagen de schuld van de oorlog aan Duitsland toe te schrijven, dan zou dat land ook opgezadeld kunnen worden met het betalen van in de oorlog ontstane schade, van alle schade wel te verstaan dus ook de schade veroorzaakt door geallieerde bombardementen etc. Het hele vredesverdrag van Versailles draaide dé facto vooral om financiële genoegdoening, de rest was een kwestie van macht.

 

De geallieerden stelden zich na de oorlog al direct op het standpunt dat Duitsland de grote schuldige was. Lloyd George, de Britse Minister President, schreef in zijn memoires:

 

“That the Central Powers were the aggressors has been established beyond doubt” en hij erkende:

 

“that question is fundamental. If the Central Powers were not primarily responsible for the War, the basis of reparations disappears”.

 

en daarmee legde de Britse minister-president ‘de vinger op de zere plek’. Als Duitsland niet schuldig- of niet alléén schuldig aan de oorlog zou zijn geweest, dan was het dus niet zo heel logisch en begrijpelijk, zoals Mombauer vaststelt, dat ‘They (de geallieerden) blamed the Central Powers and Germany in particular’

 

Bij de opening van de vredesonderhandelingen in 1919 nadat ze kennis hadden kunnen nemen van de geallieerde vredeseisen, vroegen de Duitsers dan ook een onafhankelijk onderzoek naar de schuldvraag. Ze boden aan hun archieven te openen en ter beschikking te stellen van een neutrale onderzoekscommissie want, zo stelden ze: ‘alleen een onafhankelijk en neutraal onderzoek waarbij alle aan de oorlog deelnemende landen hun archieven ter beschikking zouden stellen, kon de uiteindelijke schuldvraag vaststellen.

Dit verzoek werd door de geallieerden echter afgewezen met het argument dat zij geen enkele behoefte aan zo’n onderzoek hadden omdat de schuldvraag duidelijk genoeg was. Daarmede konden de Duitsers het doen.

Die schuldvraag is echter nooit definitief door een neutraal en onafhankelijk gerechtshof onderzocht. De door het Vredescongres in 1919 samengestelde ‘commission  on the responsibility of the Authors of the War and on enforcement of Penalties”, had de vaststelling van Lloyd George dat de schuld aan de oorlog ‘byond doubt has been established’, één op één en zonder verder onderzoek, overgenomen en bereidde een tribunaal voor waarin Duitsland formeel zou worden veroordeeld. Dit tribunaal bestond uit rechters uit de overwinnende landen, geen neutraal en onafhankelijk Hof dus. Op pagina 88 waar zij de revisionistische opstelling van de historicus H.E.Barnes bespreekt stelt Mombauer nog vast dat diens visie ‘could not have been further removed from the conclusions reached at Versailles regarding the question of war guilt’, maar, zoals gezegd; te Versailles werden er geen ‘conclusions’getrokken, de schuld van Duitsland werd niet onderzocht, maar direct al als axioma aangenomen en vanuit die aanname  werd Duitsland uiteindelijk ook gevonnist en veroordeeld en dat is iets heel anders.

 

In het nationaal en internationaal recht volgt straf pas na een vastgestelde misdaad. De geallieerden beschuldigden Duitsland van  ‘vergrijpen tegen de internationaal geldende moraal en de heiligheid van internationale verdragen’ vervat in vijf harde aanklachten waarvan de belangrijkste was dat Duitsland en har bondgenoten de oorlog hadden veroorzaakt en schuldig was zonder echter die schuld met bewijzen aan te tonen. Die beweerde schuld werd vastgesteld door niet neutrale rechters die er alle reden voor hadden Duitsland schuldig te verklaren omdat dit de weg opende voor haast ongelimiteerde ‘herstel betalingen’ Het is duidelijk dat dit in strijd is met alle begrippen van internationale rechtsgang.

De tweede wereldoorlog werd gevolgd door een proces (Neurenberg) dat min of meer volgens de regels van het recht werd gevoerd en waarin de schuld van Duitsland terdege werd aangetoond maar in 1919 was daar geen sprake van.

 

Stelling: Ook Mombauers vaststelling dat: At the same time, national pride led to a strident denial of this alleged responsibility within Germany”. is geen juiste vaststelling.

 

Commentaar: Het was geen ‘nationale trots’ maar rotsvaste overtuiging dat Duitsland niet alléén schuldig was, die haar deed protesteren tegen de door de geallieerde beschuldigingen en opgelegde strafmaatregelen.

De conclusie uit de hier boven genoemde stelling van Mombauer wordt dus niet door harde feiten gedekt nl,

a)     de Duitse schuld is in 1919 niet door een onafhankelijk en neutraal gerechtshof vastgesteld zoals zij suggereert als ze naar Versailles verwijst en

b)     het was geen nationale trots maar voor Duitsland een kwestie van strijd voor het voortbestaan als natie en voor een  rechtvaardig oordeel, dat hen tegen de opgelegde straf deed verzetten.

Het is de steeds weer herhaalde vanzelfsprekendheid, dat Duitslands schuld vaststond en dat de eigen (geallieerde en vooral Britse) rol in  het ontstaan van de oorlog een zuivere, ja edele rol is geweest, die veel Angelsaksische historici hanteren bij hun beschrijvingen over oorzaken en schuldvraag van de Eerste Wereldoorlog. Die vanzelfsprekendheid zit in hun genen en maakt hen blind voor mogelijke, ik herhaal, mogelijke, alternatieven.

Op pagina  4 en 5 schrijft Mombauer;

Stalling:

“Germany’s leaders, and in particular the new German Kaiser Wilhelm II, wanted for Germany a ‘place in the sun’ which would reflect its economic predominance on the continent and its population’s size. Under Wilhelm II’s erratic leadership and in persuit of  the goal becoming of becoming a weltmacht (worldpower) the powerful new Germany , at the centre of Europe, soon began to challenge its neighbours, who were quick to react  to the perceived treat emanating from imperial Germany by forming defensive alliances”.

Commentaar: Nu is het natuurlijk juist dat Duitsland aan het eind van de vorige eeuw, een natie in volle opkomst met meer dan ⅓ van haar bevolking jonger dan 15 jaar en een bevolkingsgroei van  41 miljoen in 1871 naar 68 miljoen in 1914, zich snel tot een hoog geïndustrialiseerd exportland ontwikkelde maar het steeds moeilijker kreeg met het vinden van voldoende afzetgebieden en anderzijds met het verkrijgen van de noodzakelijke grondstoffen.

De Duitse export overtrof al spoedig die van de USA en in 1880 ging 80% van de Duitse productie naar Engeland, Frankrijk en Z.O.Europa en 77% van de import kwam uit Europese landen. In 1913 was dat nog maar 47%)

De groei van de Duitse export was in die periode groter dan die van Engeland of Frankrijk. De productie van kolen steeg maar liefst met 800% en de ijzer en staalproductie bereikte astronomische cijfers en overtrof die van Gr.Brittannië. (staalproductie groeide met 1335%)  Ook de chemische industrie groeide ver boven die van andere landen en haalde grote orders binnen die voorheen steeds naar Engeland waren gegaan.

Duitsland nam voorts bezit van voorheen Britse markten voor elektrotechnische producten en haar textielindustrie werd een enorme concurrent voor de Britten evenals haar scheepsbouw. In een aantal gevallen exporteerden de Duitsers meer producten naar Britse markten dan de Britten zelf.

Het is duidelijk dat tegelijk met deze enorme groei van haar industrie, de behoefte aan grondstoffen steeds groter werd. Duitsland werd daarbij steeds afhankelijker van grondstoffen en van het vervoer daarvan hetgeen tot dan toe steeds voornamelijk met Britse vrachtschepen plaatsvond. Alleen al uit zakelijke overwegingen werd de behoefte aan een eigen koopvaardijvloot dan ook manifest met als logisch gevolg ook een groei van de Duitse scheepsbouw en van Duitse havens. Kortom, er ontstond een nieuw modern en sterk geïndustrialiseerd Duitsland dat zich als een geduchte concurrent  deed voelen en de door Mombauer  genoemde Duitse “challenge to its neighbours”, was dan ook niet een Duitse wens tot “Weltmacht”, maar werd veroorzaakt door de volstrekt op legale wijze bereikte commerciële concurrentiepositie die voor Duitslands buren en met name Gr.Brittannië een doorn in het oog was. Wederom was het een economische reden die de jaloezie bij Gr.Brittannië wekte en die het land als een bedreiging voor haar eigen positie zag. Het was  daardoor dat het zich ging bezinnen op de vraag hoe men deze Duitse “dreiging” het hoofd zou kunnen bieden.

Dat dit zo was, blijkt ook uit een nota die Sir Crowe, een hoge ambtenaar op het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken reeds op 1 januari 1907 tbv zijn minister opstelde en waarin hij o.a schreef dat:

“of Duitsland zich nu vreedzaam of agressief zou gedragen, ze in elk geval zou expanderen en de wereldmarkt voor haar industrie zou willen openen. In beide gevallen diende Duitsland te beschikken over een zo krachtig mogelijke vloot. Voor de Britse regering maakte het in feite niet zoveel uit of Duitsland zich nu vreedzaam of agressief zou opstellen. Uiteindelijk zou het wel op een combinatie van beide houdingen uitdraaien en hoe dan ook, de ontwikkeling en expansie van Duitsland vormde een bedreiging voor Engeland en men diende daar dus rekening mee te houden en maatregelen tegen te nemen”. (Br.docs.Vol 3, F.O.37½57 p.398e.e.v)

Dat die maatregelen wel eens oorlog zouden kunnen betekenen blijkt uit het rapport van de Britse  Marine-inlichtingendienst van 10 juni 1908 waarin stond te lezen;

“It is frequently said that this country will never provoke a war with Germany on the grounds that we have nothing to gain and everything to lose. This was true and is so at the present time; in the near future Germany will be a most formidable competitor to the world’s trade, her fleet will rival ours and the condition of affairs will be entirely altered. Whether two great commercial and maritime nations can exist side by side remains to be seen. If the historical fact that European waters are to small for two maritime nations is accepted, a war between ourselves and Germany appears inevitable.  It needs hardly be said that our relative superiority in Naval power to Germany is considerable today and it is equally true that it will require very great efforts to maintain this superiority. In the present condition of public affairs  it may be predicted with certainty that  the British Government will never force a war on Germany , however much such a course  is desirable from strategical reasons. This is not considered to be the case by continental opinion, which also points to history and shows how England has invariably attacked  any power which she considered was becoming too formidable. There is a lot to be said for this view and the contrary opinion held  by English apologists is largely due to the national hypocrisy which refuses to face facts and seldom cares to analyse motives to their bed-rock foundations. Both nations have the same principal object- the cause of many wars- viz destruction of a commercial competitor. To this, in Germany’s case, may be added the wish for colonies which can only be satisfied by Great Britain. Our object is the same as Germany’s viz ‘the removal of a trade rival’ and is uncomplicated by any further objects such as territorial enlargement”. (Brock.O de B, ‘War with Germany, 10-6-08, geciteerd door Offer.A., The First World War, an Agrarian Interpretation, p.240-241)

Het waren deze en geen andere achterliggende motieven welke Engeland in 1914 op het pad naar oorlog deed belanden. Commerciële motieven dus. De Duitse concurrentiepositie en geen andere edele hooggestemde of nobele motieven speelden hier een rol en de door Mombauer genoemde Duitse “Challenge to its neighbours”, was van het begin af aan slechts een ‘challenge’op commerciëel gebied, een ‘challence’ die de Britten vreesden en dreigden te verliezen, een verlies dat ze dachten op te lossen door de ‘removal of a trade rival’

Op blz schrijft Mombauer:

Stelling:

“Germany had stirred Britain into a position of hostility towards it by deliberately and openly challenging British supremacy at sea with the programme, begun in 1897/1898 under admiral Alfred von Tirpitz, to build a great navy which would in time, be able to hold its own against the British.”

Comentaar:

Dit is weer zo’n door Angelsaksische historici als vanzelfsprekend aangenomen visie. Die verduivelde Duitsers toch, wilden zo maar een vloot bouwen waardoor de Britse suprematie op zee wel eens in gevaar zou kunnen komen. De Britten gingen er kennelijk van uit dat ze het onvervreemdbare recht op die suprematie hadden. Hoewel het natuurlijk begrijpelijk was dat ze een concurrent ter zee niet zo zagen zitten is de stelling dat Duitsland expres en openlijk bezig was de Britse positie te ondermijnen met als gevolg een bewust veroorzaakte vijandigheid van Gr.Brittannië een absolute gotspe.

Allereerst had Duitsland natuurlijk het recht op een eigen oorlogsvloot zoals alle grote naties dat recht uitoefenden. Frankrijk was haar voorgegaan bij het bouwen van een oorlogsvloot evenals Rusland terwijl de Verenigde Staten eveneens een grote vloot op stapel hadden gezet. Het was in die tijd trouwens ook een algemeen aanvaard beginsel dat men, wilde men in de wereld meetellen en z’n rechten kunnen verdedigen, het bezit van een grote vloot een absolute must was. De Duitse vloot stond vóór 1897 onderaan de ranglijst van oorlogsvloten en het was duidelijk dat men zich dit, gezien de groeiende economische ontwikkelingen, en de Britse vijandige houding daar tegen,niet lang zou kunnen veroorloven. Zoals we zagen was Duitsland voor het vervoer van grondstoffen en de afzet van producten vóór 1897 volstrekt afhankelijk van Britse goodwill en de Britse overmacht ter zee maakte Duitsland nog afhankelijker dan ze al was. Geen natie ter wereld kon accepteren dat haar economische belangen afhankelijk waren en zouden blijven van maar één andere natie en de wens om een eigen vloot te hebben die deze belangen zou kunnen beschermen was niet meer dan logisch, ja inderdaad zelfs een absolute must en tegelijkertijd de hoofdreden dat Engeland zelf ook zo’n grote oorlogsvloot in bezit had. Dat gaf haar echter nog niet het recht Duitsland het bezit van zo’n eigen vloot te ontzeggen.

Maar er was meer. Het is een absolute onjuistheid Duitsland te beschuldigen dat het een vloot bouwde die bedoeld was om de Britse vloot te overvleugelen of zelfs maar te evenaren.

Toen de Rijksdag de vlootwet aanvaardde werd tegelijkertijd vastgelegd dat die vloot nimmer groter mocht zijn dan ¾ van de Britse vloot. Dit was expliciet zo bepaald om te voorkomen dat het Duitse vlootbouwprogramma door Engeland als een bedreiging kon worden opgevat. Het was eerder andersom, de Britse suprematie ter zee was in feite een bedreiging  voor Duitsland immers met deze vloot was Engeland in staat (en zoals later bleek ook inderdaad het geval) de Duitse handel te boycotten, de invoer van grondstoffen tegen te gaan en de Duitse export te hinderen of zelfs tegen te gaan. Duitsland hoopte wel met de bouw van haar vloot te Britten, mochten die hen wilde hinderen, tot andere gedachten te brengen. Ze zouden, zo was men van mening, zich wel twee keer bedenken om een krachtige Duitse vloot aan te vallen en eerder geneigd zijn tot een diplomatieke oplossing. Admiraal Tirpitz schreef bij het indienen van zijn tweede vlootwet:

“um unter den bestehenden Verhältnissen Deutschlands Seehandel und Kolonien zu schützen, gibt es nur ein Mittel; Deutschland muss eine so grosse Slachtflotte besitzen, das ein Krieg auch für den seemächtigsten Gegner mit derartiger Gefahren verbunden ist, dass seine eigene Machtstellung in Frage gestellt wird”. (Kraft, B.D.E., Lord Haldane’s zending naar Berlijn in 1912.p 12 Utrecht 1931)

Dat was dus iets geheel anders dan de stelling dat Duitsland met haar vloot de Britten zou willen overvleugelen en het zij opgemerkt, de Duitse vloot heeft ook nimmer een bedreiging voor Engeland gevormd. Dit laatste werd ook erkend en wel door niemand minder dan Winston Churchill die verklaarde dat de onrust over het Duitse vlootprogramma;

“was a result of a false lying panic started in the party interest of the conservatives” en hij beloofde zijn kiezers dat hij “would not be driven by the windy agitations of ignorant, interested and excited hotheads into wasting the public money upon armaments upon a scale clearly not designed merely for purposes of material defence, but being a part of a showy, sensational, aggressive and jingo policy which is supposed to gain popularity from certain unthinking sections of the community”.(Morris,A.J.A.,Radicalism against War 1906-1914, p.144)

Ook Lloyd George was fel tegen de bouw van extra schepen  en verklaarde in een brief aan de Minister President Asquith dat als de regering akkoord zou gaan met de daarvoor benodigde gelden, hij voorzag dat ‘The House of Commons’ zo’n plan niet zou steunen en niet gemotiveerd zou zijn een liberale regering in het zadel te houden. (Lloyd George to Asquith 2 Feb. 1909, Asquith MSS, vol.21)

Later bleek ook duidelijk dat de door de Britse Admiraliteit veroorzaakte ‘naval panic’   volstrekt onnodig was geweest en dat Duitsland in  1912  niet de beweerde 17 oorlogsschepen bezat maar slechts 9 en dat de Britse superioriteit ter zee geen moment in gevaar was geweest. Het aantal schepen dat Duitsland gebouwd had in  die periode was geheel in overeenstemming met hetgeen in de Duitse vlootwetten ook was aangekondigd en vastgelegd.

Ik kan nog wel even zo doorgaan maar plaatsruimte beperkt mijn mogelijkheden maar één stelling van Mombauer kan m.i echter toch niet zonder reactie blijven. Op p.7 schrijft ze als het gaat over de mislukte Haldane missie naar Berlijn:

Stelling;

The price Germany seemed to be demanding for an understanding with Britain was he freedom to attack France and Russia at will without fear for a British involvement”.

Ook dit is weer zo’n, ingewortelde maar volstrekt onjuiste Angelsaksische bewering die continue wordt herhaald, rekent op de onwetendheid van de lezer maar niet gestaafd wordt door de feiten;

Wat was het geval?

Commentaar:
Op verzoek van Duitsland werden in 1912 besprekingen gevoerd met Engeland over een mogelijke vermindering van de spanning tussen beide landen als gevolg van de Britse ‘bezorgdheid’ voor het Duitse scheepsbouwprogramma.

De Britse regering zond haar minister van Oorlog, Haldane, naar Berlijn en die voerde besprekingen met de Keizer,Tirpitz en met de Rijkskanselier Bethmann Hollweg. Samen met de Rijkskanselier werd daarop een formule uitgewerkt die volgens beide partijen zou leiden tot een oplossing van de problemen.

Deze formule luidde:

1)     The high contracting Powers assure each other mutually of their disire for Peace and friendship.

2)     They will not either of them make any unprovoked attack upon the other or join in any combination or design against the other for purposes of aggression or become party to any plan or naval or military combination alone or in conjunction with any other Power directed to such an end.

3)     If either of the high contracting parties become entangled in a war of which it cannot be said to be the aggressor, the other will at least towards the Power so entangled, a benovelent neutrality and use its utmost  to endeavour for the localization of the conflict.

4)     The duty of neutrality which arises from the preceding articles has no application in so far as it may not be reconsilable with existing agreements  which the high contracting parties have already made. The making of new agreements which render it impossible to observe neutrality towards the other beyond  what is provided in the preceding limitation, is excluded in conformity with the provision contained in article 2.

5)     The high contracting Powers declare that they will do all in their power to prevent differences and misunderstanding between either of them and other Powers (British Documents. Vol.VI, no 506 Appendix 1 en Grosse Politik, band 31 no 11362)

Met deze formule op zak  ging Haldane teug naar Londen, de Keizer en  Rijkskanselier achterlatend in de stellige overtuiging dat de overeenstemming met Engeland zo goed als zeker bereikt was.

Haldane vond dat zelf klaarblijk ook gezien zijn uiting dat;

“zich hier een historische gebeurtenis afspeelde zoals in meer dan 50 jaar niet was voorgekomen”. (Gr.Pol. 31 no 11358)

en hoewel hij later schreef:

“I did not go to Berlin with power to make a Treaty. These affairs are to fast for that. But I went to investigate and discuss whether one could be made. What may be possible with English public opinion in the view of the Cabinet remains to be seen. But my work up to this point has been attended with a measure of success that was neither foreseen nor expected”.(Morris,p.310-311)

Haldane nu lichtte de minister-president Asquith in over zijn succesvolle besprekingen met de Duitsers. Deze op zijn beurt informeerde zijn collegae enthousiast  dat:

“Haldane’s mission had ‘completely realised’ the anticipations it had aroused” (Hansard. Parliamentary Debates, 4th and 5th series, Morris.A., Radicalism against War 1914-1918, p,311)

Het is duidelijk, Duitsland had z’n goede wil getoond en zich behoorlijk vastgelegd terwijl Engeland dé facto aan het langste eind trok maar helaas, het mocht niet zo zijn.

Toen Haldane’s rapport de minister van Buitenlandse Zaken, Grey had bereikt trad er een grote stilte in. De reden was dat Grey zich al had vastgelegd in geheime militaire besprekingen met Frankrijk waarin hij zich had verbonden om zich, samen met dat land, in een komende oorlog tegen Duitsland te zullen keren . De resultaten van de  ‘Haldane’ besprekingen verraste hem zeer en aangezien hij zich in het geheim en zonder zijn collega-ministers in te lichten reeds aan Frankrijk had gecommitteerd, begon hij het behaalde resultaat nu te saboteren en uiteindelijk kwam er van een getekend verdrag niets meer terecht.

Dat was de werkelijke gang van zaken. Mombauer en haar Angelsaksische collega-historici tonen een verbazingwekkende onkunde in hun beschrijving van de werkelijke feiten. Duitsland was zeer ver gegaan. Het beloofde geen ‘unprovoked attack’ op Engeland te zullen uitvoeren en vroeg diens neutraliteit, niet bij een ‘attack at will’, maar slechts een ‘benovelent neutrality’ indien het buiten haar schuld (unprovoked) met Frankrijk of Rusland in oorlog zou komen. Het is duidelijk dat het de Britse minister van Buitenlandse Zaken, Grey, is geweest en niet Duitsland die een overeenstemming over dit uitermate belangrijke punt in de verhouding tussen de twee landen in de weg stond en heeft gesaboteerd.   Als hij een andere houding had aangenomen dan was de situatie volkomen veranderd en had de toekomst van de wereld er waarschijnlijk heel anders uit gezien.

Dat Grey de geheime militaire overeenkomst met Frankrijk inderdaad zelfs voor zijn collega ministers verborgen had gehouden blijkt o.a (maar niet alleen) uit de mededeling van Lloyd George die schreef:

“Nearly all of us, even Cabinet ministers, were kept sedulously in the dark about our Foreign conversations and commitments. None of these were placed at the disposal of the Cabinet. They were passed to the prime-minister and perhaps to one or two other ministers, the rest of us were kept in the dark”.

“When Grey, six years after they have entered into, communicated these (secret) negotiations and agreements to the Cabinet, the majority of its members  were aghast. Hostility scarcely represents the strength of the sentiment which the revelations aroused. It was more akin to consternation”(Lloyd George, War Memoirs,Vol.1, p.50)

Conclusie: Het boek van Mombauer is voor wat betreft haar studie van vergelijkende opinies van de belangrijkste naoorlogse historici zoals Fay, Barnes, Owen e.a een belangrijk en interessant document dat zeer de moeite waard is om te lezen. Wat betreft haar eigen opvattingen zoals verwoord in haar ‘introduction’ komt ze echter niet boven het niveau van een door jarenlange indoctrinatie en blind geloof in de met name Britse visie over de Britse rol bij het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog uit. Ze laat ze zich volledig leiden door de ‘wij waren goed en Duitsland de boosdoener theorie’ zoals we die nog steeds vinden in de hedendaagse Angelsaksische geschiedschrijving.

overzicht: