Nederlandse cocaïne aan het oorlogsfront. Deel 2

Door ir. Eric R.J. Wils

In het najaar van 2009 verscheen de roman De Handelsreiziger van de Nederlandsche Cocaïne Fabriek door Conny Braam (416 pagina’s; ISBN: 978-90-468-0675-3) bij de uitgeverij Nieuw Amsterdam. De roman was gebaseerd op ‘ware feiten’ en die werden ook nog eens in de media breed uitgemeten. Als een lopend vuurtje deden die zogenaamde ‘ware feiten’ de ronde. In een bespreking van het boek plaatste ik daarbij in 2009 al enige vraagtekens [1]. Recent beschikbaar gekomen informatie noopt tot dit deel 2.

In de roman van Conny Braam wordt onder meer beweerd dat de Nederlandsche Cocaïne Fabriek (NCF) in het begin van de twintigste eeuw de grootste leverancier van cocaïne was en dat de productie in 1919 niet minder dan 13.941 kilogram bedroeg. In latere interviews met Conny Braam werd dat getal zelfs steeds hoger. Cocaïne was in 1919 echter nog niet verboden en werd onder meer toegepast in de medische wereld. Maar de zwaarste beschuldiging in de roman was toch het zogenaamde feit dat de NCF in de Eerste Wereldoorlog het grootste deel van hun productie aan de strijdende partijen had verkocht, die het aan hun soldaten toedienden en zo vredelievende Britse en Duitse mannen in niets onziende vechtmachines hadden veranderd. Iets waaraan de NCF en zijn handelsreiziger uiteraard dik aan verdienden. De handelsreiziger werd daarmee een soort Frans van Anraat avant la lettre die in de jaren tachtig van de vorige eeuw duizenden tonnen grondstof voor chemische wapens aan het Irak van Saddam Hoessein had verkocht [2]. De handelsreiziger verdween in het slot van de roman echter niet de gevangenis in.

Op 8 november 2012 promoveerde drs. Hans Bosman aan de Faculteit der Cultuur-en Maatschappijwetenschappen van de Universiteit van Maastricht op de geschiedenis van de NCF. De volledige titel van zijn proefschrift luidt: History of the Nederlandsche Cocaïne Fabriek and its Successors as Manufacturers of Narcotic Drugs, analysed from an International Perspective. De laatste twee zinnen van de aankondiging van de promotie luiden:

‘Omdat er geen internationaal gestandaardiseerde cijfers zijn over de omvang van de wereldwijde cocaïneproductie voor 1930, ontwikkelde Bosman hiervoor een schattingsmethode. Verder wordt aangetoond dat recente beweringen van schrijfster Conny Braam over enorme hoeveelheden cocaïne, geleverd door NCF aan oorlogvoerenden gedurende de Eerste Wereldoorlog, elke grond missen’ [3].

‘Elke grond missen’ is nette academische taal waarmee een tegenstander in een debat in de hoek gedreven kan worden. Er had natuurlijk ook gewoon ’een fabeltje’ of ‘grote onzin’ kunnen staan. In een interview voor het webmagazine van de Universiteit van Maastricht drukt hij zich dan ook wel wat krachtiger uit – ‘entirely unfounded slander’ - over de roman van Conny Braam en haar beweringen. Het volgende citaat geeft dat weer:

‘The book describes the experiences of a young salesman who, during World War I, sold cocaine manufactured by the NCF to Germany and the UK, where it was distributed by the respective armies to their soldiers to turn them into ’fighting machines’. She claims, during TV and radio interviews, that as a result many soldiers were killed and that 100,000s of soldiers became cocaine addicts. She mentions that at the time the NCF factory produced 20,000 to 30,000 kilos of cocaine annually. This simply is not true. The factory could not produce more than 1,500 kilos of cocaine per year. Braam paints an entirely untrue and detrimental picture of the NCF whereby the reputation of the company and its employees are groundlessly besmirched [4]’.

De volledige tekst van Bosmans proefschrift is op de website van de Universiteit van Maastricht geplaatst. Het is een uit twee delen bestaand, omvangrijk boekwerk (552 pagina’s) vol met grafieken en tabellen, maar de bronnen zijn nu voor eenieder na te gaan [5]. Voor de periode van de Eerste Wereldoorlog en de jaren daaromheen zijn de hoofdstukken 6, 7 en 8 in deel 1 van belang. In annex 2 van deel 2 (p. 451-454) wordt nader ingegaan op de beweringen in de roman van Conny Braam.

Hans Bosman is in zijn proefschrift nauwgezet de productie van de NCF nagegaan in de jaren 1914-1920 en dat in vergelijking met de andere cocaïne producerende landen (zie tabel 7.2 op p. 132). De geschatte gemiddelde jaarproductie van de NCF bedroeg 800 kilogram cocaïne over de jaren 1914-1920. De fabriek had een maximale capaciteit van 1500 kilogram, dus bleef daar met 800 kilogram ruim onder. Ter vergelijking, de Duitse productie bedroeg gemiddeld 6.800 kilogram per jaar en die in de Verenigde Staten 3.300 kilogram. De andere producenten blijven onder de 1000 kilogram. De NCF was met slechts zes procent van de geschatte wereldproductie dus feitelijk maar een kleine speler in het geheel. Het grootste deel van de NCF productie werd in de oorlogsjaren naar Duitsland geëxporteerd. Dat Groot-Brittannië grote partijen cocaïne van de NCF afnam om zijn soldaten te drogeren, is dan ook een fabeltje.

Er verschijnen nogal eens relativerende teksten over geschiedenis als wetenschap met zinsneden als ‘het verleden is voorbij en daarmee onkenbaar’ en ‘geschiedenis is op z’n best een vorm van literatuur’ [6]. Sommige geschiedenisboeken lezen ook wel als een roman wanneer een goed schrijvende historicus zijn visie weergeeft op het verleden en wellicht hier en daar de vorm laat prevaleren boven de inhoud. Maar die uitspraak moet natuurlijk niet omgedraaid worden dat een roman een vorm van geschiedschrijving is. Het boek van Conny Braam dient echter nogal eens als basis van een historisch stukje over de NCF bijvoorbeeld op de historische kalender van de Koninklijke Bibliotheek, waarin het volgende staat op 12 maart 2011:

‘De fabriek profiteert van de tijdens de Eerste Wereldoorlog heersende schaarste aan cocaplanten en groeit uit tot de grootste cocaïneproducent van de wereld. De fabriek levert in de oorlog op grote schaal aan strijdende landen. Met cocaïne kunnen de soldaten namelijk onvermoeid en onverschrokken het slagveld op’ [7].

Nee, dankzij het onderzoek van Hans Bosman is nu duidelijk gebleken dat de NCF bij lange na niet de grootste cocaïneproducent was tijdens de Eerste Wereldoorlog en ook niet op grote schaal aan de strijdende partijen leverde.

Wanneer een wetenschapper zogenaamde ‘ware feiten’ verzint, wordt hij of zij volkomen terecht aan de schandpaal genageld met het inleveren van de academische bul erbij. De fraudezaak met de psycholoog Diederik Stapel van de Universiteit van Tilburg kwam in 2011 uitgebreid in het nieuws. ‘Ontspoorde wetenschap’ noemt de onderzoeksjournalist Frank van Kolfschooten dat [8]. Romanschrijvers mogen zoveel verzinnen wat ze willen. Sprookjes worden nog altijd gepubliceerd en gelezen, daar is niets mis mee. Maar romans gebaseerd op ‘ware feiten’, waarbij het niet duidelijk is wat nu historisch waar of wat verzonnen is, hoe moeten we die nu omschrijven. Als ‘ontspoorde romankunst’?

 

Bronnen

[1] Nederlandse cocaïne aan het oorlogsfront, www.ssew.nl/nederlandse-cocaine-oorlogsfront, 4 november 2009.

[2] Arnold Karskens, Geen cent spijt. De jacht op de oorlogsmisdadiger Frans van Anraat, Amsterdam, 2006.

[3] Wetenschapsagenda van de Universiteit Maastricht, november 2012, www.maastrichtuniversity.nl/nl/nieuws-agenda/pers/wetenschapsagenda.

[4] Femke Kools, The Dutch Cocaine Factory in international perspective, 21 November 2012, webmagazine.maastrichtuniversity.nl/index.php/research/culture/item/371-the-dutch-cocaine-factory-in-international-perspective.

[5] Links naar de website met de dissertatie (als pdf-bestanden) van Hans H. Bosman. Deel 1: pub.maastrichtuniversity.nl/c8f50023-03cc-4159-ac1d-825df067b47b. Deel 2: pub.maastrichtuniversity.nl/961eb8f6-80e6-442d-98ed-1b9c079843d5.

[6] Carla Boos (red.) Andere tijden VIII, Nieuwe verhalen over oude kwesties, Amsterdam/Antwerpen, 2007, p. 9.

[7] Website van de Koninklijke Bibliotheek: www.kb.nl (pagina www.kb.nl/historische-kalender/2011/maart/12-maart-1900-de-nederlandse-cocainefabriek-opgericht bestaat niet meer).

[8] Frank van Kolfschooten, Ontspoorde wetenschap. Over fraude, plagiaat en academische mores, Amsterdam, 2012.

overzicht: