Op zoek naar het wapen van de overwinning. Hoofdstuk 1

Ir. Eric R.J. Wils

Wetenschappers en technologen in de Eerste Wereldoorlog

Hoofdstuk 1

Inleiding

Kan de mens leven zonder oorlog? Volgens de geschiedenis niet meent de Britse schrijver Oliver Taplin in zijn boek ‘Het Griekse Vuur’.[i] Oorlog en geschiedenis zijn nu eenmaal onverbrekelijk met elkaar verbonden zoals ook de historicus H.L. Wesseling stelt in zijn recente boek ‘Frankrijk in oorlog, 1870-1962’.[ii] Zijn vitaliteit en creativiteit op de een of andere manier verbonden met oorlogszuchtige gevoelens is een andere vraag van Taplin.[iii] Technische innovaties zijn zeer belangrijk voor de oorlogvoering en conflicten kunnen de technologische ontwikkelingen in sterke mate versnellen. De ontwikkeling van nieuwe wapens loopt dan ook parallel aan de oorlogen die in het verleden zijn gevoerd.

Welke rol spelen wetenschap en techniek en hun bedrijvers, te weten de wetenschappers, de uitvinders en de technologen, nu tijdens een oorlog? En welke rol speelden ze met name tijdens de Eerste Wereldoorlog? In dit artikel zal verder ingegaan worden op enkele technische ontwikkelingen tijdens de Eerste Wereldoorlog en de gevolgen daarvan op de wijze van oorlogvoeren. Ieder wapen is tenslotte ooit eens bedacht, uitgevonden, ontworpen, getest voordat het in grote hoeveelheden geproduceerd werd en op het slagveld werd ingezet. De aandacht richt zich hierbij op de landoorlog aan het westelijk front. Tevens beperkt het artikel zich tot die wetenschappers die de verschijnselen van de natuur bestuderen en daardoor wel aangeduid worden als natuur- of bètawetenschappers.

Wetenschap en onderzoek naar nieuwe wapens hebben in de geschiedschrijving van de Tweede Wereldoorlog en de daar op volgende Koude Oorlog voldoende aandacht gekregen; ook in de Nederlandse taal zijn tal van artikelen en boeken verschenen over dit onderwerp met titels als ‘De geheime wapens van de Duitsland’, ‘De geheime wapens van de geallieerden’ of na 1945 kortweg ‘De wapenwedloop’. Dit in tegenstelling tot de Eerste Wereldoorlog, waar de behandeling van het onderwerp zeker in Nederland onderbelicht is.

Wetenschap en oorlog

Wetenschap en oorlog hebben al sinds de oudheid een pact gesloten. Wanneer in de oudheid de stad Syracuse door de Romeinse troepen belegerd wordt zet de Griekse geleerde Archimedes (287-212 v.C.) zich in voor de verdediging van zijn stad. Deze vroege wis- en natuurkundige ontwierp onder meer machines om projectielen naar de belegeraars te werpen en ingewikkelde constructies om de Romeinse schepen uit het water te tillen. Ondanks de inzet en het vernuft van Archimedes zou Syracuse vallen en tijdens de daarop volgende slachtpartij en de plundering werd hij door de Romeinen omgebracht. Archimedes zou niet de laatste geleerde zijn die zijn wetenschappelijke kennis gebruikt om dat wat hem na stond, zijn naasten, zijn stad, zijn vaderland te verdedigen.[iv] Ongeveer tweeduizend jaar later stelde een omstreden Duitse wetenschapper en rakettechnicus, Wernher von Braun (1912-1977), na de Tweede Wereldoorlog: ‘In tijden van oorlog moet een man opkomen voor zijn land, hetzij als soldaat, als wetenschapper of ingenieur, en dit los van het feit of hij al dan niet akkoord is met de politiek die zijn regering voert’.[v] Of dat ook het gebruik van slavenarbeid uit concentratiekampen impliceert vergat Von Braun maar veiligheidshalve. Vaderlandsliefde dient dus volgens hem boven het geweten te staan, iets waar wetenschappers en technologen al dan niet mee geworsteld hebben wanneer ze hun vernuft inzetten voor hun partij tijdens een oorlog. Of zoals Fritz Haber (1868-1934), de Duitse chemicus die een manier vond om ammoniak en daarmee kunstmest te maken maar betrokken was bij de Duitse munitieproductie en vervolgens gifgas introduceerde tijdens de Eerste Wereldoorlog, het stelde met een variant op een uitspraak van Archimedes: Im Frieden der Menschheit, im Kriege dem Vaterland.[vi]

Bij het onderwerp wetenschap en oorlog komt altijd de ethische kant van het militaire onderzoek aan de orde. Wetenschap en technologie dienen niet langer de vooruitgang en het welzijn van de mensheid, maar worden toegepast voor zijn vernietiging, of op zijn minst een deel ervan. Wanneer als uitgangspunt wordt genomen dat oorlog zelf niet de vooruitgang en het welzijn van de mensheid dient, dan worden ontwikkelingen in de wetenschap en technologie gebruikt - of misbruikt volgens sommigen - voor doeleinden waarvoor ze oorspronkelijk niet bedoeld waren. Zo werden de kennis en kunde om in het begin van de twintigste eeuw te leren vliegen oorspronkelijk niet ontwikkeld om oorlog te voeren, maar werden daar sinds de Eerste Wereldoorlog wel voor gebruikt. De Nederlandse luchtvaartpionier Anton Fokker (1890-1939) heeft daar in Duitsland een grote rol in gespeeld. Zijn vliegtuigontwerpen en de uitvinding van een mitrailleur die synchroon tussen de propellers door kon schieten gaven de Duitsers tijdelijk het overwicht in de luchtoorlog.[vii] Anderzijds heeft de oorlog een enorme impuls gegeven aan de ontwikkeling van de luchtvaart, maar maakte ook de uitgebreide bombardementen op civiele doelen tijdens de Tweede Wereldoorlog mogelijk.

Gezien de ethische kant van het militaire onderzoek is ‘Wetenschap, oorlog en het duivelse pact’ wellicht daarom een veelzeggende subtitel van het boek van de Britse auteur John Cornwell over Hitlers wetenschappers, waarbij overigens teruggekeken wordt op de Duitse wetenschap tot het begin van de twintigste eeuw.[viii] De Belgische militair-historicus Luc de Vos plaatst een even veelzeggend vraagteken achter de titel van het boek ‘Van gifgas tot penicilline, Vooruitgang door oorlog?’ over oorlog en uitvindingen, waarbij echter alleen in twee van de vier hoofdstukken daadwerkelijk wordt ingegaan op dit onderwerp.[ix] Slechts in één pagina worden de militaire uitvindingen tijdens de Eerste Wereldoorlog opgesomd, maar er wordt wel uitgebreid ingegaan op de ontwikkeling van het chemisch wapen tijdens de Eerste Wereldoorlog.[x] De Australische auteur Michael White plaatst in zijn boek The fruits of war minder vraagtekens bij de zegeningen voor de mensheid van de technische ontwikkelingen tijdens een oorlog.[xi] Alle wapensystemen van de oudheid tot op heden worden door hem beschouwd en de civiele spin-off naar voren gebracht. Dit resulteerde in een lange lijst van ontdekkingen tot aan de ontwikkeling van internet toe. Of anders gezegd ‘De oorlog is de vader van alle dingen’ naar een vaak geciteerde uitspraak van de Griekse filosoof Herakleitos (ca. 500 v.C.) en dus ook van de technologische innovaties.[xii] Het is echter wel uiterst wrang in The fruits of war te moeten lezen dat de medische wetenschap tijdens en na de Eerste Wereldoorlog grote vooruitgang heeft geboekt door de behandeling van de vele miljoenen gewonden.[xiii] Dit artikel beperkt zich echter tot de technische ontwikkelingen tijdens de Eerste Wereldoorlog en gaat niet in op de civiele spin-off.

De Eerste Wereldoorlog was bij uitstek een conflict waarin de invloed van wetenschap en technologie duidelijk werd, maar waarbij deze invloed mogelijk minder doordrong tot het grote publiek en tot de politieke machthebbers. Wetenschappers en technologen werden er zich in de loop van de twintigste eeuw geleidelijk van bewust dat ze niet zonder meer de verantwoordelijkheid van een nieuw wapensysteem bij de militaire en politieke leiders konden leggen, zonder deze te wijzen op de praktische consequenties die ze zelf mogelijk ook niet helemaal konden overzien. Pas aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, in augustus 1945, werd het de politici en het grote publiek eindelijk duidelijk waar wetenschap en technologie toe kunnen leiden. Onder leiding van de Amerikaan J. Robert Oppenheimer (1904-1967) werd een wapen, de atoombom, ontworpen dat in staat was al het leven op aarde te vernietigen en dat slechts tweemaal daadwerkelijk werd gebruikt.[xiv] Dit werd in de Koude Oorlog gevolgd door de ontwikkeling van raketten om overal op de aarde toe te kunnen slaan. Militaire en politieke leiders zijn zich sindsdien veel beter bewust geworden van de technische mogelijkheden van wapensystemen. Waren ze zich dat ook aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog geweest, dan hadden ze mogelijk niet die rampzalige besluiten genomen om de wereld in een catastrofe te storten.

Het proces oorlogvoering

Een menselijke activiteit, tegenwoordig ook wel een proces genoemd, is altijd terug te voeren tot drie essentiële onderdelen. Of het nu gaat om het maken van een product of het uitvoeren van een opdracht het draait immer om de mensen, de middelen en de methoden of te wel om de drie M’s. Dat geldt ook zo voor het voeren van oorlog. Een juiste synthese tussen mensen, middelen en methoden zorgt dat het proces goed functioneert en dat het beoogde resultaat geboekt wordt. Daarbij is de mens nog steeds de belangrijkste factor, hij bepaalt of bedenkt nu eenmaal de methoden en zorgt voor de middelen die nodig zijn om het proces te laten verlopen.

De mensen

Het is duidelijk dat de mensen in de oorlog centraal staan en het is dan ook volkomen logisch dat historici in de geschiedschrijving van de oorlogen de meeste aandacht aan hen besteden. Dat waren natuurlijk in de eerste plaats de politieke en militaire leiders van de strijdende partijen. Politici die vaak alleen maar oog hadden voor de eer van hun natie en op grond daarvan stappen ondernamen die nauwelijks rekening hielden met de gevolgen. Besluiten werden soms genomen zonder altijd goed bekend te zijn met de middelen - de wapens - en de methoden - de doctrine, de plannen, de strategie, de tactiek - van de krijgsvoering. Tijdens het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bleek dit overduidelijk. De betrokken politieke machthebbers waren niet goed op de hoogte van de militaire plannen of gaven daar hun eigen interpretatie van. Zoals de Duitse keizer Wilhelm II die, na het vernemen van een ongecontroleerd bericht op 1 augustus 1914 dat de Britten neutraal zouden blijven, opdracht gaf aan de chef van generale staf, Helmuth von Moltke jr., het plan-Schlieffen maar los te laten en niet aan te vallen richting Frankrijk.[xv] Het lijkt erop dat kennis van zaken over de militaire middelen met hun enorme verwoestende werking geen rol van betekenis heeft gespeeld bij de genomen beslissingen in de zomer van 1914. Laat staan het inzicht in het vermogen van de geïndustrialiseerde staten om die wapens in grote aantallen te produceren en in de technologische kennis om in snel tempo nieuwe wapensystemen te ontwikkelen. Terwijl dit toch bekend had horen te zijn gezien de geschriften van de Pool Jan de Bloch en de Haagse Vredesconferenties over wapenbeperkingen in 1899 en 1907 waar men het slechts eens kon worden over het niet gebruiken van gifgas, een wapen waar wel over werd gesproken, maar in de praktijk toen nog niet eens bestond.[xvi]

Naast de politici zijn vooral de toonaangevende maarschalken en generaals het onderwerp van voortdurende (militair)-historische studie in de hoop meer inzicht te krijgen waarom bepaalde beslissingen werden genomen of juist niet werden genomen. Waarom werd besloten op een bepaalde plaats aan te vallen? Waarom werd een bepaalde strategie gevolgd en werden daarbij de juiste wapens ingezet? Waarom werd een bloedige aanval die al weken aan de gang was en weinig terreinwinst opleverde toch nog maar voortgezet? Waarom speelde het verlies van mensenlevens ogenschijnlijk geen rol in de genomen beslissingen? Over deze en andere vragen kan eindeloos gedebatteerd en nagevorst worden in de hoop een beter inzicht te verkrijgen in het verloop van een oorlog. En de Eerste Wereldoorlog biedt tal van voorbeelden van die vragen zoals: Waarom vielen de Duitsers tijdens de slag om Verdun in 1916 niet direct aan op beide oevers van de Maas? Waarom ging de Britse bevelhebber generaal Douglas Haig maar door tijdens het offensief aan de Somme in 1916 of tijdens de aanval richting Passendale in 1917? Hoewel vele van de militaire leiders na afloop van een oorlog hun memoires publiceerden geven deze publicaties niet altijd een waarheidsgetrouw beeld en vormen dus nog steeds een voortdurende bron van discussie. Hun houding ten opzichte van technologie was meestal conservatief en bij het begin van de Eerste Wereldoorlog dikwijls volkomen achterhaald. Het machinegeweer, toch geen gloednieuw wapen meer, was een overschat middel volgens de Britse militaire hiërarchie en het Franse veldleger bezat geen zware artillerie omdat dit niet strookte met de doctrine van offensive à l’outrance. De Franse generaal Ferdinand Foch beschouwde vliegen als een sport maar nutteloos voor een leger.[xvii]

Behalve de mensen aan de top van het militaire proces krijgen ook de lagere officieren, de onderofficieren en de gewone soldaten, die het allemaal in eerste lijn moesten ondergaan, de nodige historische aandacht. Ze hebben tijdens de Eerste Wereldoorlog zelfs koosnamen gekregen: der Fritz, le poilu, the Tommy. De Britse schrijfster Lyn Macdonald heeft haar levenswerk gemaakt om de ervaringen van de voornamelijk Britse militairen vast te leggen en in een historisch context te plaatsen. Ook andere auteurs hebben dit gedaan. Zij verhalen van de verschrikkingen die de gewone soldaat moest ondergaan in de loopgraven aan het westelijk front of elders op het strijdtoneel. In een van haar boeken komt, als een verdwaalde eend in de bijt, zelfs een bekende natuurwetenschapper aan het woord, de chemicus en latere Nobelprijswinnaar Otto Hahn (1879-1968).[xviii] Hahn was in 1915 luitenant in het Duitse leger en lid van de gastroepen, een verzamelde eenheid van jonge natuurwetenschappers om de inzet van het chemisch wapen (gifgas) te begeleiden.

Naast de wetenschappers die frontdienst deden waren er de kunstenaars, die al tijdens de oorlog verslag deden over hun ervaringen en door hun talent om de gruwelijkheden te verbeelden een blijvende plaats hebben gekregen in de geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog.[xix] Zij vormen zelf nog altijd het onderwerp van (cultuur-)historisch onderzoek, hoewel hun rol tijdens de oorlog zich niet daadwerkelijk onderscheidde van de gewone militair. De aandacht voor de kunst wint het hier duidelijk van de wetenschap, hoewel met dichters de oorlog niet gewonnen werd. Op basis van een verblijf van slechts enkele maanden aan het westelijk front publiceerde Erich Maria Remarque (1898-1970) in 1929 een bestseller - Van het westelijk front geen nieuws - die nog altijd herdrukt en gelezen wordt. Dat kan niet gezegd worden van de memoires van Otto Hahn, hoewel zijn ervaringen aan het westelijk front toch aanzienlijk uitgebreider en aangrijpender zijn geweest.[xx] In de Who’s who database op internet komen anno 2006 honderden personen voor wier geschiedenis van belang wordt geacht tijdens de Eerste Wereldoorlog.[xxi] Naast de vorsten, de politici en de militaire bevelhebbers komen er vierenzestig schrijvers en dichters voor, maar slechts tien wetenschappers, wapenontwikkelaars of uitvinders. Onder deze tien namen wordt naast Britten en Duitsers ook de Nederlander Anton Fokker genoemd. Wetenschappers en technologen zijn kennelijk niet erg interessant, tenzij ze zo controversieel zijn als Fritz Haber. Hij is meestal de enige natuurwetenschapper wiens naam voorkomt in standaardboeken over de Eerste Wereldoorlog.[xxii] Sinds 1911 was hij het hoofd van het prestigieuze Kaiser Wilhem Instituut voor Fysische Chemie en Elektrochemie in Berlijn. Tijdens de Eerste Wereldoorlog stond zijn instituut echter volledig in dienst van de Duitse Krijgsmacht.

Afgaande op deze Who’s who database komt de medische wereld er nog bekaaider af. Er worden slechts vier personen genoemd waarbij zelfs de bekende Britse psycholoog William H.R. Rivers niet voorkomt.[xxiii] Dit ondanks het feit dat er miljoenen vaak zeer ernstige gewonden behandeld dienden te worden en als het aan de militaire bevelhebbers lag zo snel mogelijk genezen verklaard moesten worden om weer ingezet te kunnen worden aan het front. Volgens Leo van Bergen, medisch historicus, dienden in het Britse Royal Army Medical Corps in 1918 dertienduizend officieren van gezondheid en 150 duizend overig medisch personeel.[xxiv] En in de Duitse en Franse legers zullen wel vergelijkbare aantallen medische behandeling hebben verleend. Vele militaire artsen hebben tijdens of na de oorlog over hun ervaringen met gewonde frontsoldaten beschreven. De medische zorg tijdens de Eerste Wereldoorlog is uitgebreid behandeld in het boek ‘Zacht en eervol’ van Leo van Bergen of in artikelen van zijn hand.[xxv]

De Eerste Wereldoorlog wordt wel de eerste totale oorlog genoemd. Een geheel land werd ingeschakeld om de middelen te produceren om de strijd over een lange tijd mogelijk te maken. De industrie werd omgevormd tot een oorlogsindustrie. Miljoenen fabrieksarbeiders en in hoge mate fabrieksarbeidsters werden op het thuisfront minstens zo belangrijk als de miljoenen soldaten aan het front. Zonder hen geen wapens, munitie, uitrusting, voedsel, medicijnen, prikkeldraad en transportmiddelen om dat allemaal naar het front te voeren. Maar omdat ze buiten het eigenlijke strijdtoneel stonden is er ook voor hen minder aandacht in de geschiedenis die zich toch vooral richt op het drama van het slagveld zelf.

De middelen

Sinds de oudheid heeft de mens middelen aangewend om zich te wapenen en oorlog te kunnen voeren. Door de eeuwen heen is er altijd een continue evolutie geweest in de ontwikkeling van wapens.[xxvi] Het zwaard, de speer, de pijl en boog zijn geleidelijk vervangen door het geweer en het kanon. Om de mobiliteit te vergroten werd de strijdwagen bedacht. In de middeleeuwen deed buskruit zijn intrede, de Zweed Alfred Nobel en tijdgenoten ontwikkelden in de negentiende eeuw de nieuwe springstoffen zoals dynamiet, trinitrotolueen (TNT) en het rookzwakke buskruit, en tenslotte ontwierpen Robert Oppenheimer en zijn medewerkers aan het eind van de Tweede Wereldoorlog in de Verenigde Staten de atoombom. En of dat nog niet genoeg was werd onder leiding van Edward Teller in de jaren vijftig van de vorige eeuw de waterstofbom geproduceerd, de grootste explosie die de mensheid tegenwoordig kan maken.[xxvii] De klassieke strijdtonelen van land en water werden uitgebreid met de lucht (het vliegtuig), onder water (de duikboot) en de ruimte (de raket). Nergens op aarde kan men zich nog verschuilen voor de moderne wapens.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog ondervonden de strijdende partijen het effect van de moderne industriële en technologische mogelijkheden op de oorlogvoering. De Britse militair-historicus John Terraine sprak in dit verband van de grootste First Industrial Revolution war.[xxviii] De militaire kracht van een natie was niet meer uitsluitend gebaseerd op de menselijke factor bestaande uit de kundigheid van de commanderende officieren en de vaardigheiden en mate van getraindheid van de manschappen, maar in toenemende mate op het vermogen van de industrie om een leger van de juiste krijgsmiddelen te voorzien. En wel in steeds grotere hoeveelheden en van een steeds betere kwaliteit. De hoeveelheden geproduceerde hoeveelheden kogels, bommen en granaten tijdens de Eerste Wereldoorlog door de strijdende partijen waren gigantisch.[xxix]

Chilwell Munitiefabriek
Bommen en granaten waren het belangrijkste middel tijdens de Eerste Wereldoorlog,
daarvan werden er honderden miljoenen geproduceerd. De foto toont de controle op
granaten vervaardigd in de, begin 1917 geopende, Britse Chilwell munitiefabriek.
Deze fabriek produceerde alleen al ruim negentien miljoen granaten tijdens de oorlog.[xxx]

Tevens werd er na kort na het begin van de oorlog vanuit de staten technisch en wetenschappelijk onderzoek georganiseerd om de beschikbare middelen te verbeteren en militaire innovaties te bewerkstelligen.[xxxi] In Groot-Brittannië rezen de Boards of Inventions en Councils on Scientific Research als paddenstoelen uit de grond. In Frankrijk werd in 1915 zelfs een Ministère des inventions onder leiding van Paul Painlevé - voormalig mathematicus en later korte tijd minister van oorlog en premier in 1917 - in het leven geroepen. De zoektocht naar nieuwe wapens leidde uiteraard tot een wapenwedloop. Bij ieder nieuw middel dat bedacht werd moest echter eerst nagegaan worden of het eigenlijk wel bruikbaar was en indien dat het geval was moest er een methode ontwikkeld worden om het optimaal te gebruiken.[xxxii] Ieder nieuw bedacht wapen of verdedigingsmiddel dat werd ingevoerd betekende bovendien weer een grotere belasting van de oorlogsindustrie om het middel in grote hoeveelheden te produceren.

Ondanks de veelheid aan publicaties over de Eerste Wereldoorlog in het Nederlands in de laatste decennia wordt er echter weinig aandacht besteed aan de technische middelen laat staan aan de rol van wetenschappers en technologen in de ontwikkeling daarvan. Dat geldt ook voor de serie Kronieken over de Grote Oorlog onder redactie van Hans Andriessen, Martin Ros en Perry Pierek waar een grote diversiteit aan onderwerpen door Nederlandse auteurs wordt behandeld. Een uitzondering vormt wellicht de bundel essays door Theo Vijgen.[xxxiii] Van de vijfendertig essays gaan er drie over technische onderwerpen en wel over tanks, gifgas en artillerie. Tanks en gifgas waren de twee belangrijkste innovaties van wapensystemen tijdens de Eerste Wereldoorlog en brachten de schok van het onverwachte teweeg. De al sinds de veertiende eeuw bestaande artillerie werd doorgaans als het doorslaggevende wapen op het slagveld beschouwd. Het was het wapen dat de meeste slachtoffers veroorzaakte tijdens de Eerste Wereldoorlog. Bovendien, als het bombardement al overleefd werd, kon het slachtoffer de meest gruwelijke wonden oplopen. Toch was het vaak nog een bot wapen door het ontbreken van een goede afstandbegeleiding voor de artillerie. Om maar zeker te zijn van het effect schoot men voor een groot offensief maar zoveel mogelijk granaten af. En vaak was het effect van een dergelijk inleidend bombardement toch niet afdoende om de vijandelijke stellingen in gruzelementen te schieten. De miljoenen granaten ploegden het landschap om waar de oorlog werd gevoerd en veranderden dorpen en steden in puinhopen, waar niets meer herinnerde aan de oorspronkelijke vormen. Er waren kunstenaars zoals de Duitse schilder Otto Dix voor nodig om uit te beelden wat de wapenfabrikanten hadden bewerkstelligd.[xxxiv]

Dix-Triptiek detail
De resultaten van het oorlogsproces. Het middelste panel van de
oorlogstriptiek van de Duitse schilder Otto Dix gemaakt in de
periode 1929-1932. Een soldaat voorzien van een gasmasker als
enige overlevende in het door mechanische middelen geproduceerde
dodenrijk van de Eerste Wereldoorlog.

De methoden

De methoden van een moderne krijgsmacht zijn uitvoerig en lopen uiteen vanaf de doctrine naar de eenvoudige instructie voor de soldaat in het veld. Oorlogvoeren is normaliter altijd gebaseerd op een plan (strategie) en vereist een bepaalde uitvoering (tactiek) om het gestelde doel te bereiken. Dit kan zijn een overwinning in een veldslag of de totale vernietiging van een vijand met als gevolg de uiteindelijke zege in het militaire conflict. Daarnaast moeten soldaten getraind worden hoe om te gaan met de beschikbare wapens en hoe in een bepaald groter verband te functioneren. Er zijn talloze militaire handboeken verschenen voor het drillen van militairen en voor het optreden van de verschillende legeronderdelen - infanterie, cavalerie en artillerie - die op hogere krijgsscholen werden en nog steeds worden onderwezen. Beheerste een militaire leider dit allemaal tot in de perfectie en was hij bovendien succesrijk op het slagveld dan werd hij als een groot veldheer beschouwd zoals Julius Caesar bij de Romeinen of Napoleon Bonaparte bij de Fransen.

Twee strategische plannen bij de start van de Eerste Wereldoorlog zijn uitermate bekend geworden en veelvuldig onderwerp van historische beschouwingen.[xxxv] Zowel het plan-Schlieffen van de Duitse legerleiding als het plan XVII van de Franse legerleiding werd opgesteld om met de beschikbare miljoenen mensen en hun middelen de overwinning te behalen. Vervoer van de troepen en het materiaal via de spoorwegen, een technologische ontwikkeling van de negentiende eeuw, speelde daarbij een hoofdrol. Dat in beide gevallen de plannen in augustus/september 1914 niet uitkwamen toonde aan dat de methoden van oorlogvoeren niet goed genoeg waren. Aan het westelijk front resulteerde de gevechten eind 1914 in de loopgravenoorlog, waarbij beide partijen zich ingroeven. De Duitsers waren hier in het voordeel dat ze hun veroveringen in België en Frankrijk konden verdedigen. De Britten en Fransen moesten wel aanvallen om de Duitsers te verdrijven. Vanaf eind 1914 tot 1918 werd gezocht naar de juiste methode en geschikte middelen om een doorbraak in de impasse van de loopgravenoorlog te verkrijgen.[xxxvi] Ten koste van miljoenen mensenlevens en enorme hoeveelheden materiaal lukte dit uiteindelijk. Plannen voor een veldslag werden over het algemeen goed voorbereid en uitgevoerd tot het moment van de aanval, daarna liep het meestal anders dan gepland mede als gevolg van de slechte communicatie. Na iedere grote, bloederige veldslag kwam er uit de evaluatie wel weer een nieuwe tactiek of werd er een nieuw wapen ingezet en probeerde men het opnieuw. Na de hel van Verdun in 1916 meende de Franse generaal Robert Nivelle het recept gevonden te hebben met een gecombineerde aanval bestaande uit een voort kruipende artilleriebarrage gevoegd bij de inzet van tanks. Helaas bleek dit tijdens het voorjaarsoffensief in 1917 aan de Chemin des Dames weer niet te werken.

In de zoektocht naar de juiste methode in het oorlogsproces speelde de ontwikkeling van nieuwe wapens zoals gifgas en tanks een grote rol; men zocht het echter overwegend in het ontwikkelen van nog meer vernietigingskracht. Het grote probleem van de communicatie, commandovoering en controle oftewel de drie C’s van het slagveld werd niet opgelost. Berichten van het front naar de commandanten en omgekeerd waren soms uren onderweg wat een goede commandovoering van de miljoenenlegers onmogelijk maakte. Communicatie verliep nog via duiven, koeriers en telefoonlijnen die tijdens een offensief regelmatig kapotgeschoten werden. Radiocommunicatie gebaseerd op de uitvindingen van de Italiaan Guglielmo Marconi was wel in ontwikkeling, maar de zendapparatuur was nog te groot en te zwaar om met de optrekkende troepen mee te sturen.[xxxvii] Het zou pas een wereldoorlog later zijn dat de walkie-talkie zijn intrede deed die draadloos stemcontact tussen fronttroepen en commandanten mogelijk maakte.

Radio onderzoek
Op zoek naar een methode in het oorlogsproces. Duitsers experimenteren met
radiocommunicatie aan het westelijk front in 1917 op een ongebruikelijke
experimenteertafel. Door het ontbreken van draagbare, draadloze
communicatieapparatuur was een goede commandovoering onmogelijk
tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Het omgaan met nieuwe wapens vereiste ook iedere keer het opstellen van een nieuwe tactiek iets wat meestal eerst vanuit de praktijk geleerd moet worden. Het toepassen van nieuwe wapens betekende nog niet dan ze direct op de meest efficiënte manier werden gebruikt zodat er dus een voortdurende aanpassing van de oorlogsmethoden nodig was. Invoering van nieuwe wapens of de middelen om zich tegen die nieuwe wapens te beschermen betekende bovendien dat de militairen voortdurend getraind dienden te worden. Oorlogvoeren werd dus steeds ingewikkelder, vereiste steeds meer training en de vorming van specialistische eenheden. Verder moesten er voorschriften en instructies opgesteld worden na de introductie van nieuwe middelen. Zo werden na het eerste gebruik van gifgas in de loop van 1915 alle soldaten voorzien van gasmaskers. Dit werd vergezeld van instructiekaarten. Het had echter weinig zin soldaten te voorzien van een gasmasker en een instructiekaart als niet geleerd werd hoe dat goed gedragen diende te worden.

Gasmasker training
Het leren omgaan met een nieuw middel. Training van Duitse soldaten in het
dragen van een gasmasker. Wanneer het masker niet goed werd opgezet kon
dat dodelijke gevolgen hebben.
Het beeld van soldaten met een gasmasker werd
het symbool van de onmenselijkheid van de Eerste Wereldoorlog.

Noten


[i] Oliver Taplin, Het Griekse vuur, Utrecht, 1990, p. 242.

[ii] H.L. Wesseling, Frankrijk in oorlog, 1870-1962, Amsterdam, 2006, p. 11.

[iii] Taplin, p. 247.

[iv] Eric M. Moormann & Wilfried Uitterhoeve, Van Alexandros tot Zenobia, Nijmegen, 1989, p. 43-46.

[v] Geciteerd uit André Truyman, Zwijgen betekende goud, De geheime geschiedenis van de V2-raket of hoe kwade belangen de wereld regeren, Kampen, 2002, p. 11. In het boek van Truyman wordt Von Braun onder meer aangeklaagd voor het feit dat er, met Von Brauns medeweten, slavenarbeid werd gebruikt voor de productie van de V2-raketten in de grotten in het Harz-gebergte in de buurt van Nordhausen. Het Amerikaanse leger maakte na 1945 gebruik van de groep deskundigen rond Von Braun om een rakettechnologie op te bouwen, zonder dat zij zich voor hun activiteiten in nazi-Duitsland hoefden te verantwoorden.

[vi] Margit Szöllösi-Janze, Fritz Haber 1868-1934. Eine Biographie, München, 1998, p. 261.

[vii] R.A. Arnken, De ontwikkeling van het vliegtuig, Haarlem, 1946, Hoofdstuk II, De invloed van de wereldoorlog 1914-1918.

[viii] John Cornwall, Hitlers wetenschappers. Wetenschap, oorlog en het duivelse pact, ‘s- Gravenhage, 2004.

[ix] Luc de Vos, Van gifgas tot penicilline, Vooruitgang door oorlog?, Leuven, 1995.

[x] Ibidem, hoofdstuk IV, Van chloor tot zenuwgas, door Herbert de Bisschop.

[xi] Michael White, The Fruits of War, How Military Conflict Accelerates Technology, London, 2005.

[xii] Moorman & Uitterhoeve, p. 105.

[xiii] White, p. 27.

[xiv] Gregg Herken, Brotherhood of the Bomb, The Tangled Lives and Loyalties of Robert Oppenheimer, Ernest Lawrence and Edward Teller, New York, 2002.

[xv] John Keegan, De Eerste Wereldoorlog 1914-1918, Amsterdam, 1998, p. 83.

[xvi] Jan (ook wel Ivan, Johann of Jean genoemd) de Bloch was een Poolse bankier en spoorwegmagnaat die zich later wijdde aan de studie van economie en politiek Zijn zesdelig boek over de oorlog van de toekomst verscheen in 1898. Zie bijvoorbeeld Helmuth Trischler, Die neue Räumlichkeit des Krieges: Wissenschaft und Technik im Ersten Weltkrieg, Berichte zur Wissenschaftgeschichte,1996, Nr. 19, p. 95-103.

[xvii] R.W. Reid, Tongues of Conscience: War & The Scientists’ Dilemma, London, 1969, p. 8.

[xviii] Lyn Macdonald, 1914-1918, Voices and Images of the Great War, London, 1991, p. 39, 81-2, 222.

[xix] Zie voor een recent artikel: Jaco Schouwenaar, De literaire verwerking van een oorlog, Kleio, 2005, nr. 5, p. 32-39.

[xx] Otto Hahn, Mein Leben, München, 1968.

[xxi] Website http://www.firstworldwar.com/bio/index.htm.

[xxii] Keegan, p. 219. Hew Strachan, De Eerste Wereldoorlog, Amsterdam, 2004, p. 207.

[xxiii] Rivers kreeg literaire faam doordat hij één van de hoofdpersonen werd in de boeken van de Britse schrijfster Pat Barker. Zie A.O. Groote, The regeneration trilogy, in Hans Andriessen, Martin Ros en Perry Pierik (Red.), De Grote Oorlog, Kroniek 1914-1918, Deel 9, Soesterberg, 2005, p. 9-86.

[xxiv] L. van Bergen, ‘Wij mogen geen strijders zijn’. Medische hulpverlening in de Eerste Wereldoorlog, in Hans Andriessen, Martin Ros en Perry Pierik (Red.), De Grote Oorlog, Kroniek 1914-1918, Deel 1, Soesterberg, 2002, p. 325-361.

[xxv] Leo van Bergen, Zacht en eervol, Lijden en sterven in een Grote Oorlog, Den Haag, 1999, Hoofdstuk 4: Hulp.

[xxvi] Martin van Creveld, Technology and War, From 2000 B.C. to the Present, New York, 1991.

[xxvii] G.I. Brown, The Big Bang, A History of Explosives, Thrupp - Stroud, Gloucestershire, 2005.

[xxviii] John Terraine, White Heat: The New Warfare 1914-1918, London, 1992, p. 6.

[xxix] The Oxford Companion to Military History, Oxford, 2001, p. 46 vermeldt de volgende aantallen afgeschoten granaten tijdens de Eerste Wereldoorlog: Duitsland 275 miljoen, Frankrijk 200 miljoen, Groot-Brittanië 170 miljoen, Oostenrijk-Hongarije 70 miljoen en Rusland 50 miljoen.

[xxx] Brown, p. 161.

[xxxi] Guy Hartcup, The War of Invention: Scientific Developments 1914-1918, London, 1988.

[xxxii] De ideeën waren soms ingenieus zoals een gigantische waterleiding om de vijand uit de loopraven te spoelen. Bepaalde voorstellen zoals die om bommen aan vliegers of ballonnen richting de vijand te sturen waren hardnekkig. Toen Amerika aan de oorlog deelnam werd dat idee in 1918 door hen weer opgenomen. Zie Trischler, p. 99.

[xxxiii] Theo Vijgen, De Grote Oorlog, Facetten van de Eerste Wereldoorlog, ‘s-Hertogenbosch, 2004.

[xxxiv] Otto Dix (1891-1969) nam in 1914 vrijwillig dienst in het Duitse leger en diende tot 1918 zowel aan het westelijk als oostelijk front. De triptiek Der Krieg uit 1929-1932 hangt in de Gemäldegalerie Neue Meister in Dresden.

[xxxv] Keegan, Hoofdstuk 2, Oorlogsplannen.

[xxxvi] Hubert C. Johnson, Breakthrough!, Tactics, Technology, and the Search for Victory on the Western Front in World War I, Novato, California, 1994.

[xxxvii] Guglielmo Marconi (1874-1937) won de Nobelprijs voor fysica in 1909 voor zijn werk aan draadloze telegrafie. Hij slaagde er in draadloos boodschappen de Atlantische Oceaan over te sturen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij als officier in de Italiaanse marine.

overzicht: