De Mythe van 1918 Hoofdstuk 1

1 DE EINDFASE

EEN DUITSE DELEGATIE NAAR VERSAILLES

Toen de Duitse delegatie de Spiegelzaal te Versailles als laatste betrad, verstomde het rumoer. De Franse minister-president, #Clemenceau, stond op en met hem de overige ca 200 gedelegeerden.

De Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Brockdorff -Rantzau, liep aan het hoofd van zijn delegatie langzaam langs de zwijgende massa naar de hem aangewezen zetel, boog stijfjes en ging zitten. Ook alle andere aanwezigen zetten zich weer neer met uitzondering van Clemenceau die zich, na een kort welkomstwoord, staande tot de Duitse delegatie richtte met de woorden:

‘Heren afgevaardigden van Duitsland. Wij zijn hier bijeengekomen om onze rekeningen definitief te vereffenen. U heeft om vrede gevraagd, wij zijn bereid U die te geven. We zullen U thans onze voorwaarden overhandigen. U krijgt ruim de tijd ze te bestuderen maar het moet U duidelijk zijn dat de geallieerden volledige genoegdoening wensen. Wij verwachten Uw antwoord binnen 15 dagen. Wenst U nog wat te zeggen?’

Brockdorff-Rantzau maakte, door het opsteken van zijn hand, duidelijk dat hij inderdaad wat te zeggen had. Toen hij met spreken begon, stond hij echter niet op maar bleef, tot verbijstering van alle aanwezigen, zitten. Het signaal was duidelijk en werd ook door eenieder ervaren als een klap in het gelaat, vooral ook omdat Clemenceau wel was gaan staan toen hij het woord tot de Duitse delegatie richtte.

‘Wij voelden bij onze binnenkomst reeds de haat die U ons toedraagt’, zo begon Brockdorff-Rantzau met stemverheffing

‘Van ons wordt verwacht dat wij zullen erkennen dat alleen wij schuldig en verantwoordelijk zijn voor het ontstaan van de zojuist afgelopen oorlog. Zo’n erkenning uit mijn mond zou echter een leugen zijn. Het Duitse volk is er steeds rotsvast van overtuigd geweest slechts een defensieve oorlog te hebben gevoerd en ik ontken hier ten stelligste dat Duitsland als enige de schuld draagt aan die oorlog. Als U straks over schadevergoeding gaat praten, verzoek ik U te bedenken dat het U zes weken heeft gekost om de wapenstilstandseisen aan ons te overhandigen en zes maanden om daarna de vredesvoorwaarden gereed te maken. De honderdduizenden onschuldige Duitse burgers, vrouwen en kinderen, die na elf november 1918 de hongerdood stierven omdat U de blokkade continueerde, werden opzettelijk de dood ingezonden en wel, nadat U de overwinning reeds had behaald en Uw veiligheid meer dan verzekerd was. Ik verzoek U aan hen te denken als U spreekt over de begrippen schuld en straf” en daarmede was zijn toespraak geëindigd.

Het was even doodstil in de zaal maar daarop brak er een luid tumult los. Clemenceau hamerde om stilte en sloot daarop de bijeenkomst. De Duitse delegatie verliet de zaal en men hoorde Brockdorff-Rantzau luid tegen de andere delegatieleden zeggen: ‘Wat denkt die seniele oude Fransman wel om ons zo te vernederen. De enige manier om hem mijn minachting te laten voelen was door te blijven zitten. We zullen dit nooit vergeten en eens zullen wij deze schande weer uitwissen’. Profetische woorden die al snel in vervulling zouden gaan.

Hoe was dit alles toch zover gekomen?

HET BEGIN VAN HET EINDE

Het was begin 1918 en de oorlog stokte op alle fronten met uitzondering van het ‘Oostfront’ waar de Russische revolutie in feite een eind had gemaakt aan de vijandelijkheden tussen Rusland en Duitsland en beide landen onderhandelden over een vredesverdrag.

In het westen waren de geallieerden aan het eind van hun krachten gekomen en vermeden elke grote slag, wachtend op het moment dat de Amerikanen, die inmiddels aan de oorlog waren gaan deelnemen, op voldoende sterkte zouden zijn om de strijd een positieve wending te doen geven.

De oorlog zou, zo verwachtte men, zeker nog tot diep in 1919 voortduren en de situatie was nog steeds niet in het voordeel van de geallieerden beslist, integendeel.

Van Duitse zijde waren er inmiddels wel al enige pogingen gedaan om met de geallieerden aan tafel te gaan zitten, maar zonder resultaat. Ook de Paus deed een bemiddelingspoging welke echter op niets uitliep. *1 In december 1916 deed ook de Amerikaanse president Wilson een poging die echter, met name door de geallieerden, met kracht van de hand werd gewezen. *2

Het was duidelijk, Duitsland behoefde niet op de welwillendheid van de geallieerden te rekenen en dat was ook wel te begrijpen. Het Amerikaanse besluit om aan de oorlog te gaan deelnemen, zou de situatie spoedig ten gunste van de geallieerden veranderen en dat was dan natuurlijk niet het juiste moment om over vrede te gaan praten

Het Duitse opperbevel begreep dat eveneens en besloot dan ook nog eenmaal alles op alles te zetten en door een beslissende slag, nog vóór dat de Amerikanen én masse aan de strijd zouden gaan deelnemen, de kansen te doen keren en daardoor het sluiten van een voor Duitsland voordelige vrede, mogelijk te maken.

Het was dan ook in grote lijnen deze motivatie, die ten grondslag lag aan het grote „maartoffensief” dat, naar wij inmiddels weten, na een succesvolle start uiteindelijk op 8 augustus 1918 uitliep op een catastrofe.

EEN PARLEMENTAIRE COMMISSIE

Er is vanuit militairgeschiedkundig oogpunt veel kritiek geleverd op het Duitse opperbevel toen het besloot een laatste poging te wagen.

Men heeft hen verweten tegen beter weten in, duizenden de dood in te hebben gestuurd in een offensief dat op niets moest uitlopen.

Het was mede om die reden dat op 9 augustus 1919, dus na afloop van de oorlog, de nieuwe Duitse regering een parlementaire commissie instelde welke tot taak kreeg de redenen van de Duitse ineenstorting aan het eind van de oorlog, te onderzoeken.

De commissie, welke zeer brede bevoegdheden kreeg, bestond uit 4 subcommissies, elk met een eigen onderzoeksgebied. De vierde subcommissie richtte zich daarbij op de oorzaken van de militaire ineenstorting*3 en kwam uiteindelijk tot de conclusie dat het Duitse opperbevel vanuit militair oogpunt gezien, op goede gronden tot een laatste offensief besloten had waarbij men zich op de volgende argumenten baseerde: *4.

  1. Allereerst was duidelijk geworden dat de geallieerden negatief reageerden op Vredesinitiatieven, waardoor de kans op een voor Duitsland eervolle vrede, onwaarschijnlijk leek.
  2. Men rekende er op dat de Amerikanen tegen de zomer van 1918 op voldoende sterkte zouden zijn waardoor de balans zeker in het voordeel van de geallieerden zou doorslaan.
  3. Het vervangen van de Duitse verliezen door verse troepen werd steeds problematischer maar was nog wel mogelijk.
  4. De invloed van de Russische revolutie op de Duitse soldaten en de bevolking werd reeds duidelijk merkbaar maar was nog wel onder controle.
  5. Er stonden nog steeds meer Duitse- dan geallieerde troepen aan het Westfront.
  6. Men dacht het aantal troepen, na afsluiting van de vredesonderhandelingen met Rusland, aanzienlijk te kunnen uitbreiden met vrijkomende soldaten van het oostfront.
  7. De wapenproductie in Duitsland functioneerde nog steeds.
  8. De voor het maartoffensief geselecteerde troepen waren uitstekend getraind en hun moreel was nog steeds goed.
  9. In de praktijk was gebleken dat een defensieve houding veel meer slachtoffers veroorzaakte dan een aanvallende.

Het waren al deze redenen waardoor het Duitse opperbeel tot de slotsom kwam dat, wilde men nog een kans hebben de oorlog snel te kunnen beëindigen, een laatste groot offensief daartoe de enige mogelijkheid bood.

De beslissing om nog een laatste poging te wagen werd voorts noodzakelijk geacht omdat Duitsland’s krachten snel aan het afnemen waren. De Britse blokkade kreeg steeds meer invloed op de voedselvoorziening en de economie stokte.

Ernstiger echter achtte het opperbevel het, dat de aanvoer van verse troepen uit het Vaderland nagenoeg tot stilstand begon te komen. Er waren kennelijk niet meer voldoende mannen in Duitsland beschikbaar om op korte termijn aan de behoefte te voldoen en de verliezen aan te vullen terwijl men tevens vreesde dat deze situatie alleen maar zou verslechteren.

OPPERBEVEL VS POLITICI

Voor het Duitse opperbevel was er tenslotte nog een andere reden om tot een offensief te besluiten. Men was beducht voor een ingreep door de politici.

In Duitsland gingen nl steeds meer stemmen op om de oorlog te beëindigen dmv vredesonderhandelingen op basis van gelijkwaardigheid.. Het opperbevel was daar fel tegen. Nog steeds achtte men het mogelijk de oorlog te winnen en vrede te sluiten op eigen, op z’n minst gunstige, voorwaarden.

De Duitse politici boden echter steeds meer weerstand tegen de militaire plannen en de verhouding met het Opperbevel verslechterde snel.

Na het vertrek van kanselier von Bethmann Hollweg, die werd opgevolgd door de veel zwakkere Hertling, verkregen Hindenburg en Ludendorff een duidelijk overwicht en zij oefenden een toenemende druk op de Keizer uit.

Zo dreigden ze regelmatig met het indienen van hun ontslag indien ze hun zin niet zouden krijgen.

De militaire situatie was daarbij ook nog in hun voordeel, immers Rusland was verslagen en men rekende er op dat daardoor 1 miljoen man zouden vrijkomen om de strijdkrachten aan het westfront te versterken. Duitsland had voorts nog geen duimbreed bezet gebied aan de geallieerden behoeven af te staan en men wist dat die waren uitgeput en aan het eind van hun krachten waren gekomen. Ze zouden niet meer in staat zijn om op korte termijn de balans naar hun kant te doen overslaan.*5 De invloed van de inmiddels aan het front verschenen Amerikanen was nog nauwelijks merkbaar en Duitse onderzeeboten brachten schip na schip der geallieerden tot zinken. Militair had Duitsland in het voorjaar van 1918 toch wel het zenit van haar kracht bereikt. *6.

Het thuisfront begon zich echter steeds meer tegen het voortduren van de oorlog te verzetten en dat was natuurlijk een belangrijke politieke factor. Om die stemming tegen te gaan voerde het opperbevel de druk op de politici steeds verder op.

Zo verweet Hindenburg, in een brief van 7 januari 1918 aan keizer Wilhelm, dat de politici de militaire successen van het opperbevel niet genoeg uitbuitten, ja zelfs met de gedachte speelden Elzas-Lotharingen autonomie te geven. Hij verweet hen voorts zich tegen de annexatieplannen van het opperbevel inzake België en de Belgische kust te verzetten, Polen tot een apart koninkrijk te willen omvormen in plaats van dit land of delen daarvan te annexeren, in het oosten niets te doen om gunstige grenzen te vormen en in politiek- en economisch opzicht niet alert genoeg te zijn.

Hij was verder van mening dat de politici zich laf gedroegen en het opperbevel maar lieten praten om daarna rustig hun eigen gang te gaan. Zo zou ook de minister van Buitenlandse Zaken zich, buiten de Rijkskanselier om, rechtstreeks tot de Keizer gewend hebben inzake een beslissing over de status van Polen, zonder dat het opperbevel daarin was gekend. (een rechtstreeks verwijt aan de Keizer dus die op 18 januari 1918 de annexatieplannen van het opperbevel ten opzichte van Polen, van de hand had gewezen.)

De Keizer kreeg nog een veeg uit de pan door het verwijt dat hij kennelijk meer interesse had in het militaire oordeel van ondergeschikten, (bedoeld werd generaal Hoffmann die door #Wilhelm was ontboden om hem zonder franje de werkelijke oorlogssituatie uit te leggen) dan in hun eigen oordeel en Hindenburg liet niet na de Keizer mee te delen dat de meningsverschillen tussen het opperbevel en de minister van Buitenlandse Zaken met betrekking tot de oorlogsdoelen (ze wilden na de oorlog een aantal gebieden annexeren en de minister en de meerderheid in de Rijksdag wilde dat niet) uiterst gevaarlijk waren

Tenslotte stelde Hindenburg dat als niet beter naar de adviezen van het opperbevel geluisterd werd, zij hun naam niet langer aan de oorlog verbonden wilden zien.*7

Een duidelijke dreiging met ontslag derhalve in niet mis te verstane woorden.

De minister van Buitenlandse Zaken, Kühlman, reageerde onmiddellijk. Via kanselier Hertling stuurde hij een memorandum waarin hij Hindenburg ongezouten van repliek diende.

Het was, aldus Kühlman, toch niet zo dat de Keizer Hindenburg had aangewezen om leiding te geven aan de vredesbesprekingen met Rusland? . Dat was toch de zaak van de Rijkskanselier aan wie hij, Kühlman rapporteerde? Hindenburg zou toch moeten weten dat in de Duitse staatsstructuur er slechts één verantwoordelijke minister was, de Rijkskanselier, en dat die nog steeds de dienst uitmaakte!

Hij schreef voorts dat militairen zich niet met politiek moesten bemoeien, dat er uiteraard met hun wensen rekening zou worden gehouden maar dat de Rijkskanselier de beslissingen nam en materieel rechtstreeks aan de Keizer verantwoordelijk was. Daar konden de heren het mee doen.

Kühlman ging nog verder en zei dat de Rijksdag de annexatieplannen van het opperbevel zeker zou afkeuren en hij adviseerde Hindenburg de zinloze woordenstrijd met de Kanselier te staken en benadrukte niet in te zien waarom de gehele buitenlandse politiek zou moeten worden aangepast aan de wens van het opperbevel, om enige kleine stroken land te annexeren. *8.

Hij vond dat Hindenburg moest stoppen met klagen over het feit dat hij verrast zou zijn geweest door de besprekingen over Polen op 25 december 1917, immers daar was Hindenburgs eigen vertegenwoordiger bij aanwezig geweest en als hij dus klachten had, dan moest hij daar eerst maar eens te biecht gaan. Tenslotte schreef hij dat het opperbevel niet het recht had om politici te verwijten zich onvoldoende te hebben voorbereid op de vredesbesprekingen met de Russen en dat zo’n verwijt slechts geuit kon worden door lieden die ‘niet het flauwste benul hadden van de contemporaine geschiedenis’ er daarbij aan herinnerend dat het ‘belang van het Rijk’ en niet de gevoelens van het opperbevel, beslissend dienden te zijn voor het bepalen van de Duitse buitenlandse politiek. *9.

Het was duidelijk, Kühlman was het zat en wierp het opperbevel de handschoen toe..

Zijn memorandum werd hem uiteraard niet in dank afgenomen en vanaf dat moment liet het opperbevel niets na om zijn val te bewerkstelligen.

Dat lukte toen Kühlman op 24 juni 1918 in de Rijksdag openlijk verklaarde van mening te zijn dat de oorlog niet meer met militaire middelen kon worden gewonnen,*10 een verklaring die hij overigens baseerde op een memorandum van een hoge militair van 3 juni. (kolonel von Haeften.

Von Haeften had reeds in maart 1918 in Den Haag contact proberen te leggen met de Amerikanen om vredesbesprekingen te arrangeren, maar zonder resultaat. *11.

De openlijke verklaring van Kühlman in de Rijksdag dat hij niet meer in een militaire overwinning geloofde, betekende zijn politieke einde. Hij werd beschuldigd van defaitisme en was niet meer te handhaven. In Juni werd hij opgevolgd door Hintze en vanaf dat moment ontstond er in Duitsland feitelijk een semi-militaire dictatuur waarbij het duo Hindenburg-Ludendorff er meer en meer in slaagde de politiek volledig naar hun hand te zetten.

Iets soortgelijks dreigde overigens reeds eerder, in 1916 ook in Groot Brittannie te gebeuren waar een hevige strijd om de macht ontbrandde tussen de politici en het militaire opperbevel waarbij een groot deel van de pers zich aan de kant van de militairen schaarde en er zelfs openlijk werd gepleit voor een militaire dictatuur gedurende de tijd van de oorlog. *12 We komen daar later nog uitgebreid op terug.

Leden van de regering, de Rijksdag en ook de keizer zelf hadden, zoals blijkt, in deze periode wel degelijk een eigen mening en durfden die te uiten ook, maar niemand wilde in dit stadium van de oorlog de verantwoording voor het naar huis sturen van het opperbevel op zich nemen en dat was natuurlijk ook wel begrijpelijk.

Een en ander had wel tot gevolg dat het opperbevel praktisch in alles z’n zin kreeg met alle gevolgen van dien.

Toch werd duidelijk dat de annexatieplannen vanaf 1917 lang niet meer die bijval en goedkeuring van de politici kregen als later nog wel eens gesuggereerd werd.

Overigens, spreekt men over annexatieplannen, dan waren het zeker niet alleen de Duitsers die daar mee rond liepen. Ook de geallieerden hadden zo hun gedachten over de verdeling van vijandelijk grondgebied nadat de oorlog zou zijn afgelopen-*13. Hadden ze hierin hun zin gekregen dan had Europa er nu waarschijnlijk eveneens heel anders uitgezien, een historisch feit waaraan nogal eens gemakkelijk is voorbij gegaan.

Erkent men de realiteit van de soms ongebreidelde en gevaarlijke oorlogsdoelen van Duitsland zoals die na 1914 ontstonden, niet minder ongebreideld en gevaarlijk waren de door de geallieerden opgestelde plannen voor de periode na de oorlog, waarbij ze hun doelen soms trachtten te verwezenlijken door het beloven van stukken grondgebied van de vijand aan eventuele bondgenoten, nog vóór dat die stukken reeds waren veroverd en in sommige gevallen bood men zelfs territorium van zwakke bondgenoten aan die daar dan uiteraard zelf totaal geen weet van hadden maar dat t.z.t dan wel zouden bemerken. *14.

De geallieerde territoriale plannen gingen echter lijnrecht in tegen de door de Amerikaanse president Wilson juist gelanceerde vredesboodschap ‘Peace without Victory’ (een vrede dus zonder overwinnaars of schuldigen en zonder overheersing van het ene- over het andere land)*15. en dat had tot gevolg dat de president zich heftig verzette tegen de oorlogsdoelen van de geallieerden, een verzet dat hij in het begin ook volhield bij de latere vredesbesprekingen te Versailles. Het is mede daardoor dat de geallieerden hun eisen toen niet geheel hebben kunnen realiseren.

Noten

1: Lutz, R.H., The Causes of the German collapse in 1918, p.192.

2: Heckscher, A., Woodrow Wilson, p.422.

3: Lutz, R.H., The Causes of¼, p.5-7.

4: Ibid, p.5.

5: Heckscher, A., Woodrow Wilson, p.446 e.v.

6: Fischer, F., Griff nach der Weltmacht

7: Brief Hindenburg aan Wilhelm ll, 7-1-1918.

8: Lutz, R.H., The Causes of, p.36.

9: Memorandum Kühlman aan Hertling, d.d. 11-1-1918.

10: Lutz, R.H., The Causes of, p.6.

11: Memorandum von Haeften d.d. 3-6-1918.

12: Beaverbrook, Men and Power, p.Xl.

13: Hanson, A.B., Geheime diplomatie, bijlage 2.

overzicht: