De organisatie van Frankrijk’s buitenlandse politiek 1870-1914

Door: J.H.J. Andriessen.

(Artikel genomen uit  “De andere Waarheid, Een andere visie op het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog”.(3e druk, 2007, Isbn: 90-5911—499-x)

 

De vrees van de tsaar, dat het Frans-Russische geheime militaire verdrag van 1894, al snel ‘op straat’ zou komen te liggen was niet geheel onbegrijpe­lijk, maar toch had hij zich daarover geen zorgen behoeven te maken.

Sinds de oorlog van 1870 was geheimhouding op het Franse ministerie van Buitenlandse Zaken een welhaast obses­sieve zaak geworden  De ambtenaar Paléolo­gue, die het grootste deel van z’n carrière op het ministerie werkte, placht te zeggen: ‘alle stukken welke niet zijn gepu­bliceerd zijn geheim’.  De minister van Buitenlandse Zaken werd bovendien behoorlijk afge­schermd. Zo voorzag de constitutie in een beperking van het recht van parlementsleden op het stellen van vragen aan de minis­ter.

Hij behoefde die vragen alleen te beantwoorden als een parle­men­taire meerderheid dat eiste en zelfs dan kon hij zich op zijn geheimhoudingsplicht beroepen.

Overigens, de interesse van het parlement om vragen te stellen was uitermate gering. Het was ‘not done’ en het werd als niet erg vaderlandslievend beschouwd om de Franse buitenlandse politiek naar buiten te brengen door het stellen van vragen.

Zo werden er in 1907 door het parlement maar twee vragen aan de minister gesteld, in 1908 waren dat er vier en in 1909 slechts drie en tijdens het rumoerige jaar 1912 wederom slec­hts vier.

Opvallend was voorts dat de achtereenvolgende ministers van Buitenlandse Zaken zelf uitermate terughoudend waren om hun collegae of het parle­ment in te lichten over hun handel en wandel. Informatie werd niet of nauwelijks verstrekt en Del­cassé, die van 1898 tot 1905 op de ministerstoel zat, weiger­de, evenals trouwens zijn opvolgers, categorisch elke open­heid.

 

Zo kon het gebeuren dat maar zeer weinig Fransen op de hoogte waren van de buitenlandse afspraken en verdragen en zo men daar al iets van afwist, dan tastte men over de inhoud daarvan toch volledig in het duister.

Derhalve kan gesteld worden dat de opvolgende ministers van Bui­tenlandse Zaken er in slaagden hun activiteiten grotendeels te onttrekken aan de democrati­sche controle van het Parlement waardoor de buitenlandse politiek in die tijd toch in grote mate bepaald werd door slechts een handvol mannen die, welis­waar binnen het raam van de geopoli­tieke mogelijkheden, die ­poli­tiek eigenhandig en vrij ongecon­troleerd, vorm gaven.. Het begrip ‘democratie’ had vóór 1914 toch nog een totaal andere inhoud dan wij er vandaag de dag veelal aan geven.

 

Een politieke reus, Delcassé minister van Buitenlandse Zaken

De Franse politiek kon in die dagen niet bepaald sta­biel worden genoemd en met de regelmaat van de klok wissel­den de Franse regeringen elkaar af.

Alleen al in de jaren 1911 -1914 verschenen er acht verschil­lende ministers van Buitenlandse Zaken op het toneel en ook daarvóór was het een komen en gaan van nieuwe kabinetten ge­weest en dat gaf naar buiten toe nu natuurlijk niet direct een dege­lijke in­druk. Opvallend was echter dat de Franse buiten­land­se poli­tiek zelf in al die jaren wel een zekere conti­nuïteit ver­toonde en de opeenvolgende ministers weken van die lijn maar weinig af.

Die continuïteit werd door verschillende factoren bepaald.

De Parijse hoogleraar André Sorel stelde in zijn ‘L’Europe et la Revolution Française’ (1904), reeds dat de buitenlandse politiek van het revolutionaire Frankrijk diende te worden beschouwd als een voortzetting van die van het ‘Ancien Regime’ en deze mening liep als een rode draad door heel het buiten­landse beleid van die jaren heen.

De terugkeer van Alsac Lorraine in de Franse moederschoot was een tweede bepalende factor en de continuering en versterking van het Frans-Russische verbond een derde.

In 1898 werd nog een vierde factor aan deze reeks toegevoegd en wel in de per­soon van de minis­ter van Buiten­landse Zaken, Delcassé, die zeven jaar lang zijn stempel zou druk­ken op het Franse doen en laten rond de eeuw­wisseling tot aan zijn ge­dwongen vertrek in 1905.

Delcassé was een overtuigd expansionist en hij stree­fde dan ook vanaf het begin van zijn aantreden met kracht naar uit­breiding van het Franse grondgebied overzee.

Het Frans-Russische verbond van 1893 zag hij voorts als een ‘conditio sine qua non’ voor de versterking van de Franse positie in de wereld en hij maakte het tot kernpunt van zijn politiek om dat verbond zo hecht mogelijk te maken en te houden.Hij was ook de man van de ‘entente’ met Groot Brittan­nië en het latere geheime verdrag met Italië en vastge­steld mag worden dat het Delcassé was die de macht en het aan­zien van Frank­rijk herstelde en daarmede het gezicht van Europa dras­tisch veran­derde.

Toen Delcassé de scepter op het Franse ministerie van Buiten­landse Zaken overnam, werd dat met name in Duitsland, dan ook met lede ogen aangezien vooral omdat hij zich, in zijn vorige positie als minister van Koloniën, steeds anti-Duits had opgesteld. Men verwachtte niet dat hij nu, in z’n nieuwe positie, de Frans-Duitse verhoudin­gen veel goed zou doen. Keizer Wilhelm noemde hem zelfs:’De meest gevaarlijke man voor Duitsland in Frank­rijk’ en al snel zou blijken dat hij daarin niet helemaal ongelijk had.

 

Het Fashoda-incident 1898; ernstige Brits-Franse tegenstellingen

Delcassé was nog maar een paar dagen in zijn nieuwe positie werkzaam toen het eerste grote probleem zich reeds aandiende.

Zijn voorganger Hanotaux had een militaire missie naar de ‘Boven Nijl’ gezonden omdat hij het volstrekt oneens was met de Britse bezetting van de Soedan nadat de Britten eerder reeds geheel Egypte onderworpen hadden.(1882). Frankrijk had zelf plannen in dat deel van Afrika en Hanotaux wilde Groot.Brittannië nu dwingen om over deze kwestie met hem te onderhandelen. De Britten echter peinsden daar niet over omdat ze het gebied inmiddels als het hunne beschouwden.

De Franse expeditie , onder leiding van. Marchand, arriveerde dan op 10 juli 1898 in Fashoda alwaar onmiddellijk de Franse vlag werd gehe­sen. Engeland, op haar beurt, zond nu enige oor­logs­sche­pen de Nijl op welke op 19 september te Fasho­da aankwa­men.

Op de kade werden ze, uit naam van Frankrijk, verwelkomd door Marchand. Dit schoot generaal Kitchener, die de leiding had over de Britse expeditie, in het verkeerde keelgat en hij sommeerde Marchand op niet mis te verstane wijze Fashoda onmiddellijk te verlaten hetgeen beleefd maar beslist werd afgewezen. Daarna betrokken beide partijen hun stellingen en vroegen hun regeringen om advies.

Een ernstig conflict dreigde. Delcassé bood aan met de Britten over de zaak te praten om tot een oplossing te komen maar die weigerden en stelden een ultimatum dat door Delcassé veront­waardigd van de hand werd gewezen. Zo stond aan beide zijden ineens de ‘eer van de natie’ op het spel en zat de zaak muur­vast.Delcassé probeerde het nog even op een akkoordje te gooien en bood de Britse ambassadeur aan, in ruil voor een soepele houding van Engeland, eventueel het Frans-Russische verbond te wisselen voor een Frans-Brits verbond maar dat sloeg in het geheel niet aan.Daarna ging hij uit een ander vaatje ging tappen en dreigde hij dat als er over Fashode oorlog zou komen, Groot Brittannië bedenken moest dat Frankrijk niet alleen stond (daarbij doelende op Russische steun)  Hij voegde daar nog aan toe dat ook Duitsland hem zou steunen omdat dit land genoeg zou hebben van de Britse arrogantie en de voortdurende rivaliteit op economisch en commercieel ge­bied. De situatie was nu zo ernstig dat elk moment een oorlog tussen beide landen kon uitbreken. Het was Marchand zelf, die daaraan een einde maakte door, zonder daarvoor toestemming te hebben gekregen, ja zelfs zonder medeweten van Parijs, Fashoda plot­seling, op 25 oktober, te verlaten

Dit nieuws, dat pas na zes weken te Parijs werd ontvangen, sloeg daar in als een bom en Delcassé overwoog af te treden maar uiteindelijk bleef hij aan en aanvaardde de verne­dering voor Frankrijk en hemzelf als een voldongen feit.

Het behoeft geen betoog dat Delcassé zich in eerste instantie verbitterd van Engeland afwendde en zich nu, zeer geëmotio­neerd tot Duitsland richtte. In een interview met de Duitse journalist Huhn, ging hij zelfs zo ver te verklaren dat: ‘de revanche gedachte’ geen realiteit meer was in het Frankrijk van vandaag’ en dat de jonge generatie Fransen daar geen interesse meer in zou heb­ben. Samenwerking tussen beide landen zou dan ook zeer zeker mogelijk zijn.

Tegen de Britse ambassadeur merkte hij op dat deze moest begrijpen dat Duitsland anti-Brits was en dat ook in Frankrijk de gevoelens ten opzichte van Groot Brittannië bijzonder bekoeld wa­ren.

Zowel de Duitse als de Britse regering reageerden echter zeer onderkoeld op zijn woorden omdat men wist dat de emotionele uitbarstingen van de minister niet op realiteit berustten en door hem ook niet waargemaakt konden worden.

Ze hadden daarin gelijk want langzaam maar zeker herstelden de verhou­dingen zich weer en het was uiteindelijk de Franse ambassadeur in Londen, Paul Cambon, die het initiatief nam tot verbete­ring van de betrekkingen en de Fashoda-kwestie tenslotte formeel afhandelde.

Al spoedig, 21 maart 1899,  sloten beide landen nu een verdrag over de grenzen met de Franse bezittingen waarmede de problemen leken te zijn opge­lost.*26

Alhoewel Delcassé ogenschijnlijk zijn anti-Britse houding had laten varen geeft bestudering van de notulen van de jaarlijkse vergadering van de Generale-Staven van Frankrijk en Rusland toch een ander beeld. In de stafbesprekingen van 1900 en 1901 werd ineens ook Engeland opgenomen als mogelijke vijand. Men sprak zelfs af dat als dit land Frankrijk zou aanvallen, Rusland onmiddellijk 300.000 man zou inzetten tegen India. Indien Engeland daarentegen Rusland zou aanvallen, dan zou Frankrijk ruim 150.000 man bijeen brengen aan de Kanaal­kust om Engeland met een invasie te bedreigen. Tijdens het tweede bezoek van Delcassé aan Rusland in 1901 werden deze anti-Britse militaire afspraken nu in een geheime overeenkomst vastge­legd.

Delcassé ging echter nog verder en verzocht het ministerie van Marine nu een plan op te stellen voor samenwerking met de Russische Marine in geval van een aanval van Engeland of van de Tripple Alliantie.

Het kwam niet direct tot een verdrag, maar in 1912, toen overi­gens Engeland niet meer tot vijand gerekend werd, werd er toch een marine-overeen­komst met Rusland getekend, nu uiter­aard zonder dat Engeland daar nog in voor kwam. Saillant detail;het was wederom Delcassé,maar nu in zijn hoedanigheid van minis­ter van Mari­ne, die het verdrag voor Frankrijk onder­tekende.

De houding van Del­cassé ten opzichte van Groot Brittan­nië en de nadruk die hij tegenover de Britse ambassadeur had gelegd op de Frans-Russische Alliantie, had toch wel indruk gemaakt en was aanlei­ding voor Engeland om zelf ook stappen te ondernemen en al snel zocht het toena­dering tot Japan waarme­de op 30 januari 1902 een verdrag gesloten werd met betrekking tot. beider invloedsferen in China en Korea. Dit schokte Rusland, dat toch al een slechte verhouding met Japan had enorm, vooral omdat in het Brits-Japanse verdrag een artikel was opgenomen dat sprak over de defensie van beider interesse-sferen. Een en ander werd Engeland dan ook niet in dank afgenomen.

Het was duidelijk dat Delcassé, ook na het herstel van de betrekkingen met Groot Brittannië, er nog enige tijd rekening mee bleef houden dat het mogelijk nog eens tot een conflict zou kunnen komen en het duurde nog tot 1904 alvo­rens beide landen definitief een andere en geza­menlijke poli­tieke weg zouden inslaan en het tot een ‘Entente’ kwam, een enten­te welke overigens werd ingeleid door een uitermate geslaagd bezoek van de Britse monarch Edward Vll aan Parijs in 1902.

Het was tijdens dit bezoek dat Delcassé begon te denken aan de mogelijk­heid om de Alliantie met Rusland uit te breiden met Engeland: ‘Bedenk hoe sterk we ten opzichte van. Duitsland zullen staan als we naast Rusland ook op Engeland kunnen steunen. Een Frans-Britse alliantie is altijd mijn droom geweest, zelfs ten tijde van de Fashoda-crisis’ zo zei hij tot een collega. Dit was waar­schijn­lijk de waarheid want tij­dens die crisis bood hij Enge­land, zoals we weten, inderdaad zo’n alliantie aan waarbij hij toen zelfs bereid leek daarvoor het Frans-Russische ver­bond op te geven.  De gedachte aan een Frans-Britse entente zou dan ook spoedig vrucht dra­gen. Het lot speelde Delcassé daarbij in de kaart.

 

De Frans-Britse toenadering, de grote ommekeer, Duitsland raakt geïsoleerd

Groot-Brittannië, dat zich lange tijd slechts weinig met de andere Europese landen had ingelaten, begon zich onrustig te voelen bij de snel groeiende economische macht van Duits­land.Ook de bouwplannen van de Duitse marine baarden het land zorgen en zo kon het gebeuren dat men langzaam maar zeker de politiek ten opzichte van Rus­land, maar ook ten opzichte van. Frankrijk met andere ogen ging bezien. De Britse koning Edward Vll nam het initia­tief tot een offi­cieel staatsbezoek aan Frankrijk en dit bezoek werd, zoals gezegd, een groot succes. Frankrijk nam de uitgestoken hand onmiddellijk aan en de Franse president bracht enige maanden later, in juli 1902, een tegenbezoek waarbij Delcassé ook aanwezig was. De ontvangst in de Britse hoofdstad Londen was overweldigend en overtuigde de Franse minister dat een entente met Engeland tot de mogelijkheden behoorde. Besprekingen volgden en in 1904 was het zover en sloten beide landen een aantal verdragen waarna de ‘Entente Cordial’ een feit was. Wederom een succes voor Delcassé die daarmede van een oude vijand een machtige vriend had gemaakt waardoor Frank­rijk’s positie in de wereld in zeer belangrijke mate versterkt werd.Ze was teruggekeerd in de rij der groot­machten en had haar isolement opgeheven. Daarentegen nam, als gevolg van de Frans-Britse toenadering en het Frans-Russische mili­taire verdrag, het isolement van Duits­land nu duidelijke vormen aan. De Duitse diplomatie had ge­faald, die van Frank­rijk gezege­vierd en dit werd nog duide­lijker toen in 1905 Frankrijk en Enge­land, in het diepste geheim, besprekingen gingen voeren over militaire samenwerking in een tegen Duits­land te voeren oor­log.

Het valt niet te ontkennen dat Duits­lands positie verre van rooskleurig was geworden.

Geïsoleerd, omringd door vijandig gezinde na­ties, zag het land zich geplaatst voor een situatie welke reeds direct na de oorlog van 1870-1871 door de oude veldmaarschalk von Moltke was voorzien en waarop hij- en zijn opvolgers- zich dan ook bij het maken van hun plannen terdege hadden voor­bereid­.

 

Delcassė weekt Italië los uit de Triple Alliantie, het Italiaanse verraad

Ondanks alle problemen ten tijde van de Fashoda-crisis had Delcassé de hoofdlijnen van de Franse buitenlandse politiek niet uit het oog verloren.

In het kader van de door hem nagestreefde doorbreking van Frankrijks isolement, richtte hij zich nu ook op Italië, dat sinds 1881 deel uit­maakte van de Triple Alliance, samen met Duitsland en Oosten­rijk-Hongarije. Het was bekend dat Italië zich echter in de steek gelaten voelde door zijn bondgenoten tijdens haar zgenoemde ‘Abbe­sijns avontuur’, dat het in 1896 te Adowa met de neder­laag had moeten bekopen.

Italië gaf daarvan Duitsland mede de schuld omdat dit land geweigerd zou hebben haar militair te steunen, een steun overigens die Duitsland niet verplicht was te geven omdat het Driebondverdrag daarin niet voorzag.

Teleurgesteld en wellicht uit rancune maar vooral ook uit opportunisme,leende men daarom een willig oor aan de toena­derings-pogingen van Delcassé.

Alhoewel de Italiaanse regering het juist voor verlenging in aanmerking komen­de ‘Driebonds’ verdrag wel weer ondertekende, wist Delcassé hen over te halen om een  han­delsverdrag (1898) met Frankrijk te sluiten, wat later ge­volgd door het zogenoemde ‘Middel­land­se-Zeever­drag’ ( 1900) waarin beide landen elkaars invloedssfe­ren in resp. Marokko en Tripoli erken­den.

Deze overeenkomst, die natuurlijk niet in overeenstemming was met de politiek van de Triple Alliantie waarvan Italië toch officieel lid was, werd in juni 1902, gevolgd door een zeer geheim verdrag met Frankrijk waarbij Italië beloofde neutraal te zullen blijven in geval Frankrijk in oorlog zou komen, ook indien Frankrijk zich gedwongen zou voelen zelf het initiatief tot zo’n oorlog te ne­men, met andere woorden, ook als Frankrijk de agressor zou zijn.De Italiaanse minister van Buitenlandse Zaken, Prinet­ti, schreef hierover aan de Franse ambassadeur te Rome:

‘Ik bevestig hierbij in naam van de regering van Zijne Maje­steit de Koning onze afspraak en verklaa­r dat indien Frank­rijk onder­werp zou worden van directe of indirecte agressie door een of meer Groot­machten,(en daar werd natuurlijk Duitsland mee bedoeld) Italië een strikte neutraliteit in acht zal nemen. Dit zelfde zal geschieden indien Frankrijk, als gevolg van een directe provocatie, zich verplicht zou voelen, ter verdediging van haar eer of veiligheid, zelf het initiatief tot oorlog te moeten nemen. In dat geval zal de Franse rege­ring deze intentie vooraf aan de koninklijke Itali­aanse rege­ring kenbaar maken om haar in staat te stellen te beoorde­len of er van directe provocatie sprake is’.

 

Met deze laatste zinsnede  verzekerde Italië zich van de mogelijkheid zelf uit te maken of het vond dat er al dan niet sprake was van directe provocatie en of het zich zou moeten (willen) houden aan het Triple Alliance-verdrag (Duitsland-Oosten­rijk-Hongarije-Italië) waarvan ar­tikel nr 2, luidde:

‘in geval dat Italië , zonder directe provocatie van haar kant door Frankrijk wordt aange­vallen om welke reden dan ook, zullen de twee andere verdrags­partijen (Duits­land en Oosten­rijk-Hongarije) Italië onmiddel­lijk met haar strijd­krachten ondersteunen. Deze ver­plichting geldt ook voor Italië indien er sprake is van een directe provocatie van Frankrijk tegen Duitsland’.

 

Uiteraard was de geheime overeenkomst met Frankrijk een fla­grante schen­ding van het Alliantie-verdrag waarbij nog moet worden aangetekend dat Italië, zoals gezegd, dat ‘Drie­bond’ver­drag slechts korte tijd eerder- en wel op 28 juni 1902, wederom plechtig hernieuwd had.Dit verdrag werd overi­gens ook daarna nog enkele malen ver­lengd, de laatste keer op 5 decem­ber 1912  en Italië repte daarbij niet over de geheime overeenkomst met Frank­rijk. Integen­deel, teneinde van alle kanten gedekt te zijn, sloot Italië nog in november 1913 een gehei­me marine-conventie met Oos­tenrijk-Honga­rije met betrekking tot een nauwe samenwerking tussen beide marines in de Mid­dellandse Zee en tegelijkertijd onder­handelde men over betere militaire samen­werking te land tussen beide landen.

Tijdens deze bespre­kingen stelde Italië voor dat, indien Duits­land en Oosten­rijk-Hongarije in oorlog zouden komen met Frank­rijk en daar­bij de Franse Middel­landse Zee-vloot zouden ver­slaan, Italië Frank­rijk zou aanval­len en een Italiaans leger in de West-Alpen zou inzetten.Tegelijkertijd zou Italië dan twee cavalleriedivisies en twee leger­korpsen naar Zuid-Duitsland zenden ter ondersteu­ning van de Duitse strijd­krachten.  Nog in februari 1914 werd deze toezegging uitgebreid met drie legerkorpsen.Het Duitse opperbevel deed zelfs nog het verzoek of het, in geval van calamiteiten. de toegezeg­de divisies eventueel ook aan de Duits-Russi­sche grens zou mogen inzetten en de bespre­kingen hierover waren nog niet afgerond toen de oorlog uitbrak In werkelijkheid was Italië hele­maal niet van plan aan dit verzoek te voldoen.Ze wilde gedul­dig afwachten hoe de werke­lijke situatie zich zou ontwik­kelen en dan de beste van twee mogelijk­heden, dus de kant van de win­nende partij, kiezen als de tijd daar rijp voor was. Overi­gens deed de Itali­aanse regering er alles aan de militai­re afspra­ken met Frank­rijk geheim te houden en ook aan Franse zijde was men niet gebaat bij open­baarmaking en derhal­ve spande men zich tot het uiter­ste in er geen ruchtbaarheid aan te geven. Alhoe­wel de over­een­komst, zoals gezegd, op 1 novem­ber 1902 getekend werd door Sr.Prinet­ti en de Franse ambassa­deur in Italië, Barrére, werd het Franse parlement ook over dit verdrag niet ingelicht, De overeenkomst werd zelfs voor de leger­lei­ding ver­zwegen.  Het duurde nog tot 10 juni 1909 voordat de Chef van de Franse generale staf uiteindelijk op de hoogte werd ge­bracht hetgeen meteen ver­klaart waarom deze tot die datum nog steeds een volledig leger in de Alpen handhaafde ter verde­diging tegen een eventu­ele Italiaanse inval.

Hoe men ook over de Frans-Italiaanse connectie moge denken, voor Delcassé was deze overeenkomst wederom een duidelijk diploma­tiek succes.

Italië was niet langer te beschouwen als een betrouwbare bondgenoot van de ‘Triple Alliantie’ die daardoor ernstig werd verzwakt.

Frankrijk behoefde zich ­bij een even­tuele oorlog voorlo­pig geen zorgen meer te maken over de Frans-Italiaanse grenzen waardoor Franse divi­sies vrijkwamen voor inzet elders.Het was Delcassé niet alleen gelukt Frankrijk uit haar isole­ment te bevrijden maar hij had zich tevens verzekerd van twee machtige bondgenoten, Rusland en Gr.Brittannië en een belang­rijke Duitse bondgenoot, Italië, uit de Triple-Alliantie losge­weekt. Voorwaar geen geringe prestatie.

 

1905, De eerste Marokko-crisis; De val van Delcassė

De buiten­landse politiek van de landen van Europa in die dagen was te vergelijken met een spinneweb waarvan de draden onlos­ma­kelijk met elkaar waren verbonden en waarin een verstorende factor het geheel kon doen uiteenvallen. Een minister van Buiten­landse Zaken diende bij het vaststellen van zijn poli­tiek dan ook steeds zeer omzichtig te werk te gaan.Toen het optreden van minister Delcassé in 1905, tijdens de eerste Marokko-cri­sis die elders in dit boek uitvoerig wordt beschreven, een crisis welke hij overigens zelf had veroor­zaakt, dan ook als zo’n verstorende factor werd ervaren, ont­stond er, mede onder zware Duitse druk, een scherpe ‘anti Delcassé’ campagne welke hem uiteinde­lijk de poli­tieke kop zou kosten. Zijn expansie-politiek week te veel af van die van de Franse minis­ter-presi­dent die voor het moment juist naar ontspanning met Duitsland streefde. Een oorlog met dat land was, gezien het feit dat bondgenoot Rusland militair volledig verzwakt was na haar inmiddels ongelukkig afgelopen conflict met Japan,(Japans-Russische oorlog 1904-1905) voorlo­pig nog vol­strekt on­haalbaar en diende derhalve ten koste van alles vermeden te worden.

Zo’n oorlog leek  echter tot de waarschijnlijkheden te gaan behoren toen Delcassé, die er met alle macht naar streefde de Franse invloed na Algerije nu ook in Marokko te vestigen,  daarbij de onvoorzichtigheid beging om wel afspra­ken te maken met Groot Brittannië, Italië en Spanje over de verde­ling van Marokko, maar Duitsland (toch een der onderte­kenaars van het verdrag van Madrid waarin de inte­griteit van Marokko nu juist door een groot aantal staten werd gegaran­deerd), bewust buiten die be­sprekingen hield. Delcassé vond dat Duitsland niets met de Franse expansieplan­nen in Marokko te maken had en hij vreesde dat men zeker direct compensatie zou gaan eisen als de liquida­tie van dat land een feit zou worden, een liqui­da­tie waarnaar hij met kracht stree­fde en waartegen de Sultan van Marok­ko zich uiteraard wanho­pig verzette.Ondanks waarschuwingen dat het zeer onverstandig was Duitsland niet te consulteren en dat het zo’n vernedering nimmer zou kunnen accepteren,­zette hij z’n poli­tiek toch door met als gevolg dat Duitsland zich gedwongen zag officieel te protes­teren en de  keizer in 1905 een bezoek aan Tanger bracht waarbij hij zich openlijk opwierp als ‘bescher­mer van de Ma­rok­kaanse integriteit’  daarmede Delcassé uiteraard de voet dwars zettend.

Duitsland eiste nu een conferentie van alle ondertekenaars van het verdrag van Madrid om de problemen te bespreken en de Franse pogingen om Marokko eenzijdig in handen te krijgen, een halt toe te roepen. Delcassé weigerde op deze eis in te gaan en de spanningen liepen al snel hoog op. De Franse minis­ter-presi­dent Rou­vier, raakte be­vreesd dat Delcassé regelrecht aan­stuurde op oorlog met Duits­land maar Delcassé zelf noemde de Duitse protesten slechts bluf en zei er van overtuigd te zijn dat dit land uiteindelijk niet zou durven ingrijpen.  Rouvier had daar echter heel andere gedach­ten over en riep nu de president te hulp en toen Delcassé koppig vol­hield en zelfs advi­seerde om enige Franse kruisers naar Tanger te zenden om de Sultan, (die uiteraard meteen de kant van Duits­land had geko­zen), tot de orde te roepen, liep het me­ningsver­schil zo hoog op dat een debat in het kabinet volgde waarbij Delcassé aan het kortste eind trok en gedwongen werd af te treden.

Het was duide­lijk, Delcassé had de regels van het spel over­treden en te weinig reke­ning gehou­den met de geo-politieke verhoudingen in die tijd en met het feit dat Frankrijk zich het risico van een oorlog met Duitsland nog niet kon veroor­loven.

 

De Agadir conferentie

De Duitse diplomatie had dus gezegevierd over die van Delcas­sé maar dat werd haar niet in dank afgenomen en de gevolgen werden dan ook al spoedig zichtbaar.

De conferentie waarom het had gevraagd vond, ondanks een fel protest van de Franse minister-president, in april 1906 plaats en leidde tot een verdrag over de positie van Frankrijk ten aanzien van Marokko, dat op 31 december van dat zelfde jaar werd geratifi­ceerd.

Voor Duitsland werd dat verdrag een grote teleurstelling. Op enkele kleine punten na, kreeg Frankrijk overal haar zin. Het  belangrijkste echter was het feit dat nu duide­lijk bleek dat Duitsland practisch geen vrienden meer had en dat het heel nadrukkelijk geïsoleerd bleek te zijn want bijna geen land steunde de Duitse standpunten.

Alleen Oosten­rijk-Hongarije stelde zich aan haar zijde op maar alle andere landen, ook Italië, bleken Duitsland in de steek te laten.

De schok was groot,temeer omdat Duitsland zo’n uitkomst in het geheel niet had verwacht en zich nu realiseerde hoe zwak haar positie als grootmacht was geworden.Men besefte dat men nog  slechts één echte bondgenoot had, Oostenrijk-Hongarije,en dat men er voor diende te zorgen ook deze niet te ver­lie­zen. In dat licht dienen de latere gebeurtenissen en de zogenoemde ‘blan­co cheque’ die Duitsland in 1914 aan Oostenrijk-Hongarije afgaf, mede te worden gezien. We komen daarop nog nader terug.

 

1911,  De tweede Marokko-crisis

Hoewel de tweede Marokko-crisis elders in dit boek nog uitvoe­rig aan de orde komt mag een korte samenvatting daarvan in dit hoofdstuk voor het goed begrip bij de lezer niet ontbreken.

De crisis ontstond toen Frankrijk in 1911 toch besloot om 20.000 man troepen naar Marokko te zenden onder het mom dat ze haar landgenoten moest beschermen tegen aldaar uitgebroken onlus­ten.

Duitsland, dat inmiddels grote commerciële belangen in Marokko had opgebouwd en een politiek van de ‘open deur’ voorstond, zag in deze troepen­zending, waarover Frankrijk vooraf tot overeen­stemming was gekomen met Engeland, wederom een Franse poging de Duitse belangen in Marokko te schaden en voelde zich te­recht gepasseerd omdat ook nu Frankrijk haar weer niets over deze troe­pen­zending had gemeld. Frankrijk voelde zich klaar­blijkelijk sterk en wilde haar greep op de Sultan versterken en daar kon het Duitsland niet bij gebruiken.

Het uiteindelijke gevolg was dat de Duitse regering besloot deze tweede Franse poging om de Duitse belangen te negeren, niet te accepteren.

‘Als Frankrijk het nodig acht haar landge­noten in Marokko te beschermen door daar een leger­macht heen te zenden, dan kunnen wij dat argu­ment even­eens gebrui­ken’, zo moet men gedacht hebben en hoewel keizer Wilhelm daar fel op tegen was, hij voorzag dat daar alleen maar ellende van zou komen,werd na lang aandringen van de minister van Buitenlandse Zaken uiteindelijk beslo­ten  een oorlogs­schip naar Tanger te zenden als signaal dat Duitsland niet van plan was zich bij de situa­tie neer te leggen temeer daar de Franse actie wederom duide­lijk in strijd was met de gemaakte afspraken.Ook deze keer liep een en ander op het allerlaatste moment weer met een sisser af. Wederom durfde Frankrijk het niet tot een oorlog te laten komen maar dat was wel de laatste keer. Ook nu weer ontving Duitsland geen enkele steun van andere staten en bleek haar volstrekte isolement. Ja, haar actie had Frankrijk nog dichter in de armen van Engeland gedreven en had derhalve een tegengesteld effect.Duitsland stond alleen temidden van een haar vijandige wereld en het was te verwachten dat een en ander binnen afzienbare tijd tot een groot conflict zou leiden.

 

Poincarė wordt minister-president, voorbereidingen op de komende oorlog, de Franse pers wordt omgekocht

Het was inmiddels 1912 geworden en Poincaré werd de nieuwe premier van Frankrijk.  Afkomstig uit de regio Lotha­rin­gen had hij eens verklaard slechts een doel in zijn leven te hebben en dat was het bewerkstelligen van de terugkeer van zijn geboor­testreek in de Franse Repu­bliek. Vanaf het moment dat hij als minister-president en tegelijker­tijd als minister van Buitenlandse-Zaken aantrad, streefde hij dit doel dan ook met kracht na waarbij hij in grote lijnen de buitenlandse politiek van Delcassé volgde.Ook Poincaré wenste de band met Rusland te verstevigen en de entente met Engeland lag hem na aan het hart.Achteraf moet Poincaré worden gezien als de man die, samen met de Russische ambassadeur in Parijs, Iswolski, de Russische minister van Buitenlandse Zaken Sazonov, de Britse minister van Buitenland­se Zaken Grey en de Franse ambassadeurs in St.Petersburg Delcassé en Paléo­logue, het team vormde dat grote invloed heeft gehad op het ontstaan van de Wereldoor­log.  Poincaré nam daarbij het roer vast in handen.

Een van zijn eerste daden was er zorg voor te dragen dat het Franse volk op een toekomstige oorlog zou worden voorbe­reid.Bij de financiële steun van Frankrijk aan Rusland werd daarom vastge­legd dat een deel van het ter beschik­king gestel­de geld weer aangewend diende te worden om de Franse pers te be­­­­­­­­nvloeden zich meer achter de ‘revanche gedachte’ te stel­len.Dit was noodzakelijk gebleken omdat Poincaré zich zorgen maakte over de houding van een deel van de Franse pers als het tot een conflict in de Balkan zou komen.De Balkan, omdat, gezien de toenemende tegenstellingen tussen Rusland en Oosten­rijk-Hongarije en de voortdurende agressie van Servië ten opzichte van deze laatste, juist dáár de mogelijkheden voor een toekom­stig conflict het meest voor de hand lagen. Bij een conflict tussen Servië en Oostenrijk-Hongarije zou Rusland niet rustig blijven toekijken en als het Servië militair te hulp zou snellen zou ook Frankrijk dan, gebonden door de militai­re conven­tie, betrokken raken en de wapenen moeten trek­ken.Het was echter duide­lijk dat het Franse volk daar grote beden­kingen tegen zou hebben. Het was immers niet op de hoogte van de militaire afspraken en er waren sterke pacifisti­sche stro­mingen die zich met hand en tand tegen een oor­log zouden verzet­ten, zeker als de oorsprong daarvan in de hun vrij onbe­kende Balkan zou lig­gen.Derhalve diende de pers te worden inge­schakeld om het volk op oorlog voor te bereiden maar daarvoor was veel geld nodig.Poincaré, die overigens een jaar later, in 1913, president van de Republiek werd, be­sprak een en ander uitvoerig met de Russi­sche ambassa­deur in Parijs, Is­wolski, die daarop  (16 maart 1912). het vol­gende aan zijn minister van Buiten­landse Zaken schreef:

‘De Franse regering realiseert zich ten volle haar verplich­tingen ten opzichte van ons en zal die plicht , op het moment dat de Russische natio­nale eer met betrekking tot Servië door Oos­tenrijk-Honga­rije wordt be­dreigd, ook volledig nakomen. Men vraagt zich echter wel af hoe het Franse volk zal reageren? Zal het ak­koord gaan met het in gevaar brengen van de vrede door Servië en daardoor met een mogelijke oorlog met Duits­land?’.

 

De belangrijkheid van deze opmerking zal de aan­dachtige lezer zeker niet ont­gaan. Op 8 juli 1912 schreef hij:

‘Door mijn gesprek met Poinca­ré ben ik er van overtuigd ge­raakt dat hij het in alle opzich­ten met ons eens is en van oordeel is dat het moment gekomen is om het eeuwenlange doel van onze tradi­tio­nele politiek  te reali­se­ren en tevens de Europese krachtenbalans te herstellen door de teruggave van het (door Duitsland) gestolen Alsac-Lorraine.

Poincaré verzuimde echter niet zijn zorgen tegen mij uit te spreken over de grote problemen die we nog voor de boeg heb­ben. Hij ver­wacht de grootste tegenstand van de Radicaal-Socia­listen die tegen elke oorlog zijn welke wordt veroorzaakt door financiële en/of commerciële redenen, speciaal als die oorzaken in de Balkan liggen. Helaas heeft deze partij een aantal bijzonder intelligente mannen tot haar beschikking waar onder Caillaux, Herri­ot en Painlevé en voorts kan ze rekenen op de steun van een aantal afgevaar­digden en kranten.

Deze kranten hebben niet allemaal even veel lezers maar be­schikken wel over aan­zienlij­ke invloed.

Poincaré is met mij van mening dat een zeer groot offer van onze zijde noodzakelijk zal zijn om dit probleem op te los­sen. Ik durf het bedrag haast niet te noemen maar we hebben op korte termijn 3 miljoen Frank nodig waarvan alleen al 250.000, Frank voor de ‘Radical’ , de krant van sena­tor Per­chot.

Als we echter in aanmerking nemen dat de Turkse regering destijds ruim vijf miljoen Frank heeft gespendeerd om de Franse pers te beïnvloeden en dat zij zelfs een van de voor­naamste auteurs, Pierre Lotti, hebben omgekocht en als we dan in ogenschouw nemen dat het door ons te investeren bedrag relatief natuur­lijk maar gering is vergeleken met het wereld-veranderend programma dat wij op deze manier dichter tot realisatie kunnen brengen, dan neem ik aan dat het u niet moeilijk zal vallen dit voorstel zo snel mogelijk aan het kabinet voor te leggen voor spoedige goedkeuring.

Ik stel voor dat we deze subsidie in maandelijkse termijnen overmaken om zeker te zijn van de continuïteit van de voor ons positieve berichtgeving= Iswolski.

 

De reactie op de brief kwam ook al snel en luidde:

‘Het is me een groot genoegen u te kunnen mededelen dat het verzoek van de Premier van de Republiek betreffende  de geldsommen welke door ons ter beschikking van de pers moeten worden gesteld, door Zijne Majesteit is goedgekeurd’  Sazo­nov’.

 

Nu waren de Russen kennelijk niet zo bekwaam in het omkopen van de pers. Dat was in Rusland natuurlijk ook niet zo nodig­ want daar schreef de pers uitsluitend wat door de Russische regering werd voorgeschreven. Iswolski schreef op 10/23 okto­ber 1912 namelijk de volgende brief aan Sazonov.:

‘Enige tijd geleden schreef ik u inzake de absolute noodzaak verdere fondsen ter beschikking te stellen ter beïnvloeding van de Franse pers. Aangezien ik persoonlijk zeer weinig ervaring in dat soort zaken heb, heb ik een en ander besproken met Raffalowich (door de Tsaar naar Frankrijk gezonden om de Franse pers te ‘behande­len’ die bekend is met zulke zaken en zijn voorstel was om onmiddellijk 300.000 Frank voor dit doel ter beschikking te stellen en Lenoir met de distributie daarvan te belasten. Lenoir heeft dat in het verleden ook gedaan.

Het is voorts zeer belangrijk om niets te ondernemen zonder medeweten van Poinca­ré. Franse staatslieden zijn erva­ren in zulke zaken en bezit­ten daarin een ongelooflijke bekwaamheid= Is­wols­ki’.

 

Voorwaar, dat was natuurlijk geen compliment voor de Franse staatslieden.

Overigens, deze omkoperij was niets nieuws.

Ook tijdens de annexatiecrisis van Bosnië-Hercegovina in 1908, b­esteedden de Russen reeds geld om de Franse pers naar hun hand te zet­ten.

Op 5 oktober van dat jaar schreef de toenmalige Russische ambassadeur aan Iswolski (toen nog minister van Buitenlandse-Zaken) dat de toon van de Franse pers hem tot tevredenheid stemde .Hij had met de ‘Figaro’, de ‘Journal des Debats’, en de ‘Siecle’ onderhandeld en was van mening dat ze konden worden omgekocht. Later, op 8 okto­ber, meldde hij dat hij zich van de medewer­king van acht bladen had kunnen verzekeren.De Franse Pers dus, was ‘te koop’ en eenmaal aan de macht maakte Poincaré ­daar een dankbaar- en het moet gezegd worden- uitermate deskun­dig gebruik van.Nog even terzijde, toen in 1913 presi­dents­verkiezingen gehou­den werden en Poincaré zich kandidaat stelde, was het blad ‘Le Radical’ van senator Perchot fel anti-Poin­caré. Deze ont­bood daarop Iswolski en verzocht hem er zorg voor te dragen dat Perchot van gedachten zou veranderen. Iswolski schreef daar­toe, op 3 januari 1913, de volgen­de brief aan zijn minister van Buitenlandse Zaken Sazonov:

‘Poincaré vroeg me uw aandacht te vesti­gen op de „zaak Per­chot” welke voor hem een grote zorg is. Hij deelde mede te hopen dat u de aanvraag van Perchot aan de Russische Bank, welke thans bij het ministerie van Financiën ligt, positief wilt ondersteunen. Het is zeer belangrijk dat deze zaak voor de 17e januari, de datum van de verkiezingen, zal zijn afge­wikkeld omdat Perchot anders veel kwaad kan doen’.

 

Het geld kwam blijkbaar op tijd want ‘Le Radical’ veranderde plotseling van toon en begon de campagne van Poincare met kracht te steunen.

Toen deze eenmaal president was geworden stelde hij onmiddel­lijk een de­partement in dat belast werd met de verdeling van de ‘subsi­die’ aan de pers en de documenten tonen ons dat nog in dat zelfde jaar, de volgende, voor die tijd forse, sommen verdeeld wer­den: en wel als volgt:

 

L’Aurore          Fr. 62000,-

L’Action           „     9000,-

La France         „   11000,-

Le Journal        „     1000,-

Le Rappel         „     7000,-

Le Figaro          „    25000,-

Le Temps          „   50000,-

La Laterne        „    77000,-

La Libre Parole  „    80000,-

La Liberte         „     25000,-

 

Het is dan ook vrij duidelijk waarom deze bladen plotseling anti-Duits en pro-Russisch werden. Het is natuurlijk ronduit verbijste­rend dat de Franse president zich persoonlijk met deze omkoop-praktijken bezig hield.

Het Franse parlement had inmiddels een wet aangeno­men waarbij 25000.000 Frank beschikbaar werd gesteld voor de aankoop van ‘Maison de la Press’ een gebouw met 200 kamers aan de Rue Francois no 3 te Parijs.

In dit vijf verdiepingen tellen­de gebouw werkten in eerste instantie zo’n 80 mensen die, in 18 verschillende talen, berichten verzonden naar de buiten­landse persvertegenwoordi­gers.Hier werd, toen de oorlog eenmaal was uitgebroken,de Franse propaganda gecoördineerd, valse berichten opge­steld en valse foto’s  van zogenaamde Duitse gru­welda­den vervaardigd. Het was in dit gebouw dat de verhalen verzonnen werden over Duitse solda­ten die de handen afhakten van on­schuldige kinderen, krijgsge­van­genen kruisigden en hun eigen doden kookten om vet voor hun kanonnen en wapenen te verkrij­gen.

 

De oorlogsplannen van de grote mogendheden

We hebben gezien hoe Frankrijk zich na de Frans-Pruisische oorlog van 1870-1871 langzaam maar zeker herstelde van de slag die haar was toegebracht. Hoe men de grenzen weer ging ver­sterken en hoe de ‘revanche’ gedachte meer en meer terrein won.

We hebben voorts gezien dat Frankrijk er in 1894 in slaagde haar door Bismarck geinitieerde isolement te doorbreken door een geheim militair verdrag te sluiten met Rusland, een ver­drag dat tot in de kern anti-Duits was.

Met het aantreden van Delcassé (1895-1905) als minister van Buitenlandse Zaken brak er een nieuw tijdperk voor Frankrijk als grootmacht aan. Zoals gezegd slaagde hij er niet alleen in de verhouding met Rusland te bestendigen en Italië uit de Triple Alliantie los te weken door ook met dit land een geheim ‘niet aanvals’ verdrag te sluiten, maar in 1904 zette hij de kroon op zijn werk door een ‘Entente’ met Engeland te realise­ren en met dit land in feite, zoals later zal blijken, een geheime militaire samenwerking te starten. Het was deze ui­terst be­langrijke gebeurtenis die het aanzien van de wereld totaal veranderde en de machtspositie van de grootmachten in een andere rangorde plaatste. Franrkijk was weer geheel terug als grootmacht en had zich nu verzekerd van de machtige steun van twee der belangrijkste landen ter wereld, Groot.Brittannië en Rusland. Duitsland bevond zich nu in een positie op de ‘bin­nenlijnen’ en zag zich omringd door vijandig gezinde staten.

We hebben tenslotte gezien dat de beide Marokkocrises in feite graadmeters waren voor de sterkte en oorlogsbereidheid van de ‘Entente-landen’ en dat Frankrijk beide keren op het laatste moment voor de consequenties teruggschrok. Met de komst van Poincaré echter zouden die aarzelingen verleden tijd worden en werd Franrkijk definitief  in de richting van oorlog gestuurd terwijl onder zijn leiding de eerste maatregelen werden geno­men die het land ook daadwerkelijk op oorlog moesten voorbe­reiden.Het is dan ook nu tijd om eens na te gaan hoe de Fransen hun oor­logsplannen opstelden en hoe men dacht deze ten uitvoer te brengen.

Zoals bekend hadden de meeste landen die deelnamen aan de Eerste Wereldoorlog hun militaire plannen reeds lang in de la liggen. De oorlog werd al jaren verwacht en dat is ook logisch als men bedenkt dat ze sinds 1893 werd voorbe­reid en reeds door de oude von Moltke vanaf 1872 werd voorzien. De militai­ren hadden uiteraard niet stilgeze­ten.Opvallend aspect hierbij was dat eigenlijk alleen de Duitse militai­re leiders hun plannen zelfstandig ontwikkelden en dat zij daar­bij, in tegenstelling tot bijvoorbeeld hun Britse, Franse en Russi­sche colle­gae, de politici niet betrokken.

Waren de voornoemde regerin­gen (of zoals in Groot.Brittannië, in elk geval enkele ministers) op de hoogte van wat hun generaals aan plannen op­stelden, ja werden deze plan­nen steeds ter goedkeu­ring aan hen voor­gelegd, in Duits­land had de poli­tiek zich nimmer afge­vraagd op welke wijze men een eventu­ele oorlog zou gaan voe­ren,dat was een zaak voor de militaire leiders  die daarvoor hun eigen verantwoordelijkheid hadden.

In Frankrijk echter lag dat anders. De militaire plannen sloten daar in principe aan op het buitenlands be­leid. Teneinde de Franse oorlogs­plannen- en met name het beroem­de ‘Plan XVll’ beter te kunnen beoordelen, is het in dit stadi­um wellicht nuttig wat nader in te gaan op de Duitse voorbe­rei­dingen omdat daaruit zal blijken hoe men in Frankrijk dacht daarop te reageren en hoe men daarbij het verbond met Rusland en de hulp van Engeland dacht in te pas­sen

 

Het Duitse ‘Von Schlieffen-plan’

Direct na de overwinning op Frankrijk in 1871 realiseerde de Duitse opperbevelhebber, veldmaarschalk von Moltke, zich dat de kiem voor een volgende oorlog was gelegd en dat eens de tijd zou komen dat het ‘gewonnen’ land weer verdedigd zou moeten worden. Hij voorzag toen reeds dat Frankrijk daarbij steun zou ontvangen van Rusland.Von Moltke ontwierp dan ook een plan om aan zo’n ‘tweefron­ten’ oorlog het hoofd te kunnen bieden.

Hij baseerde zich daarbij op een zo sterk mogelijke verdedi­ging van de Duits-Franse grens, immers daar waren de Fransen begonnen met de bouw van een sterke fortengordel die, vol­gens de laatst ontvangen informatie, uiterst moei­lijk te penetreren zou zijn. Een aanval daarop zou waarschijnlijk in het nadeel van Duitsland uitvallen temeer omdat het zich tegelij­kertijd in het Oosten tegen de Russische Beer zou moeten verdedigen.Derhalve was hij van plan de helft van het Duitse leger verde­digend op te stellen aan de Franse grens en met de andere helft een ‘preventieve’ aanval op Rusland te wagen, dit land te verslaan om pas daarna zijn volledige sterkte tegen Frank­rijk in te zetten. Op deze wijze hoopte hij een oorlog op twee fronten te kunnen voorkomen en uiteindelijk zegevierend uit de strijd te komen.

In de loop der jaren werd dit plan verder bijgeschaafd en lange tijd gold het als de enig zaligmakende mogelijkheid. Nog onder Moltkes opvolger, de graaf Walden­see, werd het plan verder vervolmaakt.

 

Met de komst van veldmaarschalk von Schlieffen als chef van de generale staf in 1891, begon echter een geheel nieuwe denkwij­ze baan te breken.

Ook Schlieffen, erkend strateeg, zag Rus­land als het grootste gevaar voor Duitsland terwijl het voor hem vaststond dat de geest van ‘revanche’ die zich in Frank­rijk steeds openlijker manifesteerde, uiteindelijk tot een nieuwe oorlog kon leiden.

Hij stelde daarbij klinisch vast dat alsdan Duitsland militair in het nadeel zou verkeren omdat het slechts in beperkte mate over mensen en materiaal kon beschik­ken waardoor het zich geen lange oorlog zou kunnen permitteren en zeker niet op twee fronten tegelijk. Dat het plan ‘Moltke’ zo’n lange oorlog zou betekenen, was voor hem zonne­klaar en hij voorzag grote rampen indien de Duitse legers  zondermeer het onmetelijke Rusland zouden binnentrekken, vooral ook omdat daarbij de helft van zijn troepen gebonden zouden zijn bij de verdediging van de Duits-Franse grenzen.

Schlieffen verwierp de gedachten van zijn voorgangers dan ook radiaal en ontwierp een nieuwe strategie gebaseerd op snel­heid en (inmiddels beschikbaar gekomen) moderne oorlogs­midde­len.In 1894 waren de contouren van zijn plan gereed en rond 1905 was het de nieuwe ‘bijbel’ van de Duitse generale-staf.De facto was het 180 graden tegengesteld aan het ‘von Moltke’ plan en werd gevormd door een directe- offensieve opstelling tegen Frankrijk en een vooralsnog defensieve ten opzichte  Rusland.Het voornaamste element van het plan was wel dat niet ge­tracht zou worden een directe aanval op de Franse grens te lanceren, maar na een snelle mobilisatie, bliksemsnel via Nederland en België, door te stoten naar N.Frankrijk om dan, als het ware tegengesteld aan de wijzers van de klok, met Metz als draai­punt,langs de Franse kust westelijk rond Parijs te trekken om daarna snel weer oostelijk te gaan en zo uiteinde­lijk de Franse stellingen aan de Duitse grens in de rug aan te vallen.

Uiteraard zou daarbij de neutraliteit van België en Nederland geschonden worden maar  Schlieffen zag dit als een niet te voorkomen noodzaak, ja zelfs als een absolute voorwaarde, immers Duitsland zou moeten strijden op de ‘binnenlijnen’ en de krachtsverhoudingen dwongen het wel tot deze beslissing. Militair gezien had men nu eenmaal geen andere keus, een feit dat ook vandaag de dag nog wordt erkend in militaire kringen.Het plan voorzag in een zeer sterke rechter vleugel waarbij ca 90% van de Duitse strijdkrachten zou worden ingezet voor de mars door Frankrijk. De resterende 10% moest verdedi­gend worden opgesteld bij Metz en langs de Oostgrens en  Schlieffen rekende er op dat de Fransen, gebruikmakend van het feit dat er slechts weinig Duitse troepen ter verdediging van hun grens waren achtergebleven, onmiddellijk een directe aanval op de Elzas zouden doen en het lag in zijn bedoeling zo’n aanval in eerste instantie niet al te veel in de weg te leggen. Door een soepele verdediging , waarbij het tijdelijk prijsgeven van stukken Duits grondgebied was ingecalculeerd, zouden immers Franse troepen worden weggehouden van de strijd in het noorden en westen hetgeen de snelheid van de Duitse opmars ten goede zou komen.

Snelheid was essentieel omdat gebruik moest worden gemaakt van het verschil in de benodigde mobili­satietijd tussen het Franse en Russische leger.

Uit rapporten van de Duitse geheime dienst was gebleken dat de Fransen binnen 2 weken konden mobiliseren terwijl de Russen daar minimaal 6-8 weken voor nodig zouden hebben. De kern van Schlieffen’s plan was dan ook dat de Fransen verslagen moesten worden voordat de Russen gereed zouden zijn zodat tegen de tijd dat die konden aanvallen, het merendeel der Duitse troe­pen weer uit Frankrijk- een verslagen Frankrijk nu- konden worden teruggehaald ter ondersteuning van het Ooste­lijk front. Op deze wijze dacht Schlieffen een oorlog op twee fronten te kunnen voorkomen. Hij vervolmaakte het plan telkenmale, ener­zijds door de toevoeging van nieuwe mobiele artillerie en speciale spoorweg-eenheden, deels ook door steeds meer legers toe te voegen aan de rechtervleugel van de as, met als enig doel de snelheid van de opmars te verhogen.

Het zal duidelijk zijn dat de riskante factor van het plan te vinden was in het tijdselement. Immers, indien de Duitse troepen niet binnen het gestelde tijdvak hun doelen zouden bereiken, of nog erger, indien de Russen sneller zouden mobi­liseren dan werd aangenomen, dan zou er alsnog een zeer ge­vaarlijke situatie kunnen ontstaan, een situatie die Schlief­fen nu juist ten koste van alles wilde voorkomen.

Kennelijk was hij er niet geheel gerust op want ook na zijn pensionering bleef hij de generale staf bestoken met aanvul­lende adviezen en nog in 1912 stuurde hij nota’s die onder meer een verdere versterking van de rechtervleugel behelsden.

In hoeverre waren Duitslands tegenstanders nu op de hoogte van de inhoud van het Schlieffenplan en de Duitse strategie. Welnu, het is duidelijk dat de Fransen volledig op de hoogte waren van de essentie van die plannen..

In 1900 rapporteerde de Franse contra-spionagedienst dat er duidelijke aanwijzingen waren voor een Duits aanvalsplan via België. In 1904 zou het plan in z’n geheel verraden zijn door een hoge Duitse officier tijdens  een drietal ontmoetingen met de Franse spionagedienst in Frankrijk en België. Von Schlief­fen zelf echter leverde wellicht de grootste bijdrage tot bekendmaking van zijn plan.

In januari 1909  publiceerde hij namelijk anoniem een protestartikel in de ‘Deut­sche Revue’ tegen de door zijn opvolger, von Moltke, aange­brachte wijzigingen in het plan. Het betrof hier met name de wijziging van de door von Schlief­fen in 1905 toegevoegde aanval op Nederland en de bezetting van Limburg en een deel van Gelder­land tot Nijmegen.

Als gevolg van de gewijzigde politie­ke verhoudingen was de Duitse opperbevelhebber er niet meer zo zeker van dat Neder­land een Duitse doortocht door Limburg zonder slag of stoot zou laten passeren en tevens achtte hij het van groot belang dat Nederland neu­traal bleef zodat bij een Britse economische blokkade,  via Nederland toch de noodzakelijke goederenstroom kon worden aangevoerd.Toen Schlieffen dit vernam was hij zo onvoorzichtig hier­tegen luid en openlijk te protesteren.

Zijn artikel werd uiteraard opgemerkt en geanaly­seerd zowel in Frankrijk als in Engeland en dit leidde tot een aantal conclu­sies waaruit men bijna tot in detail het Duitse plan kon distilleren.Ook uit de Congressional Records (no 385) blijkt dat men op de hoogte was van de Duitse plannen en voorts wordt melding ge­maakt van het feit dat Paléologue, toen hij ambassadeur was in St.Petersburg, indruk maakte door zijn volledige kennis van het Duitse plan.

 

Uit de notulen van de vergadering van de Franse en Russische Generale Staven, lezen we in artikel 3:

‘Van wat we weten over de Duitse mobilisatie- en concentratie­plannen, kan geconcludeerd worden dat de eerste grote veldsla­gen zullen plaats vinden in Lorraine-Luxembourgh en België vanaf de 15e tot de 18e dag na mobilisatie. Op dat moment zal de sterkte van het Franse leger groter zijn dan de 1.300.000 man waarin voorzien werd volgens artikel 3 van de Conventie.De concentratie van de geallieerde troepen aan de Frans-Duit­se grenzen zal gereed zijn op de 10e dag na mobilisatie en de offensieve acties van deze troepen zullen op de ochtend van de 11e dag starten’.

 

Uit deze mededeling blijkt dat Frankrijk er op rekende reeds binnen 11 dagen na mobilisatie in de aanval te kunnen gaan terwijl Duitsland pas tussen de 15e en 18e dag gereed zou zijn. Trouwens, toen de oorlog uitbrak, mobiliseerde Frank­rijk officieel pas op 2 augustus. Op 4 augustus meldde presi­dent Poincaré echter al aan het Parlement dat het leger gereed was voor actie. Dit betekent dat men in werkelijkheid reeds voor of rond 25 juli moet zijn gaan mobiliseren . Er was toen nog geen sprake van een Duitse mobilisatie doch slechts van een Oostenrijkse mobilisatie tegen Servië.Het was echter wel eveneens op de 25e juli dat, on-officieel, de Russen hun mobilisatie start­ten en het is dus niet onwaar­schijnlijk dat ook Frankrijk op die datum haar troepen reeds- in het geheim- begon te mobili­seren.  Daarmede voldeed het aan de bepalingen van het verdrag met Rusland waarin immers werd afgesproken dat indien een der landen van de Triple Allian­tie, Duitsland, Oostenrijk of Italië, ging mobiliseren, Frank­rijk en Rusland, zonder dat daartoe nog nader overleg nodig was, zelf ook onmiddel­lijk zouden mobiliseren om dan, zonder tijd­verlies, hun troe­pen in actie te brengen.Welnu, een der landen van de Triple Allian­tie (Oostenrijk) mobiliseerde en dus werd voor­noemde afspraak automatisch van kracht.

De bekende Britse militaire publicist, kolonel Repington­,  schr­eef reeds in 1911 in de ‘Times’ dat het voor Duitsland onmoge­lijk zou zijn Frankrijk via de Frans-Duitse grens binnen te vallen in verband met de daar aanwezige welhaast ‘onneembare’ forti­ficaties welke de Fran­sen een enorm overwicht zouden geven tegen elk aanvallend leger, van welke grootte dan ook. Derhal­ve zou er voor Duits­land, in geval van oorlog, geen andere mogelijkheid overblij­ven om Frankrijk via België aan te val­len. (zoals het von Schlieffenplan dan ook duidelijk maakte)

Zijn mening werd gedeeld door o.a de schrijver Hillary Belloc, (London Magazine mei 1912) en door de redacties van kranten als ‘The Forthnightly Review’ (1911)- en de ‘Morning Post’ (12-01-11)*56 maar ook reeds veel eerder, toen de bouw van de forten bij de Frans-Duitse grens bijna was voltooid en de ‘Standard op 17 febru­ari 1897  reeds de algemene mening vertolkte door te schrijven:

‘Rusland kan zich veroorloven te wachten. Frank­rijk eveneens, zoniet echter Duitsland. Duits­land moet op zijn eigen veiligheid letten en van haar kan redelijkerwijs niet worden verwacht dat het de dagen slijt met wachten tot de geruisloze samenzwering en de groeiende macht van Frankrijk en Rusland haar het handelen onmogelijk maken”

 

Ook de Belgen wisten wat hun te wachten stond ingeval er een oorlog zou uitbreken. Een en ander werd dan ook bespro­ken in het Belgische parlement (1911 en 1912) en trouwens, de Duitsers zelf schroomden niet openlijk hun plannen te bedis­cussi­­­-ren.*58 kortom, het von Schlieffenplan en de daarbij beho­rende inval in België waren reeds jaren bekend.

Uiteraard was er veel kritiek op het Duitse aanvalsplan, zowel uit militaire- als uit morele overwegingen. In de geallieerde propaganda werd de inval als monsterlijk om­schre­ven maar dat was toch wel wat hypocriet gezien de soortgelijke plannen welke de Fransen en Britten zelf hadden opgesteld

Men leze:

‘Joffres strategic considerations initi­ally included the possibility of an offensive via S.Bel­gium and he repeated­ly demanded from the political leaders  a ‘go ahead’ to a viola­tion of Belgium neutrality by allowing French troops to enter Belgium, this being the only means of apply­ing the more favou­rable strategic alternative’ *59

 

De Britse veldmaarschalk Wilson stelde een plan op voor een Britse inval in België, ook als de Belgische regering het daarmede niet eens zou zijn. Dat deze plannen uiteindelijk niet doorgingen had geen enkele morele achtergrond maar het zou Frankrijk en Engeland voor het oog van de wereld als de agressors hebben aangemerkt en men vreesde dat de publie­ke opinie zich dan van een oorlog met Duitsland zou hebben gedis­tantieerd. Het was uitsluitend om die reden dat de be­treffen­de regeringen niet voldeden aan het verzoek van hun militaire bevelhebbers België te mogen binnenvallen.Men wist dat Duitsland geen keus had en men hoefde dus maar af te wachten tot de dag van de inval. Op dat moment zou Duits­land als agressor kunnen worden aangemerkt en het zou daarbij de geallieerden een ‘legale’ reden verschaffen zich in de oorlog te storten. Overigens, in de diplomatieke stukken komt deze opzet ook duidelijk naar voren. Toen de oorlog op het punt van uitbreken stond stuurde de Russische ambassaeur in Parijs, Iswolski, een telegram aan zijn minister van Buiten­landse Zaken waarin hij stelde:

‘Aan de andere kant is het voor Frankrijk uit politieke overwegin­gen verband houdende met Italië en meer speciaal met Enge­land, belangrijk dat de Franse mobilisatie de Duitse niet vooraf gaat maar daar als antwoord op komt’.

 

In een telegram van die zelfde datum schreef hij:

‘Volgens de Franse grondwet moet het parlement toestem­ming geven indien de presi­dent de oorlog wil verklaren. Om daarvoor het parlement op te roepen zal zeker enige dagen kosten. Alhoewel Poincaré er niet aan twijfelt dat het parle­ment hem die toestemming niet zal ont­houden geeft hij er toch de voor­keur aan een publiek debat over de toepassing van de artikelen van de Alliantie, te voorkomen.(het Parlement wist immers niet dat er ‘n militaire conventie bestond) Om die reden- en voorts met het oog op een Britse deelname aan onze zijde, acht hij het beter te wachten tot Duitsland de oorlog ver­klaart in plaats dat Frankrijk dat doet’.

 

Tenslotte zond Iswolski nog het volgende telegram op 2 augustus:

‘De Duitsers overschrijden de grens in kleine aantallen. Dit geeft de Franse regering de gelegenheid in het Parlement te verkla­ren dat Frankrijk wordt aangevallen waardoor een formele oorlogsverklaring niet meer nodig is. Vandaag werd bericht ontvangen dat Duitse troepen ook Luxem­burg hebben bezet daarbij de neutraliteit van dit Groot-Her­togdom, welke gegarandeerd werd bij het verdrag van 1867 door o.m Engeland en Italië, schen­dend. Deze bezetting wordt door Frankrijk als uitermate posi­tief gewaardeerd omdat dit buiten twijfel van Engeland een protest zal uitlokken en hopelijk oorzaak zal zijn dat dit land wat actiever wor­dt. Er is voorts nieuws dat zegt dat Duitse troepen zich in de rich­ting van Arlon begeven hetgeen het bewijs zou zijn dat ze ook de neu­traliteit van België schenden. Dit zou voor Engeland nog onverteerbaarder zijn’.

 

Viviani (Franse minister van Buiten­landse Zaken) telegrafeerde dit nieuws onmiddellijk door aan zijn ambassadeur in Londen en verzocht hem Edward Grey, de Britse minister .van Buitenlandse Zaken, hierop te wijzen en voorts zond de Franse minister van Oorlog, Messiny een telegram aan de Franse opperbevelhebber, generaal Joffre luidende:

‘Teneinde de medewerking van onze Engelse buren zeker te stellen is het dringend noodzakelijk er zorg voor te dragen dat er geen patrouilles of manschappen de op 30 juli per telegram no 129 vastgestelde algemene lijn, zullen over­schrij­den’.

 

Joffre gaf zijn troepen daarop bevel zich tot op tien km van de grens terug te trekken.

De beroemde ‘10 km’ order dus welke door de propagan­da werd gebruikt om aan te tonen dat Frankrijk, toen het er op leek dat de oorlog zou uitbreken, haar troepen opdracht gaf zich tot 10 km van de gren­zen terug te trekken en zo elke provoca­tie te vermijden,De werkelijkheid was echter dat Engeland gewaar­schuwd had dat het alleen aan Franse zijde zou kunnen meedoen indien het voor het Britse volk duidelijk zou zijn dat Duitsland de agressor was en niet Frankrijk .

Het is duidelijk, de oorlog kwam voor Frankrijk niet onver­wacht en men was er klaar voor.Frankrijks enige en werkelijk zorg was dat Engeland en Rusland zich op het laatste moment nog zouden bedenken en derhalve deed men er alles aan om Duitsland het initiatief te laten België binnen te vallen. Engeland zou dan het besluit kunnen nemen aan Franse zijde de oorlog in te gaan en dat is dan ook precies zoals het later geschiedde.

 

Het Franse oorlogsplan no 17

Hoe dachten de Fransen nu zelf de zaken aan te pakken?

Zoals gezegd was het bijzonder belangrijk voor hen dat de Russen binnen de reeds in 1911 met generaal Dubail afge­sproken termijn, tot de aanval zouden overgaan. Immers, dit ondergroef het Schlieffenplan volkomen en zou Duitsland uiteindelijk confronteren met drie vijanden op twee fronten tegelijk en Frankrijk was het in een ding steeds met Duitsland eens ge­weest: dat land kon zo’n oorlog niet winnen.

Natuurlijk had niet alleen Duitsland een reeds ver van te voren opgesteld aanvalsplan. Zoals we nu weten hadden eigen­lijk alle aan de oorlog deelnemende landen hun militaire plannen tot in detail geregeld.Toch is het interes­sant na te gaan wat het Franse aan­valsplan in feite inhield.Het officiële plan, nr XVll, geeft daarover maar weinig informa­tie. In feite leek het er op dat men alles van de omstandighe­den wilde laten afhangen zolang de Franse soldaat maar in het offensief zou zijn. Het is niet uitgesloten dat dit ook werke­lijk de Franse gedachte was maar erg waarschijnlijk is dat niet als men er van uit gaat dat de Franse en Russische Gene­rale Staven ruim 20 jaar met het ontwikkelen van hun oorlogs­plannen zijn bezig geweest.Een andere opzet is derhalve waar­schijnlijker.De werkelijke Franse bedoelingen kunnen toch enigszins worden gerecon­strueerd vooral als men er van uit gaat dat de Franse genera­le staf het von Schli­effen­plan tot in detail kende.

Gebruikmakend van deze kennis dacht men de zaken als vol­gt te regelen:

1: Franse troepen vallen direct na het uitbreken van de vijan­delijkheden de Elzas binnen en zullen daar weinig tegenstand ondervinden omdat dit zo in het Von Schlieffenplan is vastge­legd. Teneinde dit voordeel zo goed mogelijk uit te buiten, dient een zo sterk mogelijke Franse troepenmacht aan de aanval deel te nemen. Deze aanval zal echter pas plaats kunnen vinden nadat Duitsland België is binnengevallen omdat pas dan de Engelsen actief kunnen worden. De Duitse inval in België is dus een ‘conditio sine qua non’ en Frank­rijk moet er voor zorgen niet zelf als agressor te worden aange­merkt. Derhalve zal men, als het zover is, de eigen troepen vooreerst van de grens terugtrekken om elk misverstand dien­aangaande te voorko­men.

2: Britse troepen zullen in Frankrijk en België landen en daar de Duitse opmars zoveel mogelijk dienen te vertragen. Hierdoor zullen de Duitsers als het ware worden vastgehouden in deze gebieden en daardoor niet in staat zijn troepen vrij te maken voor het oostelijk front ter ondersteuning van Oostenrijk-Hongarije hetgeen, volgens de Fransen, noodza­kelijk zal worden omdat:

3: De Russen zullen veel eerder, namelijk reeds binnen 14 dagen na mobi­lisatie, met ruim 800.000 man Oost Pruisen binnenvallen en daar een tweede front vestigen. Dit betekent dat Duits­land met bijna zijn gehele strijdmacht in België, als een rijpe appel voor het grijpen zal liggen en van twee zijden tegelijk in de tang genomen kan worden.

4: Frankrijk speelt hiermede in op het von Schlieffenplan hetwelk voorziet in het ‘voorlopig’ toelaten van Franse troe­pen in de Elzas, echter Frankrijk denkt het ‘voorlopige’ karakter van deze bezetting te kunnen omzetten in een ‘blij­vende’.

5: Frankrijk laat de verdediging van eigen land vooreerst grotendeels over aan de Britten en het is haar bedoeling de oorlog zoveel mogelijk op Belgisch grondgebied te laten plaat­svinden. De werkelijke Franse plannen lijken dan ook wel het spiegelbeeld van het Von Schlieffenplan, namelijk het binden van de vijand eventueel door deze tijdelijk toe te laten op eigen grondgebied en tegelijkertijd zelf met grote snelheid en een zware troepenmacht elders aan te vallen zonder daar veel weerstand te ontmoeten.

In deze reconstructie wordt het ook duidelijk waarom de Franse sol­daat uitsluitend voor de aanval werd getraind. Men was hele­maal niet van plan het land in eerste instantie zelf te verdedigen omdat men heel andere gedachten had. Alles was gericht op een snelle bezet­ting van de Elzas en eenmaal daar aangekomen, was men van plan er te blijven ook.De hulp van Engeland was nodig om een en ander te realiseren en de eventueel binnen­dringende Duitsers tegen te houden of hun opmars op zijn minst te vertragen.

Men heeft, na de oorlog, plan nr XVll nogal eens bekritiseerd omdat het niet voorzag in een verdedigende houding. Men ver­weet de Franse legerleiding kortzichtigheid, ja zelfs domheid, maar met de kennis welke men van het von Schlieffenplan had, kan men meer begrip voor de samenstellers van de Franse plan­nen opbrengen al moet gezegd worden dat het zelfvertrouwen en het geloof in de overwinning wellicht te manifest aanwezig waren.In dit verband is de opmerking van Lord Esher in zijn in 1922 anoniem gepubliceerde boek ‘The Pomp of Power’, waarin hij een verslag geeft van de ondervraging van Maar­schalk Joffre door de ‘Commission sur la Métallurgie en Fran­ce’ zeer interessant. De maarschalk wekte tijdens deze onder­vraging de indruk dat hij aan geheugenverlies leed. Desge­vraagd beweerde hij dat Plan XVll niet op papier stond maar slechts in zijn hoofd zat en zich niet meer te kunnen herin­neren met welke stafofficie­ren hij bij het uitbre­ken van de oorlog samenwerkte. Voorts be­weerde hij zich niet te kunnen herinneren met wie hij het operatieplan had besproken. Zijn directe medewerker,de waarnemend  chef staf,gene­raal de Castel­nau, verklaarde voor dezelfde commissie het operatie­plan nimmer te hebben gezien hetgeen natuurlijk totaal onbe­grijpe­lijk en ongeloofwaardig overkomt maar door Joffre niet werd ontkend. Kortom, er was iets mis met Plan XVll of dat plan diende slechts ter dekking van de bijvoorbeeld hiervoor beschre­ven recon­structie. Uiteindelijk, we weten het, verliep alles geheel anders dan verwacht. De Duitsers bleken, ook tegen hun eigen verwachtin­gen in, wel degelijk in staat een oorlog op twee fronten het hoofd te bieden terwijl de Britten, in de eerste fase van de strijd, te veel,te snel en bijna uitsluitend terug moesten trekken ook al omdat de Duitsers de onneembaar geachte Belgi­sche forten in minder dan geen tijd veroverden.

 

Ook de Franse verwachtingen over de strijd in het Oosten werden niet bewaar­heid.

De Russen vielen inderdaad vroeger aan, zoals ze beloofd hadden, maar hun aanvankelijke successen verkeerden al spoedig in rampspoed toen de Duitsers hen in de slag bij Tannenberg verpletterend versloegen en een geheel Russisch leger in de pan hakten. Een en ander toont wel aan dat de Franse legerleiding de Duitse slagkracht schromelijk had onderschat en de Britse hulp alsmede de kwaliteit van het Russische leger verre had over­schat met als gevolg dat van de Franse plannen niets terecht kwam en men de facto met de handen in het haar zat omdat er geen andere verdedigingsplannen voorhanden waren toen bleek dat alles mis ging.

Doordat de Duitsers, inmiddels voor Pa­rijs, een soortgelijke inschattingsfout maakten, kregen de geallieerden  een tweede kans welke in de slag om de Marne uiteindelijk resulteerde in het einde van de bewe­gingsoorlog en het begin was van een periode van bijna vier jaar waarin beide partijen hun strijd op leven en dood zouden moeten voortzetten.Toch heeft de vroegtijdige inzet van de Russen wel degelijk enig effect gesorteerd. Bevreesd dat ze te ver zouden doorsto­ten, onttrok de Duitse opperbevelhebber, Von Moltke, te snel, een aanzienlijke troepenmacht aan zijn rechtervleu­gel, juist op het moment dat men die troepen dringend nodig had. Waar­schijnlijk heeft dit er aan medegewerkt dat de slag aan de Marne op een debâcle uitliep waarbij er tevens een eind kwam aan de mogelijkheid de oorlog snel te beëindigen.

 

De Britse plannen

De Fransen voerden echter niet alleen met de Russen jaarlijks militaire besprekingen, ook met de Britten werden dit soort besprekingen nu regelmatig ge­voerd.Vanaf het tot stand komen van de Frans-Britse Enten­te in 1904 voerden Franse officie­ren nu ook periodiek stafbe­sprekingen met de Britten en deze besprekingen stonden onder toezicht van de respectievelijke ministers van Oorlog en werden derhalve politiek gedekt.We komen daar elders in dit boek nog uitge­breid op terug.In 1909 bezocht de Britse gene­raal Wilson de Franse gene­rale staf enige malen. In het daarop volgende jaar werd hij benoemd tot Directeur Mili­taire Opera­ties  en in die functie werkte hij, in consultatie met de Fransen, een volledig schema uit voor de mobilisatie- en inscheping naar Frankrijk, van zes divisies infanterie, cava­lerie en artillerie binnen 9 dagen na mobilisatie.Op 20 juni 1911, werd voorts een gezamenlijk Frans-Brits memorandum getekend waarbij Engeland toezegde 150.000 man en 67.000 paarden naar Boulogne en Le Havre te zullen zenden met als doel de linkerflank van het Franse leger tegen omsingeling te dekken. Het is opvallend dat juist daar het zwaartepunt van de Duitse aanval verwacht werd en het was dan ook de bedoeling dat de Britten de Duitse opmars, zo niet staande zouden hou­den, dan toch zeker zouden vertragen waar­door Frankrijk de gelegen­heid zou krijgen een grote strijdmacht aan de oostgrens in te zetten en daar, door het behalen van een overwinning, de Duitse rechter­vleugel van de rest van het leger af te snijden.

De Franse plannen gingen echter nog verder en richtten zich nu ook op samen- werking ter zee.

 

De Frans-Britse militaire samenwerking ter zee

In september 1912 werd, na langdurig overleg met de Britten, beslo­ten de Franse en Britse  zeestrijd­krach­ten te hergroe­peren en meer af te stem­men op de ‘toekom­stige gebeurtenis­sen’. De Franse vloot werd in z’n geheel overge­plaatst naar de Middel­landse Zee en de Brit­ten ver­plaatsten hun aldaar gesta­tioneer­de schepen voor het grootste deel naar de Noord­zee en voorts werd afgesproken dat Engeland, in geval van oorlog, de Franse Westkust zou be­schermen.Uit het bovenstaande mag overigens niet de conclusie getrok­ken worden dat Frankrijk volstrekt zeker was van de Britse houding als het op oorlog zou uitdraaien.

Uitsluitend een officieel verdrag met dit land zou de Franse onzekerheid hebben kunnen wegnemen maar de Britse minister van Buitenland­se-Zaken, Grey, moest zeer behoedzaam manoeuvreren om het Britse Parlement niet tegen zich te krijgen en derhalve wei­gerde hij consequent ook maar een letter over de verder toch duidelijke Britse bedoelingen op papier te zetten.Dit was er de oorzaak van dat president Poin­caré tot het einde toe ongerust bleef of de Britten hun toe­zeggingen, als het er op aan zou komen, uitein­delijk wel gestand zouden doen. Voor Poincaré, een man die nimmer iets aan het toeval over­liet, moet dit een voortdurende ergernis zijn geweest. Hij door­dacht elke zet en elke stap welke hij zette was altijd wel­overwogen en uiterst planmatig voorbereid.Dit blijkt ook wel uit zijn pogingen te voorko­men dat men ooit Frankrijk als de schuldige, de agressor zou kunnen aan­wijzen indien het tot een oorlog met Duitsland zou komen. Het was daarom dat hij Rusland nodig had om het spits af te bijten als het zover was. Rusland zou moeten mobiliseren teneinde Duits­land tot de fatale stap te verleiden.

De in 1912 nog eens nadrukkelijk aangeboden Franse militaire hulp moest de beslis­sing om tot mobi­lisatie over te gaan voor Rusland vergemakke­lijken.

 

De nadering van het grote moment, conflict in de Balkan voorzien

We gaan nu weer even terug naar het jaar 1912. De Franse premier en minister van Buitenlandse Zaken Poincaré arrangeer­de een ont­moeting met de Russische minister van Buitenlandse Zaken, Sazonov, waarbij men tot overeenstem­ming kwam over een geza­menlijk te volgen politiek bij het uitbreken van de te verwachten oorlog. De afspraak kwam er op neer dat,zodra het in de Balkan tot een conflict zou komen tussen Servië en Oosten­rijk-Honga­rije waarbij Rus­land zich genoodzaakt zou zien in te grij­pen, Frankrijk onmiddellijk Duitsland zou aanvallen als dat land haar bondgenoot Oostenrijk-Hongarije te hulp zou komen.Poincaré verzekerde Sazonov voorts dat hij er van overtuigd was dat in dat geval Engeland Frankrijk zou steunen. Deze Franse verklaring was uitermate belangrijk, vooral gezien in het licht van de latere gebeurtenissen.De afspraak welke Poincaré maakte had wel een achtergrond.Hij was bevreesd dat bij een conflict in de Balkan, Frankrijk verplicht zou worden Rusland militair te hulp te snellen zonder dat Duitsland in zo’n conflict betrokken zou raken.In zo’n geval zou het doel, de vernietiging van Duitsland en de teruggave van Alsac Lorraine, niet worden gerealiseerd en had de gehele operatie voor Frankrijk geen enkele zin.Voor Poincaré stond het vast dat Frankrijk uitsluitend ten strijde zou kunnen trekken als Duitsland bij zo’n conflict betrokken zou zijn want alleen dan zou het doel van het Frans-Russische verdrag bereikt kunnen worden.

Derhalve achtte hij het van essentieel belang dat de banden met Rusland zo nauw mogelijk zouden blijven zodat hij er op kon toezien dat Rusland zich ook aan de verdragsbepalingen zou houden als het moment daar was.

Eens zou Oostenrijk-Hongarije haar geduld ten opzichte van de machina­ties en agressie van Servië verliezen en willen ingrijpen, daar was Poincaré zeker van. Zodra Oostenrijk dan zou gaan mobiliseren zou dus de casus foederis ontstaan. Rusland zou Servië willen beschermen en dus moeten mobiliseren en dat betekende dat ook Duitsland zou gaan mobiliseren waarna de oorlog onvermijdelijk zou zijnZolang Frankrijk en Rus­land nog niet gereed waren moest een conflict in de Balkan dus ten koste van alles worden voorkomen.Men diende Servië dus in toom te houden om te voor­komen dat de Europese Oorlog te vroeg zou uitbreken. Men schatte in dat 1917 daar­voor het geschikte moment zou zijn.Tot zolang diende Frankrijk nauw met Rusland in contact te blijven  en zich gezamenlijk op ‘het grote moment’ voor te bereiden.

 

Poincarė’s invloed op de oorlogsvoorbereidingen

Vanaf het moment dat Poincaré tot presi­dent van de Repu­bliek was gekozen, januari 1913,  gebruikte hij al zijn invloed om tot zijn doel te komen en met inzet van alle mogelijke midde­len.

Tenein­de te voorkomen dat hij zijn grip op de bui­ten­landse politiek zou verliezen zorgde hij er voor steeds zwak­ke of hem toege­wijde ministers op dat departement aan te stel­len en dat lukte hem redelijk goed*66. Poin­caré,die zelf tot dan toe, naast het premierschap, ook de post van minister van buiten­land­se-zaken had bezet,werd in die functie in januari 1913 opgevolgd door Jonnart die echter totaal niet ge­nteres­seerd was in zijn werk en zich beperkte tot de genoe­gens welke aan het ambt verbonden waren.Reeds in Maart werd hij dan ook opgevolgd door Pi­chon, die de post bekleedde tot in december 1913 het kabinet Barthou viel. Hij werd opgevolgd door Doumer­gue welke tevens minister-presi­dent werd.Doumergue was een even felle nationalist als Poin­caré en een van zijn eerste daden was voor Poincaré een bezoek aan St.Petersburg te rege­len.

Men heeft getracht aan te tonen dat tijdens dit bezoek van de Franse president aan Rusland niet over een mogelijke spoedige uitbar­sting in de Balkan is gesproken. Daartoe werd de agenda van de ge­plande besprekingen gepubli­ceerd met daarop de onder­werpen waarover gesproken zou worden t.w:

Versnelling van de bouw van strategische spoor­wegen, de Rus­sisch-Britse politiek in Perzië, de Russische verhouding tot Duitsland en als laat­ste punt,de problemen tussen Oosten­rijk en Servië.

Uit deze agenda zou dan moeten blijken dat de problemen tussen voornoemde landen laag op de bespre­kings­lijst geplaatst ston­den en geen prioriteit genoten.

Het lijkt echter nogal naïef om te veronderstellen dat de problemen tussen Oostenrijk en Servië zo laag in de aandacht stonden en dat er geen consequen­ties zijn getrokken die van doorslaggevende aard zijn geweest voor de verdere houding van Frankrijk en Rusland. Men moet begrepen hebben dat de grote uitbarsting niet veraf meer kon zijn.

 

Poincarė roept Delcassė terug

Een van de eerst daden van Poincaré toen hij tot president van de Republiek werd benoemd, was het vervangen van de Franse ambassadeur in St.Petersburg, de ‘duif’ Louis, door de ‘havik’ Delcassé.­ Delcassé, was na zijn , mede onder Duitse druk tot stand geko­men, ontslag als minister van Buitenlandse Zaken in 1905, een fervente Duitsland-hater geworden. Die haat ging zelfs zo ver dat hij, toen hij per trein naar Rusland vertrok om daar zijn nieuwe functie te aanvaarden, in Berlijn weigerde uit de trein te stappen en het perron te betreden. Zijn op­dracht nu was om in Rusland de Frans-Russische banden aan te halen en de Russen een steun in de rug te geven.

 

Iswolski schreef hierover aan Sazonov begin 1913:

Jonnart (de Franse minister van Buitenlandse Zaken) heeft mij verzocht U te vragen toestemming te ver­krijgen van Zijne Majesteit voor de aanstelling van de heer Delcassé als  nieuwe ambassadeur te St.Petersburg en gaf mij nog de volgende infor­matie:

De Franse regering heeft zich bij deze aanstelling vooral laten leiden door de omstandigheden dat in de ogen van leiden­de Franse regeringskringen en van de publieke opinie, de heer Delcassé gezien wordt als de meest geschikte figuur om in de huidige ernstige internationale situatie, welke mogelijk zal leiden tot de uitvoering van het Frans-Russische Allian­tie­verdrag, op te treden.

Hij beschikt over de benodigde per­soon­lijkheid en de speciale autoriteit  en kan worden be­schouwd als de verpersoonlijking van onze Alliantie.

Persoonlijk wil ik hieraan nog toevoegen dat de heer Delcas­sé, wiens verleden ook U bekend is, volledig toegewijd is aan het idee van een zeer hechte samenwerking tussen Frankrijk en Rusland en als een der meest invloedrijke parlementsleden in Frankrijk kan worden beschouwd.

Derhalve zou hij, als het kritieke moment daar is, wel eens een beslissende rol kunnen spelen bij het wegnemen van eventu­ele aarzelingen bij de Franse regering om ons te steu­nen.

Het is mij dan ook bekend dat men hem zo snel moge­lijk z’n nieuwe post wil laten betrekken.

De heer Delcassé is zo goed op de hoogte met de gedachten en opinies van de Franse generale staf, dat hij in staat is onafhankelijk en rechtstreeks van gedachten te wisselen met  onze militaire autoriteiten. Hij is tenslotte gemachtigd om de Russische regering alle benodigde financiële steun aan te bieden in de vorm van leningen”.

 

Natuurlijk werd de gevraagde toestemming graag en snel gegeven en Delcassé vertrok naar zijn nieuwe standplaats om zijn werk te beginnen en hij deed dat op dusdanig voortvarende en open­lijke wijze dat zelfs Poincaré er van schrok en blij was toen de ambassadeur begin 1914 weer naar Frankrijk terugkeerde.

Als beloning werd hij na de verkiezingen de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken hetgeen voor Duitsland een aanwijzing geweest moet zijn dat de Franse houding ten opzichte van haar aan het verharden was.

 

De havik Palėologue wordt ambassadeur in Rusland

Na de terugkeer van Delcassé werd er nu een nieuwe ambassadeur naar St.Petersburg gezonden en uiteraard zocht men hiervoor weer naar een ‘havik’ welke de politiek van Poincaré ter plaatse met kracht zou ondersteunen. De keus viel op de top-ambtenaar van het ministerie van Buiten­landse Zaken, Paléo­lo­gue.

Het is deze Paléologue, die wel beschouwd kan worden als het kwade brein achter Poincaré en in elk geval een grote en nega­tieve invloed heeft uitgeoefend op de Russische autoritei­ten. De historicus Keiger zei van hem:

‘Paléologue succesfully sabotaged official policy and may have helped to cause the European conflagration which very few Frenchmen desired’.

 

Paléologue trad in St.Petersburg op alsof hij de president persoon­lijk vertegenwoordigde en gebruikte diens naam te pas en te onpas om zijn woorden kracht bij te zetten en sabo­teerde de opdrach­ten van zijn superieuren op het ministe­rie,Margerie en Berthe­lot waar hij maar kon. Tijdens zijn ambassadeursschap stag­neerde de communicatie tussen Frankrijk- en Rusland volle­dig, in die zin, dat hij slechts gekleurde, onvolledige of zelfs onjuiste berichten doorgaf waardoor men in Parijs niet meer op de hoogte was van de werkelijke gang van zaken.

Zonder medeweten van het ministerie, deed hij op eigen initia­tief, maar suggererende dat hij in opdracht van de Franse president sprak, allerlei toezeggingen van Franse steun en drong hij er bij de Russen op aan een harde houding ten opzichte van Oostenrijk en Duitsland aan te nemen.De facto had zich nu een team gevormd, be­staande uit president Poincaré,(revanche), Buitenland-minister Delcas­sé en ambas­sadeur Paléologue, dat uitermate anti-Duits van samen­stelling was en waarvan de individuele leden elk ook een persoonlijke haat tegen dit land met zich meedroegen.Het is dit team geweest, uitgebreid gesteund door de Russi­sche ambassadeur in Parijs Iswolski, dat in Rusland de laatste twijfels, zo die al hebben be­staan, heeft weggenomen en de haviken aldaar de overwinning bezorg­de bij Buitenlandse Zaken.

 

De laatste stappen

We verleggen de aandacht nu weer even naar de politieke situa­tie in Frankrijk. Bij de verkiezin­gen van 1914 veranderde de samen­stel­ling van het Franse kabinet wederom. De uit Rusland teruggekeerde Delcassé volgde Doumergue op maar ook nu zou hij in deze functie niet lang gehandhaafd worden.

Juist voor het uitbreken van de juli-crisis, toen de Oosten­rijk-Hongaarse troonopvolger Franz Ferdinand werd vermoord, kwam er weer een nieuw kabinet tot stand en moest Delcassé plaatsmaken voor Viviani. Viviani was veel gematigder en er op tegen dat Rus­land Frank­rijk zou gaan meeslepen in een oorlog op de Balkan maar op het moment dat hij aantrad, was de julicrisis eigen­lijk al begon­nen en van enige positieve invloed om het tij nog te keren kon geen sprake meer zijn. Poincaré kreeg zijn zin, een oorlog door een incident in de Balkan, stond op het punt van uitbre­ken en de lont in dit kruitvat behoefde alleen nog maar te worden ontstoken.

Dat Poincaré een conflict in de Balkan als middel zag om tot de oorlog te komen welke hij nodig achtte om zijn doelen (het terugkrijgen van Alsac Lorraine) te bereiken, moge onder andere blijken uit een brief welke Iswolski veertien dagen nadat Poincaré tot presi­dent werd gekozen, aan zijn minister schre­ef. De inhoud van deze brief luidde:

‘Zojuist heb ik een lang gesprek ge­voerd met Poincaré. Deze vertelde me  dat hij nu, in z’n kwaliteit van president van de Republiek, zonder problemen de Franse buitenlandse politiek zal kunnen beïnvloeden.

Hij zal dan ook dankbaar gebruik maken van zijn zeven-jarig man­daat om de goede samenwerking met Rusland te conti­nueren.

Poincaré ziet het als van het grootste belang voor de Franse rege­ring om de publieke opinie van het Franse volk zodanig  te be­nvloeden, dat het bereid zal zijn deel te nemen aan een oorlog over de ‘Balkankwestie’. Het is daarom, dat de Franse regering ons uitdrukkelijk verzoekt geen aparte acties te ondernemen welke tot een dergelijke oorlog zouden kunnen leiden zonder voorafgaand overleg met de Franse rege­ring”.

 

Overigens, een jaar eerder, toen Poincaré nog minister-presi­dent was, had Iswolski een soortgelijke brief geschreven waaruit de gezindheid van deze laatste bleek.

Dat een actie op de Balkan tot een Europese oorlog zou leiden en dat men dit terdege besefte moge voorts geconclu­deerd worden uit een telegram van diezelfde Iswolski dat hij op 30 janua­ri 1913 aan Sazonov verzond luidende:

‘Onder de huidige omstan­digheden en met het oog op het be­staande systeem van allian­ties, zal elke geïsoleerde actie op de Balkan door een der grootmachten, zeer snel kunnen leiden tot een algemene Europese oorlog.

De Franse regering erkent de speciale situatie waarbij de Russische regering rekening dient te houden met de nationa­le gevoelens volledig en doet dan ook geen poging Rusland het recht te ontzeggen van vrijheid tot actie, noch om haar morele ver­plichtingen ten opzichte van  de Balkanlan­den na te komen. Rusland kan dan ook verzekerd zijn, niet alleen van Franse gewapende steun zoals geregeld in het Frans-Russische verdrag, maar ook van de meest duidelijke en ener­gieke steun voor alle Russische maat­regelen met betrekking tot  deze (Bal­kan) staten.

Teneinde echter Frankrijk in staat te stellen deze steun op elk gewenst moment te kunnen verschaffen,vraagt de Franse regering ons dringend geen stappen te ondernemen zonder voor­af­gaand overleg, omdat alleen onder die conditie, de Franse regering de publieke opinie kan voorbereiden op de noodzaak te gaan deelnemen aan een oorlog’.

 

De gedachtengang van de Franse president was logisch. Het was bekend dat er grote problemen waren tussen Oostenrijk-Honga­rije en Servië en dat Rusland duidelijk de kant van Servië had gekozen.

Een gewapend conflict tussen eerstgenoemde landen zou derhal­ve onvermijdelijk Rusland en Duitsland tegenover elkaar in het veld brengen. Frankrijks belofte dat in dat geval haar troepen Duitsland zouden aanvallen vergemakkelijk­te de zaak aanzien­lijk voor de Russische haviken die aanstuurden op zo’n oorlog. Een conflict op de Balkan zou derhalve de mobilisatie van Frankrijk ‘legitiem’ maken. Frankrijk wilde er echter wel zeker van zijn dat Rusland daar militair geheel gereed voor zou zijn en haar bondgenoot niet zou meesleuren in een avon­tuur.Het zaad was echter gezaaid, er diende nu nog alleen te worden gewacht op een goede aanleiding om te kunnen oogsten zodra het graan daartoe rijp genoeg zou zijn.

De voorbereidin­gen daartoe waren in volle gang en „het grote moment” naderde met rasse schreden.

Frank­rijk slaagde volkomen in deze opzet.

De Russische mobili­satie was het startschot tot het in werking treden van het Frans-Russische Alliantie-verdrag en dwong Duitsland eveneens te mobiliseren en over te gaan tot uitvoe­ring van het ‘von Schlieffenplan’ waardoor de Duitse inval in België onvermijde­lijk werd. Deze inval gebruikte Engeland als formele’ reden België te hulp te snellen en daardoor de toegezegde steun aan Frank­rijk waar te maken, een Frankrijk dat de verdediging van België en het eigen land voorlopig wilde overlaten aan de Britten en Belgen, om zelf in staat te zijn zo snel mogelijk op te rukken naar Elzas-Lotharingen om dit stuk land weer bij de Republiek te voegen waarmede haar voornaamste doel zou zijn bereikt.

 

Enkele conclusies

Welke conclusies kan men nu trekken uit het voorgaande?

Voorop staat dat de meeste deelnemende landen, met uitzondering van België, de oorlog met groot optimisme- en in een aantal gevallen ook met veel en­thou­siasme zijn ingegaan.

Zeker is het dat Frankrijk en Rusland zo’n twintig jaar bezig zijn geweest zich op de oorlog voor te bereiden maar dat geldt ook voor de meeste andere deelnemers. Toch moet voor Frankrijk een belangrijk element worden toegevoegd en wel de duidelijke wil om oorlog met Duitsland te voeren.

Frank­rijk wenste een ‘revanche’ en heeft militair en diploma­tiek, alles in het werk gesteld haar positie te versterken en wel zodanig dat het haar- zonder door de buitenwereld als agressor te kunnen worden aangemerkt- gelukte Duitsland niet alleen te isoleren en de Alliantie te verzwakken, maar het ook lang­zaam maar heel zeker in de val te lokken door het- nadat alles voor het voeren van ‘n oorlog was voorbereid- min of meer te dwin­gen deze oorlog zelf te beginnen met als alter­natief de volle­dige vernietiging van het Duitse Rijk door Franse,Russi­sche en Britse troepen. Het Frans-Russische ver­drag van 1893 had voor dit alles reeds een stevige basis gelegd.

 

Frankrijk als medeschuldige aan het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog

De Franse president Poincaré heeft zich uitermate ingespannen om deze oorlog te ontketenen en dit wordt- ondanks een heftige ontkenning in zijn memoires- ook toegegeven door een aantal van zijn voornaamste voormalige medewerkers.

Stephe Pichon, de Franse minis­ter van Buitenlandse Zaken van 1906-1911, Paul Deschanel, gedeputeerde, Paul & Jules Cambon, respectievelijk Frans ambassadeur te Londen en Berlijn- en Adolph Mes­siny, minister van Oorlog in 1914, hebben na de oorlog allen verklaard dat zij Poincaré volledig verantwoorde­lijk achtten voor het ontstaan van de oorlog. Voorwaar, zware beschul­digin­gen aan het adres van de man die zich volledig door wraak en revanche gevoelens heeft laten leiden en daardoor mede verant­woordelijk werd aan die vreselijke strijd die het lot der mensheid- en de geschie­denis zo drastisch veranderde.De verantwoordelijkheid van Poincaré en een aantal van zijn medewerkers, waaronder zeker ook Delcassé en Paléologue, wordt wellicht het best omschreven door de hier­voor reeds genoemde Amerikaanse senator R.L.Owen in zijn boek ‘The Russian Imperi­al conspiracy 1892-1914’ waaruit wij citeren:

‘Alsac-Lorraine was the one important root of the war as far as the policy of France was involved.

To advance this ambition Poincaré transformed the Franco-Russi­an Alliance into an agressive union and by 1914 had been able to make England congenial to its general program of closing in on Germany at the opportune moment.

By the beginning of 1914 Poincaré had agreed to aid Russia in any war precipitated over the Balkans, provided this would lead to a world war that would result in Russia’s securing „The Straits and France’s recovering Alsace Lorraine. The French war aimes, many of which were approved by Russia as early as February and October 1914, involved not only the restoration of Alsace Lorraine, but also the annexation of the Saar-region and the creation of an independent Rhenish State under French protection.The French were highly confident of success in an European war, as they felt that either France and Engeland or France and Russia would be able to cope successfully with Germany and Austria. With England,France and Russia joined against the Central Powers, an easy and rapid victory was expected. With Italy also in, Germany and Austria would have no chance at all. The French people were pacifically inclined in 1912 but from 1912 to 1914 had been gradually prepared for the idea of a war over the Balkans through the propaganda carried on in the French newspapers which was financed by Russian gold secured by Iswolski and disbursed with the advise of Poincaré and his henchman.The obligations of France under the Russian alliance were not even allowed to come up for debate in the Chamber of Deputies. Hence the responsibility of France means the responsibility of Poincare and a half dozen trusted lieutenants. This autocracy completely refutes Poincare’s continual reference  to French democracy as a safeguard against war and a guarantee of French innocence in 1914.Having decided upon war, the French Government executed a number of diplomatic maoeuvres to lead the French,Italian and British peoples to believe that they were preparing for a strictly defensive war. Among these were the 10 km withdrawal imposture of july 30th, the delay in ordering mobilization and the determination to await the German declaration  of war in order to impress the English and to avoid a debate on the obligations to Russia under the alliance. In spite of the delay in the mobilization order, French military preparations advanced steadily from the 24th onward.While it was the Russian mobilization which actually precipi­tated the World War, France is as responsible as Russia becau­se Poincaré gave the initial encouragement to Russian agressi­on on his St.Petersburg visit and confirmed this attitude by his decision on the night of july 29th to support the Russi­an mobilization plans’.

 

Het was de Canadese historicus John.S.Ewart tenslotte die in zijn boek ‘The Roots and Causes of the War 1914-1918’ de vraag stelde waarom Frankrijk uiteindelijk aan de oorlog deel­nam. Hij kwam tot de conclusie dat:

 

1:Frankrijk niet aan de oorlog deelnam omdat het gei­nteres­seerd was in Servië noch in de problemen tussen Servië en Oostenrijk-Hongarije.

2:Trouw aan het bondgenootschap met Rusland was eveneens niet het motief; daarvoor zou Frankrijk zeker niet de oorlog zijn ingegaan.

3:Frankrijk nam deel aan de oorlog omdat het van mening was dat het moment van de Revan­che uiteindelijk was aangebro­ken, omdat het er zeker van was dat het militair gereed was en   omdat het er van overtuigd was dat Duitsland het in de toekomst steeds in de weg zou staan als er geen eind werd gemaakt aan diens positie van grote mogendheid.

 

Samen met Rusland en Engeland zag Frankrijk de mogelijkheid dat doel binnen redelijk korte tijd te bereiken.

Met andere woorden, Frankrijk nam uitsluitend uit eigenbelang deel aan de oorlog en nam daarmee het lot van Europa in handen. Het was daardoor zonder enige twijfel mede verantwoordelijk voor de verschrikkelijke gevolgen.

overzicht: