De mythe van 1918 Hoofdstuk 2

EEN LAATSTE POGING

HET DUITSE MAARTOFFENSIEF VAN 1918

Terug nu weer naar het Duitse maartoffensief van 1918. Dit offensief kwam voor de geallieerden overigens niet geheel als een donderslag bij heldere hemel maar over de omvang ervan had men zich toch geen voorstelling kunnen maken.

Maandenlang werden honderdduizenden manschappen getraind, voorraden en troepen naar het front getransporteerd, stellingen, loopgraven en onderkomens gereed gemaakt en enorme hoeveelheden munitie aangevoerd, zonder dat de tegenpartij daar veel van bemerkte.

Alle verplaatsingen vonden ‘s nachts plaats. Overdag toonde het front een diepe rust en verscholen de troepen zich zoveel mogelijk in de bossen. In sommige gevallen marcheerden ze zelfs, indien ontdekking dreigde, enige tijd in tegengestelde richting om dan als de duisternis inviel, snel weer op hun schreden terug te keren.

De training van speciale aanvalseenheden werd uiterst zorgvuldig ter hand genomen en men liet niets aan het toeval over. Tenslotte echter was alles voor de strijd gereed en kon Ludendorff het sein voor de aanval geven.

In eerste instantie verliep het offensief succesvol en al snel werden de eerste doelen bereikt. Duitse troepen staken zelfs weer de Marne over en Parijs werd direct bedreigd.. Het was de slag bij Soissons waar het tij keerde. Met behulp van grootscheeps ingezette Amerikaanse troepen kon de Duitse vloedgolf worden gekeerd en werd de kracht uit de aanval gehaald. Duitsland bleek nu niet langer meer over voldoende slagkracht te beschikken om de aanval te hervatten en in september werd duidelijk dat de kans op een Duitse doorbraak was verkeken.

Het was toen, dat het Duitse opperbevel de historische fout maakte om, terwijl ze tot dan toe steeds positieve en geruststellende berichten over het verloop van de strijd en de kansen op een overwinning had doen uitgaan, plotsklaps en zonder enige voorbereiding, te verklaren dat de oorlog niet meer gewonnen kon worden en dat er onmiddellijk om een wapenstilstand verzocht moest worden.

Deze onverwachte, welhaast brute mededeling, was er de oorzaak van dat de paniek toesloeg en de reeds enige tijd sluimerende revolutie kon uitbreken.

Toen het oppervel z’n fout inzag, was het reeds te laat. Het rad van de geschiedenis was in gang gezet en niemand was meer bij machte het te stoppen.

DE DUITS-RUSSISCHE ONDERHANDELINGEN

We gaan nu weer even terug naar het moment waarop men tot het maartoffensief van 1918 besloot.

Om hieraan uitvoering te kunnen geven moest eerst het Duitse westfront worden versterkt en het lag dan ook voor de hand dat een snelle vrede met het reeds verslagen Rusland tot stand moest worden gebracht zodat Duitse troepen aldaar vrij zouden komen voor verplaatsing naar het Westfront.

Lenin en Trotski echter probeerden de vredesonderhandelingen eindeloos te rekken en deden eerst nog het voorstel om ook de overige geallieerden bij de besprekingen te betrekken. Tot ontsteltenis van het Duitse opperbevel ging de Duitse delegatie daarmede akkoord, maar tot hun grote opluchting weigerden de geallieerden er aan mee te doen.

Direct daarop, onder grote druk van het opperbevel- verhardde de Duitse delegatie haar houding en dwong Rusland nu vrede te sluiten op uitermate zware voorwaarden.

Duitsland creëerde Polen en stichtte enkele bufferstaten. Het bleef Estland en Letland bezetten terwijl de Ukraïne onafhankelijk werd verklaard. Hier vormden zich echter tegelijkertijd ook de eerste tegenslagen.

Enkele van deze staten vergden namelijk nog een aanzienlijke hoeveelheid bezettingstroepen*16 waardoor het aantal naar het westen over te plaatsen manschappen aanzienlijk minder was dan men had verwacht. Tegelijk bleek dat de troepen die wel vrij kwamen in veel gevallen nauwelijks bruikbaar waren voor inzet aan het westfront.

Veel Duitse soldaten, met name die welke uit de Russische krijgsgevangenkampen waren ontslagen, bleken geïnfecteerd door het Bolsjewisme en stichtten aan het front en tijdens hun verlof in het vaderland vaak grote onrust.

Het kwam zelfs voor dat Duitse commandanten te velde deze manschappen wegstuurden en er de voorkeur aan gaven met hun gedecimeerde bataljons door te vechten in plaats van gebruik te maken van deze onbetrouwbare aanvullingen. Een en ander was er mede doorzaak van dat de troepen aan het westfront niet de zo noodzakelijke rust kregen waardoor de kans van slagen van de Duitse offensieven uiteindelijk aanzienlijk werd verminderd.*17

HET MAARTOFFENSIEF VERLOOPT

Er waren echter nog meer redenen waarom het offensief uiteindelijk niet verliep zoals het opperbevel dat had gewenst.

Allereerst waren daar de Amerikanen. Tegen de verwachtingen in bleken zij in staat te zijn veel sneller troepen naar het vaste land te zenden dan men voor mogelijk had gehouden.

In juni 1917 bestond het gehele Amerikaanse leger in de USA uit slechts 390.000 man. *18. Volgens Kolonel #Ayres, hoofd van de „statistic branche USA Army”, was dit aantal in november 1918 enorm gegroeid en bleek men in staat te zijn bijna 2 miljoen soldaten in Frankrijk te landen waarvan er ca 900.000 reeds actief aan de strijd konden deelnemen. *19 al moet wel worden vastgesteld dat hun aanwezigheid militair gezien nog niet van beslissende invloed op de strijd was maar dat in de toekomst natuurlijk wel zou worden.

Ook de vervanging op korte termijn van de gewonde, vermiste en gesneuvelde Duitse soldaten werd een groot probleem en men zag geen kans meer om deze verliezen op tijd aan te vullen. Tegelijkertijd deserteerden er tienduizenden soldaten aan het front en kwamen er eveneens tienduizenden niet meer van verlof terug.

Tussen 18 juni en 11 november, de dag van de wapenstilstand, telde men niet minder dan 420.000 doden en gewonden en 340.000 vermisten, (deserteurs of krijgsgevangen genomen), alles bij elkaar ca 800.000 man. Achter het front waren er dan ook nog eens tienduizenden deserteurs die benden vormden en vaak voor zeer grote overlast zorgden.

De Duitse generaal von Kühl noemde in zijn rapport aan de eerder genoemde „Vierde Commissie” met name deze laatste groep, samen met de desintegrerende invloed welke van het thuisfront uitging, de voornaamste oorzaak van het verlies aan slagkracht bij de troepen aan het front. Alhoewel hij niet zo ver ging te stellen dat het Duitse verlies uitsluitend hierdoor werd veroorzaakt, (de dolkstoot legende) was hij wel van mening dat de gehele situatie, de antimilitaristische en pacifistische bewegingen en de reeds enkele jaren in het geheim opererende revolutionairen, uiteindelijk belangrijk bijdroegen aan de ineenstorting in 1918. *20.

Hij stond in die mening overigens niet alleen.

De Amerikaanse generaal Bliss, vertegenwoordiger van de USA bij het geallieerde opperbevel in Frankrijk, stelde in een rapport vast dat Duitsland aan het einde van de oorlog nog niet gebroken was en in staat moest worden geacht om nog posities te bezetten waarmede men de vredesonderhandelingen nog duidelijk had kunnen beïnvloeden maar dat: „This was prevented only by the revolution”.*21

Wellicht nog veelzeggender was het rapport van de generaal von Gallwitz die op 28 oktober 1918 schreef dat de situatie aan het thuisfront een zeer slechte invloed op het moreel van de Duitse troepen te velde had. De manschappen kwamen veelal gedemoraliseerd van verlof terug en vooral het feit dat de kranten, die allerlei demoraliserende opinies verkondigden, vrij gedistribueerd en niet gecensureerd werden, hadden een vernietigende invloed op het moreel.*22

Een rapport van generaal Groener, de opvolger van Ludendorff, verduidelijkte de situatie. Hij schreef: „Het verzoek van het opperbevel om een wapenstilstand te vragen en de demoraliserende opmerkingen in de Duitse Pers hebben een zeer depressief effect op de troepen. Uit alle richtingen stromen berichten binnen over de negatieve invloed die uitgaat van de van verlof terugkerende soldaten en van de soldaten die van het Oostfront werden overgeplaatst en vaak geïnfecteerd zijn met het Bolsjewisme.

Het is echter absoluut noodzakelijk dat ook aan het thuisfront alles wordt gedaan om aan deze situatie een eind te maken. Als dit niet snel verandert, dan zal het thuisfront de oorzaak worden van de ineenstorting van het leger en niet andersom.

Het is mijn plicht hier te stellen dat zowel de Generaal-Veldmaarschalk (Hindenburg) als ik zelf, van mening zijn dat niet de geallieerden onze gevaarlijkste vijanden zijn, doch de fatale invloeden van het thuisfront en de geest van het Bolsjewisme waaraan het onderhevig lijkt te zijn”. *23.

Opvallend hierbij is, dat uit deze verklaring blijkt dat Groener op dat moment de militaire mogelijkheden om nog enige tijd door te vechten, kennelijk nog niet geheel had opgegeven en de fatale situatie aan het thuisfront als de grote boosdoener zag. Juist is echter ook dat hij zich enkele dagen later weer veel somberder over de militaire situatie uitliet. We komen hierop nog nader terug.

Hoewel wij vandaag de dag, terugkijkend op die periode, een veel duidelijker beeld hebben over de situatie dan in die chaotische oktober en novemberdagen van 1918 mogelijk was en de kans op een Duitse eindoverwinning reeds tot nul was gereduceerd, is de vraag of het Duitse leger in november 1918 reeds op het slagveld was verslagen toch minder gemakkelijk te beantwoorden dan over het algemeen wordt aangenomen.

Militair kon Duitsland de oorlog niet meer winnen maar het wasde vraag of het leger mogelijk nog voldoende slagkracht bezat om de strijd nog enige tijd, in de orde van grootte van enkele weken, vol te houden. Nog interessanter is de vraag of men de wapenstilstandeisen van de geallieerden, die voor Duitsland desastreus waren, nog in positieve zin had kunnen beïnvloeden.

Die vraag zal echter nimmer meer definitief beantwoord kunnen worden omdat het Duitse volk het vertrouwen in de eindoverwinning volstrekt en vrij plotseling verloor en de revolutie uitbrak, waardoor het voortzetten van de strijd absoluut onmogelijk werd. De wereld bleef daardoor uiteindelijk voor een nog grotere ramp gespaard maar tegelijkertijd was e.e.a er wel de oorzaak van dat Duitsland met lege handen aan de onderhandelingstafel in Versailles verscheen en het haar opgelegde capitulatiedictaat wel moest aanvaarden.

HET DUITSE VOLK VERLIEST HET VERTROUWEN

Wat was nu de uiteindelijke oorzaak van het plotselinge verlies van vertrouwen in de eindoverwinning?

Daar lag een dramatische gebeurtenis aan ten grondslag die de hoop op een overwinning of op tenminste een redelijke vrede, volkomen de bodem insloeg en wel op dusdanige wijze dat de revolutie niet meer kon uitblijven.

Die dramatische gebeurtenis was de totaal onverwachte mededeling van het opperbevel dat de oorlog niet meer kon worden gewonnen en dat de regering onmiddellijk moest overgaan tot het aanvragen van een wapenstilstand. (29-9-1918.

Het was deze mededeling welke als een donderslag bij heldere hemel aankwam en een totaal verlammend effect had op regering en bevolking. Het was tegelijkertijd een klaroenstoot voor de revolutionairen die nu hun kans schoon zagen en het rad van de revolutie in gang zetten.

Tot 29 september had de meerderheid van het Duitse volk zich en masse vastgeklampt aan de voortdurend positieve berichten over het verloop van de strijd. Dat Ludendorff die strijd nu ineens wilde staken was een niet te dragen schok. Het kwam te onverwacht en had een verpletterende uitwerking.

In feite was het deze „nederlaag verklaring” van Ludendorff die beschouwd moet worden als een „dolkstoot”, een dolkstoot toegebracht door het Duitse opperbevel dat het volk maandenlang had misleid inzake de werkelijke militaire situatie aan het Westfront.

Het moet deze psychologische aardbeving zijn geweest die de voornaamste reden vormde voor de ineenstorting van het moreel. Het was deze „dolkstoot in de rug”, maar dan in de rug van het Duitse volk, die de reeds sluimerende revolutie tot uitbarsting bracht en het land overspoelde als een niet te stuiten vloedgolf. De honger aan het thuisfront, de uitputting van de frontsoldaat, de honderdduizenden deserteurs, de vernietigende invloed van de uit krijgsgevangenschap teruggekeerde- en met Bolsjewistische ideeën besmette soldaten, dat- en vooral ook het gevoel dat alles voor niets was geweest, vormde even zovele redenen voor de immense ontgoocheling die de revolutie uiteindelijk in gang zou zetten..

Vanwaar die plotselinge verandering in de houding van het opperbevel?

Het verslag van de Parlementaire Commissie zegt er het volgende over:

„Het falen van het 1918 offensief werd duidelijk na 8 augustus en dient te worden verklaard uit het feit dat de continue gevechten de troepen volledig hadden uitgeput terwijl de reserves niet langer toereikend waren.

Het offensief kwam tot staan, niet door fouten of verminderde vechtlust, doch vanwege de snel toenemende kracht van de geallieerden terwijl de Duitse troepen werden gedecimeerd en niet meer konden worden aangevuld.

De oorlog was vanuit militair oogpunt verloren na het terugtrekken van de troepen in september 1918 en na de ineenstorting van Bulgarije en Oostenrijk-Hongarije. Vanaf dat moment was het realiseren van vrede dmv een overwinning, niet meer mogelijk.

Op 29 september besloot het opperbevel de regering te verzoeken (het leek overigens meer op een bevel) om onmiddellijk wapenstilstandsbesprekingen in gang te zetten.

Dit verzoek was een complete verrassing voor de regering welke zich niet in staat achtte de militaire situatie goed in te schatten en daardoor ook geen kans meer zag om nog een voor Duitsland eervolle vrede te realiseren”.*24

De situatie leek nu echt hopeloos, maar was ze dat ook?

Vastgesteld moet worden dat de kansen voor Duitsland snel verslechterden, het volk leed, de troepen waren uitgeput, er waren geen reserves meer en de vijand werd steeds sterker.

Toch bleef het volk tot het allerlaatste moment nog hopen op de overwinning, een hoop die door het totaal onverwachte verzoek van het opperbevel om een wapenstilstand te sluiten, volledig de bodem werd ingeslagen.

Het weerstandsvermogen stortte in, het ondenkbare was werkelijkheid geworden.

De pas benoemde Rijkskanselier, prins Max von Baden, weigerde echter in eerste instantie zich door de militairen voor een voldongen feit te laten plaatsen.. Als er dan al een verzoek tot wapenstilstand moest worden gedaan zo stelde hij, dan moest hij de

tijd krijgen om dat weloverwogen te doen zodat hij uit de onderhandelingen een maximum aan resultaat zou kunnen halen. De geallieerden mochten niet de indruk krijgen dat Duitsland de moed had opgegeven.

Zo’n indruk zou zijns inziens tot gevolg hebben dat die hun eisen hoog zouden opschroeven en dat moest ten koste van alles worden voorkomen.

Het opperbevel hield echter vol dat er geen dag, ja zelfs geen uur meer te verliezen was en oefende daarmede zeer grote druk uit op de regering en deze zag zich dan ook op 4 oktober 1918 gedwongen een nota te verzenden aan de Amerikaanse president met het verzoek te bemiddelen om tot wapenstilstandsbesprekingen te komen..

Op 7 oktober echter, bezettende Duitse troepen nog steeds een ononderbroken linie en de berichten van het front waren weer iets gunstiger. Ludendorff overzagde militaire situatie opnieuw tijdens een stafbespreking op het Grote Hoofdkwartier te Spa. Hij was nu minder pessimistisch, mede omdat de door hem verwachte geallieerde doorbraak was uitgebleven en hun aanvallen lang zo krachtig niet meer waren.

HET „PLAN LUDENDORFF”

Ludendorff stelde nu voor om, zodra de wapenstilstand een feit was geworden (hij sprak dus nadrukkelijk niet over capitulatie omdat hij van mening was dat het leger nog niet verslagen was) van die rustpauze gebruik te maken om bliksemsnel over de Maas terug te trekken en daarbij het vrijkomende „niemandsland” zo grondig en totaal te verwoesten dat het de geallieerden maanden zou kosten om het Duitse leger te volgen. Eenmaal over de Maas zou hij het leger grondig reorganiseren en de frontlijn kunnen verkorten van 400 km tot ca 245 km. Dat zou de aanvoer en de communicatielijnen aanzienlijk eenvoudiger maken en daardoor de kans, om de strijd nog enige tijd vol te houden, fors vergroten. *25

De Duitse winst zou er uit bestaan dat er een veel betere onderhandelingspositie zou ontstaan en dat Rusland buiten de besprekingen zou kunnen blijven.

Op 9 oktober ging #Ludendorff naar Berlijn en had daar een gesprek met de Rijkskanselier.*26

Ludendorff begon met een evaluatie van de voorgaande jaren en de maatregelen welke hij genomen had vanaf zijn aantreden tot de 8e augustus 1918. Hij vervolgde zijn uiteenzetting met de mededeling dat hij de laatste tijd maandelijks 70.000 man aan troepen te kort kwam zonder mogelijkheid deze aan te vullen alhoewel hij daar al sinds april om gevraagd had.

De Rijkskanselier stelde nu een groot aantal vragen waarop Ludendorff zo goed mogelijk antwoord gaf. Uiteindelijk kwam het er op neer dat het gebrek aan mensen en de sfeer in het Vaderland door hem als de hoofdoorzaak van de slechte situatie werd gezien.

De Rijkskanselier overhandigde hem nu een lijst met 21 vragen waarop hij, voor de 17e oktober, antwoord wenste en schreef tegelijk voor die dag een regeringsvergadering uit. De vragenlijst toonde aan dat hij niet over een nacht ijs wenste te gaan en zich indringend en volledig op de hoogte wenste te stellen om niets meer aan het toeval over te laten.

DE VERGADERING VAN 17 OKTOBER 1918

Op 17 oktober kwam men weer bijeen.

Deze belangrijke vergadering, waarvan de notulen bewaard zijn gebleven, citeren wij hier in verkorte vorm.*27 Naast de Rijkskanselier en Ludendorff namen verder nog deel de vice-kanselier, de minister van Oorlog, de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, de chef van de Admiraliteitsstaf, generaal Hoffmann en andere ministers en hoge officieren.

De Rijkskanselier gaf een kort overzicht van de situatie zoals hij die zag en deelde mede een antwoordnota van de Amerikaanse president te hebben ontvangen die scherp van toon was en ook een aantal eisen bevatte.

Hij zag daarin een teken dat de Amerikaanse president onder zware druk stond zowel vanuit zijn eigen regering als ook van de geallieerden.

Alvorens die nota te beantwoorden wilde hij eerst volledig op de hoogte worden gesteld van de werkelijke en actuele militaire situatie.

Zich tot Ludendorff wendende sprak hij:

„Ik heb uwe excellentie daarom een aantal vragen voorgelegd welke ik graag in de loop van deze vergadering beantwoord zag”.

„De eerste vraag is of door het overplaatsen van onze troepen uit het oosten naar het Westfront, een situatie zal ontstaan welke ons in staat zal stellen de strijd nog gedurende langere tijd voort te zetten. De tweede vraag is of het mogelijk zal zijn meer troepenmateriaal uit het Vaderland bijeen te krijgen en zo ja, of dit dan invloed zal hebben op onze kansen nog verder te vechten”.

Ludendorff gaf te kennen dat het beantwoorden van deze vragen onmogelijk was. Hij kon niet in de toekomst kijken, zo stelde hij en vervolgde met de uitspraak: „zonder geluk vaart niemand wel”.

Daarop begon een urenlange discussie waarin naast de militaire, ook de politieke consequenties van het al dan niet opgeven van de strijd nauwkeurig werd onderzocht.

Al snel bleken de enorme moeilijkheden welke men zou ondervinden als men versneld troepen vanuit het Oosten zou willen overplaatsen. Het ging daarbij om miljoenen mannen en enorme hoeveelheden materiaal en generaal Hoffmann schatte minstens drie maanden nodig te hebben om zo’n operatie te kunnen uitvoeren.

Uiteraard besefte men dat dit politiek ook enorme consequenties met zich mee zou brengen. Ook het terugtrekken van de Duitse troepen uit de Ukraïne kwam ter sprake. Ludendorff gaf als zijn mening dat het gelijktijdig terugtrekken uit alle bezette gebieden tot een fors tekort aan grondstoffen, nodig voor het continueren van de strijd, zou leiden. Aan de andere kant, zo stelde hij, als ontruiming inderdaad noodzakelijk zou zijn, dan moest dat ook zo snel mogelijk gedaan worden zonder op de gevolgen daarvan te letten.

Minister Scheidemann, die de vergadering met toenemende onrust gevolgd had, kon zich niet meer inhouden en stelde nu de vraag of, als aan alle wensen van Ludendorff zou worden voldaan, de strijd nog drie maanden zou kunnen worden voortgezet en als dat het geval was, of het leger dan daarna niet alsnog zou moeten opgeven.

Ludendorff antwoordde dat een spoedige geallieerde doorbraak mogelijk- maar op dat moment niet meer erg waarschijnlijk was.

Nu nam de Rijkskanselier weer het woord en vroeg zich af of het vaderland nog wel bereid en in staat zou zijn het opperbevel de noodzakelijke troepen te leveren. Ludendorff stelde dat hij al sinds 1916 aangedrongen had op meer mensen, maar ze nimmer had gekregen.

De minister van Oorlog, Scheüg, kwam nu met een uitermate verrassend antwoord.

Volgens hem zou het, weliswaar met enige moeite, mogelijk zijn eenmalig nog 637.000 man bijeen te brengen voor snelle inzet aan het front.

Dit zou wel betekenen dat men daarna gedurende een half jaar nog slechts 100.000 man per maand reservetroepen bijeen zou kunnen brengen in plaats van de benodigde 190.000, maar daarna zou men dan tot de herfst 1919 weer maandelijks ongeveer 150.000 man reservetroepen kunnen suppleren o.a door de lichting 1901 sneller onder de wapenen te roepen. *28

Het zal duidelijk zijn dat Ludendorff bijna van zijn stoel viel van verbazing toen hij dit vernam. ; hätten wir diese günstigen Zahlen schon jetzt gehabt”, zo riep hij uit, „so hätten wir die Krise an der Westfront nicht bekommen, und wen ich die Leute bekomme, sehe ich vertrauensvoll in die Zukunft. Ich muss aber die Leute bekommen, und zwar bald bekommen, dan können wir wieder hoffnungsfreudig sein”.

Ludendorff kon z’n oren dus haast niet geloven en verklaarde dat het moreel van de troepen te velde enorm zou worden opgevijzeld als men hen kon vertellen dat ze door het vaderland niet in de steek zouden worden gelaten maar dat er een enorme troepenmacht gereed stond om hen te hulp te snellen.

De minister van Oorlog vroeg zich af of Ludendorff niet veel te optimistisch was. „Heeft U wel rekening gehouden met het feit dat de Amerikanen veel grotere reserves hebben dan wij?”

Ludendorff antwoordde dat de Amerikanen natuurlijk niet onderschat moesten worden maar zeker ook niet overschat. Tot nu toe waren ze nog geen echt probleem en de Duitse soldaat voelde zich superieur t.o.v de Amerikanen en hij wees er op dat alle Amerikaanse aanvallen tot dan toe waren afgeslagen, zelfs toen de Duitsers aanzienlijk in de minderheid waren. Voor de Amerikanen waren zijn soldaten niet bang, voor de Britten had men veel meer respect, zo verklaarde hij.

Wederom mengde Scheidemann zich nu in de discussie.

„Ik geloof graag”, begon hij, „dat we in staat zullen zijn enige honderdduizenden manschappen bijeen te krijgen voor inzet aan het front maar men vergist zich als men denkt dat daarmede de zeer slechte stemming aan het front en in het Vaderland verbeteren zal. Het tegendeel zal, naar mijn vaste overtuiging, het geval zijn.

Er is een wisselwerking gaande. De verlofgangers brengen van het front allerlei negatieve berichten mee en als ze weer naar de troep gaan brengen ze weer nieuwe negatieve berichten uit het vaderland naar hun kameraden.

De arbeiders zeggen:”Lieber ein Ende mit Schrecken als ein Schrecken ohne Ende”. De oplossing van dit probleem is „eine Kartoffelfrage”.. Er is geen vlees en vet meer, aardappelen kunnen we niet meer verstrekken en er is zeer grote nood onder de bevolking. In feite is het een raadsel hoe de mensen zich nog in leven houden en zolang we niet in staat zijn dat probleem op te lossen, zal de stemming niet verbeteren”.

Ludendorff merkte nu op dat dan alles in het werk gesteld moest worden om de stemming de komende weken in de hand te houden. „Als het ons lukt de winterperiode te bereiken dan zijn we al heel ver”.

De vice-kanselier was van mening dat het Duitse volk beïnvloed was door de wapenstilstandsaanvraag en door de scherpe nota’s van president Wilson. Daardoor was de stemming zo slecht. Zou men echter vernemen dat de regering vastbesloten was de strijd nog niet op te geven, dan zou de sfeer wel verbeteren, wel een bewijs hoe slecht hij de werkelijke situatie inschatte.

De Rijkskanselier merkte nu op dat hij de situatie nog steeds niet geheel begreep. Eerst was hem gezegd dat er onmiddellijk om een wapenstilstand moest komen en dat elk uur uitstel honderdduizenden mensenlevens zou kosten en het einde zou kunnen betekenen. „Nu deelt U mij mede dat er nog hoop is en dat we nog enige tijd kunnen doorvechten. Hoe is dat nu mogelijk?”

Ludendorff antwoordde dat de ernst van de situatie nog niet was veranderd en dat het leger nog steeds met de rug tegen de muur vocht. Maar met de voorgestelde versterkingen in het veld zou ook de onderhandelingspositie van de Rijkskanselier worden vergroot en dat was nu toch juist ook zijn uiteindelijke doelstelling?

De Rijkskanselier beaamde dit maar vroeg daarop hoe sterk het leger aan het Westfront op dat ogenblik was waarop de overste Heyde antwoordde dat er in theorie 191 divisies aan het front stonden maar dat in 28 divisies de bataljonssterkte nog maar ca 200 á 300 man bedroeg en bij veel andere divisies ca 400 á 500 in plaats van de gebruikelijke 800 tot 1000 man. Hieraan voegde Ludendorff toe dat de beloofde versterkingen de situatie dus totaal zouden veranderen en hij de bataljonssterkte weer op het oude niveau zou kunnen brengen.. „Hätten wir da vollkräftige Bataillone, so wäre die Lage gerettet” zo stelde hij.

De Rijkskanselier liet zich door dit optimisme echter niet van de wijs brengen. Hij stelde de vraag hoe het, na het ontruimen van de Ukraïne met de olietoevoer zou staan. Zou men niet gedwongen worden de U-bootoorlog te stoppen of binnen niet al te lange tijd niet meer over vervoersmiddelen kunnen beschikken wegens gebrek aan olie? De minister van Oorlog antwoordde dat dit inderdaad een groot probleem zou zijn. Als Roemenië niet meer ter beschikking zou staan kon men de oorlog z.i nog hoogstens anderhalve maand voortzetten. Admiraal von Scheer verklaarde echter dat de marine over eigen voorraden beschikte en nog zeker acht maanden voort zou kunnen.

Prins Max stelde nu de vraag of bekend was hoe het met de reserves van de gellieerden stond.

Overste Heyde antwoordde dat men daar nu over 220 divisies kon beschikken tegen 191, minder complete, Duitse divisies. Men besprak daarop het gevaar van een Italiaanse aanval, via Oostenrijk-Hongarije, rechtstreeks op Duitsland.

Ludendorff meende dat dit voorlopig nog niet aan de orde was en hij zich daarover nog geen zorgen maakte. Ook aan een aanval vanuit Rusland geloofde hij niet omdat de Sovjet strijdkrachten niet gevechtsgereed waren door de chaos die daar heerste.

Over de toename van de Amerikaanse strijdkrachten bestond onduidelijkheid. De Amerikanen zelf hadden bekend gemaakt dat hun troepensterkte in het voorjaar van 1919 ongeveer 2,3 miljoen man zou bedragen. Daarentegen nam de gevechtskracht van de overige geallieerden duidelijk af. De Franse legers waren sterk ingekrompen, de Britse divisies telden telden geen twaalf, maar nog slechts negen bataljons. Gezien de zeer ernstige economische situatie in Groot Brittannië had men de mijnwerkers uit het leger in Frankrijk naar Engeland moeten terugzenden hetgeen van grote invloed was op de sterkte van het Britse leger.

De Rijkskanselier vroeg daarop, nadat hij had vastgesteld dat Duitsland aan reserves op korte termijn, dus zo’n 600 á 700.000 man zou kunnen inzetten, naar de toestand van het materieel.

Ludendorff antwoordde dat alhoewel de geallieerden driemaal zoveel vliegtuigen bezaten als Duitsland, de Duitse luchtmacht nog steeds het overwicht in de lucht had. Met de tanks lag dat anders, de geallieerden hadden er meer maar daar stond tegenover dat de grootste angst voor tanks bij de Duitse troepen was verdwenen. Ze bleken zeer kwetsbaar en men had speciale Tankjäger Bataillons gevormd die er een sport van maakten de vijandelijke tanks uit te schakelen. Hij verwachtte voorts dat in het voorjaar de industrie in staat zou zijn meer tanks te bouwen dan tot nu toe en dat zo de achterstand zou kunnen worden ingehaald.

De Rijkskanselier stelde nu de belangrijkste vraag tot dat moment: „Zullen wij, als we doorvechten, de oorlog onder betere omstandigheden kunnen beëindigen dan nu het geval is?”.

Admiraal Scheer antwoordde kort en bondig: „De situatie zal voor ons beter, en voor onze tegenstanders moeilijker worden.”.

Graaf Roedern merkte op dit te betwijfelen. Hij was van mening dat er al te vaak gesteld was dat de situatie bij de vijand sterk verslechterde maar totnogtoe had hij daar niet veel van gemerkt. „Als men bedenkt dat de kust van Vlaanderen door ons zal moeten worden ontruimd, dat Oostenrijk momenteel vredesbesprekingen voert en dat we in de Middellandse Zee binnenkort ook niet meer over onze onderzeebootbases kunnen beschikken, wordt onze situatie dan juist niet veel slechter?”

Volgens admiraal Scheer had het uitvallen van de onderzeebootbases geen invloed op de aanvalskracht van de Duitse onderzeeboten. Integendeel zelfs, deze zouden zich nu meer richten op de Britse eilanden en hun onmiddellijke omgeving waardoor ze veel gerichter konden worden ingezet en met toenemende resultaten.

Hoewel ook hij niet kon voorspellen wanneer de vijand zou moeten opgeven, was het belangrijk deze voortdurend onder zware druk te zetten. Dit zou zich in elk geval vertalen in politieke resultaten.

Graaf Roedern liet zich daarmede echter niet afschepen. Hij vroeg zich af waarom men er niet in geslaagd was te voorkomen dat de Amerikanen met honderdduizenden tegelijk per schip de zee overstaken. Waarom werden deze schepen niet getorpedeerd?

Von Scheer gaf daarop een uiterst merkwaardig antwoord. „Men kon toch moeilijk alle torpedo’s uitsluitend op troepentransportschepen afvuren? Torpedo’s gebruikte men om zoveel mogelijk scheepsruimte naar de bodem van de zee te jagen, dat was belangrijker dan het doen zinken van troepenschepen.

De vice-kanselier vroeg zich af, wat de reden was dat de militaire situatie er nu beter zou uitzien dan een maand geleden’. Ludendorff antwoordde dat de geallieerde aanvallen duidelijk waarneembaar verzwakt waren, men zette de aanvallen niet meer zo krachtig door dan voorheen. De fut was er kennelijk uit. Daarbij kwam dat vooral bij de Amerikanen, veel griep voorkwam (Spaanse griep) en terloops waarschuwde hij dat die griep, in een zeer ernstige vorm, nu ook bij de Duitse troepen van zich deed spreken.

De Rijkskanselier vroeg: „Is de militaire situatie dan nu minder alarmerend dan op drie oktober toen mij gevraagd werd om bij Wilson om vrede te vragen?”, Ludendorff antwoordde hierop ontwijkend en zei van mening te zijn dat in plaats van zware eisen van de geallieerden te aanvaarden, men hen beter kon toevoegen dat ze daar dan maar voor moesten vechten.

De Kanselier reageerde met: „en als ze dat gevecht dan winnen, zullen we er dan niet veel slechter voorstaan?”. Ludendorff antwoordde hierop dat de situatie moeilijk no slechter kon worden dan ze al was, een antwoord waar de Rijkskanselier natuurlijk niet veel mee kon doen. Hij reageerde dan ook terecht geïrriteerd en antwoordde: „ja zeker wel, ze vallen dan Duitsland binnen en verwoesten ons land volledig” waarop Ludendorff niet kon nalaten tegen te werpen dat het zover nog lang niet was.

Graaf Roedern trachtte beide heren weer terug te brengen tot de kern van de zaak en vroeg zich af of, zelfs als het zou lukken langzaam terug te trekken op nieuwe linies, de geallieerden en vooral de Amerikanen dan niet zouden beseffen dat de Duitse reserves uitgeput raakten en het dus maar een kwestie van tijd zou zijn alvorens men Duitsland volledig op de knieën kon dwingen?

Ludendorff vroeg graaf Roedern of deze zich wel eens had afgevraagd hoe de situatie bij de vijand zou zijn. Hij had via zijn agenten vernomen dat men in Frankrijk en Engeland vreesde dat het Duitsland mogelijk zou lukken hen nog op bezet gebied tot staan te brengen en de oorlog dan nog maanden zou kunnen volhouden. De vrees voor een omslag in de situatie zou daar zeer groot zijn terwijl men ook daar aan het eind van zijn krachten zou zijn gekomen.” ( Naar we nu weten had Ludendorff het hierbij aan het rechte eind)

Nu nam staatssecretaris Solf het woord. Ook hij vroeg zich af hoe het toch mogelijk was dat het Opperbevel in het begin van de maand nog geëist had dat de Rijkskanselier, zeer tegen zijn zin in, onmiddellijk om een wapenstilstand moest verzoeken, dat ook daarna nog benadrukt werd dat elke dag uitstel uitermate gevaarlijk zou zijn en dat nu bleek dat het allemaal wel meeviel en dat, als we het maar vier weken zouden kunnen volhouden, de zaak er veel beter voor zou staan. Voor de staatssecretaris was dat een raadsel. Hij vroeg zich af hoe de werkelijke toestand nu eigenlijk was en wat nu wel mogelijk was dat drie weken geleden volstrekt onmogelijk zou zijn geweest?”.

Ludendorff antwoordde stijfjes dat het thuisfront niet bij machte was gebleken hem voldoende manschappen te leveren en dat daar het probleem lag. „Nu hoor ik plotseling- en voor de eerste keer dat het tekort aan manschappen veel kleiner is dan men mij voorheen steeds heeft verteld. Nu kan men ineens wel 600.000 man leveren, waarom dat dan eerder niet kon wil ik maar liever niet vragen, maar begrijpen doe ik het niet. Wat voor mij nu geldt is dat ik die reserves ook werkelijk krijg want dan wordt de gehele situatie anders omdat de eigen sterkte dan toeneemt op een moment dat die van de vijand afneemt”. Met deze opmerking schoot hij rechtstreeks in het doel.

De bespreking werd nog verscheidene uren voortgezet waarbij ook de onderzeebootoorlog nog ter sprake kwam. Ludendorff en Scheer verzetten zich tot het uiterste toen voorgesteld werd deze onmiddellijk te beëindigen. Tenslotte leek het er op dat de Rijkskanselier en de overige aanwezigen, met uitzondering van staatssecretaris Solf, overtuigd waren door de argumenten van Ludendorff om de Amerikaanse eisen, zoals vervat in Wilson’s tweede nota, niet te accepteren.. Besloten werd de onderhandelingen gaande te houden en zoveel mogelijk tijd te winnen met als doel een wapenstilstand te bereiken waarbij de mogelijkheid om op een later tijdstip de vijandelijkheden weer te hervatten, open moest blijven en dat Duitsland zich niet op genade of ongenade aan de geallieerden zou overleveren.*29.

Ludendorff ging tevreden en gesterkt naar zijn hoofdkwartier te Spa terug, overtuigd dat hij er in geslaagd was de regering weer enige moed in te spreken en er nog een perspectief was op een eervolle beëindiging van de strijd.

Enkele dagen later echter vernam hij dat Solf er toch in was geslaagd de Rijkskanselier er van te overtuigen dat de onderzeebootoorlog moest worden gestaakt, één van de eisen van president Wilson. De bevelen daartoe waren inmiddels al uitgegaan.

„Wir hatten den Weg der Kapitulation beschritten” schreef Ludendorff later in zijn memoires.

President Wilson zond nu, na overleg met de geallieerden, opnieuw een nota aan de Duitse regering met nieuwe zwaardere eisen waaronder het aftreden van Keizer Wilhelm ll. Voor Ludendorff stond het vast dat deze nota niet aanvaard kon worden en dat Duitsland nu wel gedwongen was de strijd voort te zetten. Toch wilde hij niet de oorzaak zijn van het mislukken van de wapenstilstandonderhandelingen en derhalve bood hij in de ochtend van de 26e oktober zijn ontslag bij Hindenburg aan.

Deze weigerde dit echter te aanvaarden en overtuigde hem dat dit voor het leger op een catastrofe zou uitlopen en- zo schreef Ludendorff later in zijn memoires: „hoewel ongaarne, besloot ik aan zijn verzoek om aan te blijven, te voldoen”.

Later op die dag hoorde hij echter dat het opperbevel tijdens een bijeenkomst van de Rijksdag, zeer sterk was bekritiseerd zonder dat de regering ook maar de geringste poging had ondernomen hen te verdedigen.

De reden voor deze aanval in de Rijksdag was een dagorder welke door Hindenburg op de 24e oktober was opgesteld om aan de troepen bekend te worden gemaakt. Daarin werd vastgesteld dat de nota van president Wilson onaanvaardbaar was en in strijd met de Duitse eer zodat er niets anders overbleef dan de vijandelijkheden voort te zetten.

Deze order, die overigens niet naar de troepen werd verzonden omdat kolonel Heye van het Grote Hoofdkwartier de verzending verhinderde, werd echter door een soldaat van het bureau waar de dagorder was voorbereid, doorgespeeld naar een lid van de oppositie die een en ander hierna in de openbaarheid bracht. De indruk werd daardoor gewekt dat het opperbevel, zonder voorafgaande goedkeuring van de regering en de Rijksdag, op eigen houtje had besloten de strijd voort te zetten en men eiste nu het hoofd van Ludendorff .

Intussen was de politieke toestand in Duitsland volkomen onhoudbaar geworden. De onrust in het land nam hand over hand toe en de druk op de Rijkskanselier en de regering om een eind aan de oorlog te maken en te capituleren werd welhaast ondraaglijk.

Hindenburg en Ludendorff besloten nu een persoonlijk onderhoud met de Rijkskanselier aan te vragen maar deze liet weten zich te ziek te voelen om hen te ontvangen. (hij lag met koorts en griep in bed, mogelijk als gevolg van de enorme spanning waaraan hij de laatste tijd was blootgesteld.

LUDENDORFF MOET GAAN

Zij werden echter ontboden bij de Keizer. Deze deelde Ludendorff zonder omhaal van woorden mede dat hij niet langer van zijn diensten gebruik wilde maken. Het mocht echter allemaal niet meer baten, het doek was gevallen en de revolutie die volgde betekende het einde van vier jaren van vreselijke strijd en tevens van het Duitse Keizerrijk

Het duurde nog slechts enkele dagen tot men ook het vertrek van de Keizer eiste, eerst voorzichtig, maar allengs luider en duidelijker. Wilhelm verzette zich tot het uiterste maar de druk werd te groot en op advies van Hindenburg verliet hij op 9 november 1918 het „Grote Hoofdkwartier” en vroeg asiel aan in Nederland.

ENKELE CONCLUSIES

Drie belangrijke conclusies zijn nu te trekken uit het gesprek tussen Ludendorff en de regering op de 17e oktober.

Allereerst valt de verklaring van de minister van Oorlog op dat die in staat bleek op korte termijn nog ruim 600.000 man op de been te kunnen brengen.

Dat betekent dat men op z’n minst de vraag zou kunnen stellen waarom hij dat dan niet eerder had gedaan.

Ludendorff had waarschijnlijk gelijk toen hij uitriep dat als hij eerder over deze reserves had kunnen beschikken, de crisis, ja zelfs het vragen om een wapenstilstand, althans op dat moment, voorkomen had kunnen worden.

Vanwaar die plotselinge medewerking aan het bijeenschrappen van nieuwe manschappen?

Het antwoord daarop moet bij het opperbevel zelf worden gevonden. Het was het Opperbevel dat de situatie steeds te rooskleuring had afgeschilderd. Uit de volledige verrassing, ook bij de minister van Oorlog, blijkt wel dat men de werkelijke situatie aan het thuisfront niet heeft overzien. Men dacht dat de geruststellende woorden van het Opperbevel dat de oorlog nog gewonnen kon worden, op waarheid berustte en derhalve was men niet voorbereid op het nemen van noodmaatregelen.

Als het opperbevel de regering niet voortdurend een rad voor ogen had gedraaid maar haar bijtijds van de verslechterende situatie op de hoogte had gesteld, dan had men beter kunnen samenwerken en was men mogelijk eerder met het bijeenbrengen van de kennelijk toch nog aanwezige reserves begonnen. Dit had mogelijk de crisis waarschijnlijk nog enige tijd kunnen vertragen zoals Ludendorff ook naar voren bracht.

Een tweede conclusie is dat binnen de Duitse regering grote onzekerheid bestond over de te verwachte houding van het volk.

Enerzijds vreesde men voor de revolutie en was men uitermate onzeker over de gevolgen van de reeds heersende hongersnood, het grote gebrek aan materiaal, olie en mankracht, anderzijds onderschatte men de uitermate slechte stemming in het land en de reeds onder de oppervlakte smeulende revolutie en alhoewel Ludendorff er in slaagde om de meningen binnen de regering voorlopig weer op een rijtje te krijgen, ging dat toch niet van harte en al spoedig sloeg de twijfel bij de meeste ministers weer toe, vooral ook onder druk van de snel toenemende revolutionaire activiteiten in het land.

Als derde conclusie noemen we het feit dat het opperbevel de gevolgen van haar ondoordachte en plotselinge eis aan de Rijkskanselier om onmiddellijk wapenstilstandonderhandelingen te openen, volstrekt heeft onderschat. Het is buiten twijfel dat de wijze waarop dit geschiedde het startsein is geweest tot de ontbinding van de eenheid in het vaderland en tot het totale verlies van vertrouwen bij de bevolking, waardoor de revolutie uiteindelijk de kans kreeg tot uitbarsting te komen. Tegelijkertijd kon daardoor bij de geallieerden de indruk ontstaan dat het einde nader was en dat men de Duitse nederlaag tegemoet kon zien.

Het was de revolutie- en uitsluitend de revolutie die er de oorzaak van was dat Ludendorff’s plan, de strijd nog tot de winter te rekken, (niet om nog een kans te maken de oorlog nog te kunnen winnen, maar uitsluitend om daardoor betere wapenstilstandsvoorwaarden te verkrijgen), niet gerealiseerd kon worden.

De schuld aan het uitbreken van de revolutie lag echter niet bij het Duitse volk maar bij het opperbevel, dus bij Ludendorff zelf. De steeds, tegen beter weten in nog tot september volgehouden beweringen dat Duitsland de oorlog nog zou kunnen winnen en daarop volgend de plotselinge eis aan de regering om een wapenstilstand te vragen, was de voornaamste reden dat het Duitse volk haar vertrouwen verloor en de revolutie kon uitbreken. We komen daar nog nader op terug. .

WAS HET „PLAN LUDENDORFF” REALISTISCH?

We zullen ons nu de vraag stellen of het plan van Ludendorff om te proberen de strijd nog enkele,weken, voort te zetten en tijdens de wapenstilstandsonderhandelingen zijn troepen snel achter de Antwerpen-Maaslinie terug te trekken, ook een werkelijke kans van slagen zou hebben gehad. De voordelen van dit plan waren duidelijk en zouden o.a bestaan uit het feit dat daarmede zijn frontlijn aanzienlijk verkort zou worden en zijn verbindingslijnen zouden verbeteren terwijl hij, door het achtergelaten gebied totaal en grondig te verwoesten, het de geallieerden bijna onmogelijk zou maken hem snel te volgen. Zodra de winter inviel, zouden de gevechten door het verslechterende weer en de terreinomstandigheden, voorlopig moeten worden gestaakt of uitgesteld en dit zou de vijand voor de keus stellen om direct na de winter weer nieuwe zware gevechten te moeten voeren met veel verliezen aan mankracht en materiaal, dan wel hun vredesvoorwaarden te versoepelen en Duitsland een eervolle vrede in overeenstemming met het 14 puntenplan van de Amerikaanse president Wilson aan te bieden.

De meningen over de slaagkansen van dit plan lopen tot op heden zeer uiteen maar de overheersende mening is toch wel dat die kansen uiterst miniem zouden zijn geweest. Men moet zich echter afvragen of die mening wel voldoende gefundeerd is.

De „Vierde Subcommissie” nam overigens een duidelijk standpunt in.

Zij was van mening dat Duitsland zeker de tijd zou hebben gekregen het plan Ludendorff uit te voeren. Eenmaal in de nieuwe stellingen achter de Antwerpen-Maaslinie, achtte de commissie het aannemelijk dat er voldoende nieuwe reserves bijeen gebracht zouden kunnen worden om de gehavende divisies weer aan te vullen.

Uit het verslag van de op 17 oktober 1918 gevoerde besprekingen weten we dat de minister van Oorlog op die dag 600.000 á 700.000 man had toegezegd, zodat de commissie in dat opzicht niet ver van de waarheid af was.

Ook de Duitse oorlogsindustrie was, naar haar mening, nog voldoende intact om de meest noodzakelijke voorraden te leveren. Er was nog een olievoorraad van enkele maanden en de artillerie was voor het grootste deel nog in goede staat.

De ineenstorting van Duitsland’s bondgenoten, Bulgarije, Turkije en Oostenrijk-Hongarije, maakte de Duitse positie op de wat langere termijn weliswaar onhoudbaar, maar deed nog niets af aan het weerstandsvermogen op de korte termijn.*30.

Dat van die weerstand tenslotte echter weinig meer overbleef en de revolutie kon uitbreken, was, zoals we thans weten,het gevolg van het feit dat het volk niet meer in een goede afloop van de oorlog geloofde waardoor zelfs een korte voortzetting ervan onmogelijk werd gemaakt.

De bewering, dat het leger de strijd nog een korte tijd had kunnen voortzetten en op 11 november nog niet definitief op het slagveld verslagen was, kan technisch gezien moeilijk worden ontkend al was het natuurlijk volstrekt duidelijk dat het die oorlog niet meer winnen kon en de facto al in augustus had verloren.

Het doel van Ludendorff, doorvechten tot de winter en de vijand daarmede onder druk zettende te dwingen de keuze te maken in 1919 nieuwe, zware gevechten aan te gaan met een dan versterkt en voorbereid Duitsland, of gunstiger vredesvoorwaarden aan te bieden, waardoor er een snel einde aan de oorlog, de vernietiging, de uitputting en het lijden kon komen, die keuze, had men mogelijk toch met kans van slagen kunnen afdwingen en daarmede leek Ludendorffs doelstelling achteraf toch niet zo irreëel als vaak wordt aangenomen.

Zoals gezegd, de revolutie heeft dit voorkomen. Er bleef Duitsland niets anders over dan, zich tevergeefs vastklampende aan het 14 punten vredesplan van president Wilson, de zware eisen van de geallieerde wapenstilstandscommissie te accepteren.

Op 11 november 1918 tekenden de Duitse afgevaardigden de overeenkomst en was het lot van het Duitse Rijk bezegeld.

Noten

16: Lutz, R.H., The Causes of¼, p.55 e.v.

17: Ibid, p.68.

18: Ibid, p.63.

19: Ayres, Col. L.P., The War with Germany, a statistic summary, Chapter 1.

20: Lutz, R.H., The Causes of¼. p.151

21: Ibid, p.163.

22: Ibid, p.151.

23: ibid.

24: Ibid.

Amtlich Urkunden zur Vorgeschichte des Waffenstillstandes 1918, Vierte

Auflage, p.88.

25: Lutz, R.H., The Causes of p.88, 163.

26: Ursachen und Folgen vom deutschen Zusammenbruch 1918 und 1945 bis zur

staatlichen Neuordnung Deutschlands in der Gegenwart, p.385 e.v.

27: Ibid, p.401 e.v.

28: Ibid, p.405.

29: Aus der Aufzeichnung des Generals Ludendorff vom 31 Oktober 1918 uber das

Waffenstillstandsangebot, quoted in Ursachen und Folgen, p.451.

30: Lutz, R.H., The Causes of, p.163

overzicht: