Neutraliteit

Door J.H.J. Andriessen

 

Een van de argumenten welke Duitsland in 1914 gebruikte om de inval in België te rechtvaardigen was de beschuldiging dat dit land zich niet gehouden had aan de neutraliteitseisen. België zou die hebben geschonden omdat ze in het geheim militaire afspraken zou hebben gemaakt met Gr.Brittannië. De Duitsers hadden in België geheime documenten gevonden met verslagen van besprekingen tussen Britse en Belgische generale stafofficieren waaruit dat was gebleken.

Inderdaad, op 18 januari 1906. kreeg de Britse militaire attaché in Brussel, de kolonel Bernardiston opdracht van de Britse generaal Grierston, om besprekingen te openen met de Belgische stafchef, generaal Ducarne. De besprekingen werden gesanctioneerd door de ministers van Buitenlandse Zaken van beide landen en leidden al spoedig tot de overeenkomst dat Engeland ruim 100.000 man troepen in België aan land zou brengen voor de verdediging van België in geval van een Duitse aanval’. Generaal Ducarne gaf tijdens deze besprekingen een volledig overzicht van de Belgische mobilisatieplannen en verklaarde voorts nog dat met name de garnizoenen van Luik en Namen het zeker een volle maand konden uithouden tegen de Duitse aanval Ook stelde hij de haven van Antwerpen ter beschikking voor de landing van Britse troepen.

(British Documents. Vol.III, p.186 – 203)

De opvolger van generaal Grierson, generaal Wilson maakte in Augustus 1910 verdere afspraken met de Belgen en verhoogde het aantal troepen dat in België zou landen tot 160.000 man.

 

Zoals gezegd, België overtrad hiermede de eisen welke aan een neutraal land werden gesteld volgens het internationale recht van die tijd. De besprekingen werden n.l. gesanctioneerd door de minister van buitenlandse Zaken.

 

Nederland weigerde om die reden ook besprekingen te voeren over samenwerking tussen de Nederlandse en Belgische strijdkrachten.

De Nederlandse minister van Swinderen ontkende geruchten als zou Nederland een soort entente met de Britten hebben nagestreefd. Hij verklaarde destijds dat “zo er één land was dat zich voor dergelijke bindingen moest hoeden, dat Nederland zou zijn” (Smit.C. Nederland in de Eerste Wereldoorlog, dl 1, p.119) terwijl de toenmalige minister van oorlog, Staal, in een interview met de Vossische Zeitung verklaarde dat hij destijds geweigerd had de Britse militaire attaché te ontvangen toen die hem om een prive’- onderhoud had verzocht.

 

De Belgen gaven het echter nog niet op en tijdens de in 1906 gehouden militaire manoeuvres te Compiegne waar de Belgische generaal Ducarne besprekingen voerde met generaal Grierson, ontmoette hij ook de Nederlandse luitenant-kolonel Hoogeboom en trachtte deze te interesseren van economische en militaire samenwerking. Hoogeboom was enthousiast en organiseerde op 22 februari 1907 te Breda een meeting van de Nederlandse Vereniging ter bevordering van de Krijgswetenschappen waaraan ook twee Belgische stafofficieren deelnamen. Hoogeboom bepleitte de voorgestelde samenwerking maar de Nederlandse kapitein Tonnet verklaarde zich tegen een dergelijk verbond vooral ook door de anti-Duitse strekking daarvan. (Smit.C., p.120-121C).

 

De Duitsers hadden derhalve wel degelijk een punt toen ze verklaarden dat België militaire afspraken had gemaakt meet Engeland en zich dus niet gehouden had aan de internationaal vastgestelde regels waaraan een neutraal land zich diende te houden.

 

In een recent verschenen boek dat uitkwam bij uitgeverij Aspekt te Soesterberg ( Friedrich Knolle, bekentenissen van een SS-officier,isbn 978-90-5911-912-3, auteur Dr.P.Pierik) kwam ik een opvallende en interessante passage tegen waaruit zou blijken dat ook Nederland zich echter schuldig zou hebben gemaakt aan schending van de neutraliteitsregels en opmerkelijk genoeg door een Nederlandse minister.

Het betreft hier Dr.H.Colijn, tot 1914 minister van Oorlog en minister van Marine a.i.

Colijn, die als minister van Marine a.i. uiteraard op de hoogte was van de Nederlandse geheime marineplannen, trad in 1914 met het gehele kabinet af. Er kwam een nieuw kabinet en Colijn trad in dienst als directeur bij de Bataafsche Petroleum My.

 

Vlak voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog zou een missie van de Kon.Shellgroep naar Londen zijn vertrokken om daar een onderhoud te voeren met lord Charles Hardinge, undersecretary van het Britse ministerie van Buitenlandse Zaken. Het doel van deze Shell-missie zou zijn geweest om de Britten het eerste recht op de Indische olie aan te bieden, na dekking van de Nederlandse behoefte, onder voorwaarde dat Gr.Brittannië Nederland dan te hulp zou komen indien Japan – Nederlands Indië zou aanvallen.

 

De biograaf van Colijn, Langeveld, schreef daarover in zijn boek “Dit leven van krachtig handelen, “(p.194-195) dat Colijn van dit opmerkelijke initiatief, waarbij ook de geheime marineplannen van Nederland ter tafel zouden zijn gekomen, op de hoogte zou zijn geweest en dat “de kennis van die geheime marineplannen het waarschijnlijk maakte dat Colijn op de achtergrond een belangrijke rol gespeeld zou hebben”.

 

Indien deze stelling juist zou zijn dan zou dat betekenen dat met medewerking van een Nederlandse ex-minister van Marine, geheime marineplannen aan een buitenlandse regering kenbaar zouden zijn gemaakt hetgeen een zwaar belastend feit genoemd moet worden waarbij het woord ‘spionage’ zeker op zijn plaats zou zijn

 

Maar het wordt nog interessanter. Dr.Pierik refereert dan aan een andere, eveneens zeer belastende verklaring afgegeven in de Tweede Wereldoorlog.

Ze was afkomstig van de SS-officier Knolle die in augustus/september 1941 een inval deed in de woning van Colijn en daar de hand legde op een hoeveelheid documenten die Colijn in zijn brandkast bewaarde.

 

Knolle verklaarde hierover;

“Onder de documenten bevonden zich afspraken met- en afrekeningen van de Engelse regering uit de Eerste Wereldoorlog toen Colijn tekeningen van een Duits slagschip aan de Engelse marine had overhandigd en daarvoor een bedrag van 500.000 pond ontving. In de documenten waren tevens de namen te vinden van de Duitse ingenieurs die op de werf van de “Nord Deutschland” werkten. Deze documenten waren door stromannen ter beschikking van Colijn gesteld. Uit deze spionageactiviteiten waren ook de grote bedragen afkomstig die Dr.Colijn na de Eerste Wereldoorlog en in het begin van de jaren dertig incasseerde”.

 

Een opzienbarende verklaring want daaruit zou blijken dat een Nederlandse ex-minister van Oorlog en minister ad interim van Marine in zijn functie van directeur bij de Bataafsche Petroleum My, betaalde spionageactiviteiten uitvoerde voor de Britten.

Ook al was Colijn op dat moment geen minister meer, het verstrekken van geheime Nederlandse marineplannen alsmede het overhandigen van tekeningen van een Duitse oorlogsbodem aan de Britten tijdens de oorlog tussen Engeland en Duitsland door een Nederlandse ex-minister, was een inbreuk op de neutraliteitsregels die voor Nederland als neutraal land van kracht waren. Het lijkt niet onmogelijk dat Colijn, ook al was hij op dat moment geen minister meer, daarmede toch de neutraliteit van Nederland in gevaar heeft gebracht.

overzicht: