Nederland en de Vrede van Versailles

De Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog publiceert als eerste in een reeks van artikelen over de Eerste Wereldoorlog op deze website, met trots de bijdrage van Dr. W. Klinkert, universitair hoofddocent Militaire Geschiedenis aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda.
Dr. Klinkert studeerde geschiedenis in Leiden waar hij in 1992 promoveerde op het proefschrift „Het vaderland verdedigd. Plannen en opvattingen over de verdediging van Nederland 1874-1914“. Naast zijn docentschap aan de K.M.A. is Dr. Klinkert tevens verbonden aan de Sectie Militaire Geschiedenis van de Koninklijke Landmacht in Den Haag.

Auteur: Dr. W. Klinkert
Universitair hoofddocent aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda.


„Een diepe en bittere teleurstelling, een ontgoocheling die men voelt als een ramp is deze vrede voor allen, die tijdens den oorlog de leuzen der Entente als levende idealen hebben liefgehad (….) Het vredestraktaat legt het statuut vast van het verval van Europa, van zijn teruggang tot een lagere beschavingsgraad. Het grootste volk van het vasteland wordt geketend en tot dwangarbeid gedreven (….) vernedering en verbittering. Wraakzucht hier, overmoed, machtsbegeerte, roekeloosheid daar, zijn de nieuwe „beschavingselementen“ door het vredestraktaat gewekt“. Zo schreef de socialistische krant „Het Volk“ op 21 juni 1919 over de vrede van Versailles die een week nadien zou worden getekend.

vrouwe Germania geketend
vrouwe Germania geketend

De krant was gebelgd over de hoge financiële, economische, militaire en territoriale eisen die de geallieerden aan de Duitse regering in de laatste weken voor de ondertekening hadden voorgelegd. De hoop die velen, ook in Nederland, hadden gehad op een vrede op basis van de 14 punten van de Amerikaanse president W.Wilson, was door de dwingende eisen van Fransen en Britten, de bodem ingeslagen. In plaats van een rechtvaardige, democratische vrede was er een vrede gedicteerd op basis van ouderwetse imperialistische machtswellust en haat jegens Duitsland. Hier hadden de socialisten geen goed woord voor over, maar hoe representatief was hun opvatting in Nederland anno 1919.

Europa na de Wapenstilstand

Nu Versailles meer dan 80 jaar geleden is en we inmiddels weten welke plaats dit voor de moderne Europese geschiedenis zo belangrijke evenement inneemt, wil ik nader de tijdgenoten onder de loep nemen, die Nederland in een chaotisch Europa zijn plaats moesten geven. Hierbij leg ik de nadruk op het Nederlandse Buitenlandse beleid, in de persoon van minister van Karnebeek en het militaire beleid in de persoon van minister Alting von Geusau.
Chaotisch was Europa die eerste periode na de wapenstilstand van november 1918 zeker. Drie grote staten, die eeuwenlang een centrale positie in de Europese verhoudingen hadden ingenomen, waren als machtsfactoren plotseling verdwenen en chaos leek het enige wat hiervoor in de plaats kwam. In Rusland was, na de revolutie van 1917, een burgeroorlog uitgebroken waarin zich westerse legers mengden., de omvangrijke Oostenrijk-Hongaarse monarchie viel in stukken uiteen en het eens zo machtige Duitsland leed honger, fragmenteerde en dreigde een prooi van bolsjewieken te worden. De Spartakus opstand kon in januari 1919 in Berlijn maar met moeite bedwongen worden. Hongarije en Beieren waren korte tijd daadwerkelijk communistische radenrepublieken. De spoken van honger, chaos en communisme waarden door Europa.
In West Europa leek alles rustiger. In Parijs gonsde het alleen van de diplomatieke activiteit; daar lag het nieuwe Europa op de tekentafel, al hadden de verschillende tekenaars nog uiteenlopende ideeën over vorm en kleur. Nederland kon slechts toekijken. Aangezien Nederland tijdens de oorlog neutraal was geweest, kon het niet aan de Parijse vredesberaadslagingen deelnemen, al voelde Nederland zich wel bij de uitkomsten betrokken; niet alleen omdat de economische toekomst van Duitsland zo nauw samenhing met die van Nederland of omdat een eventueel op te richten Volkerenbond ons land tot een positiebepaling dwong. Nee, Nederland was ook zelf het onderwerp van gesprek, zowel omdat de voormalige Duitse keizer zich in Nederland bevond, als omdat Nederland vanaf 14 november aan 70.000 ontwapende Duitse troepen de gelegenheid had geboden via Maaseyk (Limburg) naar de Heimat terug te keren, om de voedselsituatie in Belgisch Limburg te verlichten, en last but not least, in België luide stemmen opgingen tot annexatie van Zeeuws Vlaanderen en Limburg.
Zou het in Versailles weer „over ons, maar zonder ons“ worden?

Belgische Aspiraties

Al tijdens de oorlog had de Belgische regering plannen ontwikkeld waarin annexatie van Luxemburg, Eupen, Malmedy, St.Vith, Limburg en Zeeuws Vlaanderen, voorkwamen.

de door België gewenste gebieden (rood)
de door België gewenste gebieden (rood)

Hiervoor voerden de Belgen zowel militaire als economische redenen aan. Militair was het de Belgen een doorn in het oog dat de toegang over water van hun belangrijkste vesting,Antwerpen, in Nederlandse handen was. Bovendien waren de Maasovergangen in Nederlands Limburg voor de hand liggende invasieroutes voor het Duitse leger, waarbij er Nederland weinig aan gelegen was veel inspanning voor de verdediging daarvan te leveren. Op economische gebied wensten de Belgen een betere regeling van de verbindingen te water voor Antwerpen en Luik met de zee en het Duitse achterland. Nederland zou eventueel met Duits grondgebied, zoals Oost Friesland, gecompenseerd kunnen worden.
Het waren vooral de Waalse katholieke politici en ondernemers die deze verlangens steunden, veelal gekoppeld aan de wens de neutraliteit op te geven en zich bij Frankrijk aan te sluiten.
In Nederland wekten de berichten over deze annexatieverlangens veel verontwaardiging. Had Nederland niet tijdens de oorlog gezorgd voor de opvang van talloze Belgische militairen en burgers, hoe konden daar nu als dank zulke eisen tegenover gesteld worden?
Begin 1919, terwijl de bevolking nog nauwelijks bekomen was van Troelstra’s „aanslag“ van november 1918 op de gevestigde orde en een angstige blik op de onrust over de oostgrens richtte, leidde deze kwestie tot emotionele uitbarstingen van Nederlandse nationale gevoelens waarin het Oranjehuis een belangrijke rol speelde. Op 6 februari 1919 vond in het gebouw van Kunsten en Wetenschappen in Den Haag een grote anti annexionistische manifestatie plaats, waarbij niet alleen het voltallige kabinet, maar ook de koninklijke familie aanwezig waren. De Maastrichter Staar verzorgde de koorzang. Een maand later, respectievelijk op 1 en 5 maart, bezocht de koningin Zuid Limburg en Zeeuws Vlaanderen. „onbeschrijfelijke geestdrift heer HM de koningin vergezeld op haar bezoek aan Zuid Limburg. Roerend is de hulde geweest die het Limburgsche volk zijne landsvrouwe heeft gebracht. Limburg bij Nederland, dat was de alles overheerschende leus“, zo schreef de pers over het koninklijke bezoek en voor de berichtgeving van het bezoek van 5 maart kan worden volstaan met vervanging van Limburg door Zeeuws Vlaanderen. Tenslotte vond op 14 maart in het Utrechtse Tivoli nog een grote nationale manifestatie plaats voor de eenheid en ondeelbaarheid van Nederland met sprekers uit elke provincie. H.J.Kiewit de Jonge, voorzitter van het Algemeen Nederlands Verbond sprak toen:“Niet dan met rus geweld kan worden stukgeslagen wat eenmaal door den hamer des tijds vast is aaneengeklonken tot een hecht gemeenschappelijk vaderland“.

Maar hoe lag de sympathie in Parijs? België immers had zeer onder de oorlog geleden; een zekere vorm van compensatie daarvoor was niet onredelijk maar hoe strookte dat met Wilsons uitgangspunt van zelfbeschikkingsrecht der volkeren, wanneer die compensatie mede in de vorm van territoir zou zijn? De Nederlandse regering besefte in Parijs niet sterk te staan. Sinds de toelating van de Duitse keizer beschouwden velen binnen de Entente, Nederland als pro-Duits en het imago van minister Van Karnebeek was al niet veel anders. In december 1918 was er zelfs sprake van een anti Nederlandse lastercampagne in de Franse pers. En, het zij herhaald, als neutrale mogendheid was Nederland geen gesprekspartner voor de belligerenten.

Minister van Karnebeek

Herman Adriaan Van Karnebeek, in Utrecht als jurist opgeleid, was in september 1918 op de relatief jonge leeftijd van 44 jaar minister van Buitenlandse Zaken geworden. Van huis uit was hij bekend met de wereld van de diplomatie. Zijn vader was ook minister van Buitenlandse Zaken en ambassadeur in Zweden geweest.

Herman Adriaan Van Karnebeek
Herman Adriaan
Van Karnebeek

Van 1901 tot 1911 had de jonge Van Karnebeek op het Ministerie van Koloniën gewerkt Ook was hij bij de Haagse Vredesconferenties betrokken geweest en zodoende had hij kennis van het internationaal recht en van internationale verhoudingen. Van 1911 tot zijn ministerschap, bekleedde hij het burgemeesterambt te Den haag. Hij had er toen werk van gemaakt internationale bijeenkomsten naar de hofstad te halen. Van Karnebeek gold als een conservatief liberaal met pro-Duitse sympathieën, een goed bestuurder en een goed spreker. In het kabinet was hij als liberaal tussen confessionelen, een wat vreemde eend in de bijt maar dat was geen belemmering voor positieve persreacties op zijn benoeming. De „Nieuwe Courant“ schreef: „Hij is knapper dan Loudon, beter bij de pinken, vlugger in het debat“.
Via diplomatieke kanalen en persoonlijke informanten volgde Van Karnebeek de stemming in Brussel en Parijs op de voet. De Britten hadden over het algemeen weinig oor voor de Belgische verlangens, voor de Amerikanen gold hetzelfde; de Fransen waren de zwakke schakel. Een sterker België met nauwe banden met Parijs was voor een aantal Franse politici erg aanlokkelijk. Nederlandse diplomaten als Rochussen en Loudon en ondernemers als Hendrikus Colijn (Bataafsche Petroleum Maatschappij) en Ernst Heldring (KNSM) spanden zich dan ook in om zowel in Londen als Parijs, een positiever beeld van Nederland te geven, steun aan de heropbouw van het verwoeste Noord-Frankrijk door de directeur van de Nederlandsche Bank, Joost van Vollenhoven, hoorde daar ook bij, en met enig succes. De Amsterdamse diamantairs Asscher waren zelfs bereid geld te stoppen in een pro-Nederlandse campagne in Parijs. Al met al kon Van Karnebeek na enige weken met redelijke zekerheid concluderen dat de Belgische verlangens internationale steun ontbeerden, maar het was nog even wachten. Voordat hij een uitnodiging kreeg om in Parijs zijn kaarten op tafel te leggen.

Behandeling van de Belgische Eisen

Januari 1919 legde de Belgen hun eisen voor een vrij scheepvaartverkeer op de Schelde en Nederlandse gebiedsafstand in Parijs neer. 11 en 12 februari werden de Belgische eisen onderwerp voor een speciale Brits-Franse commissie in Parijs, zonder Nederlandse deelname.
De berichten die daarover tot Nederland doordrongen, leken desondanks hoopgevend. België kreeg geen steun voor annexatie, wel voor herziening van het scheidingsverdrag van 1839.
De commissie besliste begin maart dat het niet kon ingaan op eventuele gebiedsafstand van een neutraal land, maar dat de Belgische verlangens in een separaat bilateraal overleg aan de orde moesten komen. Kort nadien kregen de neutrale staten voor het eerst, nog officieus, de gelegenheid hun stem te laten horen. Van Karnebeek stuurde prof W.J.M van Eysinga (1878-1961) hoogleraar volkenrecht in Leiden naar Parijs.
Half april werd het Nederlands-Belgisch geschil onderwerp van gesprek voor de vijf grote Entente mogendheden. Ook zij kwamen tot de conclusie dat de geschillen bilateraal opgelost moesten worden, waarbij herziening van 1839 de inzet was en niet enige territoriale eisen. Op 13 mei besliste het Nederlandse kabinet dat aan de uitnodiging van de mogendheden -die nu eindelijk gekomen was- snel gehoor moest worden gegeven. Zo kwam er reeds op 16 mei 1919 een zware Nederlandse delegatie in de marge van de grote conferentie naar Parijs.
Minister Van Karnebeek was behalve door diplomaten omgeven door deskundigen op alle mogelijke deelgebieden van de Nederlands-Belgische problematiek, die allen aan een zeer gedegen voorbereiding hun bijdrage hadden geleverd. Prof. A.A.H. Struycken (lid van de Raad van State), mr. B.C.J. Loder (lid van de Hoge Raad), prof. H.R. Colenbrander (Leids historicus), prof. G.W.J. Bruins (Rotterdams econoom, over kredieten van neutralen aan Duitsland), prof. W.J.M van Eysinga (deskundige op het gebied van de Rijnvaart) en prof. J.A. Hamel samen met de Limburgse en Zeeuwse waterstaat directeuren en twee marineofficieren en een landmacht officier vergezelden de minister.

Op 19 en 20 mei legde Van Karnebeek het Nederlandse standpunt voor aan de ministers van Buitenlandse Zaken van de vijf grote Entente mogendheden. Het was de eerste maal in de geschiedenis dat een Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken overleg voerde met ambtgenoten van vijf grote mogendheden.
De Belgische liberale minister van Buitenlandse Zaken, Paul Hymans legde de verlangens van zijn land over de soevereiniteit over de Westerschelde en de kanalen van Antwerpen naar Moerdijk en de Rijn op tafel. Van Karnebeek pareerde zijn betoog op kundige wijze. Tussen 22 en 25 mei keerde de minister even naar Den Haag terug voor overleg. Op 26 mei ontving de president van Frankrijk hem. Op 3 juni gaf Van Karnebeek zijn slotverklaring voor de Raad van Vijf.

Op 5 juni keerde van Karnebeek in Den Haag terug en kon „een machtig resultaat“ aan zijn collegae en de Tweede kamer melden. De Belgen waren „met den kous op den kop“, zoals een Nederlandse krant schreef, naar huis gestuurd. Bereikt was dat alle annexatie-eisen van tafel waren en dat zou worden voort gegaan met bilateraal overleg over de herziening van het verdrag van 1839 en over de waterverbindingen van Antwerpen met Moerdijk en de Rijn. Bijna als redder van het vaderland werd Van Karnebeek binnengehaald, in de ogen van pers en politiek had de Nederlandse entree op het internationaal diplomatieke speelveld niet beter gekund. Koningin Wilhelmina ontving felicitatietelegrammen uit Limburg en Zeeuws-Vlaanderen en 20 juni werd in Zeeuws-Vlaanderen een dankdag met volksfeest voor alle gezindten georganiseerd.
De kwestie van herziening van de scheidingsverdragen van 1839 bleef slepen tot 1925 toen een nieuw Schelderegiem en een overeenkomst over kanalen naar de Moerdijk en van Antwerpen naar het Ruhrgebied bereikt waren. Ironisch genoeg bezegelde deze overeenkomst het politieke lot van Van Karnebeek. De afwijzing ervan door de Eerste Kamer, deed de minister besluiten af te treden. *1)

De Kaiser vlucht naar Nederland

Toch bleef er nog een hardnekkig probleem bestaan dat de Nederlandse positie internationaal aantastte: het verblijf van Wilhelm van Hohenzollern, ex keizer van Duitsland, op Nederlands grondgebied.
Op 9 november 1918 had Wilhelm zich in Spa bij de feiten moeten neerleggen. De tijd van de Hohenzollern-dynastie in Duitsland was voorbij. Op 10 november kwam een stoet met 9 auto’s bij de grenspost Eysden aan. De keizer en zijn gevolg vroegen toegang tot Nederland. Druk overleg tussen volledig verraste militaire en diplomatieke autoriteiten volgde, zij het dat minister Van Karnebeek, koningin Wilhelmina en de Duitse ambassadeur in Den Haag reeds zeer vroegtijdig van deze gebeurtenis op de hoogte gesteld waren. Er is vooral over de rol van koningin Wilhelmina veel gespeculeerd; toch lijkt haar rol niet groter te zijn geweest dan het verlenen van toestemming aan een „asielzoeker“, voor wie zij wel een zekere sympathie gevoeld zal hebben, een neutraal land te betreden.

de Keizer (4e van links) arriveert in alle vroegte op het station van Eysden
de Keizer (4e van links) arriveert in alle vroegte
op het station van Eysden

Geruchten betroffen ook de rol van oud gouverneur-generaal van Nederlands Indië, Van Heutsz, die als adjudant-generaal van het militair huis van de koningin de cruciale dagen van 5 tot 8 november bij de keizer in Spa had doorgebracht. Van Heutsz beweerde bij hoog en bij laag dat zijn verblijf in Spa niets van doen had gehad met een eventuele komst van de keizer naar Nederland, maar geloofd werd hij niet. Al deze geruchten samen met de in ieder geval in het buitenland breed heersende opinie over de Duitsgezindheid van het Nederlandse koningshuis en van minister Van Karnebeek, maakte de Nederlandse positie er niet sterker op.

Op 10 mei verleende de Nederlandse regering de ex keizer asiel, hetgeen bij de Nederlandse neutraliteit paste. Voorlopig kreeg hij onderdak in kasteel Amerongen waar hij sliep in hetzelfde bed waarin Lodewijk de XLV in 1672 had geslapen. De keus van de regering de ex keizer toe te laten kreeg in politieke en journalistieke kringen in Nederland ruime steun, los van het feit of dezen de daden van de gevallen keizer goedkeurden. De druk die vanuit de Entente-landen met regelmaat op Nederland werd uitgeoefend, kon hier op weinig sympathie rekenen.
De Nederlandse traditie plaats te bieden aan vervolgden, kon niet terzijde geschoven worden om de Entente wraak te laten nemen. Zelfs de socialisten, die toch nauwelijks verdacht konden worden van sympathie voor de ex keizier wezen uitlevering af, omdat het wraak en machtsuitoefening van de Entente was en indruiste tegen het rechtsgevoel. Voor dit Nederlandse standpunt was er in Versailles weinig begrip. In het vredesverdrag werd artikel 227 opgenomen waarin de berechting van Wilhelm von Hohenzollern werd verlangd door een speciaal tribunaal met rechters uit de Verenigde Staten, Groot Brittannie, Frankrijk, Italië en Japan. Op grond hiervan ontving de Nederlandse regering in januari 1920 een formeel uitleveringsverzoek van George Clemenceau als de voorzitter van de conferentie. De keizer diende berecht te worden voor misdaden als schending van de Belgische neutraliteit, massadeportaties, systematische verwoesting van landstreken en onbeperkte duikbootoorlog. Wilhelm werd geacht hier tenminste moreel verantwoordelijk voor te zijn. Nederland zou zijn internationale plicht vervullen als het door uitlevering de berechting mogelijk maakte. Minister Van Karnebeek weigerde. Als neutrale staat kon Nederland op geen enkele wijze gedwongen worden tot handelingen die tegen zijn eigen wetten en overtuiging ingingen. Van een internationale plicht kon zeker geen sprake zijn.

Oprichting van De Volkenbond

Veel ingrijpender voor Nederland was de oprichting van de Volkenbond, dat ideaal van Wilson, dat onderdeel was geworden van het verdrag van Versailles, In september 1918 wijdde „De Standaard“ een artikel aan de gedachte van een Volkenbond. De krant constateerde dat het, hoe mooi en ideaal samenwerking van alle Staten „steunende op een alles overheerschende politiemacht“, en afschaffing van nationale legers ook waren, een wereldvreemd ideaal was omdat Staten zouden blijven streven naar machtsuitbreiding en zich dus aan internationale regels zouden onttrekken. Als voorbeeld wees de krant op het expansieve Japan.
Reeds in december 1918 kwam de Volkenbond in de Tweede Kamer ter sprake en de teneur was positief. V.H. Rutgers (ARP) sprak over een garantie tegen „wederrechtelijke aanvallen“ als positief punt en J.H.A. Schaper (SDAP) verklaarde zich er ook voor, zolang het geen organisatie van wraak op Duitsland was maar „humaniteit“ en „edelmoedigheid“ de leidende gedachten zouden zijn. Op dat moment was er nog weinig over de vorm van De Volkenbond en de verplichtingen die het lidmaatschap zou meebrengen, bekend. Voorzichtige sympathie voor het voorstel was er zeker, temeer daar de traditie op het gebied van internationaal recht in Nederland sterk was. Velen waren bekend met de ideeën van de Leidse volkenrecht geleerde Van Vollenhoven over een internationale politiemacht en sinds de twee Haagse vredesconferenties, de bouw van het Vredespaleis en de Nederlandse interesse in arbitrage was er zeker in politieke kring belangstelling Nederland tot het land van het internationale recht te maken. Anderzijds was er de traditie van de neutraliteit en het was zeer de vraag of deelname aan een internationale organisatie die sancties kon afdwingen, strookte met die neutrale positie, Van Karnebeek was in den beginne dan ook slechts voorzichtig optimistisch. Pas in maart was hij zover, dat hij niet alleen wilde streven naar toetreding, maar ook naar de vestiging van de hoofdzetel in Den Haag. In een brief aan oud minister J. Loudon (1866-1955) gaf hij zelfs al aan waar: „Ik stel het mij zoo voor, dat in Den Haag voor den Volkenbond een bepaald terrein zoude kunnen worden aangewezen en mijn eerste indruk is dat b.v. het terrein tusschen Oost-Duin en Klingendaal enerzijds, en het Haagsche Bosch anderzijds, als internationale wijk niet ongeschikt zou zijn“. Nederlandse diplomaten die in Parijs deze gedachten uitzetten kreeg er weinig handen voor op elkaar. Zowel Britten als Fransen meenden dat de Volkenbond in Den Haag te zeer in een pro-Duitse sfeer zou komen. Andere kandidaten waren Brussel en Geneve. Op 11 april 1919 viel de beslissing; met twaalf van de achttien stemmen kreeg Geneve de Bondszetel. De overige stemmen waren voor Brussel geweest. Wel kreeg Nederland enige hoge posten binnen de Volkenbond te vervullen, prof. J.A. van Hamel, die als zeer anti-Duits bekend stond, werd in juli 1919 hoofd van het juridisch departement van het secretariaat. Een ander goedmakertje kwam in 1921, toen de Volkenbond besloot het internationale hof van justitie in Den Haag te vestigen onder een Nederlands president (B.C.J. Loder 1849-1935). Dit deed het imago van de Volkenbond in Nederland veel goed. Maar meer nog dan de locatie was voor Nederland van belang dat de Volkenbond geen „club van overwinnaars“ werd en de rol die de neutralen er in konden spelen. In januari 1920 legde de regering het voorstel tot lidmaatschap aan het parlement voor. Toetreding zou inderdaad betekenen dat de strikte neutraliteit van voorheen tot het verleden behoorde en ook andere onvolkomenheden verhulde de regering niet; er was geen verplichte arbitrage, er kon doortocht aan bondscontingenten over Nederlands gebied verleend moeten worden en kleine landen hadden weinig invloed in de Volkenbondsraad, het dagelijks bestuur. Hiertegenover stonden het verbod op onverhoedse aanvallen en de garantie van onschendbaarheid van territoir en de hoop dat dit de aanzet was tot een wereldorde, bepaald door recht in plaats van macht, toch een oud Nederlands ideaal. In de Kamer liepen de emoties, ondanks het gewicht van het vraagstuk, niet erg hoog op. Er was weliswaar twijfel als het ging om het prijsgeven van de traditionele neutraliteit, om gedwongen deelname aan economische sancties, om de beperktheid van het aantal Staten dat deelnam, om de nauwe koppeling met het bekritiseerde vredesverdrag, enzovoort, maar doorslaggevend was die twijfel niet. Er heerste instemming met het regeringsstandpunt dat Nederlandse eenheden niet zonder toestemming overal ter wereld ingezet konden worden en begrip voor de opvatting dat Nederland er, alles afwegende, beter aan deed deel te nemen dan aan de zijlijn te blijven staan. De Tweede Kamer nam het verdrag met slechts vijf tegenstemmen, voornamelijk van extreem linkse zijde, aan.

Reacties op het Vredesverdrag

Uit een artikel in „Het Volk“ over de vredesbepalingen, bleek wel dat er wat betreft de kwesties van de uitlevering van de Duitse keizer, de Belgische territoriale eisen en de oprichting van de Volkenbond, van Nederlands enthousiasme over de onderhandelingen in Parijs nauwelijks sprake was. Hoe reageerde de overige pers en de politiek op het vredesverdrag.
Een genuanceerd standpunt kwam, verrassend genoeg, van „De Telegraaf“. Deze krant bracht onder de aandacht dat van de overwinnaars moeilijk iets anders verwacht kon worden dan Duitsland te straffen, maar dit diende men te relativeren, omdat vanuit de nu bereikte situatie er legio mogelijkheden waren een nieuw Europa te bouwen gebaseerd op samenwerking in plaats van haat en vanuit zo’n positieve houding zou ook Nederland zijn steentje moeten bijdragen. Ook „Het Nieuws van de Dag“ wees er op dat, ondanks dat Duitsland het mes op de keel gezet is, blijdschap over de vrede moest overheersen. De protestante „Standaard“ sloeg een heel andere toon aan. De krant sprak van machtsmisbruik door de Entente, van de executie van Duitsland door de beul Frankrijk. „Van een oefening van recht en gerechtigheid is hier geen sprake; het is de door niets meer te stuiten overmacht, die Duitsland verplettert“ schreef de krant op de dag dat in Versailles de handtekeningen werden gezet. „Het lot dat Duitsland treft is demonisch hard en de Entente zal het zich later genoeg berouwen , dat ze zo noodeloos, ruw en wreed het mes er in zette“. Maar niet alleen angst voor de toekomst vervulde de krant, ook conflicten tussen de VS en Japan en tussen Groot Brittannie en Frankrijk achtte ze zeer wel mogelijk. „De Loods“, het periodiek van de liberale Economische Bond, probeerde een iets objectiever standpunt in te nemen. Weliswaar was het een afgedwongen vrede,maar was er een alternatief? Het was de enige manier om de verhoudingen duurzaam te herstellen en de harde financiële eisen aan Duitsland waren te rechtvaardigen, als men in beschouwing nam welke verwoestingen de oorlog in België en Frankrijk hadden aangericht. En met de Duitse koloniën onder Volkenbondsgezag was het, volgens „De Loods“, niet uitgesloten dat na enkele jaren van goed gedrag deze weer aan Duitsland zouden worden teruggegeven. Dat was de hoop die deze liberalen koesterden; na een periode van streng optreden tegen Duitsland zou zeker versoepeling volgen en dan zag de toekomst er weer zonnig uit, want, zo stelde de krant vast, het Duitse volk was taai, energiek en productief en, zo had de oorlog aangetoond, in noodsituaties bereid sober te leven, Met deze eigenschappen was herstel slechts een kwestie van tijd. Reden tot feest gaf de vrede dus niet, de tijd van ontwapening en eeuwige vrede was zeker nog niet aangebroken, maar de internationale handel kon zich herstellen en dat was het beste waarop Nederland kon hopen. Ondernemers als Heldring en F.H. Fentener van Vlissingen (1882-1962) directeur van de Steenkolen handles Vereniging, waren echter minder positief. Heldring sprak op 25 juni over „een schandelijk en onuitvoerbaar vredesverdrag dat Europa in onrust zal houden“ en Fentener van Vlissingen wees op de schadelijke effecten van de economische verwoesting van Duitsland waartoe de eisen van de Entente leidden.

Protest

De afdeling Den Haag van de SDAP hield op 19 juni 1919 een protestmeeting tegen de „geweldvrede“, zoals „Het Volk“ de uitkomst van Versailles voortdurend noemde. Vooraanstaande socialistische sprekers als J. van de Tempel, Troelstra en Albarda wezen op de beschamende wijze waarop met Wilsons veertien punten was omgegaan, op de verarming van Duitsland -met alle nadelige gevolgen voor de Nederlandse arbeiders van dien- en op de onterechte afname van gebieden. Albarda zweepte de aanwezigen op door te stellen dat de „vredesvoorwaarden ingegeven zijn door het Entente-imperialisme van het ergste soort door den wensch de Duitse welvaart te vernietigen“. In deze geest bleef de socialistische pers schrijven. Een laatste voorbeeld, uit de krant van 28 juni: „Het vredestraktaat, beheerscht door de nationalistische machtsbegeerte der overwinnaars, door vrees en haat jegens de overwonnenen, bezegelt de verminking van het Duitsche volk tot aan de grens van vernietiging“.
Voor de Volkenbond kon „Het Volk“ dan ook weinig mooie woorden vinden; het was geen organisatie waar de arbeiders veel heil van te verwachten hadden; dat hadden ze alleen van de socialistische internationale, die nu, meer dan ooit, nodig was.
Kijken we tenslotte naar de lokale pers, dan bevestigt dat het landelijke beeld. De liberale Bredasche Courant, wees op het gevaar dat een verzwakt Duitsland geen buffer voor het Bolsjewisme kon zijn en dat de Entente Duitsland een vrede had beloofd op basis van Wilsons veertien punten, maar in de praktijk wraak nam op zulk een wijze dat de Duitsers zich wel verraden moesten voelen. 25 miljoen Duitsers kwamen nu onder vreemde heerschappij te leven; dat was niet in overeenstemming met het zelfbeschikkingsrecht De enige onderdelen van de vredesbepalingen waarvoor de krant sympathie kon opbrengen, waren de afscheiding van Elzas-Lotharingen en de herstelbetalingen aan België en Frankrijk. Fel was de krant gekant tegen de gedwongen afstand van de koloniën; herstel van de Duitse economie werd zo onrechtvaardig zwaar op de proef gesteld. Het eindoordeel van deze krant was enerzijds vernietigend; „(De vrede) is een demon, die de zaden strooit voor nieuwe onheilen, nieuwe rampen en nieuwe ellende. Hij is een machtsvrede, een imperialistische vrede, waarbij vergelding en vreselijke wrake de leidende gedachten waren. Hij is een vrede die de kiemen tot een nieuwe oorlog en nieuwe broederstrijd in zich draagt“. Maar anderzijds kwam bij de commentator ook het aloude liberale vooruitgangs-optimisme weer boven, want, nu er vrede was, was ook productieve arbeid weer mogelijk en daarmede vooruitgang end daarmee, laten we het hopen, betere verhoudingen tussen de volkeren waardoor de gedachten aan een nieuwe oorlog verstikken.
Het „Katholieke Dagblad voor Noord Brabant“ zag de vrede ook somber in. Het Duitse volk, dat gehoopt had op een rechtvaardige behandeling, was verraden en geamputeerd en aan een wereldvrede onderworpen die het zou uitputten en verarmen. Voor deze krant was de toekomst hiermede dan ook duidelijk; „wee de machthebbers van heden. Hun namen zullen door de volgende geslachten met bloed worden geschreven in de ongelukkige geschiedenis van het oude en nooit lerende Europa“.
Het mag, de stemming in Nederland zo peilende geen verbazing wekken dat de regering formeel het verzoek deed geen feestelijkheden ter ere van de vrede te organiseren.

Defensie na Versailles

Los van de overwegend negatieve beoordeling van de vrede , heerste alom het besef dat de geschiedenis van Europa, en misschien wel van de wereld, met het einde van de Eerste Wereldoorlog een nieuwe fase was ingegaan. Niets zou meer zo zijn als het was en zeker gold dat op het terrein van de defensie. De politieke kaart van Europa was danig veranderd; de oude potentieel vijand aan de oostgrens was verslagen en ontwapend; er stond een nieuwe internationale orde in de steigers in de vorm van de Volkenbond, maar gevaar loerde nog van alle kanten. Na de traumatische ervaring van een socialistische revolutiepoging in Nederland in november 1918 was het nog maar zeer de vraag of dit gevaar definitief geweken was. Midden en Oost Europa gistten nog en de nieuwe Duitse republiek leek verre van stabiel; zou de revolutie opnieuw bij Zevenaar stoppen?
Nog los van deze internationale ontwikkelingen, was het duidelijk dat de krijgsmacht niet op de oude voet kon blijven voortbestaan, democratisering en hervorming waren de termen op ieders lippen, maar wat betekende dat in de praktijk? De Harskamp-rellen van oktober 1918 en de beelden van muitende soldaten in Duitsland gaven aan, dat de oude tijden voorbij waren en wat te denken van de modernisering van de oorlogvoering zelf?

straatgevechten in Berlijn, spartacisten
straatgevechten in Berlijn, spartacisten

De laatste fase van de Eerste Wereldoorlog had de komst van de technologische oorlog ondubbelzinnig laten zien; het was de oorlog van de tank, het vliegtuig, de pantserauto, de radiocommunicatie, gemotoriseerd transport etc.etc. Was dit nog een oorlog die Nederland kon voeren, zeker nu de noodzaak om op defensie te bezuinigen alom gevoeld werd?

Het was in deze periode van onzekerheden dat het roer van Defensie was toevertrouwd aan George August Alexander Altin von Geussau, een 54 jarige katholieke luitenant-kolonel buiten dienst, die in de voorafgaande jaren zijn sporen verdiend had als directeur-generaal posterijen bij de PTT, een functie die lange tijd door voormalige officieren werd vervuld. In de politieke arena was hij een onbekende. Hij kreeg de taak te bepalen hoe het leger zich aan de nieuwe tijd zou moeten aanpassen, maar juist vanwege de vele onzekerheden wilde de minister nog geen radicale keuzes maken. Dat schoot bij een aantal kamerleden in het verkeerde keelgat.

In februari 1919 wijdde de Kamer zich aan de toekomst van de landmacht en werd het palet aan opvattingen duidelijk. J.B.Bomans. een wat excentrieke partijgenoot van de minister, pleitte voor opheffing van de marine voor een „waarachtige volksweer zonder zweem van militarisme“. Hij ging hiermede terug naar een al wat ouder ideaal waarvan een korte oefentijd in de kazerne en een zo klein mogelijk aantal beroepsofficieren karakteristieke elementen waren. Dit zogenaamde volksleger naar Zwitsers model werd omstreeks 1900 al bepleit als goedkoper en minder militaristisch alternatief voor het traditionele kader-militieleger zoals de grote mogendheden dat hadden. Nederland was nu eenmaal geen grote mogendheid en moest daarom geen duur militair establishment onderhouden. Nieuw was dat Bomans nu, naast het militieleger een klein politieleger bepleitte van langverbandvrijwilligers ter handhaving van de interne rust en orde. De herinnering aan november 1918 lag nog vers in het geheugen. Bomans meende dat zijn organisatieplannen tot een aanzienlijke bezuiniging zou leiden.
R.R.L. de Muralt, een liberaal, deelde Bomans ideaal wel, zij het voor de toekomst, want met de Belgische annexatie-eisen kon men maar nooit weten. Voor de korte termijn legde dit Kamerlid het accent op de democratisering van de verhoudingen binnen het leger. Hij verstond hieronder de opheffing van verouderde voorschriften, de officiersopleiding meer in contact brengen met de burgermaatschappij, beperking van de groetplicht en meer vrijheid van meningsuiting voor militairen, Alleen dan kon door de moderne verhoudingen een betrouwbaar leger ontstaan.
Zijn collega W. Wijk,*2) deelde deze analyse. „Ons leger is conservatief en achterlijk in vele opzichten en dat is de oorzaak van velerlei kwaad (,..) de doodende geest van het conservatisme, van sleur, van laat maar waaien systeem is de oorzaak van de ellendige toestanden in de kazernes…“ De oplossing zag hij in een modernisering van de militaire rechtspraak, een verkleining van de kloof tussen officieren en minderen en een beter aan de tijdgeest aangepaste officiersopleiding. Wijk zag, evenals Bomans en De Muralt, een toekomstig leger meer gebaseerd op dienstplichtigen en reservisten dan op beroeps, maar waarschuwde wel tegen ingrijpende bezuinigingen op korte termijn, want zelfs met een Volkenbond was een toekomst van eeuwige vrede slechts een droom.
De anti-revolutionair J.G. Scheurer wilde zelfs nog niet denken aan bezuinigingen. Met een externe vijand (België) en een interne (de socialisten en communisten) leefden wij immers op een vulkaan. Er moest voldoende kracht zijn om het „monster der revolutie met een krachtigen slag bij zijn eerste optreden den kop te vermorzelen“.
De sociaal-democraat K. ter Laan wees op een ander probleem; de snelle wapentechnische vooruitgang was voor Nederland niet langer bij te houden; nu al, zo becijferde hij, kostte de landmacht ieder Nederlands gezin f 30, - per jaar, dat was onacceptabel veel. Zijn stelling was dan ook dat de mate waarin Nederland zich bewapende irrelevant was. „Wij konden toen (augustus 1914) niet ons land verdedigen en kunnen het ook nu niet. Wij kunnen het nooit. Al geven wij nog veel meer geld uit, de tegenwoordige eischen van de techniek gaan nu eenmaal ver boven onze kracht. En daarom zeg ik dan ook; liever geen leger dan een schijnleger“.
A.P. Staalman, een zich Christen-democraat noemende eenmansfractie, afgescheiden van de ARP, pleitte voor een politieleger van vrijwilligers, omdat ook hij verzet tegen een buitenlandse vijand niet langer haalbaar achtte. Hij geloofde in de beschermende kracht die van de Volkenbond moest uitgaan. Zelfs was hij bereid Nederlandse troepen internationaal in te zetten om Volkenbondseisen af te dwingen.
Tenslotte nam de vrijzinnig-democratische voorman H.P.Marchant het woord. Hij onderschreef het argument van Ter Laan dat een zelfstandig leger voor kleine landen, gezien de technische vooruitgang, tot het verleden behoorde. De snelle vooruitgang van de techniek maakte dat onbetaalbaar. Nederland moest zich daarom militair bescheiden opstellen en zich aanpassen aan de nieuwe tijd. In de praktijk betekende dit volgens Marchant zowel een binnenlands politieleger, voortkomend uit de marechaussee, de burgerwachten en de vrijwillige landstorm als een bijdrage leveren aan een internationale politiemacht in het kader van de Volkenbond.
Dit ging de minister veel te ver, zeker op dat moment. Weliswaar wilde hij bezuinigen en democratiseren, maar niet nu de situatie in Europa nog zo ongewis was. Hij wees er op dat hij in de officiersopleidingen al aanpassingen bevolen had, meer praktijkgericht, minder wiskunde en meer militaire pedagogiek, maar voor ingrijpende aanpassingen was het nog te vroeg. In ieder geval wees hij het verzoek, de cavalerie af te schaffen, veelal gezien als een duur wapen en behorende bij een traditionele en op de grote mogendheden gebaseerde legerinrichting, met kracht van de hand. Juist voor de handhaving van de binnenlandse rust en orde achtte de minister de cavalerie geschikt. „Iedereen zal moeten toegeven dat het optreden tegen roerige volksmenigten liefst zo weinig mogelijk slachtoffers moet eischen en de ondervinding leert dat dan een cavalerie charge vrijwel pijnloos verloopt, terwijl een infanterie salvo dadelijk een veel ernstiger karakter aanneemt“.

Oorlogsbegroting

Op 7 maart 1919 nam de Tweede kamer de oorlogsbegroting aan. 24 leden stemden tegen; dat waren de sociaal en vrijzinnig democraten. Wel kreeg een motie van Bomans, die op omvangrijker bezuinigingen aandrong, een meerderheid achter zich. Alting legde deze naast zich neer maar de toon was gezet. In april was de Eerste Kamer aan de beurt. Oud minister H.P. Staal *3) achtte het gezien de onzekerheid van de tijden verstandig dat met bezuinigingen nog even gewacht werd. Wel zag ook hij het probleem van de hoge kosten van moderne legers. Moest er een keuze gemaakt worden, dan zou hij voor mensen kiezen; dat hield een systeem van algemene dienstplicht in zoals in Zwitserland of zoals socialisten als Jean Jaures beschreven hadden. Als dienstplichtigen en reservisten de kern van het leger vormden, dan maakte Staal zich geen zorgen om het democratisch gehalte. Dan ook was er geen sprake van een geïsoleerde officierskaste. Voor de officiersopleiding was ook hij voorstander van meer opleiding direct bij de troep; daar vond de ware vorming plaats. De minister ging een eind met Staal mee. Alting meende dat het toekomstige Nederlandse leger ergens tussen algemene dienstplicht en een klein politieleger zou liggen, maar dat het nu nog te vroeg was voor ingrijpende keuzen. Wel had de minister reeds officieren naar Zwitserland en Denemarken gestuurd om inspiratie op te doen. Hoewel in de Eerste Kamer ook kritiek kwam op het uitblijven van bezuinigingen, kreeg de minister opnieuw het voordeel van de twijfel maar een jaar later was de welwillendheid van de kamerleden toch wel verdwenen. De minister verhoogde de begroting voor 1920 in plaats van deze te verlagen en de meer specifieke uitwerking van zijn toekomstplannen waarmede hij in november 1919 kwam, overtuigde niet. Alting stelde toen dat hij bezuinigen wilde door inkorting van de periode van eerste oefening, uitbreiding van de marechaussee ten koste van dienstplichtigen en vereenvoudiging van de oorlogsorganisatie en een aanzienlijke inkrimping van de landweer. Maar het was te weinig, te laat. Toen in januari 1920 de Kamer opnieuw sterk aandrong op bezuinigen, hield de minister het voor gezien. Voor zo’n uitgeklede begroting wilde hij geen verantwoordelijkheid dragen en hij bood dan ook zijn ontslag bij de koningin aan. Als lid van de Algemene Rekenkamer zou Alting zijn verdere Haagse jaren slijten.

Maatregelen tegen een Eventuele Revolutie

Uit de politieke beraadslagingen over defensie aangelegenheden blijkt dat meer dan in enige voorgaande periode , de aandacht uitging naar de rol van de krijgsmacht bij interne ordehandhaving. Niet alleen sidderde Nederland nog na van de schrik van november 1918, velen achtten de kans nog steeds aanwezig, mede gelet op de onrust over de oostgrens, dat het revolutiespook opnieuw zijn kop zou opsteken. In maart 1919 bijvoorbeeld was door het leger tot verscherpte bewaking van de oostgrens overgegaan om acties van Spartacisten en Bolsjewieken te verijdelen. Bij Coevorden en Almelo werd in april de toegang tot Nederland voor auto’s zelfs onmogelijk gemaakt. De drie nieuwe loten aan de krijgsmachtstam, al vielen ze niet alle drie onder „Oorlog“, waren dan ook nauw met de angst voor een gewelddadige linkse machtsovername verbonden.
De politietroepen waren afkomstig van de in de laatste jaren van de mobilisatie opgerichte legerpolitie. Deze legerpolitie moest de marechaussee van politiediensten binnen de krijgsmacht ontlasten. Aanvankelijk was de opzet dat deze troepen met beëindiging van de mobilisatie weer zouden worden opgeheven, maar dat gebeurde niet. Juist na november 1918 wilden de militaire autoriteiten over voldoende troepen kunnen beschikken om snel en krachtig binnenlandse onrusten de kop in te kunnen drukken. Aanvankelijk ging de gedachte uit naar uitbreiding van de marechaussee, maar het korps stribbelde tegen. Generaal-majoor G.A. van Haeften meende dat een snelle uitbreiding ten koste van de kwaliteit zou gaan en hij was niet erg gecharmeerd van de nadruk die de minister legde op de repressietaak. Uit deze discussie kwam voort dat de legerpolitie in juni 1919 overging in het Korps Politietroepen, grotendeels betaald uit de begroting van Justitie, met als hoofdtaak de bestrijding van binnenlandse onrust. Commandant werd luitenant-kolonel J.G.C. Vermeulen. De meeste aandacht besteedde het Korps de eerste jaren van zijn bestaan, aan grensbewaking, bewaking van ongewenste vreemdelingen en militaire bijstand. Het eerste grote conflict waarbij de politietroepen als herstellers van de openbare orde ingezet werden, vond overigens pas in october 1929 in Maastricht plaats. Het Korps Politietroepen kon snel in relatief grote aantallen ingezet worden, het had daarmee een streepje voor op de Bijzondere Vrijwillige Landstorm, een volgend product van de novemberdagen van 1918. De Landstorm was sinds 1913 het onderdeel waarin de oudste dienstplichtigen opgeroepen konden worden. Deze had sinds de mobilisatie ook een vrijwillige component, die in 1918 6000 man telde. De Bijzondere Vrijwillige Landstorm ontstond op 13 november 1918 ten gevolge van een oproep van het lid van de Tweede Kamer voor de ARP, L.F. Duymaer van Twist, betrouwbare dienstplichtigen die met groot verlof waren, op te roepen vrijwillig onder de wapenen te komen om in Den Haag en Rotterdam, de revolutie te keren. Op 14 november waren er reeds 600 vrijwilligers uit Friesland in Den Haag aangekomen. De volgende dagen groeide dit aantal sterk. Nog in november 1918 werd deze organisatie geformaliseerd en opengesteld voor alle oud-dienstplichtigen. In 1919 steeg het aantal vrijwilligers van 20.000 tot meer dan 40.000. De eerste officiële mobilisatie van de BVL vond plaats in maart 1920 toen in de Achterhoek, bij s-Heerenberg een inval van Duitse Spartacisten gevreesd werd. Op dat moment was de Reichswehr in Wesel in felle gevechten gewikkeld met communistische opstandelingen en het gevaar was niet denkbeeldig dat de strijd zich op Nederlands grondgebied zou voortzettten.
De laatste militaire erfenis van 1918 was de „Burgerwacht“. Dit waren lokale groepen van gewapende burgers, in beginsel dienstplichtigen ouder dan 30 jaar, vallend onder het ministerie van Binnenlandse Zaken. Hun taak was op lokaal niveau de politie bij te staan bij ernstige ordeverstoringen.
De definitieve defensiehervorming vond pas in 1922 plaats. Ze was een product van twee anti-revolutionaire; minister van Oorlog J.C.C. van Dijk en partijleider H. Colijn. Het ligt buiten het bereik van dit artikel nader hierop in te gaan.

CONCLUSIE

Nederland was weliswaar geen participant bij de Vrede van Versailles maar de betrokkenheid was desalniettemin groot. De veranderingen in Europa waren in de jaren 1918-1919 op politiek en militair terrein zo overweldigend en de toekomst zo ongewis, dat Nederland zich alleen al hierom niet langer de afzijdigheid van voorheen kon veroorloven. De omstandigheden dwongen tot heroriëntatie op essentiële onderwerpen als neutraliteit en de rol en vorm van de krijgsmacht. Dat niets bij het oude zou blijven was duidelijk, maar de contouren van de toekomst waren nog vaag. Daarentegen lag voor de krijgsmacht een drietal vraagstukken wel duidelijk op tafel; interne democratisering, de rol bij interne ordehandhaving en de vraag in hoeverre voorbereiding op de moderne, technologische oorlog voor een land als Nederland nog een wenselijke weg was.
De vrede van Versailles had in Nederland een slechte pers en de betrokkenheid van Nederland bij de Parijse onderhandelingen ten gevolge van toelating van de Duitse keizer en de Belgische annexatie-eisen leek zelfs nieuw onheil af te roepen. Toch was op beide punten de uitkomst vanuit Nederlands oogpunt gezien bevredigend. Hiervoor verdient minister Van Karnebeek terecht lof. Ook bewerkstelligde hij een werkbare symbiose van het Volkenbonds-lidmaatschap met handhaving van traditionele politieke en militaire afzijdigheid.

LITERATUUR

Beunders, H.J.G., „De buitenlandse politiek van Nederland 1918-1924“ in N.C.F. van Sas (ed.) De kracht van Nederland. Internationale positie en buitenlands beleid Haarlem 1991.
Bijkerk, R.P.F., „Nederlands defensiebeleid in de jaren 20“ Militaire Spectator 164 (19950 90-96
Coolsaet,R., „België en zijn buitenlandse politiek 1830-1990“. Leuven 1998
Does, J.C. van der (e.a), „Als ‘t moet. November 1918 en de Bijzondere Vrijwillige Landstorm“ Den Haag 1959
Hellema,D., „Buitenlandse politiek van Nederland“ Utrecht 1995
Jonge, W.A.de., „Wilhelm II“ z.p. 1986
Leeuw, A.S.de., „Nederland in de wereldpolitiek van 1900 tot heden“ Zeist 1936
Oud,P.J., „Het jongste verleden. Parlementaire geschiedenis van Nederland 1918-1922“ Assen 1968
Schuursma,R.L., „Het onaannemelijk traktaat“ Groningen 1975
Smeets, J.P.E.G., „Het Korps Politietroepen 1939-1940“ z.p.1997
Smit,C., „De buitenlandse politiek van Nederland ll. Het Koninkrijk der Nederlanden Den Haag 1945.
Smit,C., „Hoogtij der neutraliteitspolitiek. De buitenlandse politiek van Nederland 1899-1919“ Leiden 1959.
Smit, C., „Bescheiden betreffende de buitenlandse politiek van Nederland, 3e periode, 5e deel, 2e stuk 1917-1919’ Den Haag 1964.
Vandenbosch,A., „Dutch foreign policy since 1835“ The Hague 1959.
Vries, J., „De herinneringen en dagboek van Ernst Heldring 1871-1954“ Groningen 1970.

NOTEN

*1) De Eerste Kamer verwierp het wetsontwerp in 1927. Pas in 1963 kwam er een Nederlands-Belgische verdrag over deze problematiek.
Het internationale overleg (commissie van veertien) over de herziening van het traktaat dat op basis van de besluiten in Parijs moest plaatsvinden, begon in juli 1919 en liep in maart 1920 stuk op de kwestie van de Wielingen.(toegang tot de Westerschelde). België sloot zich in september 1920 militair bij Frankrijk aan; Hiermede kwam automatisch een einde aan de gegarandeerde Belgische neutraliteit zoals deze in 1839 was vastgelegd. In het verdrag van Versailles was opgenomen dat Duitsland akkoord ging met de herziening van het verdrag van 1839 (art 31) en geen bezwaar maakte tegen de aanleg van een kanaal vanuit België over Duits grondgebied naar de Rijn. (art.361)
*2) Eenmansfractie onder de naam „Verbond tot democratisering der weermacht“.
*3) Liberaal afgevaardigde voor Noord Holland

overzicht: