Militaire studiereizen

Op bezoek bij de belligerenten

Door: Sven Maaskant

Inleiding

Tussen 1914 en 1921 maakten Nederlandse officieren bijna zestig militaire studiereizen om te leren van een oorlog waaraan het Nederlandse leger niet deelnam, maar het was al vóór de Eerste Wereldoorlog een goed militair gebruik om waarnemers van buitenlandse legers uit te nodigen om legeroefeningen bij te wonen. Ook als de zaken een serieuze wending namen. Tijdens de Frans-Duitse Oorlog (1870-1871) waren er, naast waarnemers uit andere neutrale landen, ook Nederlandse officieren aanwezig om de gevechtsoperaties te bestuderen. Tijdens de tweede Boerenoorlog (1899-1902) werd opnieuw een Nederlandse commissie uitgezonden. Bovendien werden Nederlandse officieren enkele keren uitgenodigd om legeroefeningen van buitenlandse legers bij te wonen. De Eerste Wereldoorlog was voor het Nederlandse leger, als neutrale krijgsmacht, een nieuwe gelegenheid om oorlogshandelingen bij te wonen. Dát Nederlandse officieren tijdens de Eerste Wereldoorlog het front bezochten is niet onbekend, maar in de literatuur worden militaire studiereizen meestal alleen terloops genoemd, als een bron voor militair-technische vernieuwingen. Toch is het, om meerdere redenen, interessant om die militaire studiereizen zelf te onderzoeken.”

Alvorens op die redenen in te gaan, is het nuttig om eerst het begrip militaire studiereis toe te lichten. In dit artikel zijn militaire studiereizen opgevat als buitenlandse reizen van Nederlandse officieren, waarvoor een formele uitnodiging is ontvangen - of minstens verlof - van de autoriteiten van het bezochte land, met als doel informatie te vergaren over verschillende militaire zaken. Zo werd het begrip meestal al in de literatuur afgebakend. Voor de helderheid kunnen andere aspecten expliciet worden uitgesloten. Militaire studiereizen hebben geen commercieel karakter. Weliswaar werden er ook buitenlandse wapen- en munitiefabrieken bezocht, maar niet met een commercieel oogmerk. Het ging dan om de kennis over de oorlogsproductie. Onder een militaire studiereis wordt ook niet verstaan de binnenlandse inspectiereizen die Nederlandse officieren maakten, noch detacheringen bij buitenlandse legers of inspectiereizen in verband met de zand- en grindkwestie.[ii] Ook militaire missies, bedoeld om, namens de internationale gemeenschap, de gang van zaken in een land te controleren of in goede banen te leiden, vallen buiten dit kader. Tenslotte moet vermeld dat tactische verkenningsreizen naar het buitenland eveneens niet als militaire studiereizen worden aangemerkt.

Dit onderzoek beperkt zich tot Europa[iii] en de Eerste Wereldoorlog. In Europa waren meerdere fronten die door Nederlandse officieren werden bezocht: natuurlijk het Westfront, maar ook het Oostfront of het strijdtoneel in Italië en Roemenië. Het tweede punt moet wat breder worden opgevat. Het gaat in het onderzoek niet alleen over de periode 1914-1918, maar ook over een korte periode daarna. In de eerste jaren na de oorlog werden nog regelmatig reizen gemaakt naar de voormalige fronten. Die bezoeken hadden nog steeds als doel te leren van de ‘Europeesche Oorlog’. Een begrenzing van de onderzoeksperiode is lastig, maar deze is hier gesteld op 1921. Nadien werden de voormalige slagvelden ook bezocht, maar de nadruk kwam meer op een militair-historische benadering te liggen. In technologisch opzicht gold de Eerste Wereldoorlog al snel als verouderd.

Als zelfstandig onderzoeksonderwerp zijn militaire studiereizen interessant, omdat het raakvlakken heeft met drie dimensies. Op de eerste plaats in militair-historisch opzicht, want, hoewel het Nederlandse leger tijdens de Eerste Wereldoorlog geen gevechtservaring opdeed, stonden de ontwikkelingen niet stil. Mede aan de hand van externe bronnen en zelfstudie veranderde de krijgsmacht. Wat veranderde er en hoe belangrijk waren de verschillende bronnen in dit proces? Was de Nederlandse krijgsmacht vooral adaptief of juist autodidactisch? Dat zijn complexe vragen. Er zijn vele ontwikkelingen en een veelvoud aan informatiebronnen, terwijl lineaire verbanden hiertussen uitermate lastig te vinden zijn. In dit ‘leerproces’ speelden ook de militaire studiereizen een rol.

Op de tweede plaats hebben militaire studiereizen een raakvlak met vraagstukken over de Nederlandse neutraliteitspolitiek. Elk overheidsoptreden werd bij voorkeur zorgvuldig geregisseerd, want zowel bij de binnenlandse als de buitenlandse politieke besluitvorming begaf de Nederlandse overheid zich in een diplomatiek mijnenveld. Dat idee lijkt doorsneden te worden door de contacten die het leger met het buitenland onderhield. Militaire studiereizen lijken als een onpartijdig verschijnsel ‘buiten de wet’ te staan. Was er wellicht een scheiding tussen civiele en militaire diplomatieke relaties? Ook over de grenzen heen? Als dat zo is zijn de studiereizen - en andere interstatelijke militaire contacten - een uitzondering op de gangbare ideeën over de neutraliteitspolitiek van Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog.

Een derde dimensie waarmee militaire studiereizen een raakvlak hebben, is het militaire inlichtingenwerk. In de historiografie over de militaire inlichtingendiensten ligt de nadruk vooral op de Tweede Wereldoorlog en de binnenlandse veiligheid. De derde afdeling van de Generale Staf (GS3) is echter kort voor de Eerste Wereldoorlog opgericht als een militaire inlichtingendienst. Aan de beginperiode van GS3 is betrekkelijk weinig aandacht besteed. En militaire studiereizen zijn daarmee onlosmakelijk verbonden.

Deze dimensies kunnen niet worden uitgewerkt, maar dit artikel is te zien als startpunt. De militaire studiereizen zijn slechts een onderdeel van deze, meer complexe dimensies. Door de militaire studiereizen onder de loep te nemen wordt er enig licht geworpen op de rol van deze reizen tijdens (en kort na) de Eerste Wereldoorlog in de modernisering van het leger, de neutraliteitspolitiek en het militaire inlichtingenwerk. Om zicht te krijgen op militaire studiereizen - en het verband met die dimensies te leggen - is een aantal stappen gezet, waarbij in eerste instantie het militair inlichtingenwerk als uitgangspunt is gekozen: waarom waren welke inlichtingen nodig en hoe werd het inlichtingenwerk georganiseerd? In het tweede deel verschuift de focus naar de militaire studiereizen. In dit deel komen achtereenvolgens de organisatie, de betrokken instanties, de reis zelf en de rapportage aan bod. Aan de militaire attachés is een aparte paragraaf besteed.

Belangen en bedreigingen

In de zomer van 1914 leek een Europese oorlog onafwendbaar. Voor veel naties in Europa waren trots en macht de voornaamste raadgevers. Door de situatie op de Balkan en de Gordiaanse knoop van diplomatieke betrekkingen steeg de spanning naar een hoogtepunt. Nederland had geen stem in dit machtsspel, maar ondanks de geproclameerde afzijdigheid was het een bittere noodzaak dat Nederland zich voorbereidde op oorlog. Er bestond grote onzekerheid over de vraag of de neutraliteit gerespecteerd zou worden, want in economisch en geografisch opzicht had Nederland een zeker militair-strategisch belang voor de buurlanden. De Nederlandse economie was voor een groot deel afhankelijk van internationale handel. Elementaire goederen, zoals graan en kolen, werden geïmporteerd en het Nederlandse bedrijfsleven had in het buitenland belangrijke afzetgebieden. Daarnaast fungeerde Nederland als transitomarkt voor de handelsstromen met het achterland. Voor de Nederlandse regering (en het bedrijfsleven) was het zaak om, zorgvuldig manoeuvrerend, de import, export en transitohandel zo veel mogelijk in stand te houden, zonder daarbij diplomatieke betrekkingen te schaden. Daarnaast was de Westerschelde, ongeacht of het neutrale België bij een oorlog betrokken raakte, een diplomatiek zorgenkindje. Het economische en militaire belang van dit vaarwater was voor alle partijen aanzienlijk en met een militaire operatie op de Westerschelde diende rekening gehouden te worden.

Een apart geval was de situatie rond Limburg. De zuidelijkste provincie van het neutrale Nederland bezorgden de voornaamste Duitse oorlogsarchitecten, Von Schlieffen en Von Moltke, de nodige hoofdbrekens.[iv] In het oorspronkelijke aanvalsplan van Von Schlieffen trok de rechterflank van het Duitse leger bij een offensief tegen Frankrijk door Limburg. Von Schlieffens opvolger, Von Moltke, nam het plan van zijn voorganger grotendeels ongewijzigd over, maar bracht, naast andere, één belangrijke verandering aan. Von Moltke koos er voor om de neutraliteit van Nederland te respecteren. Deze aanpassing had de nodige implicaties, waaronder een forse versmalling van de frontbreedte en de ontstane noodzaak om in de beginfase van het offensief de Position fortifiée de Liège aan te vallen. De minister van Oorlog in het kabinet-Cort van der Linden (1913-1918), Nicolaas Bosboom, had ongeveer tien jaar voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog informatie ontvangen over de Duitse oorlogsplannen zoals deze door Von Schlieffen waren uitgedacht[v], maar met de aanpassingen van Von Moltke was niemand in Nederland bekend. De Nederlandse legerleiding hield om schijnbaar gegronde redenen rekening met een schending van het grondgebied in Limburg.

De Duitse legerleiding was niet voornemens zich in het defensief te laten dwingen door een Franse aanval. Toen de oorlog uitbrak zette de Duitse legerstaf het, door Von Moltke geredigeerde, Schlieffenplan in gang. Na de bezetting van Luxemburg, trokken Duitse troepen op 4 augustus België binnen. Limburg werd geschampt, maar niet doortrokken. De strijd om Antwerpen werd op Belgisch territoir beslist. Na enkele weken kwam de kortstondige bewegingsoorlog op ruime afstand van de Nederlandse grens tot stilstand. Von Moltke bleef bij zijn besluit om Nederland te ontzien, maar het gevaar was niet definitief geweken. Het militair-strategische belang van de Westerschelde was alleen maar toegenomen. Niet zozeer doordat de Duitse bezetter de Antwerpse haven wilde gebruiken - dat zou de Britse marine niet toestaan - maar de rechterflank en achterhoede van het Duitse leger lagen open voor een aanval via zuidwestelijk Nederland. Alleen de Nederlandse neutraliteit zorgde voor rugdekking. Er stond voor de strijdende legers veel op het spel en het was - zeker later in de oorlog - niet onaannemelijk om te denken dat de impasse aan het front de belligerenten kon dwingen tot het schenden van de Nederlandse neutraliteit om een doorbraak te realiseren.

Ook de belligerenten hielden er rekening mee dat Nederland betrokken zou raken bij de oorlog. Het Duitse leger had niet voor niets de Antwerpse vestingwerken versterkt en in het noorden van West-Vlaanderen de Hollandstellung gebouwd. En Duitsland nam meer maatregelen. In 1917 wist K.H. Broekhoff, een Amsterdamse politiefunctionaris die werkzaamheden verrichtte voor GS3, enkele Duitse agenten in de kraag te vatten. Zij hadden plannen om de Moerdijkbruggen op te blazen op zak. Met deze maatregel wilden zij, mocht het nodig zijn, hinder toebrengen aan de opmars van Britse troepen door Nederland.[vi] Daarnaast dook na de oorlog een Duits plan uit 1917 op voor het zogenaamde ‘Fall K’ (‘Küste’). Het ‘Fall K’ betrof een Britse landing in Zeeland. Om de Britse landing te weerstaan was een tegenactie uitgewerkt. In Antwerpen zouden drie divisies worden ingescheept en, na een korte tocht over de Schelde, vervolgens landen op vier plaatsen in Zuid-Beveland.[vii]

Er bestonden weliswaar enkele legitieme militair-strategische argumenten om de Nederlandse neutraliteit te schenden - en aantal keer tijdens de oorlog kreeg die dreiging zelfs een zeer reële vorm - maar een afzijdig land op de flanken bood ook voordelen. Von Moltke zal zich gerealiseerd hebben dat Nederland als neutrale staat een ideale flank- en rugdekking bood voor gevechtsoperaties in België en Noord-Frankrijk. Daarnaast diende een eventuele agressor er rekening mee te houden dat Nederland inderdaad de neutraliteit gewapenderhand zou verdedigen. Ondanks dat het Nederlandse leger niet als een al te sterke tegenstander gold, zou een dergelijke operatie een behoorlijke aanslag op de capaciteit betekenen. Niet alleen de gevechtsoperaties, maar ook de noodzakelijke militaire bezetting, vergden meer middelen dan de belligerenten konden onttrekken aan de bestaande fronten. Gedurende de oorlog nam de flexibiliteit om dit soort ‘nevenacties’ te ondernemen, ondanks de Amerikaanse inmenging en de wapenstilstand met Rusland, in beide kampen af.

Ook in economisch opzicht waren er beperkingen. Voor de oorlogseconomieën van Groot-Brittannië of Frankrijk bood Nederland, al dan niet als neutrale staat, geen expliciete voordelen. Zoals gezegd was Duitsland nauwelijks gebaat bij een vrije doorgang over de Westerschelde, omdat de Britse marine dan onmiddellijk een blokkade zou instellen. Het is evident dat de economische of militair-logistieke betekenis van de Nederlandse havenfaciliteiten om dezelfde reden gering was voor Duitsland. Een afzijdig Nederland was nog enigszins zinvol, want zonder militaire inspanning, maar met de nodige diplomatie, bleven zowel de handel met Nederland, als de transportlijnen door België ten dele intact. Ook Von Moltke heeft dit punt ongetwijfeld in overweging genomen, maar maakte zich waarschijnlijk geen illusies over het idee dat Nederland als ‘Luftröhre’ kon fungeren. Dat was praktisch onmogelijk, mede doordat Groot-Brittannië dat niet zou toestaan.

GS3, de militaire inlichtingendienst

Het stond hen, aan wie de bestuurlijke en militaire besluitvorming was toevertrouwd, duidelijk voor ogen dat neutraliteit geen waarborg was voor vrede en veiligheid. De wetenschap dat twee andere neutrale landen, België en Luxemburg, zonder veel omhaal onder de voet waren gelopen en de gespannen - soms regelrecht provocerende - diplomatieke relaties met Duitsland en Groot-Brittannië, gaven evenmin aanleiding tot gerustheid. Voortdurend speelde de vraag of het voor het behalen van het oorlogsdoel - de overwinning - nodig was om Nederland aan te vallen. Mocht het inderdaad tot oorlog komen, wie zou dan de agressor zijn? En kon Nederland in dat geval rekenen op hulp uit het andere kamp? Die twee vragen bestonden natuurlijk al voor augustus 1914. Het was aan de chef van de Generale Staf C.J. Snijders, om hier een antwoord op de vinden teneinde het defensieplan op te stellen.

Deze militair-strategische afwegingen werden doorkruist door afwegingen van een diplomatieke aard. De defensie moest ook voldoen aan de vereisten die voortvloeiden uit de neutraliteitspolitiek. Dit betekende dat het Nederlandse leger front moest maken naar alle zijden. Het oostwaarts gerichte verdedigingsstelsel lag al niet goed bij Duitsland, maar door de versterking van de kustverdediging werd de Duitse legerleiding voorlopig gerust gesteld.[viii] De opstelling van het Veldleger mocht ook geen wrevel veroorzaken. Deze was al ruim voor de oorlog uitgewerkt en werd tijdens de mobilisatie van 1914 in praktijk gebracht. De 1e Divisie lag aan de kust, de 2e Divisie aan de oostgrens en de 3e Divisie verdedigde de zuidgrens. De 4e Divisie lag in de buurt van Amersfoort en fungeeerde als reserve. Om de mobilisatie van het Veldleger te dekken werden aan de grenzen en kust bewakingstroepen opgesteld. Deze opstelling was alleen een uitgangspositie. Zodra duidelijk werd wat de intenties waren van de buitenlandse legers, werden de 4e Divisie en andere eenheden naar die plaatsen gedirigeerd waar de dreiging het grootst was. Deze opstelling was een matig compromis. Anders dan in diplomatiek opzicht, was de mobilisatie-opstelling van het Nederlandse leger in militair opzicht niet ideaal. Het veldleger was verdeeld en nergens werd een sterk front gevormd. Zo was het ook bedoeld, maar het maakte troepenverplaatsingen onontbeerlijk. De verplaatsing van grote legereenheden vergde echter veel tijd. En juist tijd was schaars. Het was dus zaak om snel een betrouwbaar beeld te krijgen van de operaties en sterkte van een vijand. Voor de uitvoering van Snijders’ plannen waren militaire inlichtingen onmisbaar. Maar eerst moest worden bepaald hoe de buurlanden tijdens een oorlog met de Nederlandse neutraliteit zouden omgaan. Voor het eerste oorlogsjaar was er nauwelijks sprake van een goed georganiseerde en adequate inlichtingendienst en dat terwijl, door de groeiende internationale spanning, die behoefte aan snel toenam.

In 1870 werd de eerste stap gezet om het militaire inlichtingenwerk te centraliseren. De krijgsmacht werd gemobiliseerd in verband met de Frans-Duitse Oorlog. Ten burele van de legerstaf werd personeel van het Algemeen Stafbureau aangewezen om inlichtingen over buitenlandse legers te verzamelen.[ix] Voordien, en ook daarna, was het inlichtingenwerk van tactische aard vooral een zaak voor de staven van grotere legereenheden. Het Departement van Buitenlandse Zaken verzorgde de nodige politieke inlichtingen. De gezantschappen traden op als de ogen en oren van dit departement. Het ambassadepersoneel hield in het buitenland de vinger aan de pols en berichtte het departement in Den Haag over relevante politieke ontwikkelingen. Het departement verwerkte de gegevens en verzorgde de rapportage van de belangrijkste bevindingen aan de regering. Voordat er militaire attachés werden verbonden aan de gezantschappen, werden militaire inlichtingen over buitenlandse legers ook door het gezantschapspersoneel verzameld. Deze situatie was verre van ideaal, niet alleen doordat het burgerpersoneel de nodige affiniteit met de materie ontbeerde, maar ook doordat niet-militairen nauwelijks toegang kregen tot de buitenlandse legerorganisaties. Voorlopig moest de Nederlandse legerleiding het hier echter mee doen.

De toestand omtrent de verdeling van Marokko gaf een nieuwe impuls aan het militaire inlichtingenwerk. In 1905 werd de zogenaamde Kondschapsdienst ingesteld.[x] ‘Geschikte’ douanebeambten ontvingen instructies die in overleg tussen de Generale Staf en het Departement van Financiën waren opgesteld. In de instructies - ‘Aanwijzingen nopens den kondschapsdienst’ (1906) - stond beschreven dat de douanebeambten tactische inlichtingen over hetgeen aan de grenzen plaats vond moesten melden. Van een centraal gestuurde organisatie was nog geen sprake. In 1909 werd de Kondschapsdienst gereorganiseerd. Er werden nieuwe instructies opgesteld en de dienst werd uitgebreid.[xi] Mogelijk deed in deze periode een gespecialiseerde, centraal geplaatste inlichtingenofficier zijn intrede.

In 1911 of 1912 werd een aanzet gegeven voor een organisatie die, verbonden aan de Generale Staf, vanaf een centrale positie het militaire inlichtingenwerk en de Kondschapsdienst kon coördineren. Hiermee werd kapitein W.J.C. Schuurmans belast.[xii] Het initiatief voor een inlichtingendienst was waarschijnlijk afkomstig van Snijders. Schuurmans werd al na een jaar opgevolgd door kapitein J.H. Hardenberg.[xiii] Sinds Hardenbergs aantreden heette de ‘eenmanszaak’ het Studiebureau Vreemde Legers. Nog in 1913 werd aan Hardenbergs inlichtingenbureau (als je daarvan kunt spreken) H.A.C. Fabius toegevoegd. Fabius kwam aan het hoofd te staan van de inlichtingendienst toen Hardenberg tijdens de mobilisatie naar zijn onderdeel werd teruggeroepen. Het was in juni of juli van 1914 dat het bureau de naam kreeg waaronder de eerste militaire inlichtingendienst bekend werd: de derde sectie van de Generale Staf of GS3.[xiv]

De taak van Fabius - en spoedig ook van zijn nieuwe collega’s - werd het verzamelen, schiften en interpreteren van allerhande militaire inlichtingen. De inlichtingen werden gedistilleerd uit een brede schakering van bronnen. De analyse van open bronnen, zoals kranten of perscommuniqués, vormde de kern van het inlichtingenwerk, maar tegelijkertijd won, wat in jargon human source intelligence (ondervraging van geïnterneerde of gedeserteerde militairen en vluchtelingen) wordt genoemd, snel terrein. De Kondschapdienst bleef actief. Er werd gewerkt aan de opbouw van een relatienetwerk, binnen de krijgsmacht, maar ook met de politie en verschillende ministeries. Journalisten werden soms speciaal geïnstrueerd alvorens zij naar het buitenland afreisden.[xv] Nederlandse en buitenlandse diplomatieke diensten brachten politieke, militair-politieke en zelfs specifiek militaire informatie aan. Militaire attachés - buitenlandse en, vanaf 1916 ook Nederlandse - bleken een waardevolle informatiebron en uiteraard leverden militaire studiereizen nuttige militaire inlichtingen op. In de eerste weken van de oorlog lag de nadruk van het inlichtingenwerk op strategisch en tactisch gebied. Nadat duidelijk werd dat het Duitse leger Nederland zou ontzien, verdween de grootste dreiging. Het bleef nog enkele weken spannend, maar na de val van Antwerpen verwijderde het front zich definitief van de Nederlandse grens. Er ontstond, ondanks periodieke dreigingen, een relatief veilige situatie. Fabius kreeg al snel meer medewerkers onder zijn hoede om zich te kunnen richten op andere taken, namelijk contra-spionage, politiek en militair-politiek inlichtingenwerk, de binnenlandse veiligheid (in eerste instantie vooral binnen de gelederen van de krijgsmacht) en uiteraard het verzamelen van militair-technische inlichtingen.

De Eerste Wereldoorlog staat weliswaar bekend als een oorlog waarin oude doctrines botsten met moderne technologieën, maar dat beeld is onterecht. De oorlogsomstandigheden katalyseerden ontwikkelingen op militair-technisch gebied en moderne technologie ging weer gepaard met nieuwe ideeën over oorlogsvoering. Er was geen sprake van een kloof tussen doctrines en technologie, maar eerder van een versnelde wapenwedloop. Voor de strijdende partijen was de wapenwedloop een bittere noodzaak om de patsstelling te doorbreken. Het Nederlandse leger wachtte aan de zijlijn het verloop van de strijd af en moest de nieuwe ervaringen ontberen. Hoewel voor andere legers een cynische werkelijkheid, dreigde de Nederlandse krijgsmacht de moderniseringsgolf te missen. Het is duidelijk dat de legerleiding zeer geïnteresseerd was in de laatste ontwikkelingen aan en achter het front. Niet alleen omdat nog steeds de mogelijkheid bestond dat de kracht van het leger alsnog beproefd zou worden, maar ook om te voorkomen dat de krijgsmacht tijdens de oorlog een technologische achterstand opliep die zich na de wapenstilstand zou manifesteren.

Het verkrijgen van de nodige, betrouwbare informatie over dit onderwerp was niet eenvoudig en wellicht nog lastiger dan het vergaren van strategische en tactische inlichtingen. Militair-technische zaken werden niet aan de grote klok gehangen. Nog lastiger was het om een correct beeld te krijgen van militair-politieke ontwikkelingen bij buitenlandse legers. Het was voor GS3 zaak om het inlichtingenwerk actiever ter hand te nemen. Daarvoor bestonden twee opties. Het verzamelen van militaire inlichtingen kon via de officieuze of via de officiële weg plaatsvinden. Spionage was nauwelijks een probaat of betrouwbaar middel om een gestructureerde stroom van informatie te bewerkstelligen, dus bleef alleen de formele weg over. Enige militair-technische zaken werd geput uit geïnterneerd materieel (persoonlijke uitrustingsstukken, vliegtuigen, schepen, pantserwagens en zelfs spoorweggeschut[xvi]) en er sijpelde wat informatie binnen via journalisten, geïnterneerden of de buitenlandse militaire attachés, maar die inlichtingen lieten te wensen over. Twee andere opties bleken doeltreffender. Op de eerste plaats waren dit de militaire studiereizen die vanaf 1915 werden ondernomen en een andere verbetering op dit gebied was de accreditatie van militaire en marine attachés bij enkele Nederlandse gezantschappen.

Militaire attachés

In de negentiende eeuw had Nederland al militaire attachés[xvii] uitgezonden naar Parijs en Londen, maar die functie verdween snel van het toneel. Het werd te kostbaar gevonden en er waren twijfels over het karakter van de betrekking. Het idee dat een militair attaché weinig meer was dan een verkapte spion leefde sterk. Het leger in Nederlands-Indië wist nog wel te bedingen dat een militair attaché werd geaccrediteerd bij het gezantschap in Tokio, maar in Europa duurde het tot 1916 alvorens regering en volksvertegenwoordiging van het nut van militaire attachés waren overtuigd. En ook toen had de benoeming van militaire attachés nog de nodige voeten in aarde.[xviii]

Generaal Snijders en het hoofd van GS3 Fabius, waren vermoedelijk de voornaamste voorvechters voor de (her-)instelling van deze post. Zij zagen militaire attachés als onmisbare schakels in het inlichtingenwerk. Een belangrijk argument was dat legerofficieren zich eenvoudiger toegang konden verschaffen tot legerkringen in het buitenland, waardoor zij hun primaire taken - public relations voor de eigen krijgsmacht en militair inlichtingenwerk - beter konden uitvoeren. In 1916 ging het parlement schoorvoetend akkoord met de uitzending van militaire attachés, mits de benoeming als ‘tijdelijk’ werd aangemerkt. In datzelfde jaar werden de eerste attachés uitgezonden en binnen een jaar waren er, tijdelijke, militair attachés in Bern, Londen, Parijs, Berlijn en Wenen. Het voorvoegsel ‘tijdelijk’ verdween nadat de functie in oktober 1917 met een Koninklijk Besluit officieel werd bekrachtigd. Om zover te komen moest de minister van Oorlog eerst de volksvertegenwoordigers overtuigen. Veel kamerleden onderkenden het nut van militaire attachés. Zij stemden in met de uitzending, omdat zij een achterstand op militair-technisch terrein vreesden. Andere kamerleden waren geducht voor de keerzijde: ‘In het algemeen hadden zij den indruk, dat de werkzaamheden van dergelijke attachés liggen op een terrein, waarvan het in hooge mate moet worden betreurd, dat de Regeeringen van beschaafde Staten het hebben betrokken binnen de grenzen harer werkzaamheden: hoofden van spionage werden zij niet zelden genoemd.’ De minister voegde hier aan toe: ‘Voor de hier aan het woord zijnde leden stond nog niet vast, dat wij ons niet kunnen ontrekken aan de noodzakelijkheid van zulk een spionage.’[xix] Na deze politieke incorrecte opmerking, herstelt de minister zich in het Memorie van Antwoord: ‘Zij behooren hunne wetenschap uitsluitend te verkrijgen langs rechtmatigen weg.’[xx]

De militaire attachés waren inmiddels al enige tijd aan de slag in een ‘vreemde militaire omgeving’.[xxi] Tezamen met de militaire attachés van andere neutrale staten vertrokken ze regelmatig naar het front en verschillende legerinstellingen om, zij het in een geconditioneerde situatie, militaire inlichtingen te vergaren. Daarmee was het werk van de militaire attachés nauw gelieerd aan dat van GS3. Formeel vielen de attachés onder de verantwoordelijkheid van generaal Snijders, maar het is aannemelijk dat Fabius een belangrijk aandeel had in de zaak. De correspondentie verliep weliswaar via Snijders, maar de verslagen en notities van de militair attachés werden ten kantore van GS3 verwerkt. In enkele van die reisverslagen werd gerefereerd aan specifieke instructies die door GS3 waren opgedragen en uit bewaard gebleven correspondentie blijkt dat Fabius zich soms openlijk bemoeide met de organisatie van studiereizen.

Militaire studiereizen: initiatief

De inlichtingendienst was betrokken bij de organisatie en uitvoering van militaire studiereizen (van militair attachés en andere officieren), maar daarmee is niet gezegd dat de inlichtingendienst tevens een initiërende rol had. Over de initiatieffase is juist veel onduidelijkheid. Niet alleen is het gebrek aan archiefmateriaal daar debet aan.[xxii] De onduidelijke scheidslijn tussen formele en informele communicatie vertroebelt het geheel eveneens. Voor de formele briefwisseling op gang kwam was er waarschijnlijk al het nodige in ‘klein comité’ besproken. Zo wist de militair attaché in Berlijn, luitenant-kolonel T.F.J. Muller Massis, bij één van die ontmoetingen te bewerkstelligen dat er vier officieren een reis konden maken naar het Duitse front in België en Noord-Frankrijk.[xxiii] Een jaar na de oorlog, op de afscheidsreceptie van de Italiaanse militair attaché, lieten de scheidende attaché generaal-majoor Chapperon en zijn opvolger kolonel Caccia, de Nederlandse minister van Oorlog weten, het op prijs te stellen als een commissie een studiereis naar Italië zou maken.[xxiv] Hetgeen tijdens dit soort gesprekken werd besproken is niet gedocumenteerd. De communicatie verliep via legerstaven, de departementen van Buitenlandse Zaken en Oorlog en het Corps Diplomatique. De betrokkenen - diplomaten, attachés of legerofficieren - ontmoetten elkaar met enige regelmaat in dit sociale circuit, communicatielijnen waren kort en het is aannemelijk dat het initiatief voor militaire studiereizen daar gezocht moeten worden.

Het initiatief kon van beide kanten afkomstig zijn. De reizen voor militair attachés (van de neutrale landen) werden steeds georganiseerd door het leger van het land waar zij waren geaccrediteerd. Daarnaast werden er door de legerstaven van de belligerenten ook reizen georganiseerd voor andere officieren uit neutrale staten. Soms trad een buitenlandse regering (en niet het leger) op als gastheer. De reden voor dit onderscheid - leger of regering - valt niet direct op te maken. Er kan een verband bestaan met de diplomatieke dimensies die met de studiereizen waren gemoeid. Wanneer de Italiaanse regering een Nederlandse commissie inviteerde, bestond de kans dat de Oostenrijks-Hongaarse regering dit uitlegde als partijdigheid. Als de uitnodiging afkomstig was uit legerkringen, paste de studiereis wellicht in een langere traditie van onderlinge contacten tussen verschillende krijgsmachten. Dan is het natuurlijk de vraag waarom het leger niet altijd als gastheer optrad.

Het kwam redelijk vaak voor dat het initiatief van Nederlandse zijde kwam. Als de minister van Oorlog aan zijn ambtgenoot bij het departement van Buitenlandse Zaken schrijft dat het hem een goed idee lijkt om een studiereis te ondernemen, is het de vraag of hij inderdaad dit plan had bedacht. Was het niet Snijders geweest of kwam het plan uit de koker van GS3? Kwam het idee van een inspecteur van één der Wapens of van een militair attaché? Ook nu is een antwoord moeilijk te reconstrueren. In ieder geval kan worden aangenomen dat veel communicatie in Den Haag, zeker als het over dit soort zaken ging (inlichtingenwerk), een informeel karakter had.[xxv]

Meer duidelijkheid bestaat er over die gevallen waarbij het initiatief voor een studiereis op persoonlijke titel werd genomen. Zo waren er twee paardenartsen van de Koninklijke Militaire Academie die een verzoek indienden voor een studiereis naar militair veterinaire inrichtingen. Hun verzoek werd ingewilligd en de heren Thomassen en Van Vuuren vertrokken in oktober 1916 voor zes weken naar Groot-Brittannië en Frankrijk. In de zomer van 1918 reisde op eigen verzoek de officier voor Speciale Diensten Peters af naar een Sanitätshunde-Abrichtungsstelle en -führerschule in Duitsland om zich te verdiepen in de opleiding van ‘Roode Kruis-honden’. Begin 1917 reisde de hoofdaalmoezenier pastoor Evers naar Duitsland met als doel ‘de bestudering van het instituut aalmoezeniers in het Duitsche leger’. Pastoor Evers, een lid van de Raad van Defensie, had zijn wens voor deze reis in een brief aan de minister van Oorlog verwoord.[xxvi] Jonkheer J.W. Godin de Beaufort kreeg zelfs een persoonlijke uitnodiging van de Oostenrijks-Hongaarse keizer om een bezoek te brengen aan het front in Tirol. Hij kreeg toestemming van de ministers van Buitenlandse Zaken en Oorlog, mits de reis een strikt particulier karakter behield.[xxvii] Aan deze reis lag dus een uitnodiging van een buitenlandse relatie van een Nederlandse officier ten grondslag. Enigszins vergelijkbaar is de uitnodiging die de Nederlandse gezant in Wenen eind 1917 ontving van de Oostenrijkse professor Von Eiselsberg. Deze bekende arts nodigde een twintigtal Nederlandse legerartsen uit voor een medische cursus over wondgeneeskunde, orthopedie en revalidatie.[xxviii]

De organisatie van de reis

Hoewel het gebrek aan vaste procedures voortdurend opvalt, is er over de verdere organisatie van de studiereizen meer met zekerheid te zeggen. Verschillende Nederlandse en buitenlandse civiele en legerinstanties hadden hierin een min of meer vaste taak.[xxix]

Als een studiereis werd georganiseerd door een buitenlands leger, was de uitnodiging gericht aan de minister van Oorlog. Deze bereikte de minister via de militair attaché van dat land. In sommige gevallen werd de uitnodiging direct aan de Nederlandse militair attaché in het gastland overhandigd. De minister van Oorlog vroeg zijn collega bij Buitenlandse Zaken om goedkeuring. Als de uitnodiging niet afkomstig was uit legerkringen, maar van een buitenlandse regering, dan kwam de uitnodiging, via het Corps Diplomatique, direct bij de minister van Buitenlandse Zaken terecht. Deze vroeg dan eerst advies aan de minister van Oorlog (of in voorkomende gevallen aan de minister van Marine of Koloniën) voordat hij de reis fiatteerde. De werkwijze was grotendeels gelijk wanneeer het initiatief voor de reis afkomstig was van Nederlandse zijde. De ambassade van het gastland speelde in die gevallen geen rol, want het voornemen werd direct, natuurlijk via de minister van Buitenlandse Zaken, opgenomen met de Nederlandse legatie. De gezant bracht daarna het verzoek over aan de betrokken regering.

Inmiddels legde de minister van Oorlog de zaak ter beoordeling voor aan generaal Snijders, want de opperbevelhebber had, waarschijnlijk in samenspraak met Fabius, commandanten van legereenheden of opleidingsdirecteuren, een beter inzicht in de behoeften van het leger en de samenstelling van de commissie. Als aan de reis één of meer specifieke militair-technische doelstellingen werden verbonden, werden ook de inspecteurs van de betrokken Wapens gekend. Voor de selectie van officieren voor een medische cursus werd bijvoorbeeld een beroep gedaan op de Inspecteur van de Geneeskundige Dienst.[xxx] Welke vereisten (taal, kennis, rang, sociale vervaardigheden?) werden gehanteerd bij de selectie van commissieleden is niet bekend. Het is evenmin bekend welke afwegingen ten grondslag lagen aan de omvang van de commissie. Soms gaat een officier alleen op reis, maar bij andere reizen bestaat de commissie uit vier officieren. Wanneer de samenstelling van de commissie was vastgesteld, werden de commissieleden geïnformeerd. Officieren die op reis gingen hadden - voor zover ze niet zelf de commandant waren - uiteraard toestemming en verlof van hun onderdeelcommandant nodig. De correspondentie hierover verliep via de opperbevelhebber en de gebruikelijke legerhiërarchie. De formele order lijkt overigens steeds van de minister van Oorlog afkomstig te zijn.

Het departement van Buitenlandse Zaken had bij de organisatie van studiereizen vooral een faciliterende rol. De buitenlandse legaties in Den Haag waren verder niet betrokken bij de organisatie van de studiereis, want nadat de hoogste civiele en militaire autoriteiten overeenstemming bereikten, verliep de zaak verder via het Nederlandse gezantschap in het gastland. De minister van Buitenlandse Zaken lichtte de gezant in over de voorgenomen reis en die bracht op zijn beurt het antwoord op de uitnodiging over aan de buitenlandse autoriteiten. Zodra er permissie voor een reis was, regelde het Nederlandse gezantschap ook meer praktische zaken. De gezant en de militair attaché organiseerden ontvangst, logies en vervoer ter plaatse. Zij maakten afspraken met regerings- en legerfunctionarissen over begeleiding, beleefdheidsbezoeken, het dagprogramma en regelden, bij sommige reizen, audiëntie bij een vorst[xxxi].

Het fiat van de minister van Buitenlandse Zaken was, vanwege de diplomatieke kant van de zaak, vermoedelijk alleen een formele kwestie. In alle gevallen volgde deze minister, zij het soms na een korte schriftelijke discussie, de mening van zijn ambtsgenoten bij Oorlog, Marine of Koloniën. Blijkbaar was er voor een ander leger zelden een reden om een verzoek van Nederlandse zijde te weigeren. Van een negatief antwoord zijn maar enkele voorbeelden. In december van 1916 stelde de arts H. Aldershoff aan de minister van Oorlog voor om een reis te ondernemen naar Frankrijk. De zaak werd in gang gezet en na vier maanden kon de gezant in Parijs, ridder de Stuers, melden dat de Franse legerleiding instemde met het verzoek. Op 1 mei stuurde de gezant nog de officiële toestemming van het Ministère des Affairres Étrangères na. Aldershoff en een tweede commissielid, C. Beuser krijgen de nodige orders. Echter, op 28 mei volgde een bericht van het Franse gezantschap in Den Haag. Het was gebleken dat Aldershoff eind 1916 al in Duitsland op studiereis was geweest en de Franse regering kon niet toestaan dat Aldershoff nu naar het Franse front kwam.[xxxii] Minister van Oorlog De Jonge kon niet verkroppen dat de Fransen ‘op basis van een reglement’ Aldershoff weigerden en laste de hele reis af. Loudon schreef nog in de kantlijn van dit bericht ‘waarom?’[xxxiii] In april 1918 wees het Duitse leger, zonder opgaaf van redenen, een verzoek af voor een bezoek van drie officieren aan het Westfront. Het Duitse leger zat op dat moment midden in de finale van de verloren oorlog en had juist het offensief bij Armentières ingezet.[xxxiv]

Soms waren er afwijkingen in de organisatie. Majoor J.H. Borel, kapitein P.J. van Munnekrede en ritmeester W.J. van Hoytema gingen wat te vlug van start. Deze commissie zou begin juni 1918 een bezoek brengen aan de Duitse zijde van het front in België, maar nog voordat de minister van Buitenlandse Zaken was gekend - en de gezanten in Brussel en Berlijn konden worden ingelicht - zat de commissie al in de auto, halverwege België. Het enige wat de minister van Oorlog kon doen was een briefje schrijven aan zijn collega bij Buitenlandse Zaken met de mededeling dat het melden van de reis aan de gezanten geen zin meer had.[xxxv] Hoe dit heeft kunnen gebeuren is niet duidelijk, maar het is mogelijk dat de militair attaché in Berlijn, Muller Massis al het één en ander had georganiseerd in samenspraak met Snijders en Fabius. Dit drietal had al eerder de regels omzeild. Voor een reis in 1917 was de Duitse invitatie direct aan Muller Massis overhandigd. Hij regelde de reis onderling met Snijders en Fabius. De minister van Oorlog werd op de hoogte gesteld, maar met de minister van Buitenlandse Zaken werd alleen ‘officieus’ gecorrespondeerd. Om een onbekende reden stond deze reis tijdens de voorbereidingen te boek als geheim. Pas op het laatste moment werd een perscommuniqué uitgegeven.[xxxvi] Een prikkelend gegeven, temeer omdat de reis een diplomatiek rel dreigde te worden.

De commissieleden - gekleed in uniform - kregen op 21 april, onder begeleiding van hun Duitse gastheren, een rondleiding door het zwaar getroffen Leuven. De Nederlandse consul in Leuven A.K. Noyon, was getergd door dit bezoek, niet in het minst omdat de commissie hem niet bezocht, maar vooral omdat de commissie had verzuimd de Belgische autoriteiten te informeren. De Belgen waren not amused. De Nederlandse regering onderkende hoe pijnlijk de situatie was en bood, langs diplomatieke weg, haar excuses aan, maar was geducht voor persaandacht: ‘Het is mogelijk, dat het geval onopgemerkt voorbij gaat, maar mocht de Belgische pers er zich meester van maken, maar ook niet eerder, dan zou daarin ook melding gemaakt worden van de welwillende stap van Hare Majesteits Regeering.’ Met deze instructie voor Noyon leek de zaak afgedaan. Het is niet bekend of de pers lucht kreeg van dit voorval.[xxxvii]

De reis

De officieren die deelnamen aan militaire studiereizen zijn in twee groepen te verdelen. Op de eerste plaats waren het de militaire attachés die op reis gingen en op de tweede plaats de officieren die voor de gelegenheid werden genodigd. Voor de eerste groep vroeg een reis nauwelijks om administratieve handelingen. Zij verbleven reeds in het gastland en ontvingen, net als de andere militaire attachés van neutrale landen, uitnodigingen en programma’s, via de lokale militaire kanalen. Voor officieren die speciaal genodigd werden lag dat wat anders.

Voordat de officieren op reis gingen, moest eerst een aantal zaken geregeld worden. Het leger dat optrad als gastheer stelde, soms in overleg met de Nederlandse autoriteiten ter plaatse, een programma voor de reis samen. Het is niet bekend of de Nederlandse Generale Staf, de militaire attachés of de gezanten enige invloed konden uitoefenen op het programma. Af en toe lijken de commissieleden zelf hierin een mate van zelfstandigheid te krijgen. Bij de studiereis van Duinker in 1917 moest hij zelf zijn komst melden bij de Duitse legerautoriteiten en kon hij zelf de duur van zijn reis bepalen[xxxviii]. Het kwam vaker voor dat de officieren, eenmaal op reis, om extra verlof vroegen - een verzoek dat soms door de gastheren werd ondersteund. Thomassen en Van Vuuren, paardenartsen bij de Koninklijke Militaire Academie, vroegen tijdens hun studiereis in 1916 om veertien dagen extra verlof. Na akkoord, stelde de minister van Oorlog Loudon op de hoogte van deze verlenging.[xxxix] Tijdens de reis van Godin de Beaufort en Van Reigersberg in 1917, die op uitnodiging van de Oostenrijks-Hongaarse keizer-koning geschiedde, waren het de gastheren die om een verlenging vroegen. De minister van Buitenlandse Zaken ging in eerste instantie niet akkoord, maar draaide later bij doordat Rambonnet, minister van Oorlog ad interim, een andere mening was toegedaan.[xl]

Zodra de vertrekdatum was vastgesteld, diende de commissieleden eerst een paspoort en een visum te verzorgen. De kosten hiervan werden vergoed door het departement van Oorlog, maar de officieren droegen persoonlijk zorg voor de nodige foto’s en formaliteiten. Een enkele keer was dit reden voor vertraging. Luitenant Peters zou op 1 juli 1918 naar Berlijn vertrekken, maar hij kwam niet aan op het station. Volgens de gezant maakte dit een ‘hoogst pijnlijken indruk’, maar het bleek dat men had verzuimd te melden dat de visumafgifte, door administratieve problemen op het Duitse consulaat, was vertraagd. Tien dagen later vertrok Peters alsnog.[xli] Het blijkt dat de commissieleden, in enkele gevallen, voor vertrek instructies van de minister van Buitenlandse Zaken en de opperbevelhebber ontvingen. Hierover is weinig bekend.[xlii] Op de afgesproken dag vertrok de commissie vanuit Den Haag naar haar bestemming.

Een reis direct naar de frontgebieden was uitgesloten. De commissie diende zich eerst in de hoofdsteden van de gastlanden te melden. Dit betekende dat vooral een reis naar de geallieerde zijde van het front geen sinecure was. Ongetwijfeld was dit van grote invloed op de frequentie van studiereizen naar die kant van het front. Luitenant-kolonel jonkheer J.H. Röell, generaal-majoor J. Burgers en kapitein J.W. van Oorschot vertrokken op
5 januari met de postboot vanuit Vlissingen. Ze arriveerden nog dezelfde dag in Queensborough en namen de trein naar Londen. Na enige dagen vertrokken zij naar Calais en daarna naar het front. De terugreis verliep in omgekeerde volgorde.[xliii] Een reis naar Duitsland of Oostenrijk-Hongarije was minder omslachtig, maar een grote omreis via Berlijn - ook als Oostenrijk-Hongarije werd bezocht - was onvermijdelijk, zelfs als de Duitse kustverdediging aan de Vlaamse kust op het programma stond. Als Oostenrijk-Hongarije als gastland optrad, vervolgde de commissie vervolgens haar reis naar Wenen.

Onder begeleiding van een subalterne officier werkte de commissieleden, nog los van de onvermijdelijke plichtsbetuigingen, een druk programma af. De lunch en het diner (en in Wenen natuurlijk het onvermijdelijke ‘Gabelfrühstück’) waren belangrijke programmapunten. Ter afwisseling van de frontbezoeken stond zo nu en dan een museum of een tentoonstelling op het programma. Eén keer werd een bezoek aan een Nederlandse ambulance afgelegd.[xliv] De dagen werden gevuld met voordrachten, gesprekken, fotograferen en observaties. Het oorlogsgebied was niet altijd de enige bestemming. Productiefaciliteiten, ziekenhuizen, legerbases, opleidingscentra en militaire boerderijen stonden meer dan eens op het programma.

Soms bleef het bij een bezoek aan dit soort instellingen, maar, uiteraard, stond meestal een bezoek aan het front op het programma. Het passen van gasmaskers en het uitreiken van helmen kon dan niet uitblijven. Aan het front werden de commissieleden langs veldversterkingen, artilleriebatterijen, pionierparken en vliegvelden geleid. Hoewel de oorlog dichtbij was, konden de gastheren hier nog een redelijke veiligheid waarborgen. Toch kwam het voor dat een commissie in dekking moest voor artillerievuur of beschietingen vanuit vliegtuigen. Op het daadwerkelijke gevechtsterrein - ook de voorste loopgraven werden bezocht - was de situatie nog gevaarlijker, maar meestal zorgden de gastheren ervoor dat er relatief rustige sectoren werden aangedaan. Ongelukken hebben zich niet voorgedaan (één uitzondering wordt hierna besproken). Desalniettemin konden de commissies hier enigszins de ware aard van de loopgravenoorlog proeven.

Soms kreeg de studiereis een onverwachte wending. Op 16 september 1918 vertrok op uitnodiging van het Oostenrijks-Hongaarse leger een commissie naar het front in Italië. Deze commissie bestond uit kolonel J.H. van der Hegge Zijnen, luitenant-kolonel J.F.B. Kalff en kapitein P.J. van Munnekrede. Bij Trento werd een bezoek gebracht aan het bergfront, maar door ‘aanhoudende subtropische regens’ werd het programma voorlopig geschrapt. In afwachting van beter weer - en een alternatief programma - maakten de commissieleden op 25 september een uitstapje naar Campi, even ten noorden van het Garda-meer. Het reisverslag verhaalt: ‘Des namiddags zijn, toen de beide oudste commissie-leden, met den Oostenrijkschen Overste, ter plaatse bevelvoerende, in een Drahtseilbahn zittende, in het bereik van het Italiaansche artillerievuur gekomen en door een ongelukkig schot naar beneden geschoten.’[xlv] Van der Hegge Zijnen en Kalff werden, ernstig gewond, per draagbaar terug naar Campi vervoerd. Via Arco gingen de onfortuinlijke officieren naar het hospitaal in het kasteel van Toblino. Na ruim veertien dagen waren Van der Hegge Zijnen en Kalff voldoende hersteld om zich, na een bezoek aan de aartshertog Jozef in Bozano, weer te vervoegen bij Van Munnekrede in Wenen.[xlvi] Kort daarna kon de commissie op audiëntie bij de keizer: ‘Zijne Majesteit heeft ons den volgenden dag te Reichenau ontvangen in een bijzonder gehoor, dat ongeveer 25 minuten heeft geduurd en waarbij Zijne Majesteit aan het Hoofd der Missie eene mededeeling, bestemd voor Hare Majesteit Onze Koningin, medegaf.’[xlvii] Eenmaal terug in Nederland, hebben de beide officieren, op persoonlijke titel, hun artsen en enkele Oostenrijkse officieren schriftelijk bedankt voor de verpleging en gastvrijheid.[xlviii]

Rapportage

De commissieleden hielden tijdens reis aantekeningen bij over praktische en inhoudelijke zaken die van belang konden zijn voor de rapportage. Deze originele, persoonlijke notities zijn vrijwel niet bewaard gebleven. Alleen een ‘kort overzicht van de reis’, dat kapitein P.J. van Munnekrede tijdens zijn verblijf aan het Oostenrijk-Hongaarse front in Italië (1918) schreef, geeft een idee van dit soort aantekeningen.[xlix] Van Munnekredes aandacht voor alledaagse gebeurtenissen, zoals slapen en eten, is opmerkelijk. Notities zoals ‘Diner in trein zeer matig. Eigen levensmiddelen deden goed werk’ of ‘Geen slaapwagon, slapelooze nacht, maar veel pleizier’ komen regelmatig in het handschrift voor. Dit soort triviale zaken komen ook in de reisverslagen of in de ambtelijke correspondentie terug. De gezant in Wenen, jonkheer van Weede van Beerencamp

, was bezorgd over de huisvesting van 24 officieren die de medische cursus volgden bij professor Von Eiselsberg. Nadat de officieren in Wenen waren aangekomen schreef hij aan de minister van Buitenlandse Zaken dat de officieren door de woningnood waren ondergebracht in een tweederangs hotel - gelukkig was wel gezorgd voor gratis tramvervoer.[l] Het werd blijkbaar zeer belangrijk gevonden dat de commissies hoffelijk en met enig aanzien bejegend werden. Het dragen van een uniform had hierop een positieve invloed en werd daarom zeer gewaardeerd door de betrokkenen. De gezant in Wenen maakte zich ook zorgen over het voorkomen van de commissieleden. Na afloop van een studiereis schreef hij aan de minister van Buitenlandse Zaken: ‘Volledigheidshalve moet ik hier bijvoegen dat hunne absoluut onoogelijke hoofddeksels te meer verbazing wekten, wijl men hier nog kort geleden de zeer elegante modellen had bewonderd die zij onbegrijpelijkerwijze vervingen.’[li]

Naarmate november 1918 naderde steeg de interesse in de binnenlandse situatie in zowel Duitsland als Oostenrijk-Hongarije enigszins, maar de aandacht voor dit soort politieke inlichtingen in de reisverslagen bleef gering. Muller Massis krabbelde nog in de kantlijn van een reisverslag: ‘Geschreven 2 dagen na de revolutie in Duitschland.’ Dit verslag, geschreven op 11 november 1918 eindigde met de zin: ‘Het vorenstaande is het korte verslag van mijn laatste frontreis. Wellicht heeft het slechts historische waarde.’[lii] Verder kwamen de ‘geest van den troep’ of de ‘bijzondere toestand in Duitschland’ alleen in schaarse gevallen aan bod. In een reisverslag uit 1920 kreeg de houding van de burgerbevolking in Frankrijk en België ook enige aandacht. De commissieleden, majoor J.C. Cramwinckel en kapitein J.H. de Man, schreven in hun verslag: ‘De leden der Commissie waren gedurende hun verblijf in Parijs en Reims voortdurend in uniform gekleed, hetgeen behoudens eenige kleine incidenten geen aanleiding tot eenige moeilijkheden gaf.’ Twee van zulke incidenten werden door Cramwinckel en De Man beschreven. Eén keer had een Franse vrouw de beide officieren waarschijnlijk voor Duitsers gehouden: ‘Te Verdun werd hun, toen zij gezeten waren nabij het door Nederland geschonken monument, plotseling door een vrouw toegeroepen: „Sâles boches! Vous en France! Vous qui avez fait tout cela!” Hare houding veranderde plotseling algeheel, toen zij vernam met Hollanders te doen te hebben.’ Vanzelfsprekend was er speciale interesse voor de houding van de Belgische bevolking. Dezelfde commissieleden schreven ook: ‘In België werd van animositeit tegen de Hollanders onder de bevolking in Vlaanderen niets gemerkt’, maar het moet gezegd dat hun beeld hieromtrent incompleet was, want er staat ook: ‘Uit den aard der zaak kwam de Commissie niet in aanraking met meer ontwikkelde Belgen van Waalsch karakter.’[liii]

Nadat de commissie was teruggekeerd, schreven de commissieleden (of één officier) het manuscript van het reisverslag. De nadruk in de rapportages lag uiteraard bij militair-technische zaken: wapens, verdedigingswerken, communicatiemiddelen, zoeklichten en opleidingen. Doorgaans werden deze zaken thematisch geordend, maar soms ook verweven in een chronologisch reisverhaal. Het rapport werd vrijwel altijd opgestuurd naar de derde sectie van de Generale Staf, waar het in machineschrift werd uitgewerkt. Nagenoeg alle verslagen dragen een kenmerk van GS3. Blijkbaar geschiedde de rapportage uit naam van de inlichtingendienst. De verslagen van de militaire attachés werden op dezelfde wijze gereed gemaakt voor verspreiding binnen de krijgsmacht. GS3 zorgde voor de verspreiding van de rapporten onder de belanghebbenden - vaak waren dit uittreksels of was het een enkele paragraaf - en daarnaast werden de resultaten van de studiereizen gebruikt voor het samenstellen van artikelen die in het tijdschrift De Militaire Spectator werden gepubliceerd.

Wie waren die belanghebbenden? Het volgende voorbeeld geeft hiervan een idee. In het archief van de commandant van het Veldleger is een voorbeeld van zo’n rapport bewaard gebleven.[liv] In dat rapport wordt verslag gedaan van een reis die in 1918 werd ondernomen. De bestemming was het ‘Duitsche Westfront’ en de commissie bestond uit majoor J.H. Borel, kapitein P.J. van Munnekrede en ritmeester W.J. van Hoytema. Uit de inhoud blijkt nog eens de diversiteit in onderwerpen die tijdens de reis in ogenschouw werden genomen. De verzendlijst bij het verslag geeft een duidelijk beeld van de verspreiding van de rapporten. Op de eerste plaats valt de brede verspreiding op, maar daarnaast is het opvallend wie soms wel en wie niet een exemplaar krijgt. Naast de minister van Oorlog ontvingen, hoewel de commissieleden allen landmachtofficieren waren, ook de ministers van Marine en van Koloniën een afschrift. Daarnaast ontving ook de stafchef van het Nederlands Indisch Leger een exemplaar. Verder kreeg ook een groot aantal inspecteurs van de Wapens een afschrift, terwijl de Inspecteur van de Geneeskundige Dienst niet in de verzendlijst werd genoemd. Aan zijn vakgebied werd in het rapport echter wel een hoofdstuk gewijd. De directeur van de Hogere Krijgsschool kreeg een afschrift, maar zijn collega’s bij de Koninklijke Militaire Academie en de Hoofdcursus niet. De militaire attaché in Berlijn Muller Massis, kreeg eveneens een exemplaar. Dat is niet zo verwonderlijk aangezien de reis plaatsvond binnen het gebied waarin hij opereerde. De andere militaire attachés werden echter niet geïnformeerd, terwijl zij hierbij wel belang hadden. De commissieleden ontvingen allen een exemplaar, maar, met hen, ook nog een aantal andere officieren: majoor H.J.D. de Fremery, majoor B.D. van Essen en de kapiteins P.W. Scharroo, H.K. Cramer en H.K. Hardenberg.

Kapitein J.H. Hardenberg was in de beginjaren van de inlichtingendienst nog korte tijd hoofd van de dienst geweest, en wellicht was hij, ook nadat hij weer bij zijn onderdeel was teruggekeerd, nog betrokken bij het inlichtingenwerk. Van P.J. van Munnekrede is het zeker dat hij bij GS3 werkte (hij schreef ondermeer de eerder genoemde artikelen in De Militaire Spectator). Mogelijk verrichtten ook de andere officieren werkzaamheden bij of voor GS3. Zeker is wel dat deze vijf officieren ook een keer op studiereis zijn geweest.[lv] In 1917 maakte ook J.W. van Oorschot, die later Fabius opvolgde als hoofd van de derde sectie van de Generale Staf, een reis naar het Westfront.

Niet bij alle reisverslagen zijn deze verzendlijsten bewaard gebleven. Het is de vraag of bovenstaande als exemplarisch aangemerkt kan worden. De verzendlijsten bij andere rapporten geven, behoudens enkele variaties, een identiek beeld. Een enkele keer werd een afschrift naar ene kapitein Quayer verzonden (van GS3?) of krijgen stellingcommandanten geen exemplaar.[lvi] Een ander verslag werd wel naar de Marinestaf verzonden, maar niet naar het departement van Marine.[lvii] En er zijn meer uitzonderingen. Het rapport van hoofdaalmoezenier pastoor Evers werd alleen naar de Koningin verzonden en dat van een reis uit 1920 geeft ook een ander beeld. Dit reisverslag werd opgemaakt naar aanleiding van een studiereis die de Muller Massis in 1919 maakte naar Zweden.[lviii] Ook nu was het rapport op naam van GS3 gesteld. Volgens de verzendlijst achterin het rapport zijn er alleen exemplaren naar directeuren van de Hogere Krijgsschool en van de Hoofdcursus in Kampen verzonden, alsmede naar de gouverneur van de Koninklijke Militaire Academie, maar niet naar de Inspecteur van het Militair Onderwijs. Door deze verschillen wordt niet geheel duidelijk wie op welke gronden als belanghebbend werden aangemerkt.

Slotopmerkingen

Militaire studiereizen, als een onderdeel van het inlichtingenwerk, hebben er zonder meer toe bijgedragen dat de Nederlandse krijgsmacht al tijdens de oorlog redelijk op de hoogte was van de nieuwste technologieën en doctrines. Deze ontwikkelingen zouden Nederland toch wel bereikt hebben, maar zonder de studiereizen - en militair attachés - waarschijnlijk pas enige tijd na de oorlog. Tijdens het interbellum ging die voorsprong deels verloren door andere politieke inzichten en dalende budgetten. Het is daardoor de vraag wat de betekenis van de studiereizen op termijn was.

Nederlandse commissies waren veel vaker te gast bij de Duitse en Oostenrijks-Hongaarse legers dan bij de Entente-legers. Noch de minister van Buitenlandse Zaken, noch zijn collega op het departement van Oorlog, gaven er veel blijk van een diplomatiek equilibrium in stand te willen houden. Mogelijk spelen hier ook praktische zaken een rol (reizen naar Frankrijk via Engeland) of vloeit deze veronderstelling voort uit de onevenredige beschikbaarheid van archiefbronnen. Een grondiger studie naar dit onderwerp kan wellicht een ander licht werpen op de Nederlandse neutraliteitspolitiek. De sociale netwerken tussen de verschillende legers, over de hoofden van politici heen, zijn al genoemd.

In de geschiedschrijving over de beginperiode van de militaire inlichtingendienst GS3 kunnen militaire studiereizen niet ontbreken. GS3 bleek nauw betrokken bij de organisatie van de reizen en de verwerking van de resultaten. Door een inventarisatie van bijvoorbeeld de personen die bij de studiereizen betrokken waren, wordt waarschijnlijk ook meer over de organisatie en werkwijze van GS3 duidelijk.

Dit onderzoek is geslaagd in de zin dat er nu meer duidelijk is over een verschijnsel dat vaak een bijrol had in de literatuur. Tegelijkertijd genereerde het onderzoek, naast antwoorden en ideeën, de nodige vragen. Wat bij de militaire studiereizen met name opvalt zijn de vele variaties op het gebied van organisatie en rapportage. Diversiteit lijkt de regel. In deze variaties ligt de opening voor vervolgonderzoek. Het zal niet eenvoudig zijn om te bepalen waardoor deze verscheidenheid optrad, met name door het gebrek aan archiefstukken, maar ook door de onduidelijke scheidslijn tussen formele en informele communicatie. Die variatie heeft ongetwijfeld te maken met het feit dat de militaire studiereizen die tussen 1914 en 1921 zijn gemaakt, qua frequentie, omstandigheden of invloed van persoonlijke contacten, geen precedenten kenden. Toch is ook dit slechts een deel van de verklaring.


[i] Dit stuk is een aangepaste en afgeslankte versie van het werkstuk dat ik schreef ter afronding van de bachelorfase van mijn studie Geschiedenis aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Ik bedank op de eerste plaats mijn begeleider de heer M. Kraaijestein. Daarnaast ben ik dank verschuldigd aan mevrouw C. Kristel (NIOD) en de heren W. Klinkert (KMA) en P.G.G.M. Schulten (Erasmus Universiteit) voor de totstandkoming van het werkstuk.

[ii] Nederlandse legerofficieren inspecteerden in België de eindbestemming van de bouwmaterialen die Duitsland via Nederland transporteerde. Transporten via neutrale staten waren volgens het internationaal recht alleen toegestaan indien een civiele bestemming bestond. Hoewel Duitsland verklaarde het zand en grind te gebruiken voor het herstel van de infrastructuur rond Antwerpen, kwamen Britse autoriteiten met bewijzen voor een militaire toepassing: bunkerbouw. Zie ondermeer P. Moeyens, Buiten schot. Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog 1914-1918 (Amsterdam en Antwerpen, 2001) 264-269 en P. Oldham, Pill boxes on the Western Front: a guide to the design, construction and use of concrete pill boxes, 1914-1918 (London 1995) 15.

[iii] Vanuit Nederlands-Indië werden ook militaire studiereizen ondernomen.

[iv] De militair-strategische positie van Limburg is een veelbesproken zaak. Zie ondermeer: H.P. van Tuyll van Serooskerken, The Netherlands and World War, Espionage, diplomacy and survival (Leiden 2001) 15-28.

[v] N. Bosboom, In moeilijke omstandigheden, Augustus 1914 - mei 1917 (Gorinchem 1933) 23, 24.

[vi] D. Engelen, Geschiedenis van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (Den Haag 1995) 36.

[vii] J.G.G. van Voorst tot Voorst, ‘Een dokument betreffende voorbereide Duitsche landingen op Zuid-Beveland in 1917’ in P.H.A. de Ridder (red.), De Militaire Spectator. Tijdschrift voor het leger in Nederland en dat in de Overzeesche bezittingen, 1920 (Utrecht 1920) 398-404. Al voor de Eerste Wereldoorlog werd ook aan Britse kant over deze mogelijkheid nagedacht. In 1905 werd er door het Britse leger aan een plan gewerkt om een eventuele Duitse aanval door België in de flank te treffen. Zie hierover: W. Klinkert, Het Vaderland verdedigd. Plannen en opvattingen over de verdediging van Nederland 1874-1914 (Den Haag 1992)418-420.

[viii] Tuyll van Serooskerken, The Netherlands and World War I, 24 en J.R. Verbeek, Kustversterkingen 1900-1940. De planning, constructie en bewapening van de Nederlandse kustbatterijen (Haarlem 1989) 28, 32, 34 en 35.

[ix] D. Engelen, De militaire inlichtingendienst 1914-2000 (Den Haag 2000) 13 en D. Engelen, De geschiedenis van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (Den Haag 1995) 33.

[x] Overigens was dat niet voor het eerst. Al in 1651 wordt er melding gemaakt van een Kondschapsdienst. Ook tijdens de Tiendaagse Veldtocht in 1831 was er een Kondschapsdienst actief. Het verzamelen van militaire inlichtingen werd toen toevertrouwd aan personeel van de Koninklijke Marechaussee. Zie respectievelijk: Tuyll van Serooskerken, The Netherlands and World War I, 42 en Engelen, De militaire inlichtingendienst, 13.

[xi] Engelen, De militaire inlichtingendienst, 15 of W. Klinkert, ‘Met de pen of met het zwaard. Militaire middelen en de verdediging van de neutraliteit 1910-1914’, in H. Binneveld e.a. (red.), Leven naast de catastrofe. Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog (Hilversum 2001) 19.

[xii] Overigens was Schuurmans wellicht niet de eerste die deze opdracht kreeg. Hij deed dit volgens F.A.C. Kluiters ‘nadat een ander daarin niet geslaagd was’. Zie hieromtrent: F.A.C. Kluiters, De Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Den Haag 1993) 177.

[xiii] Volgens Kluiters en Tuyll van Serooskerken was dat in 1913, maar Engelen houdt 1912 aan. Kapitein Schuurmans werd in 1911 aan de Generale Staf toegevoegd. Zijn detachering zou in 1912 beëindigd zijn. Het is dan nog de vraag of er direct vervanging voor hem is gezocht. Zie: Kluiters, De Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten, 177; Tuyll van Serooskerken, The Netherlands and World War I, 48 en Engelen, De militaire inlichtingendienst, 19.

[xiv] Er is wat onduidelijkheid over de oprichtingsdatum. Kluiters sluit zich aan bij A. Wolting, die 25 juli - de dag waarop het API API-telegram werd verzonden - als oprichtingsdatum hanteert. Engelen houdt het op 25 juni. Volgens hem was op die dag de formele oprichting van GS3. Tuyll van Serooskerken laat zich over deze zaak niet expliciet uit. Zie: Kluiters, De Nederlandse inlichtingen- en veiligheidsdiensten, 178 en Engelen, De militaire inlichtingendienst, 19.

[xv] A. Karskens, Pleisters op de ogen, pleister op de mond. De geschiedenis van de Nederlandse oorlogsverslaggeving van Heiligerlee tot Kosovo (Amsterdam 2001) 64-79 en F. de Bas, ‘Oorlogs-correspondenten’, in P.H.A. de Ridder (red.), De Militaire Spectator. Tijdschrift voor de Weermacht van Nederland en Indië, 1922 (Den Haag 1922).

[xvi] Verbeek, Kustversterkingen 1900-1940, 82.

[xvii] Er wordt een onderscheid gemaakt tussen militaire en marine attachés. De eerste treden op namens de landmacht en de laatste namens de Koninklijke Marine. Als over militaire attachés wordt gesproken, worden beiden bedoeld.

[xviii] Een studie over militaire attachés is: A. Vagts, The Military Attaché (Princeton 1967). De Nederlandse situatie blijft in dit werk onvermeld. Zie daarvoor: C.J.M. Kramers, ‘De militaire attachés’, in Mars et Historia, 1997-3 (…) en voor een meer gedetailleerde benadering: A.J. Vinke, ‘De Nederlandse militaire attaché 1907-1923’, in J.C.A.C. de Vogel (red.), De Militaire Spectator, 1989-8 (Den Haag 1989).

[xix] Handelingen der Staten Generaal, Tweede Kamer (HTK), 1916-1917, bijlage A, Voorlopig verslag behandeling Staatsbegroting 1917, hoofdstuk VIII, nr. 8, 9.

[xx] HTK, 1916-1917, bijlage A, Memorie van Antwoord Staatsbegroting 1917, hoofdstuk VIII, nr. 9, 24.

[xxi] De beloning van een militair attaché, los van onkostenvergoedingen, was vastgesteld op fl. 9.000,-. De kosten werden evenredig verdeeld over de begrotingen van de departementen van Buitenlandse Zaken en Oorlog (en Marine, voor zover het een marine attaché betrof). Generaal Snijders verdiende fl. 8.000,- en de minister van Oorlog fl. 12.000,-. Ook de gezant in Berlijn verdiende fl. 9.000,- maar kreeg daarnaast nog aanzienlijke toelagen. Zie: HTK, 1916-1917, bijlage A, Staatsbegroting 1917.

[xxii] Het archief van het Nederlandse gezantschap in Berlijn is tijdens de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan. Een groot deel van het archief van de militaire inlichtingendienst is in 1940 vernietigd.

[xxiii] Ministerie van Buitenlandse Zaken (BUZA), Nationaal Archief, toegang 2.05.03, inventaris 641.

[xxiv] BUZA, NA 2.05.21, 1748.

[xxv] Tuyll van Serooskerken, The Netherlands and World War I, 22.

[xxvi] Deze voorbeelden, allen: BUZA, NA 2.05.03, 641.

[xxvii] BUZA, NA 2.05.03, 643. Jhr. J.W. Godin de Beaufort was volgens een bericht in de krant al ‘langdurig in Weenen gedetacheerd geweest’, NRC van 13-5-1917, Ochtendeditie, 1.

[xxviii] BUZA, NA 2.05.03, 643.

[xxix] Militaire attachés hadden bij hun benoeming al instructies ontvangen en waren in de gelegenheid redelijk autonoom te handelen.

[xxx] Meestal stond de opperbevelhebber of de minister van Oorlog te boek als opdrachtgever voor studiereizen, maar ook de inspecteurs traden enkele keren op als formeel opdrachtgever.

[xxxi] Dit kwam waarschijnlijk alleen voor bij de vorsten van Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. Er zijn geen aanwijzingen audiënties zijn geweest bij de Engelse of Italiaanse koning, noch bij de Franse president.

[xxxii] Dit was eind 1916, samen met een andere arts, D.H. Hiensch. Zie: BUZA, NA 2.05.03, 643.

[xxxiii] BUZA, NA 2.05.03, 641.

[xxxiv] Ibidem. Overigens kon in mei de militair attaché Muller Massis zonder problemen het derde offensief bijwonen. Zie daarvoor: NIMH, dossier 141 en Gezantschap Oostenrijk-Hongarije (GOH), NA 2.05.29, 96.

[xxxv] BUZA, NA 2.05.03, 643 en voor het reisverslag ondermeer NIMH, dossier 223 of 141.

[xxxvi] BUZA, NA 2.05.03, 641.

[xxxvii] Ibidem.

[xxxviii] Ibidem.

[xxxix] Ibidem.

[xl] BUZA, NA 2.05.03, 643.

[xli] Ibidem.

[xlii] In elk geval hebben twee commissies Loudon voor vertrek bezocht en één de Britse gezant Sir Alan Johnstone Zie respectievelijk: NRC van 11-6-1917, Avondeditie, 1 en NRC van 2-1-1917, Avondeditie, 1.

[xliii] BUZA, NA 2.05.03, 641; J. Burger, ‘Ende deëspereert nimmer’, in P.H.A. de Ridder (red.), De Militaire Spectator. Tijdschrift voor de Weermacht van Nederland en Indië, 1923 (Den Haag 1923).

[xliv] Jonkheer J.H. Röell, J. Burger en J.W. van Oorschot bezochten in 1917 de Nederlandse ambulance in Pré Catelan.

[xlv] NIMH, dossier 223, ‘Rapport van de Commissie: Kolonel J.H. van der Hegge Zijnen, Luitenant-kolonel J.F.B. Kalff en Kapitein P.J. van Munnekrede, ingevolge opdracht van Zijne Excellentie den Minister van Oorlog, IIe Afdeeling No. 141 d.d. 10.09.1918, aangewezen tot het maken eener studiereis naar het Oostenrijksche front in Italië, GSIII no. 76, Den Haag, 10-01-1919’, 2.

[xlvi] Overigens heeft Van Munnekrede de studiereis alleen voortgezet.

[xlvii] NIMH, dossier 223, ‘Rapport van de Commissie enz., 2 en 3.

[xlviii] GOH, NA 2.05.29, 64 en 96.

[xlix] NIMH, dossier 223. Dit stuk is niet gedateerd.

[l] BUZA, NA 2.05.03, 643.

[li] Ibidem.

[lii] NIMH, dossier 141, ‘Beknopt verslag van eene reis naar het Westfront, 18 October - 25 October 1918, G.S. III no. 13319, Geheim, Berlijn, 11-11-1918’.

[liii] J.C. Cramwinckel, J.H. de Man, ‘Verslag betreffende een studiereis van twee Nederlandsche genie-officieren naar Frankrijk en België’ (Utrecht, Den Haag, 29 maart 1921).

[liv] Hoofdkwartier Veldleger: Commandant, (1891) 1907-1942 (HKV), NA 2.13.16, 310-A2386.

[lv] BUZA, NA 2.05.03, 641 (Van Essen, Van Oorschot); BUZA, NA 2.05.21, 1748 (Cramer, Scharroo) en NRC van 26-09-1919, Avondeditie, 5 (Hardenberg).

[lvi] NIMH, dossier 141, ‘Beknopt verslag omtrent eene reis naar Riga e.o. en het […] van Jacobstadt, 24 Sept. - 2 Oct. 1917, G.S. III, no. 8231, Geheim’ en idem., ‘Beknopt verslag van eene reis naar het gebied der Legerafdeelingen B en A (26 Sept. - 5 Oct. 1918), G.S. III, no. 12813, Geheim’.

[lvii] NIMH, dossier 141, ‘Beknopt verslag van eene reis naar het gebied der Legerafdeelingen B en A (26 Sept. - 5 Oct. 1918), G.S. III, no. 12813, Geheim’.

[lviii] T.F.J. Muller Massis, Beknopt verslag van een reis naar Zweden van 30 augustus - 21 september 1919 (Berlijn 1919).

overzicht: