De muiterijen in het Franse leger in 1917

Bijgaand artikel is van de hand van de heer Menno Wielinga en verscheen eerder in ‘De grote Oorlog, Kroniek 1914-1918’ no 4, het ‘jaarboek’ van onze stichting.

De heer Wielinga, docent bedrijfseconomie, raakte jaren geleden geinteresseerd in de Eerste Wereldoorlog. Hij publiceert regelmatig op zijn eigen website www.wereldoorlog1418.nl . Hij is co-auteur van het boek ‘Het monster van de oorlog’ (isbn 90-388-00207) en is thans bezig met een studie over het ‘kamp groningen’.

De oorlog is een groot, beklemmend en bloedig drama geweest, dat de gehele mensheid gestort heeft in een maalstroom van lijden en ellende, van onrechtvaardigheid en slavernij.

Henri Barbusse (1)

Door: Menno Wielinga


In de periode april tot en met juli van het jaar 1917 vonden in het Franse leger op grote schaal muiterijen plaats. Uit in 1967 vrijgekomen Franse archiefstukken bleek dat er hoofdzakelijk sprake is geweest van oorzaken van militaire aard, hoewel de Generale Staf ze destijds voornamelijk zocht in defaitisme en politieke agitatie die vooral een impuls hadden gekregen door de revolutie die in 1917 in Rusland plaatsvond. Al in de winter-periode van 1916-1917 had de inlichtingendienst van het Franse leger bewijzen trachten aan te dragen voor het bestaan van een geheim pro-Duits complot dat bedoeld was om het Franse leger te demoraliseren.
Generaal Pétain, de opvolger van de generaal Nivelle, heeft het bestaan van een dergelijk complot echter nooit willen accepteren. Ook bleken bij nader onderzoek geen politieke motieven te vinden.


De muiters die voor de krijgsraad werden gedaagd, deden nooit een beroep op pacifisme of socialisme om hun optreden te verklaren. Zij noemden, telkens opnieuw als reden voor de muiterij, de enorme verliezen van hun eenheden bij, als zinloos ervaren aanvallen, de slechte regelingen rond de verloven, slechte huisvesting, slechte voeding en oververmoeidheid. Deze verklaringen werden ondersteund door uitspraken van bevelvoerende officieren en die van commissies welke belast waren met het onderzoek naar de gebeurtenissen. (2)

Hoogopgelopen verliescijfers

De verliescijfers onder de Franse soldaten waren tot 1917 enorm opgelopen. Het dogma van de aanval tot het uiterste (het ‘offensive à outrance’), dat in de eerste oorlogsjaren onder opperbevelhebber Joffre consequent was doorgevoerd, was op een massaslachting uitgelopen. Later werd de methode van de grignotage (het ‘knabbelen aan het front’) ingevoerd waarbij voortdurend aanvallen op kleine schaal werden uitgevoerd om de Duitsers uit te putten. Deze methode leverde nauwelijks minder slachtoffers op. Ondanks de al jaren lang gedane beloften dat nog éénmaal een slag moest worden gevoerd om de overwinning te behalen, lagen de Duitse en Franse legers nog steeds bewegingsloos tegenover elkaar. Elk jaar opnieuw waren er grote offensieven uitgevoerd: Marne, IJzer, Artois, Argonnen, Vogezen, Champagne, Verdun en Somme waren inmiddels beruchte namen geworden. Honderdduizenden slachtoffers waren er gevallen en nog steeds was het einde niet in zicht.

De officiële verliescijfers tot halverwege 1916 waren:
1914 aug - dec: 152.000 doden en 243.000 gewond, gevangen of verdwenen
1915 1e halfjaar: 145.000 doden en 102.000 gewond, gevangen of verdwenen
1915 2e halfjaar: 128.000 doden en 93.000 gewond, gevangen of verdwenen
1916 jan - april: 70.000 doden en 53.000 gewond, gevangen of verdwenen
(NB. De volledige verliescijfers van Verdun en de Somme zijn hierin nog niet verwerkt.)

Generaal Pétain
Generaal Pétain

Op 28 november 1916 schatte generaal Roques, toenmalig minister van Oorlog, tijdens een bijeenkomst van een geheim comité dat, naar zijn berekeningen per 1 november 1916, ongeveer 1.700.000 mannen zouden zijn gedood of verdwenen of krijgsgevangen waren gemaakt en dat 1.236.000 mannen gewond waren afgevoerd. (3)
De administratie binnen het leger was in die tijd onnauwkeurig en dubbeltellingen kwamen vaak voor. Ook werden gewonden vaak in verkeerde categorieën ingedeeld en dubbel geteld in verschillende soorten statistieken. Misschien is Roques te pessimistisch geweest; feit blijft dat er tot op de dag van vandaag nog steeds verschillende aantallen Franse slachtoffers worden genoemd. (4)

Het 19e BCP (Batallion de chasseurs à pied ) boekte het ‘terrible et glorieux record’ aan slachtoffers. Om gedurende de oorlog een effectief gemiddelde van 800 man te handhaven werden 12.570 officieren, onderofficieren en manschappen ‘verbruikt’ - onder hen waren 3.133 doden te betreuren. (5)

De militaire verliezen waren dan ook proportioneel hoger dan bij de andere oorlogvoerenden: naar schatting 16,8% van de gemobiliseerden kwam om het leven. Dit is 3,4% van de toenmalige Franse bevolking . Servië, Roemenië en Bulgarije kenden nog hogere verliescijfers. (6) Het feit dat de verliezen zo ontstellend hoog waren wordt toegeschreven aan consequente toepassing van de door de Franse leger-leiding aangehangen doctrine van het offensive à outrance die, door toedoen van generaal Pétain, na muiterijen uiteindelijk verlaten werd. (7)

Aanleiding tot de muiterijen

Als belangrijkste aanleiding tot het ontstaan van de muiterijen van 1917 wordt dan ook genoemd de enorme verliescijfers bij het Franse offensief van 16 april 1917 (het z.g. Nivelle-offensief). ‘L’heure est venue, confiance et courage. Vive la France!’ sprak Nivelle in zijn dagorder van 15 april en hij beloofde zijn soldaten een doorbraak met gegarandeerd succes die de oorlog binnen veertien dagen tot een einde zou brengen. En opnieuw werd de Franse soldaat gevraagd zijn leven te geven Pour la Patrie.
De Duitsers hadden zich, na de zware gevechten bij Verdun en de Somme in het voorgaande jaar, in 1917, om tactische redenen teruggetrokken op een verkorte frontlijn: de Hindenburglinie. Hier hadden zij zich, op de hooggelegen gronden, diep ingegraven in grotten en oude steengroeven in zwaar versterkte diepgelegen posities die bewapend waren met mitrailleurs en veldgeschut. Daarnaast was het Duitse opperbevel al lang van te voren op de hoogte van het komende Franse offensief: aanvalsplannen waren bij krijgsgevangenen aangetroffen en in Parijs was het een publiek geheim wanneer de aanval zou plaats-vinden. Daarom konden de Duitsers zich dan ook grondig voorbereiden op de verdediging. Generaal Nivelle geloofde nog steeds in een snel succes. Het aanvalsplan was eenvoudig van opzet: er was een Legergroep Doorbraak (Groupe d’Armée de Rupture) gevormd bestaande uit het Ve, VIe en het Xe Leger met het IVe Leger in reserve op de achtergrond. Het Ve Leger en het VIe Leger zouden met een bliksemaanval diep doordringen in de Duitse frontlijn. Het Xe Leger zou onmiddellijk aansluiten op de aanval en voorbij de bereikte doelen doorstoten om een definitieve doorbraak in de Duitse linies te bewerkstelligen.

Het moreel van de Franse troepen voor de slag

Reeds in 1916 zegt Louis Barthas over de instelling van de Franse poilu’s,

„…..onze meerderen konden maar niet begrijpen hoe een vrij man tot het fatale moment van de oorlog zonder het minste gemor, bijna vrijwillig, dit offer kon brengen; een offer dat vergeefs en zinloos was. De soldaten waren volgzamer dan een troep slaven die in het antieke Rome naar een of andere marteling werden gedreven. Hierin vergisten onze meerderen zich niet. Zij wisten heel goed dat het niet de vlam van het patriottisme was die hen tot dit offer dreef. Het was een soort grootspraak. Niemand wilde een grotere lafaard zijn dan zijn buurman. Daarbij kwam nog dat de mannen, eigenwijs als ze waren, vertrouwen hadden in hun goed gesternte. Sommigen koesterden zelfs in het geheim de ijdele hoop gedecoreerd of bevorderd te worden. Alles bij elkaar overheerste bij de meesten het gevoel dat het zinloos was in opstand te komen tegen dit onverbiddelijke noodlot.
De angst van onze meerderen dat de soldaten zouden aarzelen of zich als zelfs het domste dier instinctief tegen de dood zouden verzetten, was ongegrond. Ze leefden te ver weg van de gewone soldaat en waren te hoog boven hen verheven om hun mentaliteit te begrijpen. Zo maakten ze zich belachelijk door een komedie op te voeren die het gevoel van eigenwaarde van de soldaten zou hebben gekwetst, als zij het in de gaten hadden gehad…..”
(8)

Ondanks het feit dat Barthas de Franse soldaten afschildert als willoos slachtvee, was het tot op het hoogste niveau bekend dat er iets broeide in het Franse leger. Op 29 december 1916 had generaal Nivelle aan de minister van Binnenlandse Zaken gemeld dat er onder de troepen vlugschriften werden verspreid met een antimilitaristische en pacifistische inslag. Hij verzocht de minister van Binnenlandse Zaken hem een lijst ter hand te stellen van groeperingen en personen die daarvoor verantwoordelijk waren. Er moesten maatregelen worden genomen: deze vlugschriften ondermijnden het moreel en de discipline van de troepen te velde. Op 28 februari 1917 had Nivelle nog geen antwoord gehad op zijn verzoek en hij wendde zich nu tot de minister van Oorlog en wees hem op het bestaan van subversieve elementen binnen de krijgsmacht die ernstige schade toebrachten aan ‘de juiste zaak waarvoor de soldaten streden’. De minister van Binnenlandse Zaken schreef daarop geruststellend aan de minister van Oorlog dat de generaal zich nergens zorgen over hoefde te maken: er waren al maatregelen genomen. Uit rapporten bleek inmiddels dat bij een groot aantal eenheden ‘een zekere vermoeidheid en een zekere vermindering van het moreel’ zich aftekende. Een ander rapport signaleerde een algemeen heersende kritiek op de voeding, de kleding en er waren klachten over vermoeidheid en ‘de onbekwaamheid of de onverschilligheid van de leiding’. Op 8 maart vroeg Nivelle aan zijn hogere officieren ‘goed op te letten op de manier waarop het moreel van hun troepen kon worden gehandhaafd’ want ‘de gevechtswaarde van de troepen was nauw verbonden met de zorgen die de leiding besteedde aan het materiële en morele welzijn’.
Toch heerste er vlak voor de slag de algemene indruk dat de overgrote meerderheid van de soldaten die langs de Aisne, tegenover de Chemin des Dames, werd gestationeerd, onder de indruk was van het toestromende aantal kanonnen, de enorme hoeveelheid munitie en het grote aantal manschappen dat in tenten in het open veld, hun plaatsen innam ter voorbereiding van de aanval en de geplande achtervolging. (9)

De slag begint: 16 april 1917

Vanaf 8 april lagen de Duitse linies onder zwaar Frans artillerievuur dat van dag tot dag heviger werd. Ook Louis Barthas was betrokken bij de voorbereidingen van het Nivelle-offensief. Hij vertelt later: …Op het rapport las men ons de dagorder voor van de grote slachter van 16 april, generaal Nivelle. De inhoud moest aan de troepen, dat wil zeggen de slachtoffers, de dag vóór de aanval worden medegedeeld. Tussen andere dwaasheden stond ‘dat het uur van het offer was geslagen en dat er niet meer aan verloven hoefde te worden gedacht’. Helaas! Al bijna dertig maanden lang had elke dag wel voor iemand het uur van het offer geslagen en wat betreft de verloven: ondanks alle bevelen dachten de poilu’s van ‘s morgens tot ‘s avonds aan niets anders. Al het andere was bijzaak. Het voorlezen van dit patriottisch gewauwel wekte geen enkele geestdrift op. Integendeel, het demoraliseerde de soldaten. Zij zagen daarin een gruwelijke dreiging met nieuwe ellende, grote gevaren en een vreselijke dood in het vooruitzicht. En dat voor een zinloos offer, want geen mens geloofde nog in de goede afloop van deze nieuwe slachting.

Onze leiders daarentegen schenen geen ogenblik te twijfelen aan de nederlaag van de Duitsers. De meest minutieuze voorbereidingen bewezen zelfs dat ze op een lange achtervolging van de vijand rekenden. Elke soldaat kreeg voor een paar dagen rantsoenen en veldflessen met vier liter drank, een paar dozijn granaten en enkele honderden patronen zonder dat men zich afvroeg of de soldaat zo’n last of overlast wel kon dragen… (10)

Op 16 april 1917 gaf generaal Nivelle de Franse troepen bevel over de volle lengte van de Chemin des Dames een enorm offensief in te zetten op dit zwaar versterkte bolwerk. Na een korte maar hevige beschieting werd de aanval ingezet onder de slechtst denkbare weersomstandigheden. De Fransen poilu’s moesten onbeschermd, heuvelop- waarts rennend, de bijna onneembare stellingen veroveren. De operatie draaide dan ook uit op een bloedbad: de Franse soldaten werden letterlijk afgemaakt. Nivelle bleef echter halsstarrig aanvallen ondanks het feit dat al in een vroeg stadium duidelijk werd dat het offensief gedoemd was te mislukken. (11)
Onder deze omstandigheden werd het kritieke punt van het incasseringsvermogen van de soldaten overschreden: het moreel verminderde zienderogen. De achteloosheid waarbij opnieuw, voor de zoveelste keer, een grootschalig offensief was ingezet waarbij zoveel soldaten zinloos werden geofferd, bleek fnuikend voor de stemming onder de Franse troepen. Het vertrouwen in de legerleiding bereikte binnen enkele dagen een absoluut dieptepunt zoals duidelijk bleek uit de reacties die de soldaten gaven over de ontstane situatie: - ‘Nog nooit heb ik zulke beestachtigheden gezien!’ - ‘U zegt me moed te tonen, maar hoe lang nog?’ - ‘Ik was een echte patriot maar vanaf vandaag vind ik dat het tijd is hiermee op te houden.’ - ‘Niemand van ons kan en wil meer. Waar is dit allemaal goed voor?’ - ‘Het moreel is erg laag. Het zal erg moeilijk zijn weer opnieuw te beginnen.’ - ‘Het verlof is het enige dat ons nog met het leven verbindt.’ - ‘Er zijn steeds meer gevallen van desertie. Wanneer serieuze mannen van goede wil een keer op dit punt zijn gekomen moet je geloven dat het werkelijk voorbij is.’ - ‘In ons regiment zijn er al tenminste 400 deserteurs sinds 16 april. Ik ga er ook vandoor…’ - ‘Tien mannen uit mijn compagnie hebben stokslagen gehad omdat ze niet wilden aanvallen. Het lijken hier wel Russische toestanden, niemand wil nog vooruit.’ - ‘Het is een en al gruwelijkheid wat je hier ziet; je wordt er gek van.’ - ‘Wij willen niet meer aanvallen. We blijven hier zitten om de moffen tegen te houden maar er hoeft niets te gebeuren of we zullen de loopgraven verlaten.’ (12)
Hoe groot de verliezen waren in de periode van 16 april tot 10 mei blijkt uit een officiële schatting die in 1920 door het Franse hoofdkwartier werd uitgegeven zonder de garantie te geven voor de juistheid ervan en waarbij de niet afgevoerde lichtgewonden nog niet eens niet waren meegeteld. Het totaal aantal slachtoffers werd berekend op 139.589 mannen. Hiervan waren 24.179 gedood, 89.819 gewond en 25.591 krijgsgevangen gemaakt of verdwenen. Officieel werd de veldslag door het hoofdkwartier van het leger afgeschilderd als een complete overwinning. De feiten werden verdoezeld. Het aantal Franse slachtoffers zou beperkt zijn: de Franse verliezen waren niet meer dan 75.000 man en de Duitsers zouden 200.000 man hebben verloren in de strijd. Kolonel C. Repington, de Engelse oorlogscorrespondent van de Times, meldde dat hij op datzelfde moment in Parijs van de minister van Oorlog Painlevé te horen kreeg dat het aantal slachtoffers meer dan 116.000 man zou bedragen. (13)
Vooral het Ve en VIe Franse leger hadden buitengewoon te lijden onder het moorddadige offensief. De muiterijen vonden dan ook plaats in de gebieden van Soissons tot Auberive-sur-Suippe waar de zwaarste verliezen waren geleden en nauwelijks enige terreinwinst was geboekt.
Merkwaardigerwijs kwamen in de voorste linies geen muiterijen voor. Uitsluitend in de legerplaatsen en bij de troepen achter het front braken ongeregeldheden uit. De veilig-heid van het front is dus nooit rechtstreeks in gevaar geweest en generaal Pétain heeft dan ook geen maatregelen genomen om betrouwbare troepen die aan het front lagen weg te halen uit het gebied waar de muiterijen uitbraken. Volgens hem hielden de muiterijen geen weigering in om oorlog te voeren, maar waren ze alleen een weigering om op een bepaalde manier oorlog te voeren. Naar zijn mening werd het Franse leger ‘vluchtig door een voorbijgaande crisis aangetast’, die zou ophouden zodra de oorzaken hiervan waren weggenomen.
Gebleken is dat juist de aankondiging dat de soldaten opnieuw, voor de zoveelste keer zouden worden ingezet bij grootscheepse aanvallen waarin ze geen enkel vertrouwen meer hadden, vrijwel altijd de directe oorzaak is geweest van de ongeregeldheden. De meeste acties beperkten zich dan ook tot de weigering naar de frontlinie te gaan. Meestal gingen deze weigeringen gepaard met luidruchtige manifestaties. De soms hierbij gezongen Internationale of het zwaaien met de rode vlag of de verwijzingen naar de revolutie in Rusland, konden de indruk wekken dat er sprake was van een revolutionaire beweging. Bij de onderzoeken en de verhoren bleek echter nooit sprake van politieke argumenten.
De talrijke grotere en kleinere incidenten hadden geen serieuze gevolgen voor de betrouwbaarheid van het leger, ook al omdat geen enkele officier aan de ongeregeldheden heeft deelgenomen. Ernstige gewelddaden tegen officieren zijn sporadisch voorgekomen: er werd gescholden, met stenen gegooid en soms mishandeld, maar zelden zijn officieren ernstig mishandeld of met de dood bedreigd. Ook blijkt dat de uitingen van ongehoor-zaamheid altijd van korte duur waren; meestal slechts enkele uren, maximaal één of twee dagen. De muiterij in Missy-aux-Bois (bij Soissons), die vier dagen duurde, is hierbij als een uitzondering te beschouwen.
Er is een inventarisatie gemaakt door het 2e Bureau van het Algemene Hoofd-kwartier. Hieruit blijkt dat in de periode van 29 april tot september 1917 totaal 119 gevallen van ‘collectieve acties tegen de discipline’ gemeld zijn waarvan 110 als zeer ernstig werden aangemerkt. Daarnaast zijn er 51 gevallen gemeld die niet als collectieve actie werden beoordeeld omdat ze werden veroorzaakt door enkelingen of kleine groepjes. De 119 zware gevallen zijn als volgt over deze periode verdeeld:
tussen 29 april en 25 mei: 10
tussen 26 mei en 10 juni: 80
tussen 11 juni en 2 juli: 20
tussen 3 juli en 24 juli: 5
in augustus: 3
in september: 1

Niet alle regimenten werden aangestoken door de muiterij: van de 144 divisies werden 54 besmet van wie 7 tamelijk ernstig en 5 zeer ernstig. Hierbij waren betrokken 76 regimenten infanterie, 21 bataljons chasseurs, 2 koloniale regimenten, 1 territoriaal regiment en 1 bataljon Senegalezen. Het VIe Leger werd het meest aangetast, daarna het IVe, het Xe en het Ve. Bij telling bleek dat 85% van de muiterijen betrekking had op troepen uit het gebied van de Chemin des Dames. Bij de overige legers kwam ondisciplinair gedrag in veel mindere mate voor: 8 artillerie regimenten en 1 regiment dragonders vertoonden tekenen van insubordinatie. (14)
Nooit heeft men kunnen achterhalen hoeveel soldaten aan de muiterijen hebben deelgenomen; de schattingen lopen dan ook sterk uiteen. Meestal noemt men een aantal tussen 30.000 tot 40.000 man, maar er worden ook cijfers van 20.000 tot 50.000 genoemd.
Het volgende brieffragment geeft de sfeer aan bij de troepen in de periode van muiterijen: …Er kwamen vierhonderd man als versterking van het divisiedepot, waar een slechte stemming heerste. Er vormden zich groepjes. Twee compagnies weigerden naar het front te gaan. Er werd een bijeenkomst in de open lucht gehouden. Sommige sprekers gewaagden van de vermoeidheid, anderen stelden de bevoorrechte positie van de mensen achter het front aan de kaak, weer anderen de onbekwaamheid van de Generale Staf, die zichzelf wel eerbewijzen en voordeeltjes wist te verschaffen, maar niet in staat was de dagelijks beloofde overwinning te bewerkstelligen. Nog anderen loofden de ideeën van het nieuwe Rusland en het voorbeeld van de Russische soldaten. Nadat hogere officieren hadden ingegrepen, zakte de opwinding weer. Het merendeel van de soldaten ging weer naar de loopgraven. Enkelen weigerden mee te gaan of aarzelden lange tijd: zij werden gearresteerd en voor de krijgsraad gedaagd… (15)

Aanleidingen tot de muiterijen

De aanleidingen moeten vooral worden gezocht in de levensomstandigheden waaronder de Franse soldaat oorlog moest voren. Er was, zoals bleek uit eerder bekende rapporten, een algemeen heersende kritiek op de voeding, de kleding en er waren klachten over vermoeidheid en ‘de onbekwaamheid of de onverschilligheid van de leiding’. Daarnaast was er sprake van een algemene ontevredenheid over de karige rantsoenen, het slechte onderdak tijdens de rustpauzes achter het front, de slechte betaling (vijf sous per dag) en de hoge prijzen die achter het front betaald moesten worden voor voedsel en drank.
De klachten over de onbekwaamheid en de onverschilligheid van de leiding waren oorzaak van insubordinatie, vijandig gedrag en scheldpartijen tegen de officieren en de legerleiding.
…Het regende steeds harder, waardoor we steeds moeilijker vooruit kwamen. Elke stap duurde vijf minuten en ten slotte moesten we halt houden. Angstig hoorden we dat een flink aantal soldaten van de compagnie voor ons was weggezakt in de modder.

Plotseling hoorden we gelach, gezang en vrolijk gepraat. Tot onze verbijstering zagen we dat we ons voor de schuilplaats van onze kapitein en de officieren bevonden. Onze ellende liet hen dus koud. ‘Als ze niet door de loopgraaf kunnen moeten ze maar bovenop verder gaan!’ zei onze antipathieke [kapitein] Cros-Mayrevieille. Het klonk als een slechte grap. We zaten immers midden in een woud van prikkeldraad. Sommigen verscholen zich op de trap van de schuilplaats van de kapitein maar deze joeg hen zonder pardon weg. Onderin de goed verlichte en verwarmde schuilplaats werd al gauw weer gelachen en gezongen. Dat werd ons te veel. Het was gewoon een belediging voor ons, ellendig als we eraan toe waren. Er werd ruw geroepen: ‘Stop! Nu is het genoeg! Schoften! Gespuis!’. En andere scheldwoorden van hetzelfde kaliber. Daarop werd het stil beneden. Je wist maar nooit waartoe woede kon leiden. Er konden gemakkelijk een paar granaten langs de trap naar beneden rollen. Sommige soldaten waren daartoe in staat… (16)
Dit al lang bestaande ongenoegen uitte zich op twee manieren: desertie vond in 1917 plotseling op grote schaal plaats en daarnaast kwamen veelvuldig betogingen voor in de treinen van de verlofgangers en op de stations.
In 1916 waren er 29.016 veroordelingen wegens desertie door de krijgsraad uitgesproken. Dit waren gevallen van desertie in het zicht van de vijand en desertie, te kenmerken als afwezigheid zonder toestemming. In 1917 was het aantal veroordelingen wegens desertie opgelopen tot 50.900. (17) De oorzaken hiervoor zijn gemakkelijk aan te wijzen. Was het percentage verloven normaal 13%, in maart 1917 was het teruggebracht tot 5% en aan het einde van de maand zelfs tot 2%. Vele soldaten namen dan ook op eigen initiatief hun verlof op, wat dan ook de golf van desertie binnen het leger veroorzaakte.
Demonstraties in de treinen van de verlofgangers en op de stations hadden zich reeds voor de crisis in mei herhaaldelijk voorgedaan. Dit kwam tot uiting door het zingen van provocerende liederen, spreekkoren, vechtpartijen en eigenmachtig optreden. De soldaten uitten daarmee hun verontwaardiging over het feit dat de dienstregeling niet klopte, dat ze op de paar verlofdagen vele uren, soms dagen, verloren met wachten op aansluitingen en dat de voorzieningen in de stations zeer gebrekkig waren. Deze demonstraties, die onder normale omstandigheden meestal beperkt van omvang waren en door de aanwezige gendarmes in bedwang konden worden gehouden, namen nu een ongekende omvang aan. Alleen al in de legerzone werd, in deze periode melding gemaakt van 119 van dergelijke voorvallen in de treinen en 130 op de stations. Volgens de officiële rapporten werden ze veroorzaakt door beschonken verlofgangers die gekwalificeerd werden als ‘lawaaimakers’. Toch bleven dit betrekkelijk geïsoleerde betogingen waardoor de soldaten zelf nooit een duidelijk beeld kregen van de ware omvang van het algemeen heersende ongenoegen. (18)

Maatregelen van Pétain

De positie van Nivelle was inmiddels onhoudbaar geworden. Op 29 april belde de minister van Oorlog dan ook met Nivelle en liet hem weten dat hij generaal Pétain tot opperbevelhebber zou benoemen. Op 15 mei trad Henri-Phillipe Pétain in functie. Hij was de juiste man op de juiste plaats. Pétain werd in 1916 de held van Verdun toen hij met een uiterste krachtsinspanning de Duitsers tot staan wist te brengen. Hij stond bekend als een uitstekende organisator en een voorstander van een goed georganiseerde defensie. Hij was een tegenstander van de ‘offensive à outrance’ en hechtte veel waarde aan het tactische gebruik van de artillerie. ‘Laat de artillerie het werk doen’ was een van zijn stelregels. Daarnaast toonde hij een werkelijk oprechte belangstelling voor het leven van de gewone soldaat; mede hieraan dankte hij zijn grote populariteit.
Pétain stond voor de zware taak de discipline te herstellen op een zodanige wijze dat het vertrouwen in de legerleiding weer werd hersteld en de gevechtskracht niet werd aangetast.
Om het hoofd te bieden aan de muiterijen vaardigde Pétain allereerst Richtlijn nr. l van 19 mei 1917 uit waarbij een eind werd gemaakt aan onnodige offensieven. Deze gedurfde beslissing, die hij nam tegen de mening van zijn belangrijkste adviseurs in, is typerend voor de analyse die de Franse opperbevelhebber van de crisis maakte: hij was van mening dat het ontstaan van de muiterijen uitsluitend was gelegen in oorzaken van militaire aard. Er is inderdaad vastgesteld dat de muiterijen stopten zodra de gevolgen van de door Pétain genomen beslissing merkbaar werden voor de soldaten. Deze reactie was ook te bespeuren in andere legerkorpsen. In het Xe en Ve leger, waar men zich eind mei voorbereidde op een offensief dat op 13 juni zou beginnen, heerste een zeer geagiteerde stemming die begin juni uitmondde in allerlei vormen van opstandig gedrag binnen 11 van de 17 divisies. Hierdoor werd het Franse opperbevel op 3 juni genoodzaakt van zijn plannen af te zien. Zodra het eerder genoemde besluit van Pétain bekend werd vermin-derden ook hier de opstandige activiteiten na 6 juni.
Verder nam Pétain een aantal maatregelen waardoor de leefomstandigheden van de Franse soldaat aanzienlijk werden verbeterd. Allereerst werden de zozeer verfoeide verlofregelingen verbeterd: het percentage verlofgangers nam toe van 13% onder normale omstandigheden tot 40% tijdens de lange rustpauzes achter het front. Per 1 oktober werd het aantal verlofdagen uitgebreid van 7 tot 10 dagen. Ook zorgde Pétain voor betere voorzieningen in de stations en eiste hij voorrang voor de treinen van de verlofgangers. Aan het front probeerde hij het leven van de soldaten te verbeteren door meer en betere rustkampen ver achter de linies in te richten, door de kwaliteit van het voedsel te verbeteren en het alcoholisme te bestrijden. Hij maakte een rondgang langs de troepen en sprak met officieren en soldaten. Hij nam een toegeeflijke houding aan tegenover de soldaten en bereikte daarmee uitstekende resultaten zoals ook bleek uit de rapporten van de inlichtingendiensten.
Tenslotte nam Pétain maatregelen waarmee hij het vertrouwen van de soldaat in het opperbevel wist te herstellen. Allereerst werd het vanaf 19 mei 1917 mogelijk dat de ondergeschikten hun bezwaren ten aanzien van de orders van hun superieuren naar voren konden brengen. Pétain was van oordeel dat ‘in de huidige oorlog de dodende kracht van de kogels geen experimenten toestaat: de kleinste onderneming vereist een nauwgezette voorbereiding, waarvoor het noodzakelijk is dat iedereen zich volledig inzet’.
Vervolgens kregen soldaten vanaf 2 juni 1917 het recht ‘hun superieuren om alle ter zake dienstige uitleg te vragen’, wanneer ze dachten het slachtoffer te zijn van een vergissing bij het opstellen van de lijst van de verlofbeurten. Op de uitvoering van deze maatregel werd nauwlettend toegezien: officieren die bedenkingen aan de dag legden ten opzichte van deze maatregel, werden streng tot de orde geroepen.

Bestraffing van de muiters

De onderdrukking en berechting van de muiterijen is zowel politiek als militair met een zekere omzichtigheid aangepakt. Het ging er in de eerste plaats om de muiterijen te beperken waardoor ze niet zouden overslaan naar andere regimenten. Een muitend leger zou kunnen leiden tot een ineenstorting van het front en de nederlaag van Frankrijk. Om deze reden nam de bestraffing van de muiters nooit de omvang en het karakter aan die men daarbij zou verwachten. Alleen de aanvoerders werden voor de krijgsraad gedaagd: er werden 3.401 veroordelingen door de krijgsraden uitgesproken tussen juni en december 1917. Hierbij telde men 554 doodvonnissen (16%), waarvan er 49 (minder dan 1,5% van het totaal aantal veroordelingen) daadwerkelijk zijn voltrokken. De overige straffen zijn te verdelen in: 1.321 zware straffen (39%) waartoe langdurige gevangenisstraf en verbanning naar de strafkolonie in Frans Guinee behoorden, 1.492 lichte straffen (44%) en 34 gevallen van vrijspraak (1%). Daarbij hebben de krijgsraden in 50% van de gevallen verzachtende omstandigheden aangevoerd en in één op de acht gevallen voorwaardelijke straffen uitgedeeld. Het zijn dus op het totaal van 30.000 tot 40.000 muiters relatief geringe aantallen. (19)
Een nadere precisering van het aantal uitgesproken doodvonnissen wordt gegeven door Nobécourt op basis van andere bronnen dan hierboven genoemd. Volgens de door hem geciteerde bronnen werden er in de periode van mei tot oktober 1917 in totaal 412 doodvonnissen uitgesproken. In 219 gevallen werden verzachtende omstandigheden aangevoerd en de doodvonnissen omgezet in andere straffen. Bij de overige 193 gevallen werd het doodvonnis in 55 gevallen daadwerkelijk uitgevoerd. Zeven hiervan werden onmiddellijk na het gepleegde misdrijf voltrokken te velde; de overige 48 vonnissen werden uitgesproken door de krijgsraden en bekrachtigd door de Franse president. Onder deze 55 vonnissen waren acht het gevolg van ‘gewone’ misdaden, 25 het directe gevolg van de muiterij en 22 stonden in verband met de opstand. (20)
Deze cijfers worden onder de deskundigen nog altijd betwist. Executies die te maken hadden met het onderdrukken van de muiterij blijken namelijk ook te zijn geadministreerd onder categorieën als ‘overleden als gevolg van verwondingen’ of ‘dood als gevolg van een ongeluk’. (21)
Over de achtergronden van dergelijke zaken vermelden de onderzoeksrapporten van het Ve Franse leger: ‘Op 1 juni 1917 begon er een omvangrijke muiterij bij het 41e RI (Régiment d’ Infanterie) dat gelegen was tussen Ville en Tardenois in de omgeving van de Chemin des Dames. Er was een grote demonstratie bij het gemeentehuis van meer dan 2.000 soldaten. Bevelvoerend generaal Bulot ging daar, samen met generaal Mignot, zonder escorte naar toe om de soldaten tot kalmte te manen. Hij werd van alle kanten uitge-scholden (‘bloeddrinker, moordenaar, sla hem dood’), er werd met stenen gegooid en sommige soldaten rukten zijn sterren en medailles van zijn uniform. De situatie was levensbedreigend, maar hij werd op het laatste moment gered door generaal Mignot. Deze deed een aantal beloftes aan de soldaten, waarvan er een was om een tweetal regimenten naar het achterland terug te trekken. Dit had tot resultaat dat de demonstratie spoedig voorbij was. De volgende dag begon het opnieuw maar beide regimenten werden met vrachtauto’s zo snel mogelijk was uit de voorste linies gehaald.’
Dit voorval is interessant omdat het de enige keer is in de geschiedenis van het Franse leger dat een generaal vermoord dreigde te worden door zijn eigen manschappen. Ook is het interessant op te merken dat de bedreiging generaal Bulot te vermoorden niet het gevolg was van revolutionaire overwegingen. Hij werd door zijn mannen persoonlijk gehaat om vele redenen. Bij generaal Mignot was dit niet het geval; hij werd dan ook niet door de mannen aangevallen.
‘Op dezelfde dag wilde ook kolonel Brindel, bevelvoerend officier van het muitende 23e RI, zijn mannen toespreken. Hij barstte in snikken uit toen hij een rode vlag zag. Hij werd echter niet door zijn mannen aangevallen en zij zeiden zelfs tegen hem: ‘Wij houden te veel van u, mon colonel, om u kwaad te doen en wij zullen u beschermen als dat nodig is’. Bij het eveneens muitende 133eRI was men woedend op generaal Bulot, maar niet op de eigen kolonel. Sommige soldaten zeiden over hem: ‘Het is een prima kerel, altijd voorop bij de aanval om het regiment leiding te geven’. Hierbij moet worden opgemerkt dat het 23e en 133e RI bekend stonden als uitstekende troepen. Uiteindelijk werden er vijf doodvonnissen uitgesproken. Alle veroordeelde mannen werden ook daadwerkelijk geëxecuteerd.’
‘Bij het 47e RI was de rebellie kort maar hevig. Op 2 juni 1917 gooiden manschappen van de 7e compagnie van het 70e BCP (Batallion de chasseurs à pied) stenen en andere voorwerpen naar een aantal van hun officieren. ‘s Nachts trokken muitende soldaten naar het dorp Beuvardes en beschoten daar het onderkomen van de officieren. Drie officieren, onder wie de bataljonscommandant, waren gedwongen te vluchten om aan de dood te ontkomen. In de daarop volgende dagen werden vier mannen door de krijgsraad ter dood veroordeeld van wie er drie werden terechtgesteld. Een van hen was korporaal Dauphin, degene die als leider van de muiters werd aangemerkt. Hij was zeker een dappere soldaat die drie keer eervol werd genoemd in de legerberichten. President Poincaré weigerde zijn gratieverzoek in te willigen en hij stierf op 12 juni voor het vuurpeloton.’ (22)

Nawoord

In de moderne literatuur is de opstand van Franse soldaten in 1917 wel eens verklaard als een staking van de ‘burger-soldaat’ tegen de mensonterende ‘werkomstan-digheden’. De Franse soldaat was een dienstplichtige burger die ‘vrijwillig’ in het leger zijn verplichting tegenover La Patrie vervulde maar zijn status als vrije burger nooit had verloren of wenste op te geven. De muitende infanterie onderhandelde als het ware met de legerleiding over betere ‘arbeidsvoorwaarden’. (23) Deze opvatting lijkt de houding van Pétain te bevestigen. Hij was immers de mening toegedaan dat de muiterijen geen weigering inhielden om oorlog te voeren, maar alleen een weigering waren om op een bepaalde manier oorlog te voeren. De door hem genomen maatregelen wijzen in ieder geval op een benadering die er op was gericht de klachten te erkennen en voor zover dat mogelijk was weg te nemen.
Na de oorlog hebben in Frankrijk jarenlang geruchten gecirculeerd dat de Franse legerleiding in de periode na de muiterijen moedwillig de opstandige regimenten altijd voorop heeft laten gaan bij de grote veldslagen. Ook ging het gerucht, waarvoor trouwens nooit enig bewijs is geleverd, dat 250 man uit een weerspannig regiment als groep opzettelijk zou zijn beschoten door de eigen artillerie op bevel van hogere officieren om zodoende een groot aantal muitende manschappen te elimineren.
… En de stilte en de eenzaamheid omsloten die mensenmassa, wier 250 paar opengesperde ogen voor zich uitstaarden naar de vage flikkeringen van het niet-ophoudende kanonvuur.
Achteraan zat men niet stil. Kwestie van ‘n telefoontje. Onze batterijen kregen bevel, het vuur samen te trekken op een dichte groep, op de helling zoveel, juist vóór onze eerste linie, die trouwens door een toevallige vuurpijl verlicht werd.
Tweehonderd en vijftig springlevende, gezonde mannen, dat is iets. Maar enige vuurstrepen, enige flikkerende bijlslagen in deze richting en in gene richting of elkaar kruisen, enige verblindende flakkeringen, enige hagelbuien die daken zouden ingedeukt hebben, en om te besluiten een straal uit een mitrailleur die over al de vergeten punten streek, en de mensenmassa was veranderd in een vormloze hoop verscheurd vlees, stukken beenderen en flarden stof … (24)
Vreemd genoeg is de Duitse legerleiding nooit op de hoogte geweest van de moeilijkheden die het Franse leger ondervond. Het is tekenend voor de snelle en adequate wijze waarop Pétain de moeilijkheden heeft opgelost. Alle getroffen maatregelen waren bedoeld om het vertrouwen van de Franse soldaat in de legerleiding te herstellen. Dit kostte wel de nodige tijd: pas in oktober 1917 was de rust weer zover teruggekeerd dat er een door Pétain goed voorbereid offensief op kleine schaal kon worden ingezet bij de Chemin de Dames rond Fort de Malmaison. Deze operatie werd een (psychologisch) succes met ‘slechts’ 2.500 doden aan Franse zijde. De Duitsers moesten zich als gevolg van de aanval terugtrekken van de Chemin des Dames naar het noordelijk gedeelte van de Aillette vallei.
Pas in 1918 was het Franse leger weer volledig inzetbaar voor de strijd in het laatste oorlogsjaar.

Literatuur

1. Citaat uit: Henri Barbusse - Zeven Oorlogsverhalen, Zeven Aanklachten (Aalst - z.j.)
2. Zie ook: Guy Pedroncini - Soldaten in de stress in 14-18 De Eerste Wereldoorlog (Amsterdam 1975 - blz. 973-975)
3. R.G. Nobécourt - Les fantassins du Chemin des Dames (Parijs 1965 - blz. 96)
4. Andere bronnen vermelden dat na de oorlog, dus na 1.500 dagen ‘totale oorlog’, meer dan 1.300.000 Fransen waren gedood en waarschijnlijk meer dan 2.600.000 gewond. Bron: Stephane Audoin-Rouzeau in Hugh Cecil and Peter Liddle - Facing Armageddon (Londen 1996 - blz. 221). Niall Ferguson noemt een aantal van 1.398.000 in The Pity of War (Londen 1998 - blz. 295)
5. R.G. Nobécourt - Les fantassins du Chemin des Dames (Parijs 1965 - blz. 216)
6. J.M. Winter - The Great War and the British People (1985 - blz. 75.)
7. Leonard Smith - Between Mutiny and Obedience (1994 - blz. 12)
8. Louis Barthas - De oorlogsdagboeken van Louis Barthas 1914-1918 (1998 - blz. 317)
9. R.G. Nobécourt - Les fantassins du Chemin des Dames (Parijs 1965 - blz. 134-135)
10. Louis Barthas - De oorlogsdagboeken van Louis Barthas 1914-1918 (1998 - blz. 379)
11. Naar verluidt zouden de Fransen aan het einde van de eerste dag al 40.000 doden, gewonden, vermisten en krijgsgevangenen betreuren. Ik heb echter geen officiële cijfers kunnen vinden (MW)
12. R.G. Nobécourt - Les fantassins du Chemin des Dames (Parijs 1965 - blz. 219-221)
13. R.G. Nobécourt - Les fantassins du Chemin des Dames (Parijs 1965 - blz. 211). Hoe gemakkelijk men aantallen slachtoffers noemt blijkt uit de volgende citaten: Leon Wolff vermeldt in In Flanders Fields dat aan het einde van de tweede dag Nivelle reeds 120.000 man had verloren (Londen 1960 - blz. 50). Chrisje en Kees Brants vermelden in Velden van weleer dat op 5 mei het aantal Franse slachtoffers tot 270.000 is opgelopen waarbij de Duitsers een aantal van 163.000 slachtoffers zouden hebben (Amsterdam 1993 - blz. 182) 14. R.G. Nobécourt - Les fantassins du Chemin des Dames (Parijs 1965 - blz. 224)
15. Paul Painlevé - Comment j’ai nommé Foch et Pétain (Parijs 1923)
16. Louis Barthas - De oorlogsdagboeken van Louis Barthas 1914-1918 (1998 - blz. 185)
17. R.G. Nobécourt - Les fantassins du Chemin des Dames (Parijs 1965 - blz. 211)
18. R.G. Nobécourt - Les fantassins du Chemin des Dames (Parijs 1965 - blz. 224)
19. Guy Pedroncini - Les Mutineries de 1917 (Paris 1967 - blz. 194) Het oorspronkelijke citaat vermeldt een totaal aantal van 3.427 gevallen wat niet overeenkomt met de telling van de genoemde aantallen. Ook het percentage doodvonnissen was abusievelijk bepaald op 26%. Herberekening leek mij daarom noodzakelijk (MW).
20. R.G. Nobécourt - Les fantassins du Chemin des Dames (Parijs 1965 - blz. 229)
21. Richard M. Watt - Dare Call it Treason (Londen 1964 - blz. 202)
22. Deze gegevens zijn verstrekt door de heer Yves Buffetaut - Frankrijk.
23. Leonard Smith - Between Mutiny and Obedience (1994 - blz. 175-214)
24. Henri Barbusse - Zeven Oorlogsverhalen, Zeven Aanklachten. (Aalst -z.j.) Dit citaat is afkomstig uit het verhaal Wraak van Hogerhand.

overzicht: