De Navy van Nelson tot Churchill / Fisher en Beatty

door: Jeannick van Gansbeke

 

Napoleon had als eerste Engelsen geïnterneerd omdat de Britse Navy zonder oorlogsverklaring schepen had geconfisqueerd. Iedereen in Engeland én Duitsland verwachtte in 1914 een herhaling van de Napoleontische oorlogen, waarbij de blokkade het Engelse aandeel in de overwinning zou zijn. Totale oorlog en uitbanning van alle oorlog waren intiem verbonden ideeën van de Verlichting. Tegelijk mobiliseerde de Franse revolutie alle burgers voor een oorlog die een einde zou maken aan alle oorlogen. Kortom, de militair verloor het recht zijn beroep uit te oefenen en wie een oorlog begon werd een crimineel. C. Hamilton onderzocht nu de relatie van één bepaalde groep militairen, de admiraliteit van de Britse Navy, tot de politieke overheden en illustreert hiermee perfect de theorie.

 

De auteur onderscheidt vier periodes: van 1805 tot 1835, van 1835 tot 1868, van 1868 tot begin 20ste eeuw en tenslotte de 20ste eeuw.

 

De eerste fase wordt gedomineerd door figuren als lord Barham en John Barrow, de tweede secretaris van de admiraliteit. Zij schreven elllenlange memoranda om Pitt en zijn regering te overtuigen van hun strategie om Napoleon te doen afzien van een poging tot invasie. Geen informele contacten of intriges maar overtuigende, uitgeschreven argumenten waren toen de norm.

 

In de tweede fase onder Lord Graham werd de oppositie en het parlement meer betrokken bij de besluitvorming. Informele contacten wonnen aan belang. De derde fase institutionaliseerde de Navy. De lords en officieren aan het hoofd kregen nu complete secretariaten tot hun beschikking. De vlootbouw werd nu een heuse industriële lobby. In die laatste fase was de politisering het grootst.

 

In 1911 brak de crisis uit rond de Marokkaanse haven Agadir. Minister van Buitenlandse Zaken Grey was enerzijds voorstander van het sturen van de Navy naar Marokko (Agadir, eventueel Mogador, nu Essaouira) om de Britse belangen te verdedigen, en met steun van de eerste minister ging dan ook een bevel naar de Navy admiraliteit om het overbrengen van troepen naar het continent voor te bereiden (p. 227). Anderzijds schreef hij op 1 augustus aan de Duitse ambassadeur dat het Verenigd Koninkrijk zich tevreden zou stellen met Katanga en een strook in Oost-Congo die de Kaap-Caïro spoorlijn mogelijk maakte. Hij zou Duitsland geen obstakel in de weg leggen wanneer het een plek onder de Afrikaanse zon wilde, verklaarde hij op 28 november in het Lagerhuis. Op 20 december legde hij de Duitse ambassadeur uit dat Duitsland gebied in Afrika van de oostkust tot de westkust mocht bezitten, wat hem betrof. Grey zou hoe dan ook de Navy niet hebben kunnen inschakelen want het kabinet stond niet achter hem, maar de perscampagne van vooral The Times verhinderde de grootmachten om onder elkaar een deal te treffen. Brieven van humanitaire Congo activist E. Morel aan Grey waarin hij pleitte voor een internationale conferentie die Congo een nieuw statuut zou geven, bleven onbeantwoord. Uit schrik België tegen zich in het harnas te jagen, kwamen Britten en Duitsers niet tot een akkoord.

 

De Britse Navy drong er bij haar regering op aan, niet werkeloos toe te zien hoe de Duitsers de Belgische kust zouden bezetten en was in staat het Indische leger onmiddellijk in stelling te brengen om ingezet te worden, niet enkel bij Ieper ter verdediging van de Kanaalhavens maar met name ook tegen de Duitse kolonies.

 

De conservatieve oppositie had daar steeds nadruk op gelegd en had ook sir John Arbuthnot Fisher, (1841-1920), hoofd van de Navy als First lord van 1904 tot ‘10 en in 1914-‘15,  steeds krachtig ondersteund. Die First Sea Lord schreef al tijdens de eerste Marokkocrisis aan Lord Landsdowne: ‘Of course I don’t pretend to be a diplomat, but it strikes me that the German Emperor will greatly injure the splendid and growing Anglo-French Entente if he is allowed to score now in any way – even if it’s only getting rid of M. Delcassé’.Dat sloot naadloos aan op de strategie van Duitsland om wat de Britten aanvankelijk ‘the European War’ noemden uit te breiden tot wat zij zelf al snel de ‘Weltkrieg’ noemden. Door Afrika en het Midden-oosten in het conflict te betrekken, konden Britse reserves weggehouden worden uit Europa. Dat werd mogelijk door het falen van de Britse vloot in het begin van de oorlog. De beschamende improvisatie en mislukkingen in het begin van de Boerenoorlog waren het gevolg van gebrek aan planning. Fisher kreeg daarna de taak dit euvel te verhelpen (p. 222). Toenemende professionalisering bij benoemingen en toename van planning vergrootte op zijn beurt weer het gewicht van de Navy op de politieke besluitvorming.

 

De regering Asquith besloot op aandringen van de Navy tot oorlog in de koloniën en vermoedde zo een onderpand te kunnen veroveren dat geruild kon worden tegen ontruiming van België. Nog in 2005 acht de Belgische historicus Vellut het nodig de ‘mythe’ te ontkrachten dat Duitsland en niet het Verenigd Koninkrijk de oorlog in Afrika op gang bracht. Concreet vielen echter de Britten wel de Duitsers aan, maar die vielen dan weer de Belgen aan in hun stuk Afrika. In de meest recente Britse geschiedschrijving liggen eerste minister Asquith en zijn buitenlandminister Grey weer onder vuur voor wat sommige auteurs zien als het opofferen van de belangen van het ‘empire for a continental commitment’. Het betreft conservatieve historici die de pro-Europese liberale traditie in de Engelse politiek willen bestrijden. Merkwaardig genoeg blijken zij in zekere zin de erfgenamen van Morel en die Britse liberalen die voor een samenwerking tussen Duitsland en het Verenigd Koninkrijk waren een eeuw geleden, en toen de liberale regering van Asquith hen teleurstelde, zich tot Labour hebben gewend ([1]). Alleen Frankrijk en België hadden geen keus, zij werden aangevallen. Dit gunstige uitgangspunt voor Frankrijk werd ook door de Britten gebruikt.

 

De economische macht van de Navy groeide na het uitbreken van oorlog, door het plaatsen van bestellingen en de controle over de uitvoering ervan. Het aantal contracten nam enorm toe. Dit leidde op zijn beurt weer tot grotere invloed op het buitenlandse en sociale beleid. Er was zelfs sprake van nauwere samenwerking met het Foreign Office dan met het landleger. Toen er hiertegen verzet groeide, werd een apart ministerie van blokkade opgericht, dat weliswaar samenwerkte met Buitenlandse Zaken, maar er toch grote invloed op uitoefende (p. 226-246).

 

Asquith was als parlementair verbonden met de Imperial Liberals van Rosebury, maar toch aanvaardbaar voor de radicale vleugel van de partij. Als eerste minister had hij de imperialist Lord Crewe op het Colonial Office benoemd. Daarom was hij genoodzaakt Lloyd George die het voor de Boeren had opgenomen en daarom de kampioen van de radicalen was, steeds mee te promoveren. Als minister van financiën overtuigde die de radicalen de partij niet in twee te breken door hun verzet tegen de dure vlootbouw. Hij kloeg wel dat hij buiten de diplomatieke beslissingen werd gehouden. Misschien was zijn forse tussenkomst in de Agadircrisis minder een statement over de Britse buitenlandse politiek dan over zijn plaats in het kabinet? In elk geval vernam Lloyd George net als Churchill pas in 1911 iets over de legerbesprekingen met de Fransen. Beiden werden daarna warlike elements en Asquith raakte al in de Ierse crisis, net voor de oorlog, zijn gezag kwijt. Met de coalitieregering in 1915 was hij zelfs niet meer op de hoogte van alle strategische beslissingen, getuigde kabinetssecretaris Hankey. Het gat werd o.a. opgevuld door een hyperactieve admiraliteit onder leiding van admiraal Fisher. Hij wilde Duitsland economisch wurgen.

 

Hoewel de blokkade gevaarlijker was voor het industriële Duitsland van Wilhelm dan voor het agrarische Frankrijk van Napoleon, was Engeland eind 1916 op het eigen Empire aangewezen om de bonapartistische grootmacht van een zege af te houden ([2]). De Dardanellen en Jutland hadden het prestige van de Navy ondergraven. Beide kampen wisselden daarom van wapen: Duitsland wilde nu via een zee blokkade de Engelsen op de knieën dwingen, de Britten wilden met hun landleger van 80 divisies in Vlaanderen een beslissing afdwingen.

 

Na de onbesliste zeeslag bij Jutland, werd de voorzichtige admiraal Jellicoe stilaan opzij geschoven voor de veel offensiever David Beatty. De Duitse overgave  in 1918 leidde tot de vernietiging van de Duitse vloot bij Scapa Flow. Van 1919 tot 1927 kwam Beatty daarna aan het hoofd te staan van de Navy die alsnog als overwinnaar uit de oorlog was gekomen.

 

We besluiten. De gestage toename van de invloed op het sociaal-economische en buitenlandse beleid van de Navy kwam tot een hoogtepunt in 1914. Zij hielp van

een Europees conflict een wereldoorlog maken. Toch presteerde de Navy slecht in de eerste oorlogsjaren. Na de oorlog zou het Britse overwicht op de wereldzeeën in Washington op de diplomatieke conferentietafel komen en daar opnieuw betwist worden. Japan en de Verenigde Staten waren nu de voornaamste concurrenten geworden.

 

* C. I. Hamilton  The Making of the modern Admiralty: British naval policy making 1805-1927, Cambridge: university press, 2011, 345 blz.   60 euro

 


[1]    Feit is ook dat Asquith nooit gepoogd heeft zich te verdedigen, zelfs niet in zijn memoires: ‘His manifest failings have received more than their fair share of attention while his achievements have been largely ignored’, schreef de Canadese historicus George Cassar.

[2]    Voor een systematische vergelijking tussen Eerste Wereldoorlog en Napoleontische oorlogen als geboorte van de totale oorlog, David Bell, The First Total War, 2007.

overzicht: