De normen van de Tijd

Over de appreciatie van executies van deserteurs en ‘lafaards’ in de Eerste Wereldoorlog

(Dit artikel verscheen eerder in de uitgaven van de Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog, ‘De Grote Oorlog, Kroniek 1914-1918 nr 2)

Piet Chielens

 

In de voorbije twintig jaar is veel te doen geweest over één van de laatste taboes in de geschied-schrijving over de eerste Wereldoorlog. De ‘executie door de kogel’ in gevallen van insubordinatie, van deserteurs en lafaards, al dan niet, ‘in het gezicht van de vijand’. Groot-Brittannië, waar in de Britse en Imperiale legers 343 militairen werden geëxecuteerd, stond lang op het voorplan in de discussie. Twee studies, één van Anthony Babington: For the Sake of Example’(1983) en één van Julian Putkowski & Julian Sykes: Shot at Dawn (1989) brachten het thema in de publieke belangstelling. De schok was groot, en zeker voor de families die, pas na de publicatie van de namenlijst in Shot at Dawn, voor het eerst vernamen wat de echte oorzaak van de dood van een familielid was. In de daaropvolgende jaren was er voor het thema massale mediabelangstelling.

Vanuit de betrokken families kwamen verzoeken tot herziening van de processen, voorstellen die bekroond werden met een heus wetsvoorstel tot het verlenen van een postume gratie aan 306 van hen[1]. De voorstanders van deze gratieverlening hebben zich sindsdien georganiseerd in een behoorlijk zichtbare groep militanten die onverdroten campagne voerden en voeren voor die postume gratie.[2]

Zodoende raakte de publieke opinie in Groot-Brittannië en de Commonwealth overtuigd van het gebaar dat gemaakt diende te worden door de huidige overheden[3]. Deze overtuiging drong zelfs door tot de, zeer behoudende, veteranenorganisatie The Royal British Legion. De Britse regering wilde echter niet volgen. „We kunnen de geschiedenis niet herschrijven door de beoordeling van toen te vervangen door die van vandaag, hoezeer houdingen en waarden ook kunnen veranderen.” Met dit argument verwierp tien jaar geleden de toenmalige Britse minister-president John Major[4], de eerste vraag om postume gratie. De Labourregering van Tony Blair heeft het verzoek sindsdien niet met veel meer egards bejegend. Het rapport uit 1998 van Dr. John Reid, de Minister van Defensie, stelde voor om gevoelens van spijt en verontschuldi-gingen aan te bieden aan de families, doch niet in te gaan op verzoeken om gratie[5]. In januari 2002 stelde de voorzitter van het Lagerhuis, Robin Cook, zich op hetzelfde standpunt”. Blijft de vraag, of het wel geloof-waardig is om, postuum, een wettelijke gratie te verlenen aan mensen, veroordeeld onder compleet, van nu, verschillende wetten. Het is niet aan ons om te oordelen met de normen van vandaag over feiten die honderd jaar geleden geschiedden.”[6] Na een onderzoek naar ruim eenderde van alle gevallen van executie in het Britse leger, is de regeringstop ten slotte tot de conclusie gekomen „….dat er geen bewijs is om te suggereren dat de veroordelingen ongeoorloofd waren of dat de beschuldigden onrechtmatig behandeld werden, bezien binnen het raam van de normen, de wetten en procedures van die tijd. Het feit dat we die dingen vandaag anders bezien, kan daaraan niets veranderen….”[7]

In onderstaand artikel wil ik niet ingaan op het politieke debat, ik vraag mij bij dit alles slechts af of het gegeven ‘executie’ in die dagen inderdaad wel zo ‘anders’ bekeken werd dan dat vandaag het geval is en of dit dus, hoedanook, wel een aannemelijk argument kan zijn in de hele discussie.

 

GETUIGEN

Een eerste reden om aan te nemen dat dit niet zo is, is de stroom van getuigenissen m.b.t. executies van zowel de soldaten die erbij betrokken waren als van de toevallige toeschouwers.

Len Cavinder was sergeant in ‘D’ Company , 1st/4th East Yorkshire Regiment. Hem werd opgedragen de nacht van 27 op 28 december 1917, de laatste nacht van Pte. Charles MacColl, ter dood veroordeeld wegens desertie, met hem door te brengen in diens cel van de Ieperse gevangenis. In 1982 getuigde hij over die nacht en de gebeurtenissen van de volgende ochtend aan Dr. A. J. Peacock : „…. Ik kreeg de opdracht van majoor H. B. Jackson, de dienstdoende C.O., om Pte. ______van Brandhoek naar de gevangenis in Ieper te brengen. Hij zou er bij dageraad worden terechtgesteld. Ik wil hier hulde brengen aan de vaderlijke majoor, want hij zei: ‘….je kan hem helpen om zijn Schepper te ontmoeten, sergeant….’ Cavinder’s escorte was Pte. Danby van de troepen van het hoofdkwartier, een fijne man, die alle problemen die het bataljon had gekend sinds het in april 1915 aan het front kwam, had meegemaakt. In de gevangenis van Ieper zaten we met z’n drieën, Danby, ikzelf en de veroordeelde. Ik had een halve fles whisky en twee laudanumtabletten die ik hem mocht geven. Hij had thee en witbrood geweigerd (witbrood, terwijl de jongens in de eerste lijn op harde beschuit verder moesten). Ik wilde wel dat hij alle whisky zou krijgen want hij had wel in de gaten dat er iets op til was, maar wij mochten hem niets vertellen. Tegen middernacht besefte hij wat komen ging toen er een groep stafofficieren kwam aanzetten. We stonden alle drie in de houding en de hoogste officier las de doodstraf voor, ondertekend door de koning. Toen de cohorte vertrok lieten ze ons achter met een ingestorte soldaat.

De volgende paar uren waren een hel. Een anglicaans aalmoezenier kwam ons vertellen dat we buiten de cel moesten wachten omdat hij met de man wilde spreken. Ik stond bij de deur en hoorde door de tralies hoe de priester zei dat hij verdiende te sterven voor zijn zonden. Ik kon die praatjes niet aanhoren en stormde naar binnen en vertelde die sterrendrager dat ik de opdracht had gekregen om de soldaat te helpen om zijn Schepper te ontmoeten. De officier zei dat hij me zou rapporteren - wat hij nooit deed - en ik ben blij dat ik hem nooit meer ben tegengekomen. Er volgde een rustiger moment waarin ik probeerde tot hem door te dringen, om te peilen naar zijn nood op Redding voor zijn Ziel. Hij was evenwel echt door het lint. In de volgende oorlog had hij vast medische verzorging gekregen.

Wij knielden neer om samen het Onze Vader te bidden. Hoewel hortend, herhaalde hij de woorden, ik ben zeker dat God ze hoorde en aanvaardde. De gespannen situatie stopte abrupt toen twee leden van de militaire politie binnenkwamen. Ik gaf hem een hand voor zij zijn handen vastbonden achter zijn rug. Een oud gasmasker werd over zijn hoofd getrokken, gekeerd zodat hij niet door het oogstuk kon kijken, en een stukje papier werd over de hartstreek gepind voor hij werd buiten geleid voor het vuurpeloton op maar 15 yards van hem.”[8]

„Het was iets vreselijk, weet je, om een mens te helpen bij zijn vertrek naar de eeuwigheid, of dat vertrek nu wet was of niet. Ze brachten hem net om de hoek van de cel tegen een muur, en daar stonden tien mannen van mijn peloton. Ik kende hen allen persoonlijk. Vijf knielden neer, vijf stonden recht en zodra hij voor hen stond… nee, eerst bonden ze hem nog vast op een stoel, zo was het, met zijn handen achter zijn rug op een stoel. En daar zat hij, tot een van onze officier het bevel gaf om te vuren, en dat was het.

Wat het voor Danby en mij nog erger maakte was dat, toen wij naar buiten gingen om de brancar-diers te zoeken die verondersteld werden hem in het gat, dat al eerder op de begraafplaats was gegraven te gooien, dat weigerden om te doen. Ze gingen weg, en daarmee was het aan Danby en mezelf om hem van de stretcher af te halen waarop men hem had gelegd nadat ze hem hadden losgemaakt. We tilden hem op en schoven hem in de kuil. Gooiden hem erin. Het was december en de grond hard bevroren, vol ijs, … ik kon alleen maar harde klompen klei vinden om op hem te werpen, om hem te bedekken. Ik deed de pastoor na, en zei „dust to dust, ashes to ashes” . Maar waar wás nu die priester? Het was een heel droevige bedoening. En dan die tien mannen. Geen van hen wist of hij hem had gedood. Ze hadden hun geweren pas gekregen toen ze al klaarstonden. Vijf ervan waren met scherp geladen en vijf met een blank. Zo kon dus niemand schuldgevoelens hebben want, om het even wie van hen, had de veroordeelde kunnen doden. Dat was dat. Het was het ergste dat mij ooit overkomen is… Sindsdien, telkens wanneer ik naar Schotland met vakantie ga, en we komen in Glasgow waar er een meubelbedrijf is met dezelfde naam, zie ik het weer allemaal voor mij.”[9]

Dit getuigenis werd 65 jaar na de gebeurtenissen afgelegd. Het zou als zodanig beïnvloed kunnen zijn door een lange levenservaring die milder stemt of door de zo vaak aangehaalde verandering van de ‘zeden en normen van de tijd’. Cavinder’s beschrijving van zijn houding toen verschilt echter in niets van die van anderen die onmiddellijk na dergelijke gebeurtenissen getuigden.

„….In den nuchtend wordt hier aan den muur van ‘t klooster een engelsch soldaat gefusilleerd die weigerde naar de tranchées te gaan. Het zijn de eigene maten die daartoe aangesteld worden. Vele soldaten hebben reeds verklaard hoe pijnlijk hen dat valt. Er zijn er die krijschen van spijt….”[10]

Zo becommentarieert Achiel van Walleghem, onderpastoor van Dikkebus bij Ieper, in zijn dagboek de executie van Pte. William Smith, 3rd/5th Lancashire Fusiliers, die op 14 november 1917 om 6.30 u. in de weide achter het klooster van Reningelst werd geëxecuteerd. Ook André Verdonck, een 14-jarige boeren-zoon die aan de overkant van het weiland woonde, zag het macabere schouwspel en getuigde in een gesprek, zeventig jaar later, hoe hij dacht dat er na de executie nog vele zouden volgen, want: „….in de weide stonden nog verschillende gestraften, gebonden aan grote karrenwielen….”[11]

Het bleef bij die ene executie, maar dat er meer gestraften waren is vrijwel zeker. William Smith was een van drie Lancashire Fusiliers die in de nacht van 8 op 9 oktober 1917 aanwijsbaar waren achtergebleven en daarom werden gearresteerd. Smith werd als enige voor de krijgsraad gebracht om als voorbeeld gesteld te worden. De anderen kregen allicht een lichtere straf die, zonder tussenkomst van de krijgsraad, door de bevelhebber van het bataljon zelf kon worden opgelegd. Zeer gangbaar was een aantal dagen (28 dagen tot soms zelfs 96 dagen) Field Punishment No.1. De beschrijving van André Verdonck wijst duidelijk op deze straf die ook wel ‘crucifixion’ werd genoemd, omdat de gestrafte zijn straf letterlijk moest uitstaan, rechtop met de armen gespreid of naast zich vastgebonden. Het militaire handboek voorzag in het maken van een, om het even welke, omheining om de gestrafte aan vast te binden. Aan het westelijke front werden meestal de grote wielen van de G.S.wagons gebruikt.

De executie van William Smith moet gezien worden in het licht van de zwakke prestatie van zijn eenheid aan het front. Het 3rd/5th Lancashire Fusiliers, een reserve-onderdeel uit het territoriale leger swamengesteld, maakte deel uit van de 197ste Infanteriebrigade in de 66ste Divisie. Voor de aanval op 09 oktober 1917 was deze divisie toegevoegd aan het Tweede Anzac Corps dat, na weken van aanvallen aan vervanging en versterking toe was. De 66ste Divisie echter was onervaren en helemaal niet opgewassen tegen haar taak. Slechts een kwart van de divisie-artillerie slaagde erin op tijd haar posities in te nemen voor de noodzakelijke artilleriebarrages, en met de infanterie was het nauwelijks beter. Door de zeer slechte weers-omstandigheden en het volledig kapotgeschoten terrein had de tocht van 3 km, van Frezenberg Ridge naar de aanvalslijn, enkele honderden meters ten zuiden van wat nu het Tyne Cot Cemetery in Passendaele is, niet één tot twee uur geduurd, maar bijna twaalf uur. Daardoor kwam de 197ste Brigade pas twintig minuten na de start van de aanval aan op haar positie. Door zwakke Duitse weerstand kon nog het beste van de aanval worden gemaakt, tot een tegenaanval de opmars voorgoed stopte. Het eerste van drie doelwitten die voor de aanval waren uitgestippeld werd bereikt, maar nadien zo zwak bezet dat de hele aanval zo goed als een maat voor niets werd. De volgende aanval, op 12 oktober, werd gestart op vrijwel dezelfde lijn als op 9 oktober en er werd geen beroep meer gedaan op de 66ste Divisie.

Streng zijn voor de manschappen, middels allerhande straffen en met een executie als ultieme afschrikking, waren een niet ongewone reactie van bevelhebbers in een dergelijke crisis.

In dit bestek kunnen we niet ingaan op de omstandigheden waaronder beslist werd om een of meerdere executies te laten plaatsvinden.[12] Ik wijdde hier alleen uit om aan te tonen hoe ook een detail in een getuigenis van een kind, kan worden bevestigd (althans niet tegengesproken) door het veel ruimere perspectief en de context.

Getuigen van executies zijn precies en gedetailleerd. Toen ik kort na publicatie Putkowski & Sykes’ Shot at Dawn las was ik verbaasd niets terug te vinden over een executieplaats ten westen van Dikkebus. Nochtans had ik bij priester Van Walleghem gelezen:

„….Op het hof van Marcel Coene liggen reeds 3 gefusilleerden. Ik heb hunne graven gezien en nievers vond ik graven die zoo wel onderhouden waren als deze. Marcel Coene vertelt mij dat de soldaten vele die graven bezoeken….”[13]

Toen ik Julian Putkowski hierop wees - het begin van een nog altijd vruchtbare samenwerking en inmiddels hechte vriendschap - gaf hij snel toe dat de, sinds het verschijnen van zijn boek vrijgegeven dossiers van ter dood veroordeelden, de priester gelijk bleken te geven. De processtukken van in 1915 ge-houden ‘krijgsraden’, kwamen vrij in 1990, na 75 jaar geheimhouding. Een aantal van de krijgsraden uit de periode na de Tweede Slag bij Ieper (22 april - 24 mei 1915) vonden plaats in Dickebusch Huts, ofwel het kamp bij Marcel Coene, zoals Van Walleghem het noemde….

Hierdoor gesteund zocht ik naar mogelijke eerste begraafplaatsen van slachtoffers. In geval van opgravingen van lichamen na de oorlog en overbrenging naar een concentratiebegraafplaats, houdt de Commonwealth War Graves Commission in veel gevallen de coördinaten van het oorspronkelijke graf bij. Zo ontdekten we niet minder dan acht graven van gefusilleerden aan de rand van het bos waarin Dickebusch Huts gevestigd was. Nog een negende geval werd gevonden op 200 meter daarvandaan, langs een pad dat liep van Dickebusch Huts naar Walker Camp, een ander rustkamp. Het lijkt waarschijnlijk dat deze gefusil-leerde begraven werd op de plek waar hij werd geëxecuteerd.

Achiel van Walleghem vergiste zich allicht met enkele dagen voor wat betreft de datum van zijn notitie. Dat mag ons niet verwonderen want, hoe accuraat de priester meestal ook was, het manuscript dat bewaard bleef van dit sublieme getuigenis is een door de priester zelf geredigeerde, overgeschreven versie van net na de oorlog. Daarbij kan af en toe iets zijn misgegaan. Zijn notitie van 24 juli 1915 is niettemin zeer waardevol gebleken omdat we zo de lokatie van de graven ontdekten.

Eén van de graven bij Dickebusch Huts was dat van Pte. Evan Fraser van het 2e Bataljon Royal Scots. In 1997 getuigde de zoon van een veteraan van dat bataljon voor de camera’s van BBC Scotland’s Frontline Scotland,[14] dat zijn vader in augustus 1915 deelnam aan een erewacht die werd betrokken bij Fraser’s graf uit protest tegen diens executie. De zaak was inderdaad behoorlijk dubieus, en van Van Walleghems opmerking dat dit het mooiste graf was dat hij tijdens de oorlog zag, wijzen in dezelfde richting van onuitgesproken protest bij de makkers van het slachtoffer.

Nog een ander getuigenis geeft ons een aanwijzing van hoe een eenheid kon reageren op een betwistbaar vonnis. In het gehucht Busseboom(?) bij Reningelst, werd op 4 november 1916 Pte. Robert Loveless Barker, ⅙th London Regiment, geëxecuteerd. Barker werd beschuldigd van lafheid tijdens de aanval van de 47ste Divisie op Cough Drop (tussen High Wood en Le Sars) in de Somme op 18 september 1916. Op 28 september werd de Londenaar ter dood veroordeeld wegens lafheid, al is dat een wel er milde vertaling van de geijkte formule „…misbehaving before the enemy in such a way as to show cowardice…”[15].

Dit proces liep ongewoon lang uit voor de toen gangbare praktijk. Dat kwam voornamelijk door de knappe verdediging, gevoerd door de - in niet zoveel processen aantredende - ” prisoner’s friend” welke alle aanklachten tegen Barker tot ‘te verwaarlozen’ wist te herleiden. Helaas mocht dat, uiteindelijk, toch niet baten. Onmiddellijk na het proces lieten zowel de brigade-generaal als de divisiegeneraal weten dat zij geen uitvoering van het doodvonnis wensten omdat: „….een voorbeeld stellen niet nodig is in dit bataljon dat blijk geeft van een goede vechtlust en een goede discipline….”[16]

Bij het Derde Legerkorps waarvan de 47ste Divisie op dat ogenblik deel uitmaakte, werd dit niet gepikt door de Deputy Assistant Adjudant & Quarter Master General, het hoofd van, o.a., disciplinaire zaken. De stukken werden teruggestuurd with regard to reconsideration. De divisie-generaal meende de hint te begrijpen en bekrachtigde het vonnis alsnog op 1 oktober en twee dagen later volgde, met grote tegenzin zijn brigade-generaal. Op 8 oktober mengde luitenant-generaal Pulteney zich in het debat. Hij was GOC van het Derde Legerkorps en stelde: „….gezien ‘s mans mentale toestand en de hoge gevechtskwaliteiten van het 6th London Regiment, meen ik dat geen voorbeeld moet worden gesteld….”[17] Een dag later werd zijn aanbeveling van tafel geveegd door generaal Rawlinson, bevelhebber van het Britse Vierde Leger en op 12 oktober plaatste de opperbevelhebber de definitieve handtekening ter confirmatie van Rawlinsons aanbeveling tot executie.

Hierna werd de ‘hiërarchische’ slag kennelijk nog mondeling voortgezet want het duurde nog drie weken (tot 3 november) voor de straf uiteindelijk werd bekendgemaakt en uitgevoerd.

Op dat ogenblik had de divisie de Somme al verlaten. Op 16 oktober 1916 was ze aangekomen in het achterland van het front bij Ieper. Het hoofdkwartier voor de brigade in rust was een hoeve bij Busseboom. Daar werd Pte. Barker op 4 november, alsnog, geëxecuteerd.

Nadat ik hierover een stukje schreef in een krant[18] ontving ik een brief van Dhr. Merlevede uit Ieper met het getuigenis van Cyriel Vion, een landarbeider die na de oorlog op de hoeve Merlevede werkte:

„….Cyriel Vion vertelde van een executie nabij de hofstede Deweerdt aan de Busseboom, waarbij hij toevallig aanwezig was omdat hij er werkte voor het Engels leger. Hij vertelde dat de twaalf mannen van het vuurpeloton niet op de man geschoten hebben, zodat de veroordeelde door de bevelvoerende officier, of door de militaire politie diende te worden afgemaakt. Van één zaak was hij zeker omdat militairen het hem zelf vertelden: de twaalf mannen zèlf werden voor een krijgsraad gebracht….”[19]

De hoeve in kwestie is, bijna zeker, die waar Robert Barker werd geëxecuteerd en, indien er ooit reden was tot weerspannigheid bij makkers van een veroordeelde was dat zeker in dit geval. Het vuurpeloton was samengesteld uit makkers die toch al nooit veel voelden voor een executie, en zeker niet voor een die door velen geïnterpreteerd werd als: ‘een onverdiende smet op het blazoen van het bataljon’. Bewijzen voor het voorval konden we niet terugvinden, omdat de stukken van krijgsraden waarin geen doodvonnis werd uitgesproken niet werden bewaard, maar plaats en omstandigheden liggen helemaal in de lijn van het getuigenis.

 

GESCHOKTE GETUIGEN

Leiden niet slechts details uit getuigenissen al af en toe tot nieuwe sporen in het onderzoek, dan heeft in ieder geval de toon van alle getuigen die ik mocht ontmoeten, mij er van overtuigd dat de ‘mores’ in tachtig jaar niet veranderd zijn. Zelf ontmoette ik niemand die er geen blijk van gaf geschokt te zijn door de gebeurtenissen waarvan hij of zij getuige was. Het leven in de frontstreek in Vlaanderen is, zonder meer, al sterk bepaald door het geheel aan gebeurtenissen in de eerste Wereldoorlog. De meest dramatische getuig-nissen echter, hebben vaak te maken met executies. In de ruim 20 jaar die ik bewust bezig ben met de geschiedenis van de eerste Wereldoorlog - maar ook reeds als kind, toen ik gewoon en toevallig botste op de oorlogserfenis - kwam ik vaak onder de indruk én werd ik geraakt door emotionele getuigenissen die, minstens impliciet, de zinloze verspilling van mensenlevens veroordeelden. Nooit vroeg ik ernaar en, uit respect voor mijn oude gesprekspartners registreerde ik ook nooit hun getuigenissen maar, telkens weer viel, naast de emotionele schok die het gebeuren had veroorzaakt, de sterke morele veroordeling op. Oude mannen van een dorp, ik zie ze nog voor mij. Ik schrijf hier hun namen piëteitsvol neer omdat ik dat ooit toch eens zo goed mogelijk zal moeten doen, wanneer ook ík het niet meer zal kunnen doorvertellen.

Julien Carton, Miel Louchaert, André Verdonck, Valère Debruyne, allen waren toen jongens, vertelden me hoe zij, i.p.v. op de schoolbanken te zitten, executies zagen. Wat begon als wat snoeverige praatjes van aardige jongens - ‘dat waren nog eens tijden’ - werden echter heel snel ontluisterende verhalen van menselijke domheid en van hun eenvoudige maar pijnlijk juiste onbegrip daarover. Martha Rosselle die voor de camera’s van de BRT in de vroege jaren 1980 getuigde over hoe zij een officier een veroordeelde zag afmaken met een revolverschot in de nek kon, toen ik haar tien jaar later wilde opzoeken, alleen nog maar wenen als zij aan het gebeuren terugdacht. En Firmin Six die pas anderhalf jaar na de gebeurtenissen werd geboren, vertelde met diep respect erover hoe, in zijn jeugd, zijn beide ouders om de zoveel tijd weer het verhaal vertelden van ‘….hoe twee soldaten, een oudere en een jongere, in februari 1915 gefusilleerd werden net achter hun boerderij in Loker. Van hoe de oudere meteen dood was, maar hoe de leden van het vuurpeloton over het hoofd van de jongere hadden geschoten, en een tweede salvo nodig was geweest….’ Een Britse ooggetuige zei dat het niet willen raken vooraf was afgesproken.[20]

RATIONALITEIT & VOORBEELD

Zijn er dan geen voorbeelden van getuigen die voorstander van de executies waren? Ongetwijfeld. Doch ze zijn een minderheid en lijken vaak geleid door klassenbewustzijn, superioriteitsgevoel of racistisch vooroordeel.

De journalist Philip Gibbs noteerde eens[21] hoe hij een officier opwachtte die aanwezig was geweest bij een krijgsraad. Toen deze kwam aangelopen zei hij, met rood aangelopen gezicht: ‘….Het spijt me dat ik je liet wachten. Maar morgen zal er weer een zwijn minder zijn in deze wereld….’ - ‘Een doodstraf?’

Hij knikte. ‘….Een verdomde lafaard. Hij zei dat hij niets gaf om geweervuur, maar niet tegen het lawaai van de granaten kon. Hij gaf toe dat hij zijn post verlaten had. Geweervuur kan hem niets schelen… Wel dan, morgenochtend…’ „[22]

In sommige commentaren van de hogere officieren die de vonnissen confirmeerden, werd even grove taal gebruikt. Veroordeelden werden ‘minderwaardig’ genoemd, en ‘gedegenereerd’, ‘nietsnutten’, ‘rotte appels’, ‘waardeloos’. Hen uit de weg ruimen was ‘een zegen, voor de discipline in de eenheid, maar ook voor de kwaliteit van het leger’. Executeren wordt in dergelijk perspectief als het ware een daad van rasver-betering.[23]

Wie denkt dat dit een subjectieve indruk is, kan objectief de koppen tellen[24]. Wie ter dood veroor-deeld werd in het Britse leger had één kans op negen dat die straf ook tot bij de opperbevelhebber geconfir-meerd werd en derhalve ten uitvoer gebracht. De hele oorlog lang werd een ongeveer zelfde ratio aange-houden: nagenoeg constant in de tijd werden ca. 11,5 % van de uitgesproken doodstraffen geconfirmeerd en uitgevoerd. Het lijkt sterk op een managementbeslissing, een handige ratio om de zaak onder controle te houden. De doodstraf als voorbeeld, ‘pour encourager les autres’ zoals in het napoleontische leger al werd gesteld. Dat dit ver verwijderd is van elke rechtsgrond, waarbij een straf in relatie hoort te staan tot het misdrijf en de individuele omstandigheden en niet tot een of ander rationeel managen van de discipline in een leger, hoeft geen betoog.

 

RATIONALITEIT & RACISME

Maar dat dit alles alleen met rationeel management te maken had, is allerminst waar. Van de ‘gouden ratio’ klopt niets meer als we uit de totale populatie de kleurlingen en niet-Europese troepen afzonderen.

23 zwarten werden ter dood veroordeeld: 8 Jamaicanen (British-West-Indies-Regiment), 12 West-Afrikanen (Gold Coast, West African, Nigerian Regiments) en 3 zwarte Zuid-Afrikanen (Cape Coloured labour Regiment). Twaalf of bijna de helft van hen werden geëxecuteerd. Trekken we van dat totaal de moordzaken af, die in het Burgerlijk Recht wellicht ook op een doodstraf waren uitgelopen, dan resten zeven gevallen, of nog ruim 30%. Muiterij werd bij troepen onder de wapenen die, m.u.v. kroonkolonie India, alle van Europese afkomst waren, maar twee keer met een executie bestraft. Eénmaal na een opstand van gevangen Britse militairen te Blargies met een dubbele executie op 29 oktober 1916, en éénmaal voor de opstand in Étaples bij de infame Bull Ring, het grote trainingskamp, in de herfst van 1917. Hierbij werd één oproerkraaier geëxecuteerd. Bij eenheden van niet-vechtende arbeidskrachten van niet-Britse origine werden zonder veel omhaal nog eens twaalf muiters doodgeschoten (Egyptian labour Corps, Slavo-British Penal Battalion). In het Indische leger, zowel aan het westelijke front, als in Mesopotamië en India, was de discipline veel strenger dan bij troepen van Europese afkomst. Hoeveel Indische sepoy er stierven door een vuurpeloton is niet bekend omdat het Indische leger hiervan geen archieven bijhield. Wat muiterij betreft weten we wel dat een opstand van de 5th Light Infantry van het Indische leger in Singapore in februari 1915 resulteerde in enkele van de grootste massa-executies van de oorlog[25]. In 1920 muitte ook het 1ste Bataljon van de Connaught Rangers, een Iers regiment, toegevoegd aan het Indische leger. Eén van de muiters werd als voorbeeld gesteld.

Dat dit een Ier was lijkt geen toeval.

 

RATIONALITEIT & VOOROORDEEL

Men kan stellen dat onder de Britse en Commonwealth troepen gemiddeld één doodstraf per 2300 militairen (en gemilitariseerde arbeidskrachten) werd uitgesproken. In het contingent van de ongeveer 185.000[26] Ieren die deelnamen aan de Grote Oorlog loopt de verhouding echter op tot één op 837. Dat is bijna drie maal zoveel! Al wijkt de relatie tussen aantal executies (25)[27] en aantal doodstraffen (221)[28] niet af van de gemiddelde ratio, het aantal geëxecuteerde Ierse militairen, afgezet tegen het totaal in die oorlog dienende Ieren doet dat zeker wel! Het gaat hierbij niet om de wet van kleine aantallen. Dat zou bijvoor-beeld wel het geval kunnen zijn voor de executies van militairen in de Nieuw-Zeelandse divisie. Vijf executies op 23 doodstraffen is duidelijk boven de ratio van één op negen, maar één executie meer of minder maakt op zo’n klein aantal procentueel natuurlijk al een enorm verschil. 23 doodstraffen op 112.000 Nieuw-Zeelandse militairen komt anderzijds overeen met één doodstraf op 4860, of minder dan de helft van het algemeen gemiddelde.

Bij de Ieren is dat dus duidelijk anders. 25 executies zijn er precies evenveel als in het Canadese leger dat ook nagenoeg evenveel (222) ter dood veroordelingen moest incasseren. In de Canadian Expeditionary Force dienden echter 464.391 militairen, ofwel 2.5 keer zoveel.

We kunnen hieraan nog toevoegen dat één van de Canadese geëxecuteerden eigenlijk Iers was. James H. Wilson nam vrijwillig dienst op 22 september 1914 in het 4e Canadese Infanterie bataljon van Central Ontario, maar was afkomstig uit Galway, Ierland. Als Ier stond Wilson vrij geïsoleerd in dit Canadese bataljon. Dat men bij het kiezen van een ‘voorbeeldexecutie’ in de eerste plaats naar een ‘eenling’ zocht, is/was ‘Common procedure’.

Bij deze Ierse telling werd geen rekening gehouden met de 88 doodstraffen (waarvan er 14 werden uitgevoerd), uitgesproken door Britse krijgsraden n.a.v. de Paasopstand. De opstand in Dublin liet trouwens geen significante stijging zien in het aantal doodstraffen uitgesproken tegen leden van Ierse eenheden aan het front.

Het hele Ierse voorbeeld blijkt kortom niets met rationaliteit of politiek te maken te hebben. Blijft als verklaring nog enkel het Britse vooroordeel tegen alles wat Iers was, en dat al van in de 18e en 19e eeuw onderdeel was van de publieke opinie. Dr. Gerard Oram stelt onomwonden:

„….Dit alles moet begrepen worden als een symptoom van het veeleer twijfelachtige oordeel over de Ieren als een volk. De Britten hadden bepaalde eigenschappen toegeschreven aan de Ieren. Eén ervan was dat ze streng, indien al niet hardvochtig dienden behandeld te worden. (…) De Britten vonden de Ieren al vóór 1914 onbetrouwbaar; een visie die in de oorlog overeind bleef en vertaald werd in het aantal executies. (…) Er bestond een algemene antipathie tegen Ieren (…) de Paasopstand bevestigde die Britse vooroordelen alleen maar….”[29]


RATIONALITEIT & LE 22ième RÉGIMENT

Men moet welhaast aannemen dat een dergelijk cultureel vooroordeel ook in The Canadian Expeditionary Force gold tegenover hun ‘eigen Ieren nl. bij de Franssprekende troepen uit de provincie Quebec. Het volkomen Franstalige 22ième Canadese infanteriebataljon (half spottend, half onkundig ‘les vingdouses’ genoemd door Engelssprekende troepen), dat zijn manschappen rekruteerde in de streek van Montreal, stapelde de doodvonnissen en executies op. In totaal werden 35 doodvonnissen uitgesproken tegen Franssprekende Canadese militairen. Dat is 15.7 % tegenover maar 7% Franssprekenden in het hele C.E.F. Zes vonnissen werden voltrokken (17%), waarvan vijf in het 22ième Régiment en één in het, volledig Engelstalige 3e bataljon uit Centraal Ontario. Daar werd kennelijk opnieuw de eenling, de Quebecois Côme La Liberté (nomen non est omen), geviseerd. In totaal werden er 35 doodvonnissen uitgesproken tegen Franssprekende Canadese militairen.

 

RATIONALITEIT & ONBEGRIP

Indien het niet de eenling was of de, wegens racisme en vooroordeel verguisde, dan was het wel de zwakke of de zieke. Uit The Times, van 19 december 1917:

Gevraagd door Mr. Chancellor (Haggerston, M.P.) of soldaten die aan shell shock leden niet, zonder voorafgaand medisch onderzoek, werden geëxecuteerd als lafaards, zei Mr. Macpherson: „….Mij is nog nooit een dergelijk geval ter ore gekomen, en ik daag het achtbare lid van dit parlement uit om mij één geval te tonen waarin een soldaat werd geëxecuteerd zonder eerst onderzocht te zijn geworden door een arts vooraleer hij berecht of doodgeschoten werd…’ (hear, hear!)”

Omdat de „achtbare leden” van het Britse Lagerhuis over minder informatie beschikten dan ik nu, veroorloof ik mij een paar gevallen aan te halen tegenover de achtbare vertegenwoordiger van Zijner Majesteits ministerie van oorlog.

In amper 25 gevallen van de 322 executies die werden uitgevoerd op het Westelijk front werd een medisch onderzoek ingesteld of werd er, tijdens het proces, enig bewijs van medische aard naarvoren gebracht. Noch-tans werd door de beklaagden in niet minder dan tachtig (¼) gevallen een psychisch argument aangehaald: „…ik voelde me niet goed…”, „…ik weet niet meer wat ik deed…”, „…ik ben sinds korte tijd zeer nerveus….” etc. In de ca. 100 gevallen van de Ieper Salient heb ik bij zestien een ernstig vermoeden van shock of psychische stoornissen. Slechts vier kregen een medical. Maar misschien kan ik de dokter beter zelf aan het woord laten.

 

RATIONALITEIT & CONFORMISME

Het voltallige Canadese Legerkorps verbleef in de eerste helft van het jaar 1916 in Vlaanderen, in het achterland van het front bij Ieper. De drie divisies hadden hun rustkampen ten zuiden en ten westen van Poperinge, in Reningelst, Abele en Boeschepe. In de meisjesschool van dat laatste Frans-Vlaamse plaatsje was de arts Frederick Walter Noyes verantwoordelijk voor een klein hospitaal ‘for self inflicted”. Mannen die zichzelf verwond hadden om aan de verschrikkingen van het front te ontsnappen. In een orderly room er tegenover werden na de Slag van Mount Sorrel (2 - 16 juni) hadden ‘krijgsraden te velde’ hun zittingen. De Ier James Wilson en de Quebecois Côme La Liberté werden er gevonnist.

„….Tegenover het schoolgebouw lag een barak waar krijgsraden werden gehouden en we denken met spijt terug aan een aantal scènes die ons ziek maakten van afschuw en met horror vervulden. Het leek ons dat veel van de arme drommels die daar voor hun militaire rechters verschenen weinig meevoelend werden verhoord door de officieren die aangewezen waren om hen te berechten. Wij vroegen ons af of er ooit over nagedacht werd dat een gevangene een vrijwillig soldaat was, die zich in veel gevechten moedig had gedra-gen tot hij niet langer controle had over zijn fysische en psychische reacties. En dat hij nu nog slechts een fysisch en mentaal wrak was na vele maanden van uitputtende loopgravenoorlog. We vroegen ons af (en doen het nog steeds!) wat sommige van die weldoorvoede, comfortabel gelegerde en almachtige gerech-telijke officieren zouden hebben gedaan, indien zij dezelfde tragische gebeurtenissen hadden moeten doorstaan als hun gevangenen. Verplicht waren geweest hetzelfde te eten, dezelfde zware opdracht hadden gekregen om loopgraven of onderaardse schuilplaatsen te graven, of dezelfde zware lasten tijdens lange marsen hadden moeten torsen op weg naar het front. Afhankelijk waren geweest van dezelfde portie rum, af en toe, in plaats van de altijd aanwezige fles Scotch binnen handbereik uit de ‘Voorraad voor Officieren’, en in het algemeen al de onnoembare, afstompende feiten hadden moeten ondergaan die alleen voor de ‘gewone soldaat’ waren voorbestemd.

Al te vaak werden wij dokters, geroepen om een post mortem op te stellen van een of andere jongen die wegens desertie was doodgeschoten. De zoon van een moeder, een jongeman die zich gemeld had om te vechten voor het ideaal van alles wat goed en nobel en rechtvaardig was, en dat dan ook had gedaan tot zijn geest en lichaam het hadden laten afweten. Er was toch vast wel een andere manier te bedenken dan hem, in koelen bloede, te laten doodschieten door zijn eigen makkers. ‘Gefusilleerd wegens desertie’ was het oordeel waarmee het hof zo’n zaak afsloot, maar wij vragen ons af of de correcte formulering niet beter geweest ware:’Vermoord, door het Pruisendom in ons eigen leger….’!

We denken dan in het bijzonder terug aan een jonge infanterist, nog geen twintig, die voor desertie werd doodgeschoten. Een jongen van het veldhospitaal die stond te wachten om het lichaam van een geëxecuteerde weg te brengen, werd misselijk en probeerde om niet bij de eigenlijke executie te moeten blijven. De officier van het vuurpeloton dwong hem, onder de bedreiging van een strenge straf, om toch te blijven kijken naar de vreselijke dood van het arme slachtoffer. De aalmoezenier die bij de veroordeelde gebleven was in zijn laatste uren, was vele uren later nog altijd buiten zichzelf. Een broer van de geëxecu-teerde diende in dezelfde eenheid. Zijn reactie op het proces en executie moet verschrikkelijk zijn geweest.

Men zou kunnen aanvoeren dat deze officieren/rechters zelf het slachtoffer waren van de militaire machine. Dat waren ze in grote mate ook - maar hun rang impliceerde toch ook een zekere dosis bereidheid om op te treden als officier in een gerechtszaak en om zich te schikken in de verdicten van deze krijgs-raden.”[30]

Dit, wat pompeus gestelde maar keiharde oordeel van een medeofficier legt bij uitstek de kritiekloze inschikkelijkheid bloot van het conformisme aan het systeem, van het overgrote deel van de officieren bloot. Dat jonge officieren moesten bewijzen dat ze een krijgsraad aankonden blijkt uit verschillende getuigenissen[31]. Het was een teken van klaar zijn voor hogere opdrachten, voor promotie. En daarom bevestigden de laagste officieren, die na de verhoren altijd het eerst aan het woord waren bij de beraadslaging over schuldvraag en strafmaat, ook meestal het veronderstelde oordeel. Als dat eenmaal gebeurd was, diende de voorzitter van het hof, meestal een majoor of kolonel, het vonnis nog slechts te confirmeren. Tot alle vonnissen diende men dan ook in unanimiteit te komen. In een bijzonder groot aantal zaken werd niet eens een officier gevonden die wilde optreden als prisoner’s friend. Tot 1918 zijn de gevallen waarin zo’n advocaat van de verdediging ook voluit opkwam voor zijn ‘cliënt’ te tellen op de vingers van één hand.

Maar intussen zal het niemand van de weldoorvoede bevelvoerders, zeer vaak toch intellectuelen van de bekendste universiteiten of public schools van het Imperium, ontgaan zijn dat dit ultieme ritueel van de discipline niet hielp, nog voor geen stuiver.

Naarmate de oorlog langer duurde namen de aantallen deserties en ter dood veroordelingen en executies in het Britse leger alleen maar toe. In 1914 werden 85 Britse militairen ter dood veroordeeld, in 1915 waren er dat al 591, in 1916, toen het leger eindelijk op zijn volle sterkte was, 856, het jaar 1917 spande de kroon met 928 ter dood veroordelingen. De aantallen ter dood veroordelingen stegen dramatisch telkens weer als er aan het front belangrijke gevechten plaatshadden. De absolute cijfers moeten wel gerelativeerd worden door de omvang van de gevechten. Voor het front bij Ieper dat ik zelf onderzocht, stonden tegenover de 30.000 mannen die aan de eerste Slag bij Ieper deelnamen, 2 executies; tegenover de 120.000 die de Tweede Slag en haar nasleep bevochten stonden 11 executies; in de Derde Slag bij Ieper zouden zowat 450.000 Britse troepen worden ingezet tussen 7 juni (Mesen) en 10 november (Passchen-daele). 40 executies houden onmiddellijk verband met eenheden en gebeurtenissen tussen beide tijdstippen. Alles samen levert dat resp. 1/15.000, 1/10900 en 1/11250 executies per aantal ingezette mannen op.

 

EINDELIJK RATIONALITEIT?

Een ander bewijs dat het systeem faalde was het feit dat steeds meer recidivisten veroordeeld werden. Uiteraard kon dit aantal ook toenemen naarmate de oorlog duurde. Maar het wijst nog maar eens op het falen van de afschrikking, het belangrijkste argument van de verdedigers van de uitvoering van doodstraf.

In 1918 zien we eindelijk een kentering komen zowel in de absolute en alsook in de relatieve aantallen. In 1918 (het hele jaar genomen) werden nog (maar ?) 515 mannen ter dood veroordeeld, terwijl de getalsterkte van het leger maar weinig afnam. De gevechten van het Duitse lenteoffensief en het geallieerde eindoffensief waren bovendien niet minder hevig dan die van de voorgaande jaren. Een kentering in het aantal zaken met doodvonnis kwam niet zozeer met de Wapenstilstand, waarna de lopende zaken werden afgehandeld, business as usual. Die kentering kwam er wel met het debat over het militaire budget voor 1918 in het Britse Lagerhuis in maart 1918.

In bitse discussies werd de praktijk van de executies zwaar op de korrel werd genomen, en ook werd vooral schande gesproken van het berechten van mensen die tenonder waren gegaan aan, wat we nu herkennen als, ‘traumatisch stresssyndroom’[32] . Door de legerleiding werd, met duidelijke tegenzin, een hervorming aanvaard en ook meteen doorgevoerd. Elke krijgsraad was voortaan verplicht een prisoner’s friend aan te wijzen. Hoewel dit nog niet direct overal werd doorgevoerd geschiedde dit toch wel zeer duidelijk in meer gevallen dan voordien.

V.w.b. het Westelijk front vergeleken wij alle processen die uiteindelijk resulteerden in executie onderling met elkaar. M.u.v. die welke moordzaken betroffen, want bij deze was altijd een advocaat voor de verdediging aanwezig omdat het hier uiteindelijk ging om de procedure van ‘een proces van gemeen recht’. Uit ons onderzoek bleek dat, tussen augustus 1914 tot maart 1918 er slechts 20 prisoner’s friends optraden in totaal 256 processen. Na het debat van maart 1918 werden dat er, op een totaal van 32 processen met een terdoodveroordeling, ineens 22. In de laatste zeven maanden van de oorlog zakte het aantal ter- dood veroordelingen met niet minder dan 36% t.o.v. de twaalf maanden daarvoor.

De discipline in het Britse leger bleef hard en vooral het oordeel van een aantal hoge officieren ongemeen hardvochtig. Het leek evenwel alsof de Britse natie eindelijk tot het inzicht was gekomen dat er inderdaad een andere manier gevonden moest worden om onvoldoend presterende soldaten te bestraffen. „….een andere manier dan iemand in koelen bloede te laten doodschieten door zijn eigen makkers….” zoals dokter Noyes het had uitgedrukt. Zijn trillende verontwaardiging was de ‘normale’ reactie van velen ja, zelfs van de meerderheid van de bevolking. Toen, zo goed als dat nu het geval zou zijn.

Voor de Britse samenleving van vandaag rest er nog één belangrijke vraag: Waarom moest het zo lang duren? Uit de mond van een niet-Brit klinkt dat pedant, ongewild superieur, maar als een kind dat opgroeide met de verhalen en de resttekens van ‘DEN’ oorlog - in een exclusief Britse sector - heb ik het recht ja, zelfs de plicht om die bedenking te maken.[33] Van de vijf aan de gevechten op het Westelijk front deelnemende landen waren de Britten veruit de laatsten, die op de gedachte kwamen dat er voor de doodstraf wellicht alternatieven waren.

Het immense, Duitse leger executeerde slechts 48 militairen tijdens de hele Eerste Wereldoorlog, bijna allen wegens landverraad. In het miljoenenleger van de Amerikanen hadden tien executies plaats. Reeds na tien maanden eerste Wereldoorlog begreep de Belgische legerleiding (daarin ongetwijfeld gesteund, zo niet aangespoord, door het Belgische vorstenpaar) dat een hervorming van het militaire strafrecht nodig was in een tijd van stellingenoorlog. Op de keper beschouwd stond je aan de IJzer immers altijd ‘in het aangezicht van de vijand’, wat je ook deed, waardoor je het strafwetboek bezwaarlijk letterlijk kon toepassen. Na deze hervormingen was het executeren voorbij, behalve in drie gevallen van gemeen recht.

Zelfs het zo vaak verguisde Franse leger dat met 550 executies het record houdt in deze barbaarse praktijk, leerde veel sneller bij dan de Britten. Zeer recent onderzoek[34] toont aan dat de Fransen, vooral in het eerste jaar van de oorlog, de doodstraf ook uítvoerden. In de eerste twaalf maanden werden 350 mensen gefusilleerd. In de drie daaropvolgende jaren waren dat er, met inbegrip van de moeilijke tijd van de groot-schalige muiterijen in 1917, nog ‘maar’ 200.

In de latere oorlogsjaren werd, zonder daarbij de wet formeel te wijzigen, in de praktijk van de zittende rechtbanken veel vaker wel dan niet beroep gedaan op een rechtmatige verdediging voor de beklaagden. Dientengevolge werden dan ook veel beschuldigingen afgewezen.

„We zouden het verleden moeten laten rusten,” schreef John Major aan M.P. Andrew MacKinlay tien jaar geleden.[35] Als we tot een echt en onthecht(boven de partijen staand?) begrijpen willen komen, moeten we precies het omgekeerde doen.

 

[1] Andrew MacKinlay, Labour, volksvertegenwoordiger voor Thurrock, diende op 11 juli 1995 het wetsvoorstel 161 (5⅓) in voor het postuum verlenen van gratie aan 306 geëxecuteerden veroordeeld onder de Britse rechtspraak. A Bill to Provide for the granting of pardons to soldiers of the British Empire Forces executed during the Great War of 1914 to 1919 following conviction for offences of cowardice, desertion or attempted desertion, disobedience, quitting post, violence, sleeping at post, throwing away arms or striking a superior offences; and for connected purpos

[2] The Shot At Dawn Campaign to secure Millenium Pardons for Soldiers executed in the First World War, voorgezeten door de dynamische zeventiger John Hipkin, in de Tweede Wereldoorlog de jongste (14!) krijgsgevangene van het Britse leger. Bezoek hun website www.shotatdawn.org.uk (per oktober 2016 website vervallen)

[3] Australië weigerde tijdens de Eerste Wereldoorlog alle 113 doodstraffen die Britse militaire rechtbanken tijdens de oorlog tegen militairen van het AIF uitspraken, te laten uitvoeren. 25 Canadezen en 5 Nieuw-Zeelanders werden wel geëxecuteerd. In 2000 verleende de Nieuw-Zeelandse regering een algemene postume gratie. Canada hield het in 2001 bij verontschuldigingen.

[4] John Major, Conservative, brief van 10 februari 1993 aan Andrew MacKinlay.

[5] Dr. John Reid, rapportering voor het Britse Lagerhuis, 24 juli 1998.

[6] Robin Cook, Labour, leader of the House of Commons, tijdens het parlementaire debat van 17 januari 2002.

[7] Mrs. A.E.Fairbairn, Ministry of Defence, brief in antwoord op vraag van Mrs. A.Armstrong uit Sunderland, 24 april 1997.

[8] Len Cavinder, neergeschreven getuigenis, gepubliceerd in Gunfire No.1 (York) [het magazine van de Northern Branch van de WFA], bezorgd door A.J.Peacock, 1984.

[9] Interview Len Cavinder met A.J.Peacock, gepubliceerd in Gunfire No.1 (York), bezorgd door A.J.Peacock, 1984.

[10] Achiel Van Walleghem, manuscript van zijn oorlogsdagboek, In Flanders Fields Museum, Ieper.

[11] Gesprek André Verdonck met Piet Chielens, 1984.

[12] Unquiet Graves, een studie van 75 gevallen van executie in de Westhoek van Vlaanderen die ik momenteel voorbereid met Julian Putkowski, zal uitgebreid ingaan op deze omstandigheden.

[13] Achiel Van Walleghem, manuscript van zijn oorlogsdagboek, ingang bij zaterdag 24 juli 1915, In Flanders Fields Museum, Ieper.

[14] BBC Scotland, Shot at Dawn, documentaire in de reeks Frontline Scotland, Dorothy Parker, producer, 1997.

[15] Processtukken in het Public Records Office, Kew, ref. WO7⅕07.

[16] Idem.

[17] Idem.

[18] Piet Chielens, Bekrachtigd, genoteerd, uitgevoerd - over Britse executies tijdens WO1, De Standaard Magazine, 12 november 1993.

[19] M.Merlevede, brief aan Piet Chielens, 15 november 1993, verzameling van de auteur.

[20] Over deze dubbelexecutie zie ook Piet Chielens & Julian Putkowski, Guide Book / Gids: Unquiet Graves / Rusteloze Graven, pp.22-23, Francis Boutle Publishers, 2000.

[21] Mijn vermoeden is dat het hier gaat over de executie van Pte. William Jones, 9th Royal Welsh Fusiliers, die op 25 oktober 1917 te Loker werd gefusilleerd.

[22] Philip Gibbs, Realities of War, p.46, 1920.

[23] over executies en eugenics, zie vooral het werk van Dr. Gerard Oram, Worthless Men, race, eugenics and the death penalty in the British Army during the First World War, Francis Boutle Publishers, 1998.

[24] Wij baseren ons voor deze tellingen grotendeels op de lijsten van Oram en Putkowski: Gerard Oram, Death Sentences passed by military courts of the British Army, 1914-1924, 1998. Daarbij nemen we telkens maar de periode van de oorlog zelf, 4/8/1914 - 11/11/1918, in rekening.

[25] Ian Jones schrijft in Mutiny in Singapore, 15-20 February 1915, uit 1996, dat verschillende groepen muiters, allen lid van de 5th Light Infantry, werden geëxecuteerd; de grootste groep bestond uit 22 ter dood veroordeelden.

[26] Tussen augustus 1914 en november 1918 namen 134.202 Ieren vrijwillig dienst; gezien de politieke spanningen in Ierland werd de dienstplicht er vanaf maart 1916 niet toegepast, zoals dat wel gebeurde in de rest van het Verenigd Koninkrijk. Bij het uitbreken van de oorlog waren echter ook al 50.500 Ieren in dienst van het Britse beroepsleger (regular army) of bij de reservisten die op 4 augustus 1914 weer werden opgeroepen. Zie ook Terence Denman, Ireland’s Unknown Soldiers, 1992.

[27] Gerard Oram telt 25 geëxecuteerde Ieren van augustus 1914 tot eind 1920 in de Ierse infanterieregimenten. Wij tellen, zoals aangegeven, enkel diegenen tot aan de Wapenstilstand, en dat zijn er maar 23. We komen toch aan hetzelfde aantal omdat we twee geëxecuteerden meetellen die uit Ierland kwamen maar in Britse regimenten dienden. Driver John Bell uit Finglas (Dublin) deed dienst in de RFA, en Pte Bernard McGeehan uit Londonderry nam dienst bij het ⅛ King’s (Liverpool Irish) Regiment. Over een 26ste geval bestaat nog onzekerheid. Dat Patrick Murphy, Pte 47th Bn., Machine Gun Corps, die wegens desertie geëxecuteerd werd op 12/8/1918, van Ierse afkomst was, lijkt duidelijk. Of zijn thuisadres ook Dublin was, is niet zeker.

[28] We houden het hier op de 221 ter dood veroordelingen die G. Oram telt in Ierse infanterieregimenten tot aan de Wapenstilstand. Je zou er evenwel nog de doodstraffen kunnen aan toevoegen die werden uitgesproken tegen leden van Ierse eenheden in Britse regimenten (Liverpool Irish, London Irish en Tyneside Irish). Dat zou het geheel brengen op 239 doodvonnissen waarvan er 29 werden uitgevoerd. Ook dat is geen fundamenteel afwijkende ratio (12.1% tegen 11.5%).

[29] Gerard Oram, Worthless Men, pp.72-73.

[30] Frederick Walter Noyes, Stretcher bearers… at the double. The history of the Fifth Canadian Field Ambulance which served overseas during the Great War of 1914-1918. Toronto, 1937, pp.112-113.

[31] Deze problematiek werd treffend verwerkt in het toneelstuk Early One Morning van Les Smith. De auteur maakte een historisch nauwgezette reconstructie van het proces tegen en de executie van Pte. James Smith, 17 King’s (Liverpool) Regiment, Shot at Dawn, Kemmel, 5 september 1917.

[32] een onderwerp dat voorwerp kan zijn voor een heel aparte paper maar buiten onze eigenlijke normendiscussie valt.

[33] De reeds genoemde studie met de Britse (!) historicus Julian Putkowski zal trouwens alle gevallen van executie in de Westhoek beschrijven , naast de Britse dus ook de Franse en Belgische (Amerikaanse en Duitse kwamen hier niet voor).

[34] in de voorbije jaren uitgevoerd maar nog niet volledig gepubliceerd door Generaal (BD) Bach, voormalig hoofd van de Historische Dienst van het Franse leger. Momenteel is de studie het onderwerp van een documentaire film door Alain Moreau en Patrick Cabouat voor Program 33 die in november 2003 op Franse omroepen te zien zal zijn.

[35] Idem eindnoot 4.

 

Drs.P.Chielens studeerde economische en communicatiewetenschappen aan de KU te Leuven. Hij is coordinator van het ‘In Flanders Field Museum’ te Ieper en artistiek directeur van ‘Vredesconcerten Passchendaele’ en auteur van een aantal boeken.

 

NOTE: INMIDDELS IS ER EEN WET IN BEHANDELING DIE ALLE GEEXECUTEERDEN UIT HET BRITSE LEGER REHABILITEERT.

overzicht: