De Mythe van 1918 Hoofdstuk 3

3 DE POSITIE VAN DE GEALLIEEREN AAN HET EIND VAN DE OORLOG

PESSIMISME VIERT HOOGTIJ

Hoe realistisch was het in september 1918 te verwachten dat de geallieerden bereid zouden zijn geweest Duitsland gunstige vredesvoorwaarden aan te bieden? Om dat te kunnen beoordelen dienen we eerst de stand van zaken aan geallieerde kant te onderzoeken. Laten we eens zien hoe het er die laatste oorlogsmaanden met de opmars van de geallieerde legers voorstond.

Vooral uit de Britse literatuur krijgt men vaak de indruk dat die laatste „victorious hundred days” een opeenstapeling van eclatante overwinningen vormden waarbij de geallieerde legers de „Duitse horden” voor zich uitdreven tot aan en voorbij de Duitse grens.

De werkelijkheid was echter geheel anders.

Allereerst valt op dat men niet op de hoogte bleek te zijn van de zeer slechte omstandigheden waarin het Duitse leger verkeerde en erger nog, van de situatie in Duitsland zelf.

#Lloyd George, de Britse minister-president, schreef hierover in zijn memoires:

„It is evident that we had no clear realisation in May of the extent to which the tremendous battles of March and April had crippled the Germans and incapacitated them from organising any further offensives on a scale which even approximated to the magnitude of their attack in the spring. Whilst they were unable to patch up the rents torn in the ranks of their armies, we were under the impression that by withdrawing fresh divisions from Russia they were increasing their strength week by week, and that they would shortly be in a position to launch a greater attack than ever upon the Allied Front. French and English Staffs might differ as to whether the attack would be on the British or French lines, but they were in agreements to the immensity of its scale. Haig reported that he anticipated an attack by about 80 divisions. #Foch did not agree about the locality of the offensive. Sir Henry #Wilson reported ten days later that: „by the second week in June, the Germans would have reached their maximum available force, and might attack with at least 100 divisions which would be a larger force than that took part in the offensive of 21st March”. *31

Deze vrees maakte de geallieerden onzeker, temeer, daar men zelf diep in de problemen zat.

Ook zij waren aan het absolute eind van hun krachten gekomen en voorlopig niet meer tot enig groot offensief in staat.

Dit verontrustte de bevelhebber der Britse troepen in Frankrijk, Sir Douglas #Haig, in hoge mate.

Hij was bevreesd dat Duitsland uiteindelijk toch nog de overhand zou krijgen en van de situatie gebruik zou maken om zijn positie te versterken. De nood aan geallieerde zijde was zo hoog, dat Haig zijn regering adviseerde om Duitsland gunstige vredesvoorwaarden aan te bieden om zo een dreigende nederlaag te voorkomen.*32

Waar was die vrees op gegrond?

Het door Lloyd George geciteerde rapport van Field Marshal Wilson, Chief of the Imperial Defence Staff aan het War Cabinet, werd ondersteund door de uitslag van de gevechten bij de Chemin des Dames, begin juni, waarbij de Duitsers 50 km diep in de vijandelijke linies doordrongen, 2000 machinegeweren, 650 stukken geschut en enorme hoeveelheden munitie buit maakten en 55.000 man krijgsgevangen maakten. (het Duitse leger was toen in werkelijkheid al zeer verzwakt en leed reeds aan alle eerder gemelde gebreken).

Op 8 oktober, tijdens een bijeenkomst te Versailles behandelde men de nota van Generaal Foch waarin deze de voorlopige militaire condities voor een wapenstilstand met de Duitsers had vastgelegd. Deze werden veel te zwaar bevonden. De Brit #Bonar Law was van mening dat de eisen overeenkwamen met het vragen om absolute capitulatie en ook de Italiaanse afgevaardigde, baron #Sonnini, vond dat #Foch zijn hand overvroeg en dat de eisen absoluut niet overeen kwamen met de werkelijke militaire situatie aan het front.*33.

Op 17 oktober 1918, nog slechts drie weken vóór het einde en op de dag van de belangrijke bespreking tussen Ludendorff en de regering te Berlijn, lanceerden de Britten een lokale aanval waarover #Haig rapporteerde dat het hem daarbij was opgevallen dat de Duitsers nog over zeer zware gevechtskracht beschikte en nog lang niet aan opgeven dachten. Hij voegde daar aan toe dat de oorlog z.i nog wel 1 á 2 jaar zou kunnen voortduren. Vooral, als de vijand zich achter z’n eigen grenzen zou terugtrekken (hetgeen men inderdaad van plan was) en de Duitse bevolking de legerleiding zou blijven steunen. (hetgeen achteraf dus niet het geval bleek te zijn).

Dit pessimisme van Haig was opvallend omdat de geallieerden toch duidelijk het initiatief hadden genomen en dagelijks flinke vooruitgang boekten. Eind september hadden ze zelfs de altijd onneembaar geachte Hindenburglinie doorbroken waardoor de Duitsers toch tot een algehele terugtocht gedwongen werden.

Vanwaar dan toch dit pessimisme?

Haig’s twijfel aan de mogelijkheid de strijd nog voort te kunnen zetten moet gezocht worden in het feit dat de geallieerde verliezen in de maand oktober wederom zo enorm waren dat gevreesd werd dat vervanging hiervan niet meer mogelijk was. Reeds tijdens het Duitse maartoffensief was het aanvullen van de enorme verliezen aan manschappen en materieel al een probleem geworden.

Lloyd George schreef hierover:

„The course of the fighting in the March offensive made it clear that our losses could not be made good by reinforcements. So, in April, certain regiments of mounted rifles were broken up and in May, two divisions were placed at the disposal of the Army Group to be broken up and distributed between the other divisions. In spite of this, we were unable in April and May to fill up the gaps and to maintain our attacking divisions at full strength. The average field strength of the battalions, which at the end of February still amounted to 807 men, had sunk by the end of May to 692 men.”*34.

Evenals bij de Duitsers.moesten ook de Britten hun bataljons noodgedwongen al terugbrengen van 12 naar 9 per divisie maar de tekorten bleven toenemen.*35 De reserves die nog kwamen bestonden voor 50% uit schoolknapen van amper 18 jaar oud. Johnson citeerde daarover in zijn boek „The Unexpected Victory” :”It is a thousand pities that they should have been sent from England at all. Owing to age and physique some of these immature boys were quite incapable of carrying the weight and doing the work required of an infantry soldier in the line; their presence in he ranks rendered them a danger to their units. To use them at the time was only a waste of those who might later on, with proper training and physical development, have become valuable reinforcements for the army” *36 Hij beschreef in feite soortgelijke toestanden zoals die al geruime tijd ook in het Duitse leger voorkwamen.

Alleen al in de maand oktober verloren de Britten ruim 120.000 man en gedurende de periode tussen 1 juli en 11 november, de dag van de wapenstilstand, waren die verliezen in totaal ruim 430.000 man terwijl de Fransen toen reeds 531.000 en de Amerikanen ruim 200.000 man hadden verloren*37 Alles tezamen was dat meer dan 1,1 miljoen man!

Het waren deze gigantische verliezen welke voor Haig en de zijnen de oorzaak vormden voor hun toenemend pessimisme. Het verklaart tevens waarom men vreesde dat de Duitsers er toch nog in zouden slagen de strijd tot de winter voort te zetten.

Die verliezen waren het gevolg van de militaire strategie van de geallieerden die er van uitgingen dat ze uiteindelijk de overhand zouden behalen, simpel door de macht van het getal. Ze gingen er van uit dat de geallieerden altijd meer Duitsers zouden kunnen doden dan omgekeerd en op die gedachten baseerden ze hun aanvalstactiek waarbij het doel de middelen heiligde en het aantal gesneuvelden er minder toe deed. De Duitsers waren gedurende de gehele oorlog steeds veel zuiniger met hun mankracht omgesprongen en de feiten tonen aan dat zij daarmede veel succesvoller waren dan hun opponenten.

De historicus Niall Ferguson gaf in zijn boek „The Pity of War” hiervan een aantal treffende voorbeelden. Hij schreef sprekende over de slag aan de Somme dat de realiteit was dat de Somme wederom een aderlating voor de geallieerden betekende. De Britten verloren 419654 man en de Fransen 204253, samen 623917. De officiële Duitse verliescijfers bedroegen 450.000 man.*38 De Amerikaanse historicus John Mosier noemt voor de Duitse verliezen in zijn boek „The Myth of the Great War” echter een getal van 257.159 waarbij hij zich baseert op de officiële opgave van het Reichsarchiv. Dit was echter niet alleen bij de slag aan de Somme het geval. Fergusson schreef dat de grote paradox van de Eerste Wereldoorlog was, dat ondanks dat de economische situatie voor Duitsland fnuikend was geworden, de Centralen veel succesvoller waren in het vernietigen van de vijand dan de geallieerden.*39 De geallieerden verloren ongeveer 5,4 miljoen man gedurende de strijd, de Centralen ongeveer 4 miljoen. Nog opvallender was dat de Centralen er in slaagden ongeveer 25-38% meer geallieerde soldaten krijgsgevangenen te maken dan omgekeerd en ook het aantal gewonden was bij de geallieerden veel hoger (ca 3 miljoen) dan aan de kant van de Centralen. Aangenomen wordt dat de Duitsers in totaal ongeveer 20% minder verliezen aan doden, gewonden en vermisten leden dan de geallieerden en hun manschappen veel effectiever inzetten. Van augustus 1914 tot juni 1918 was er niet een maand waarin de Duitsers de geallieerden niet meer verliezen toebrachten dan omgekeerd en de maanden augustus, september en oktober 1918 maakte daarop geen uitzondering.*40. Fergusson besloot dan met: „In short, the Germans archieved and maintained a higher level of military effectiveness in the crucial theatre for most of the war. This makes the possiblility that they might have won the war, despite the economic odds against them, seem a good deal less fantastic”.*41.

Een en ander maakt wel duidelijk waarom de Britse regering en de Britse generaals zich grote zorgen maakten en vooralsnog niet in een snelle afloop van de oorlog geloofden. Het maakt ook het enorme belang van de Amerikaanse deelname aan de oorlog duidelijk. Zonder de toevoer van Amerikaanse troepen zouden de geallieerden de oorlog, ook getalsmatig, niet meer hebben kunnen volhouden. De cijfers tonen dit glashelder aan. Het maakt ook de Duitse beslissing om de onbeperkte onderzeebootoorlog weer in gang te zetten alsmede de latere beslissing om nog een maal alles op alles te zetten en het maartoffensief te starten, begrijpelijker en niet zo stupide als sommige historici wel hebben beweerd.

Alhoewel Lloyd George het in zijn memoires later wel deed voorkomen alsof hij zich door het pessimisme van de militaire top niet van de wijs had laten brengen, was zijn bittere opmerking dat hij soms wenste dat het niet nodig zou zijn om zoveel „glorievolle” ovewinningen te behalen gezien het grote aanal doden en gewonden dat men daarbij moest incasseren.*42 Hij vroeg zich voorts af hoelang het Britse en Franse volk een voortzetting van de gevechten in 1919 nog wel zou toestaan?

DE VERGADERING VAN 19 OKTOBER 1918

Op 19 oktober 1918, twee dagen nadat Ludendorff zijn bespreking met de Duitse regering te Berlijn hield, vond er een soortgelijk onderhoud te Londen plaats.

Lloyd George had Haig ontboden om tijdens een zitting van het Imperial War Cabinet de militaire situatie uiteen te zetten.

Bij deze vergadering werd gesproken over de eisen welke men aan de Duitsers zou kunnen stellen tijdens een te houden wapenstilstandsbespreking waar Duitsland op 4 oktober, via de Amerikaanse president Wilson, om had gevraagd..

Ook de notulen van deze bijeenkomst zijn bewaard gebleven en daaruit bleek duidelijk hoe somber de Britten hun eigen situatie inschatten, nog geen drie weken voor het einde van de vijandelijkheden.

Haig stelde daar toen twee vragen:

  1. Is Duitsland op het slagveld dusdanig verslagen dat het zware wapenstilstandseisen zal accepteren?
  2. Kunnen de geallieerden de Duitsers de komende maanden zo snel verdrijven en achtervolgen dat ze geen gelegenheid krijgen om over te gaan tot massale vernietiging van de voor ons noodzakelijke communicatielijnen zoals spoorlijnen, bruggen en wegen?

#Haig antwoordde op beide vragen ontkennend.

„Het Duitse leger is nog niet gebroken en nog in staat terug te trekken achter de eigen grenzen om daar linies te bezetten, sterk genoeg om gelijke, ja zelfs sterkere strijdkrachten tegen te houden.

De lengte van hun linie , welke momenteel ca 400 mijl bedraagt, zal dan verkort worden tot slechts 235 mijl terwijl onze eigen aanvoerlijnen zeer lang worden.*43.

„De Fransen”. Zo ging hij verder „zijn geheel uitgeput en mijn inlichtingendienst meldt dat ze niet meer bereid zijn hun leven in de waagschaal te stellen. De laatste zes weken hebben ze nog nauwelijks nog enige aanval van betekenis gelanceerd. Reeds in juli waren het voornamelijk de Britten en Amerikanen welke de Fransen voorgingen in de strijd bij de Marne.

„De Amerikanen zijn echter gedesorganiseerd, slecht uitgerust en onervaren. Het zal op z’n minst nog een vol jaar duren alvorens daar sprake zal zijn van een bruikbare strijdmacht.. (Deze stelling van Haig komt overeen met de mening die Ludendorff twee dagen eerder te Berlijn over de Amerikanen ten beste gaf toen hij zei dat de Duitse soldaat zich superieur achtte aan de Amerikanen en dat die dan ook nog geen probleem vormden, zelfs niet, als de Duitsers in de minderheid waren).

„De Britten” concludeerde Haig,”hebben hard gevochten, het is een echt veteranenleger. Maar de infanterie heeft al een tekort van 50.000 man.

Als de infanterie weer op peil kan worden gebracht en het leger krijgt gedurende de wintermaanden rust, dan kan gesproken worden van de meest formidabele strijdmacht ter wereld. Aan de andere kant is er momenteel sprake van een dalend moreel omdat de oorlogvoering de laatste tijd praktisch uitsluitend op Britse schouders rust”. Haig merkte hierbij bitter op dat de goede naam van het Franse leger voornamelijk stoelde op overtrokken krantenartikelen en niet op de werkelijkheid!*44

De Britse soldaat raakte vermoeid en kwam aan het eind van z’n krachten. Ook Gr.Brittannie kon op het laatst niet meer over voldoende reserves beschikken om de enorme verliezen aan te vullen en bij het begin van de grote offensieven schijnt Lloyd George geweigerd te hebben reserves te zenden omdat hij bevreesd zou zijn geweest dat te grote verliezen hem de politieke kop zou kosten.*45

„Als de Franse en Amerikaanse legers”, zo ging Haig verder „in staat zouden zijn om in November een serieus offensief te openen, dan zouden de Duitsers mogelijk overrompeld kunnen worden voordat ze zich kunnen terugtrekken achter de Antwerpen-Maaslinie.

Helaas zijn onze bondgenoten tot zulk een offensief niet in staat”, waarmede hij het plan van Foch om in november een nieuw offensief te beginnen, naar de prullenbak verwees als niet realistisch. „Wij dienen met deze feiten rekening te houden, net als met het feit dat het Britse leger alléén, niet voldoende is uitgerust noch voldoende sterk is, om zelfstandig de strijd te beslechten. Dit betekent dat de geallieerden niet in de positie verkeren om de vijand te verhinderen op grote schaal over te gaan tot vernietiging van alle communicatielijnen in „nomansland”, zoals de spoorlijnen, het wegennet, bruggen, tunnels etc.etc, tijdens zijn terugtocht naar nieuwe linies.

Zodra de geallieerden dan ook weer in staat zullen zijn hun opmars voor te zetten, zal deze zeer gehinderd worden en derhalve uitermate langzaam verlopen. Tegelijkertijd krijgt de vijand gedurende de komende wintermaanden de gelegenheid tot herstel en aanvulling met de 1901 klasse welke ze tot op heden nog niet hebben opgeroepen.

Derhalve moet ik concluderen dat de vijand in staat moet worden geacht haar linies te verdedigen tot enige tijd na de hervatting van onze opmars in 1919”.

Haig gaf desgevraagd dan als zijn mening dat men voorlopig van de Fransen en Amerikanen niet te veel moest verwachten. „Engeland zou zelf op den duur misschien wel in staat zijn de Duitsers te verslaan” maar hij vroeg zich af of dat, met de vrede in zicht, (hij doelde daarmede waarschijnlijk op de op handen zijnde wapenstilstandsbesprekingen) wel zinvol zou zijn omdat dit ongetwijfeld ten koste zou gaan van nieuwe en enorme verliezen.*46

#Haig waarschuwde de regering om niet in te gaan op de Franse wapenstilstandseisen omdat hij die veel te zwaar achtte en hij legde er de nadruk op dat de Britse soldaat oorlogsmoe was en zich wel eens zou kunnen gaan verzetten tegen een voortzetting van de strijd vooral als dat voornamelijk tbv Franse belangen zou zijn.. „We zitten hier niet om het Franse oud zeer te helpen oplossen, dat doen ze dan maar zelf!” was zijn conclusie.Hij zal niet vermoed hebben dat zijn voorspelling slechts een aantal weken later zou uitkomen toen ook in het Britse leger forse muiterijen uitbraken en o.a de stad Calais enkele dagen door muitende Britse soldaten bezet zou worden gehouden, muiterijen die slechts met geweld van de wapenen konden worden beëindigd.

Het was duidelijk, erg optimistisch kon men niet zijn na#Haig’s uiteenzetting.

Het „War Cabinet” was dan ook diep onder de indruk en #Lloyd George schreef als zijn conclusie:

„The British Government had been following the developments of the situation with the closest attention. They were anxious not to prolong the slaughter one hour beyond the moment when victory was so assured that the Germans could not, by a short period of rest, put a complete triumph in jeopardy. If a few more weeks would place the Allies in that position then a premature armistice would be a blunder. On the other hand, if the German Army were still capable of holding on behind the Rhine until the winter came and the condition of the roads made a further advance impracticable , then we should have to face the prospect of a renewal of the campaign in 1919. With the Germans driven out or France and Belgium I was more than doubtful whether public opinion in Britain of in France would face the sacrifices of another campaign merely to force Germany to disgorge her Eastern conquests. Our decisions as to the terms of the armistice therefore depended on the military prospects *47

Feitelijk gaf Lloyd George met deze mening reeds aan dat Ludendorff’s idee dat de geallieerde situatie zodanig was dat een terugtrekken achter de Antwerpen-Maaslinie niet verhinderd zou kunnen worden, wel degelijk realistisch was en niet zo onhaalbaar en naïef als later wel werd beweerd.

Dat werd in militaire zin nog eens bevestigd en wel door de Z.Afrikaanse generaal #Smuts die zich, slechts twee weken voor het einde van de oorlog, tot #Loyd George wendde met een tweetal brieven (22 en 23 oktober) waarin hij waarschuwde dat de Britse regering er zeer onverstandig aan zou doen aan te nemen dat Duitsland zware capitulatie-eisen zou accepteren. Zware eisen, zo stelde Smuts, werden zeker niet door de militaire positie van beide partijen gerechtvaardigd!”. Hij stelde dan ook voor om niet over een wapenstilstand te gaan onderhandelen maar direct over het sluiten van vrede, op basis van het inmiddels door de Amerikaanse president Wilson ingediende „Veertien punten plan” dat een „Peace without Victory” voorstelde.

Zoals gezegd, de geallieerden waren dus niet optimistisch over hun kansen en dat waren ze eigenlijk in geheel 1918 al niet geweest.

#Pershing, de bevelhebber van de Amerikaanse strijdkrachten in Frankrijk, beschreef in zijn memoires hoe serieus de militaire situatie na het Duitse maartoffensief voor de geallieerden was geworden.

Op 20 maart 1918 had hij een gesprek met maarschalk Foch die hem mededeelde dat Frankrijk spoedig zo’n 25 divisies zou moeten halveren.*48 (Het waren dus niet alleen de Duitsers die hun divisies niet meer aangevuld konden krijgen, eerder hadden ook de Britten het aantal bataljons reeds moeten inkrimpen! En ook de Fransen moesten daartoe overgaan)

Pershing verwees voorts naar de Duitse aanval op Chateau Thierry waar ze 60.000 krijgsgevangenen maakten en 2000 kanonnen veroverden en hij sprak daarbij openlijk van een” defeat of the French”.

Hij constateerde voorts bij een bezoek aan de Franse Generale Staf, dat de sfeer in mineur was en schreef:”it would be difficult to imagine a more depressed group of officers”*49

Ook van andere zijde werd de wanhopige stemming onder de Fransen opgemerkt. De eerder genoemde Britse veldmaarschalk Wilson bezocht het front op 1 juni 1918 en nam deel aan een conferentie bij welke gelegenheid maarschalk Foch hem mededeelde dat als de Britten niet snel hun troepenmacht zouden aanvullen, de oorlog verloren zou zijn*50

In zijn dagboek noteerde hij die ochtend: „writing now, before breakfast, I find it difficult to realize that there is a possibility, perhaps a probability, of the French Army being beaten. What would this mean? The destruction of our Army in France? In Italy?, in Saloniki?. What of Palestine, Mesopotania, India, Siberia and the sea? What of Archangel and America?

Het was ook in deze periode dat de Franse regering in paniek voorbereidingen trof om Parijs te ontvluchten en #Foch meldde aan #Pershing van mening te zijn dat de geallieerden verslagen zouden worden tenzij Amerika onmiddellijk 4 miljoen man naar Europa zou zenden, een absurde eis die er op neer kwam, dat Amerika evenveel manschappen zou moeten sturen als er op dat moment samen aan geallieerde soldaten al in Frankrijk waren.*51.

De paniek leidde tot een gezamenlijk telegram van Clemenceau, Lloyd George en Orlando, de Italiaanse minister president aan de Amerikaanse president Wilson, met de smeekbede de gevraagde troepen met spoed te zenden omdat anders de oorlog verloren zou zijn.*52..

De hulp van de Amerikanen werd zo dringend geacht dat men afsprak de te zenden troepen niet eerst in Amerika te trainen maar ze direct na aankomst gereed te maken voor de strijd. Letterlijk schreef men

:”We recognize that the troops to be dispatched in July may have to include troops with insufficient training but we consider the present emergency as such, as to justify a temporary and exceptional departure by the USA from sound training principles.*53

Pershing schreef verder op 21 juni 1918 aan het War Department, dat het moreel bij de geallieerden een absoluut dieptepunt had bereikt en dat Foch en andere geallieerde generaals, hem hadden verteld dat alleen de komst van Amerikaanse troepen het verlies van de oorlog nog zou kunnen voorkomen, let wel, het was toen juni 1918, slechts enkele maanden voor het einde van de oorlog.

Een maand later, op 24 juli, schreef #Foch een memorandum ten behoeve van een conferentie met de militaire leiders waarin hij plannen ontvouwde voor een nieuw en groot offensief maar hij voegde daar tegelijkertijd wel aan toe dat, zelfs als zijn offensief zou slagen, de oorlog toch nog zeker tot in 1919 zou voortduren.

Overigens hebben historici veel te veel waarde gehecht aan deze plannen van Foch en ze gebruikt als bewijs om aan te tonen hoe vitaal de geallieerden in juli al weer waren en hoe snel ze nu korte metten met Duitsland zouden maken. Het waren echter maar plannen en niet meer dan dat en er is grote twijfel of die plannen, op dat moment, ook wel zo realistisch waren. De geallieerde commandanten Haig, Petain en Pershing reageerden in elk geval nogal sceptisch en probeerden er onderuit te komen. Haig en Petain brachten naar voren dat hun troepen eerst rust nodig hadden, Pershing bracht de onervarenheid van zijn troepen als argument om niet aan het offensief te hoeven deel te nemen

De Franse generaal René #Tournés die op de conferentie aanwezig was schreef daar over:

„Foch’s plan, by the scope and number of the attacks contemplated, at once called forth objections from its audience. Haig and Petain plead the fatigue of their Armies: Pershing the inexperience of his. Not one of the three commanders-in-chief framed a formal refusal however, being convinced that events would be responsible for bringing the plan of the General-in-Chief of the Allied Armies back within the bounds of their own conceptions”. .

Ook generaal Petain zag weinig in de ambitieuze plannen van #Foch en achtte ze in strijd met alle realiteit.*54 In zijn memoires maakte Foch alleen melding van Haig’s aarzelingen en deed het voorkomen alsof #Pétain en #Pershing het volledig met hem eens waren. Petain protesteerde echter wel degelijk, ook schriftelijk.Op 26 juli schreef hij dat #Foch’s plan voor een offensief te vroeg kwam en dat Frankrijk daarmede haar mogelijkheden zou overschrijden.*55

HET MEMORANDUM VAN GENERAAL WILSON

Ook de Britse veldmaarschalk #Wilson zag niets in Fochs voorstellen. Twee dagen eerder had hij het Cabinet reeds gewaarschuwd niet te optimistisch te zijn.over een snelle afloop van de oorlog.*56.

Hij stelde een memorandum op genaamd:”British Military Policy 1918-1919”. Het was gebaseerd op zijn bezoek aan het front waarbij hij gesprekken had gevoerd met Haig en Petain.

Dit memorandum dat niet alleen zijn eigen, maar ook de mening van deze beide commandanten vertegenwoordigde,was zo pessimistisch dat men na lezing niet anders dan tot de conclusie kan komen dat, in tegenstelling tot wat historici later hebben gesuggereerd, er geen sprake was van een optimistische sfeer, laat staan van een overwinningsroes in die laatste maanden voor de wapenstilstand. Wilson schilderde de militaire situatie, daarbij waarschijnlijk mede geïnspireerd door de ontzaggelijke verliezen van de laatste maanden, in de meest sombere kleuren en veegde de vloer aan met #Fochs plannen. Wilson somde vijf mogelijkheden op.

  1. Het lukt ons de vijand tot stilstand te brengen.
  2. Het Britse leger wordt gedwongen de kanaalhavens te verlaten.
  3. De vijand bezet Parijs,snijdt ons van onze spoorwegverbindingen af waardoor de aanvoer van munitie wordt geblokkeerd.
  4. Het gelukt de vijand de Britse en Franse legers van elkaar te scheiden waardoor onze positie onhoudbaar zal worden of,
  5. de vijand slaagt er in de Franse linies oost van Parijs te doorbreken en hun strijdmacht te splijten.*57

Hij verklaarde dat de geallieerden in 1918 tot niet meer in staat zouden zijn dan tot het voeren van enkele kleine lokale acties en gaf aan dat hij voorzag dat de geallieerden in het gunstigste geval pas in de zomer van 1919 weer tot een offensief zouden kunnen overgaan als ze dan tenminste nog niet de nederlaag hadden geleden. Hij besloot met de woorden: „The end of the war will leave us with a much more formidable enemy on our distant marches than we had to encounter before and it will tax our resources to the utmost to preserve our frontiers inviolate”.*58

Wilson vroeg zich af wanneer de strijd gestreden zou zijn waarbij hij niet uitsloot dat de oorlog nog wel tot in 1920 zou kunnen voortduren. Het was inmiddels begin augustus 1918 en nog steeds waren de hoogste geallieerde legerleiders zeer somber over hun eigen militaire situatie en duidelijk niet op de hoogte van de deplorabele toestand waarin het Duitse volk en de Duitse strijdkrachten zich in werkelijkheid bevonden.

Eind augustus zond generaal #Smuts , ruim na de voor Duitsland fatale nederlaag van 8 augustus, eveneens een memorandum. De Britten hadden absoluut geen idee dat zij de vijand reeds een zware slag hadden toegebracht. Smuts schreef:

„Mr.Balfour had stated our peace aims from the Foreign Office point of view and on the assumption of the complete defeat of the enenmy. I cannot see that the programme based on that assumption is justified by the present military situation. I do not suppose that anything will happen materially to effect that situation during the present year. I fear that the enemy, giving ground slowly in the West, will concentrate a considerable effort, mainly carried out by Turkish troops, in the East.”

Ook Smuts vreesde, nog geen 10 weken voor het einde, dat de oorlog zeker nog wel tot in 1920 zou voortduren en voorzag voorlopig dan ook nog lang geen vrede.*59.

Op het zelfde moment schreef Ludendorff:”De situatie is zeer ernstig. Als de vijand doorgaat met zijn aanvallen,zullen we niet langer in staat zijn onze posities westelijk van de Somme te handhaven” en Hindenburg noteerde: „De vijand realiseert zich kennelijk niet dat ze een groot tactisch succes heeft behaald. Ze zette haar aanval bij de Somme niet door juist op een moment dat we daar geen troepen meer voorradig hadden om ze tegen te houden.

Er is later wel gezegd dat het pessimisme, na de Duitse nederlaag van 8 augustus, bij de geallieerden op slag was verdwenen, dat men toen geheel anders tegen de plannen van Foch ging aankijken, dat men inzag dat de Duitse situatie eigenlijk hopeloos was geworden en dat het besef doordrong dat de overwinning nu snel binnen handbereik zou komen te liggen. Daarbij verwijst men dan ook naar de plotselinge vooruitgang aan het front, naar het doorbreken van de Hindenburglinie, naar het terugdringen van de frontlijn en het voortdurende terugtrekken van de Duitse strijdkrachten en als gevolg daarvan het groeien van het moreel bij de eigen troepen en de afname daarvan bij de Duitsers.

In deze redenering zitten zeker elementen van waarheid. Het is juist dat het moreel bij de geallieerden steeg toen men constateerde dat de Duitsers over het gehele front aan het terugtrekken waren, dat men voelde dat de overwinning tot de mogelijkheden begon te horen. Maar het was een vergissing het daarna voor te stellen alsof die overwinning reeds gerealiseerd was, het was een vergissing om te spreken van „those 100 last victorious days” en te suggereren dat glorieuze geallieerde troepen een verslagen vijand meedogenloos voor zich uitdreven, terug- en over de eigen grenzen. De werkelijkheid was anders, de werkelijkheid was dat, alhoewel de oorlog voor Duitsland inderdaad definitief verloren was, het Duitse leger desondanks nog niet op het slagveld was verslagen en de geallieerden er ook maar niet in slaagden de vijandelijke linies te doorbreken.De werkelijkheid was ook dat de geallieerden tussen 1 juli en 11 november ruim 1,1 miljoen man verloren en de Britten in de laatste oorlogsmaand alleen al 120.000 man.

Vastgesteld moet ook worden dat de geallieerden tot bijna aan het begin van de dag van de wapenstilstandovereenkomst op 11 november, niet geheel onlogisch, in de mening verkeerden dat Duitsland nog steeds niet verslagen was en dat de oorlog nog tot diep in 1919 zou voortduren! Toen het einde dan toch kwam, kwam die als een volslagen verrassing, onverwacht en zonder dat er sprake was van een duidelijke definitieve geallieerde overwinning te velde.

Het waren overigens niet alleen de geallieerde opperbevelhebbers die zo pessimistisch waren over een spoedige afloop van de oorlog. Ook de politieke leiders toonden zich somber. Zij konden niet anders dan een algehele oorlogsmoeheid bij hun bevolkingen constateren. Het werd hen duidelijk dat alle enthousiasme voor de oorlog verdwenen was.*60. Ook zij waren niet op de hoogte van de toestand in Duitsland en bij het Duitse leger. Ze hoorden van hun militaire leiders dat de Duitsers nog zeer sterk waren en ze konden niet anders dan rekening houden met de mogelijkheid dat die hun leger snel weer met ruim 1 miljoen man, afkomstig van het Russische front, zouden kunnen versterken nu Rusland door hen verslagen was. Daar kwam nog bij dat de Duitsers nog steeds grote delen van Frankrijk en België bezet hielden en zich nog steeds tot het uiterste verzetten. De eigen verliezen waren enorm en uitputting en oorlogsmoeheid werden overal merkbaar. Er was geen sprake van optimisme, integendeel, men was zelfs bevreesd dat men de oorlog mogelijk zelf niet lang meer zou kunnen volhouden. Aan deze mismoedige sfeer was wel zo het een en ander vooraf gegaan., We gaan daarvoor even terug naar de situatie in juni 1918.

Als gevolg van de slechte militaire situatie na de zware Duitse offensieven begonnen de politieke leiders nu zondebokken te zoeken voor het falen van de verdediging. Vooral de Amerikaanse opperbevelhebber, generaal Pershing, kreeg het zwaar te verduren. De Franse minister-president Clemenceau stak niet onder stoelen of banken dat hij vond dat de Amerikanen militair niets presteerden en dat generaal Pershing absoluut niet voor zijn taak berekend was.. Hij beschuldigde hem zelfs van tegenwerking en van het weigeren van bevelen en drong er bij Foch op aan de Amerikaanse president in te lichten over wat hij noemde „de waarheid over de Amerikaanse troepenmacht in Frankrijk”.*61

De zenuwachtigheid van de geallieerden was overigens wel begrijpelijk. Zelf waren ze aan het eind van hun krachten gekomen en alle hoop was gevestigd op de hulp van de Amerikanen. Die hulp viel in eerste instantie, vooral door de onervarenheid van de Amerikaanse troepen, nogal tegen terwijl de Duitsers, in de ogen van de geallieerden, nog steeds een opmerkelijke vitaliteit aan de dag legden.

Nog op 31 oktober , slechts 11 dagen voor het einde noteerde generaal Haig:

” General Byng, Horne, Rawlinson and Birdhood are all agreed that from the military standpoint, the enemy has not yet been sufficiently beaten to cause him to accept an ignominous peace. The enemy is fighting a very good rearguard.*62 en in een update van de militaire situatie gedateerd 9 november, lezen we:” Het is duidelijk dat het vijandelijk moreel aan het verbeteren is. Ze zijn er in geslaagd een groot deel van hun artillerie met munitie naar Duitsland te transporteren Binnen de Duitse strijdkrachten leeft bij de manschappen zonder uitzondering de mening dat de oorlog nog wel 2 a 3 maanden zal duren. Hun officieren denken zelfs dat dat nog wel 6 maanden kan zijn. In het algemeen is men er echter vrij zeker van dat Duitsland het, indien noodzakelijk, nog wel enkele jaren kan volhouden. Gebleken is dat de geallieerde overwinningen van de laatste maanden niet echt zoveel indruk op de Duitsers hebben gemaakt als wel werd gedacht”.*63 en op 9 november werd voorts gerapporteerd: „Sterke Duitse tegenaanvallen vonden plaats tegen de belangrijke spoorwegknooppunten te Hirson, Montmedy en Mezieres. De Duitse weerstand is nog steeds niet ingestort. Alhoewel hun discipline begint te verslappen blijkt de vijand nog steeds in staat in goede orde terug te trekken. Ze zijn nu ook weer begonnen met het toestaan van thuisverlof voor hun troepen in de voorste linies. Geconstateerd werd dat de Duitsers 337.000 nieuwe rekruten bijeen hebben gebracht in hun depots sinds de aanvang van de wapenstilstandsbesprekingen”.*64

Maar ook eerder, in de maand oktober, kwamen dit soort berichten met de regelmaat van de klok binnen. Op 13 oktober meldde het 3e Bureau (Inlichtingen): „Enige dagen geleden dachten we dat de vijand het zou opgeven maar thans blijkt er geen enkel teken van verminderd moreel te bemerken en de Duitsers achten zich nog absoluut niet verslagen.*65 en tijdens de meeting van het Imperial War Cabinet op 19 oktober stelde Haig onomwonden vast dat: „Het Duitse leger is zwaar aangeslagen maar nog niet verslagen. Het is nog steeds in staat tot serieuze tegenstand en er is geen enkel teken van desorganisatie welke normaal altijd volgt op een nederlaag. Ik ben dan ook van mening dat de Duitsers zeer goed in staat zullen zijn tot een ordelijke terugtocht op reeds voorbereide stellingen welke ze dan kunnen verdedigen tegen gelijke of mogelijk veel sterkere geallieerde troepen. Ik sluit zelfs niet uit dat ze in staat zullen zijn met 8 a 10 divisies over te gaan tot het uitvoeren van een tegenaanval met het doel tijd te winnen”.*66 en hij vervolgde met de mededeling dat „het Britse leger alléén, te klein was om een beslissing te forceren. Het zal op z’n vroegst in de lente van 1919 in staat zijn een aanval te wagen op de nieuwe Duitse stellingen en als die „formidabele” taak zou slagen, dan zou mogelijk in 1920 de definitieve afrekening kunnen volgen, er steeds wel van uitgaande dat het Britse leger dan op z’n volle sterkte kon worden gehouden”.*67 (waaraan hij gezien de eigen enorme verliezen overigens duidelijk twijfelde.)

Haigs mening van de 19e oktober, werd de volgende dag nog eens bevestigd door generaal #Currie. Die schreef in zijn oorlogsdagboek: „The fact is, the enemy is making a very orderly and practically unmolested retirement. Our trouble is that our troops are very tired and too far ahead of their railheads”.*68 en voorts schreef generaal Rawlinson nog op 5 november, zes dagen voor het einde:

” It is a physical impossibility for the British Armies and I think for the Armies of any nation, to continue their advance in strength rapidly. If they do so, they will starve”.*69 en tenslotte schreef generaal Charteris in zijn memoires: „One or two things was certain that first week in November.Either the Germans throw in their hands or there must be a delay of at least a month (precies de maand die Ludendorff dacht nodig te hebben) before we could fight another battle on a big scale. The destruction of roads and railway made this inevitable.*70

Noten

31: Lloyd George, War Memoirs, Vol 2, p.1838.

32: Lake, (edited by), The private papers of Douglas Haig, 1914-1919.

33: Lloyd George, War Memoirs, Vol 2, p.1956

34: Ibid, p.1837.

35: Ibid.

36: Johnson, The Unexpected Victory, p.93.

37: Lloyd George, War memoirs, Volt 2, p.1838.

38: Fergusson, N., The Pity of War, p. 292-303.

39: Ibid, p.294.

40: Ibid.

41: Ibid, p.303.

42: Ibid, p.293.

43: Charteris, Brig. Gen. J., Field Marshal Earl Haig, p.363.

44: Blake, (edited by), The private papers, p.314.

45: Ibid, p.47.

46: Ibid, p.333.

Charteris, Brig. Gen. J., Field Marshall Earl Haig, p.363.

47: Lloyd George, War Memoirs, Vol 2, p.1968.

48: Pershing, John. Gen., My experiences in the World War.

49: bid.

50: Callwell, C.E. Maj. Gen. Sir., Field Marshal Sir Henry Wilson, Vol 2, p.103.

51: Pershing, John. Gen., My experiences, p.421.

52: Ibid, p.424-425.

53: Ibid.

54: Lloyd George, War Memoirs, Vol.2, p.1856.

Tournés, Gen. R.T., Histoire de la Guerre mondial, Vol.4, p.193.

55: Lloyd George, War Memoirs, Vol.2, p.1856.

56: Lloyd George, War Memoirs, Vol.2, p.1857.

57: Ibid, p.1860.

58: Ibid, p.1860, 1866.

59: Ibid, p.1866.

60: Ibid, p.1862.

61: Foch, Marshal, The memoires of Marshal Foch, p.504-507.

62: Winter, D., Haigs Command, p.220.

63: Woodrow Wilson Papers, 9-11-18.

64: Grand Diaries, Report 9-11-18.

65: Pershing Papers, Clark, 13-10-1918.

66: Haig to Cabinet, memorandum 19-10-18. (cab 2316).

67: Ibid.

68: Currie Papers, Currie’s Diary, 20-10-18.

69: Rawlinson, quoted by Massingberd in, Truth, 7-7-20.

70: Charteris Papers.

overzicht: