Militair-strategische Aspecten van het Vredesverdrag van Versailles (juni 1919)

Prof. Luitenant-generaal b.d. W.Loos, was o.a commandant van het Nederlandse1e Legerkorps (gelegerd in Duitsland) en later Waarnemend Hoogleraar aan de Koninklijke Militaire Academie te Breda en adviseur van de Minister van Defensie. Tegenwoordig is hij o.a Korps kolonel van de Rijdende Artillerie (Gele Rijders) Voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Artillerie Officieren (afd. Den Haag) en lid van de Raad van Advies van de Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog. Hij schrijft regelmatig artikelen over krijgskundige onderwerpen en is mede auteur van de „Grote Oorlog, Kroniek 1914-1918”.

Auteur: Prof. W. Loos, Luitenant-generaal b.d.


Inleiding

De wapenstilstand van 11 november 1918 beëindigde de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) in West-Europa. Na een moordende (voornamelijk) loopgravenoorlog waarin miljoenen het leven verloren en een veelvoud daarvan gewond werden zwegen de wapenen. Beide partijen, de geallieerden (met name Frankrijk en Engeland) en Duitsland waren de uitputting nabij. De nadelige geografische positie van Duitsland bracht bovendien door de geallieerde zeeblokkade ook nog eens een ernstige verzwakking van het thuisfront met zich mee. Mede door de toenemende invloed van de Amerikaanse strijdkrachten zakte geleidelijk het Duitse militair vermogen in de herfst van 1918 in elkaar. Hoewel Duitsland dus militair nog niet compleet was verslagen was de militaire nederlaag onontkoombaar.

Gelijktijdig verloor ook de Duitse bevolking de wil om nog verder te gaan en braken er onlusten uit die al snel een revolutionair karakter kregen. Het vragen om wapenstilstand door Duitsland lag dan ook voor de hand en was in feite ook een poging om een onvoorwaardelijke overgave te voorkomen en aldus er nog een ‘eervolle vrede’ uit te slepen. De wapenstilstand van 1918 leidde uiteindelijk tot het vredesverdrag van Versailles in juni 1919. De onderhandelingen hierover in Parijs waren niet zozeer onderhandelingen tussen de geallieerden en Duitsland alswel onderhandeling tussen de geallieerden, die met vaak tegengestelde belangen en meningen tot overeenstemming moesten komen m.b.t. het Duitsland op te leggen resultaat.

Spreken over de militair-strategische aspecten van het verdrag van Versailles kan zich niet beperken tot het bezien van bijv. de gevolgen voor de Duitse krijgsmacht. Het gaat dan om een complex van samenhangende factoren, waarbij ook de geo-strategische posities, aard en stabiliteit van bondgenootschappen en vormen van machtsevenwicht aan beschouwing onderworpen moeten worden. Vanzelfsprekend zijn, als het gaat om machtsposities, ook financieel-economische aspecten in het spel.

Ik stel mij voor de volgende deelonderwerpen nader uit te diepen. Het gaat dan allereerst om een korte schildering van het tijdsgewicht opdat deze deelonderwerpen in dat licht kunnen worden bezien. Dan volgt toespitsing op de situatie in 1918/1919 en wel met name de tegenstrijdige militair-strategische belangen van de geallieerden, het touwtrekken en de compromissen m.b.t. de Duitse krijgsmacht. Daarbij komen legervormingsvraagstukken aan de orde, waarbij ook de strategische tijdsfactor een belangrijke rol speelt. Vervolgens worden de gevolgen van Versailles voor de militair-strategische posities in beschouwing genomen. Tot slot wordt aandacht besteed aan de militaire ontwikkelingen na 1919 met name v.w.b. de Duitse positie.

Algemene Inleiding m.b.t. het Tijdsgewricht

Vanaf het Congres van Wenen, waarbij na de Napoleontische tijd Europa opnieuw werd geordend, is dit werelddeel opgedeeld in afzonderlijke naties: afzonderlijke mensengroepen met een eigen nationaal patriottisch kenmerk. ‘Wenen’ erkende de nationale staat. Alle staten zochten hun eigen geluk en het eigen belang stond voorop. Die belangen konden worden veiliggesteld d.m.v. vaak wisselende bondgenootschappen, waarbij het uitbreiden van macht en het zoeken naar machtsevenwicht essentiële delen van buitenlandse politiek waren. De krijgsmachten speelden daarbij een belangrijke rol. Het fenomeen oorlog was, in navolging van Von Clausewitz, een algemeen aanvaard c.q. een vaak onontkoombaar instrument om de uitgestippelde politiek ‘met andere middelen voort te zetten’. Rivalen als Frankrijk en Duitsland zochten in dat licht bondgenoten. Frankrijk en Rusland op de buitenlijnen, Duitsland en Oostenrijk op de binnenlijnen. Engeland was als altijd uit op machtsevenwicht en dus rust op het continent. Dan kon men immers zijn krachten wijden aan het opbouwen en in stand houden van het overzeese imperium. Engeland hield zich dan ook meestentijds afzijdig van gewapende conflicten op het continent, zoals o.a. in 1870. Kleinere landen zochten hun heil bij een grote bondgenoot (Servië-Rusland) of probeerden het met een neutrale houding (België, Nederland). Globaal gezien heeft de hiervoor grof geschetste situatie, waarin alliantiepolitiek een essentiële rol speelde, voortbestaan tot aan de 2e Wereldoorlog.

Het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog is eigenlijk niet eens zo verwonderlijk. Een geleidelijk steeds hoger niveau van bewapening, rivaliteiten op militair, koloniaal en economisch gebied, revanche gedachten, vrij totalitair geordende staten, het nationale belang boven alles en het toch wat gemakkelijk denken over het voeren van een oorlog. De term ‘frischer und fröhliger Krieg’ is overigens na de Eerste Wereldoorlog nooit meer gebruikt. Bovendien sleepten natiestaten anderen door allerlei bondgenootschappen (met al dan niet geheime afspraken) gemakkelijk in een (steeds omvangrijker wordende oorlog).

Situatieschildering, 1918/1919

De Europese ordening (staatkundig, politiek, economisch en militair), zoals die had bestaan in de 19e eeuw en het begin van de 20e eeuw tot 1914, zakte aan het einde van de Eerste Wereldoorlog in 1918 vrijwel ineen. Vier keizerrijken gingen ten onder; zij verloren niet alleen hun keizers, zij vielen bovendien uiteen of verloren aanzienlijke gebiedsdelen: Rusland, Oostenrijk-Hongarije, Duitsland en het Ottomaanse Rijk. Nieuwe staten ontstonden, zoals Joegoslavië en Tsjecho-Slowakije, andere kregen of herkregen hun onafhankelijkheid zoals Hongarije, Polen en de Baltische landen. Wapenstilstanden en vredesverdragen moesten leiden tot een nieuwe en zo mogelijk stabiele ordening. De gedachte dat ordening en stabiliteit gegarandeerd kon worden door een internationale organisatie kreeg met name door het vredesverdrag van Versailles vorm door de oprichting van de Volkenbond. De praktijk bleek overigens toch wat weerbarstiger dan men zich in 1919 voorstelde.

Het is al gezegd, wie militair-strategische aspecten wil beschouwen zal zich ook moeten verdiepen in territoriale-geografische aspecten, m.a.w. de nieuwe staatkundige ordening, zoals die m.n. door het verdrag van Versailles tot stand kwam. In het westen was de situatie direct duidelijk. Duitsland verloor delen aan Frankrijk (Elzas-Lotharingen) en België (Eupen-Malmedy). Volksstemmingen werden in de loop van de tijd gehouden in het Saargebied (bleef bij Duitsland) en Sleeswijk (deels terug naar Denemarken). In het oosten was de situatie aanzienlijk ingrijpender gewijzigd en bovendien instabieler, o.a. door langduriger onduidelijkheid en grote achterblijvende minderheden in aan anderen toevallende gebieden. Het (weer) ontstaan van Polen en de gebiedcorridor van Polen naar de Oostzee was ingrijpend. Oost Pruisen werd van Duitsland gescheiden (een bron van toekomstige ellende). De havenstad Danzig, met een voornamelijk Duitse bevolking, werd een twistappel: onder gezag van de Volkenbond maar kreeg banden met Polen. Over de Pools-Russische grens is nog langdurig met wisselende uitkomsten oorlog gevoerd (verdrag van Riga in 1921).

Opper-Siberië werd na een referendum opgedeeld tussen Duitsland en Polen. Allenstein bleef na een referendum Duits. In het zuiden werd het Sudetenland met 3½ miljoen Sudeten-Duitsers bij Tsjecho-Slowakije gevoegd. Duitsland verloor de militaire zeggenschap over het Rijnland (bezet door de geallieerden); een ingrijpende maatregel ter bescherming van België en Frankrijk die in 15 jaar zou worden afgebouwd in 3 fasen van elk 5 jaar.
Noot: de Belgische wens om Nederland Zeeuws-Vlaanderen en Luxemburg te annexeren werd tijdens de Vredesconferentie van tafel geveegd.
Zie ook: Nederland en de Vrede van Versailles door Dr. W. Klinkert
Concluderend kan worden gesteld dat Duitsland in geopolitiek opzicht na 1919 met een geheel nieuwe situatie werd geconfronteerd: gekortwiekt, Oost-Pruisen losgekoppeld, in het westen een militaire bezetting, in het Oosten Polen (als een soort bufferstaat tussen Rusland en Duitsland) en in het zuiden geen keizerrijk Oostenrijk-Hongarije meer, maar een verzameling nieuwe staten, waaronder potentiële brandhaarden o.a. door minderhedenkwesties. Globaal gezien bleef Duitsland t.o.v. de andere grote Europese landen onveranderlijk op de binnenlijnenpositie.
In tegenstelling tot een van president Wilson’s uitgangspunten, nl. ‘the precept of selfdetermination’ resulteerde de staatkundige herordening van Europa in de aanwezigheid van vaak aanzienlijke minderheden in vele staten: bronnen van onrust, onderdrukking en discriminatie en derhalve evenzovele aanleidingen voor toekomstige gewapende conflicten.

Het Geallieerde Touwtrekken over Duitsland Toekomstige Krijgsmacht

Naast factoren als economisch vermogen, de geo-politiek strategische positie en de al of niet tijdelijk bondgenootschappen wordt de machtspositie van een land bepaald door de krijgsmacht. Het gaat dan om omvang en kwaliteit van die krijgsmacht. Kwaliteit is uit te drukken in technische zin (kwaliteit en mate van moderniteit van het materieel) en in geoefendheid, individueel en in eenheidsverband. Daarbij gaat het steeds om de vraag: ‘Waar (geografisch) kan met welke kracht (omvang en kwaliteit) op welk moment (c.q. binnen hoeveel tijd) het militaire vermogen van een staat tot gelding worden gebracht?’. Om deze vraag ging het ook bij de opstelling van het verdrag van Versailles. Wat kon Duitsland worden toegestaan, zodat het geen bedreiging van de buurlanden kon vormen zonder dat sprake zou zijn van een militair machtsvacuüm dat gevaarlijke interne c.q. externe instabiliteit zou kunnen veroorzaken. Het ging derhalve om strategische legervormingsaspecten, die ook van invloed bleken op de krijgsmachten van de omringende landen, m.n. Frankrijk en Engeland.

Maarschalk Foch, voorzitter van het comité van militaire deskundigen belast met het doen van voorstellen m.b.t. Duitsland toekomstige krijgsmacht, was tegen de ontwapening van Duitsland. In dat geval zou er namelijk geen aanleiding meer zijn om een groot Frans leger te handhaven. Hij wenste zijn levenswerk niet afgebroken te zien. Duitsland moest militair dus niet sterk genoeg zijn om Frankrijk aan te vallen, maar wel krachtig genoeg blijven om een flink Frans leger te rechtvaardigen en zo Frankrijk in Europa een militair overwicht te verschaffen. Het comité dacht aanvankelijk aan een Duitse landmacht van maximaal 200.000 man plus maximaal 9000 officieren ‘at any time’, met andere woorden maximaal 209.000 in uniform aanwezig, los van reservisten thuis. Ook werd gedacht aan een luchtmacht van totaal 1.000 man.
Diepgaand werd gediscussieerd over de mogelijke methoden van rekrutering. Een dienstplicht- of een beroepsleger? Hoe lang mag of moet de diensttijd zijn, i.v.m. de mogelijkheid c.q. de onmogelijkheid om grote reserves te vormen. Zijn er wel of niet herhalingsoefeningen toegestaan?
Steeds gaat het om de risico’s. Wat is gevaarlijker: een groot reservisten leger met een lage graad van geoefendheid of een klein beroepsleger met onvermijdelijk een hoge kwaliteit? Het eerste is een gevaar op de langere termijn (er is tijd nodig voor training). Het tweede kan een gevaar zijn op de korte termijn: kan zonder (veel) voorbereidingstijd direct toeslaan (strategische overvalling) voordat anderen hun (grotendeels reserve-)legers onder de wapenen hebben. Overigens is het natuurlijk wel zo dat een klein beroepsleger door op te treden als kader voor een reservistenleger op de langere termijn ook voor een kwalitatief hoogwaardig massaleger kan zorgen.
De Engelse primeminister Loyd George had zowel militaire als met name politiek-economische bezwaren tegen het ‘200.000 man leger’. Met een maximale diensttijd van 1 jaar leverde dat in 10 jaar een leger van 2 miljoen man etc. Hij was van mening dat Duitsland geen groter leger mocht hebben dan Engeland. Voor Engeland had hij een klein leger in gedachten, ook al i.v.m. de militaire inspanningen die nodig waren in het omvangrijke Engelse imperium overzee. Zo kon hij de Duitse dreiging elimineren en de kosten zo laag mogelijk houden.
De Engelse tegenvoorstellen kwamen op het volgende neer. Duitsland krijgt een vrijwilligers leger met een maximale diensttijd van 12 jaar. De maximale sterkte mag 200.000 man zijn, de marine maximaal 15.000. Een dergelijke strijdmacht is duurder dan een dienstplicht leger en bouwt aanzienlijk minder mobilisabele reserve eenheden op. Dit gecombineerd met de forse herstelbetalingen maakte het Duitsland onmogelijk om voldoende te investeren in ontwikkeling en productie van militair materieel. Zo dachten de Engelsen Duitse militaire avonturen in de toekomst onmogelijk te maken.

De Fransen zagen het toch wel wat anders. Een dergelijk goed getraind leger achtten zij veel gevaarlijker dan een dienstplichtleger met korte diensttijd. Omdat de Engelse politici niet van wijken wisten sloegen de Fransen door naar de andere kant en wilden nog verder gaan dan de Engelsen: dan nog liever een klein beroepsleger voor de Duitsers met een totale staande sterkte van 100.000 man. Loyd George stemde gaarne in met deze laatste Franse gedachte onder het motto: ‘a long-service army of professionals is the only garantee of a small army’.

Op de achtergrond speelde eerst nog flauw maar geleidelijk steeds sterker de gedachte aan ‘general disarmament’. De Eerste Wereldoorlog was zo afgrijselijk geweest, dat om de algemene roep ‘dit nooit weer’ inhoud te kunnen geven men er van uitging dat algemene ontwapening het beste middel was om oorlog te voorkomen. In de voorbereidingsfase van Versailles vond men dan ook dat begonnen moest worden met Duitsland, de anderen zouden dan geheel vrijwillig (?) vanzelf volgen. Een uiterst naïeve gedachte natuurlijk, maar mogelijk wel een middel om te groeien naar machtsevenwichten op een (veel) lager niveau van bewapening. Deze ontwikkeling versterkte de voortgang van het denken in de richting van het ‘100.000 Mann Heer’. En zo werd algemene ontwapening geacht een essentieel deel te worden van het vredesverdrag van Versailles.

'Duitslands ligging' volgens een Duits militair boek uit de jaren '20
‘Duitslands ligging’
volgens een Duits militair boek uit de jaren ‘20

Uiteindelijk waren de militaire clausules in het verdrag van Versailles voor Duitsland de volgende:

  • 100.000 man met een minimale diensttijd voor officieren van 25 jaar en voor de overigen 12 jaar
  • Marine, maximaal 15.000 man; geen onderzeeboten, geen slagschepen en een beperkt aantal schepen.
  • Geen luchtmacht, geen tanks, geen gifgas, geen zware artillerie.
  • Opheffing van de Generale Staf.
  • Vernietiging van de vestingwerken in het westen.
  • Demilitarisering van het Rijnland.

Het commentaar van Foch op deze resultaten was bitter, maar niet geheel onjuist: ‘dit is geen vrede, maar een wapenstilstand voor 20 jaar’!

Ontwikkelingen na het Tekenen van het Verdrag van Versailles

In het voorgaande zijn de nieuwe staatkundige ordening van het streven naar lagere niveaus van bewapening al aan de orde gekomen.

Het zoeken naar nieuwe stabiele machtsposities o.a. door bondgenootschappen begon bij wijze van spreken al weer nog voor de inkt van Versailles droog was. Ook de grenzen van de met name nieuwe staten waren ondanks verdragen nog niet bepaald stabiel. Polen-Rusland is al aangehaald, de uitkomst van referenda moest nog worden afgewacht. Daarnaast werd ook rustig voortgegaan met ‘landgrabbing’ of wel ‘landje pik’. Ondanks alle verdragen, afspraken en regelingen maakte Italië zich al in 1919 meester van Firme, bezette Polen in 1920 Vilna en pakte Litouwen in 1923 het bij Oost-Pruisen behorende Memelgebied. Niemand, ook de Volkenbond niet, maakte zich echt druk over deze flagrante schendingen van de internationale rechtsregelingen, die zoals de Engelsen het uitdrukten geen voorbeeld waren van ‘civilised behaviour’. In feite was er na de Eerste Wereldoorlog weinig veranderd in de wijze waarop staten hun belangen, hun machtsposities en hun veiligheid trachtten zeker te stellen: hervatting van de aloude alliantie politiek. Zo zocht Frankrijk nieuwe bondgenoten om Duitsland, ook in de toekomst, in toom te kunnen houden. Door de chaotische situatie in Rusland en het latere bolsjewisme in de Sovjet-Unie viel dit land als kandidaat af. Toenadering werd o.m. gezocht tot Polen en Tsjecho-Slowakije. E.e.a. leidde tot wat wel de Kleine Entente wordt genoemd. Frankrijk zoekt zijn bescherming overigens niet alleen in al dan niet nieuwe bondgenootschappen. Militair gezien vormde de bezetting van het Rijnland een tijdelijke buffer tussen Frankrijk en Duitsland. Naast het in stand houden van een relatief groot, voornamelijk mobilisabel, leger zocht men op termijn ook bescherming door de bouw van de Maginotlinie. Een fortenstelsel langs de Frans-Duitse grens, dat meer en meer de rol kreeg van een linie, waarin en vooral waar achter men veilig kon schuilen. Zo ontwikkelde zich geleidelijk een defensieve mentaliteit, die de waarde van eventuele garanties aan bondgenoten sterk devalueerde. De praktijk van eind jaren ‘30 toonde dit helaas duidelijk aan. Frankrijk verzette militair geen stap en reed geen kilometer om Tsjecho-Slowakije of Polen echt te hulp te komen.
Engeland keerde na 1919 enigszins terug naar zijn vooroorlogse positie, man licht sturend als het ging om het behoud van een zeker machtsevenwicht en stabiliteit op het vaste land van Europa. De meeste aandacht was er voor het eigen wereldwijde koloniale imperium. Het eilandenrijk kon zich dat ook veroorloven nu Duitsland als maritieme en koloniale rivaal was uitgeschakeld.
De Verenigde Staten kwamen al spoedig wat langs de kant te staan wat Europa betreft. Toenemend isolationisme was er mede de oorzaak van dat de US-Senaat op 19 november 1919 het verdrag van Versailles had verworpen. Mede daardoor waren de Verenigde Staten ook geen lid geworden van de Volkenbond.

De hiervoor genoemde alliantiepolitiek was in die tijd, eerlijk is eerlijk, een noodzakelijke aanvulling op de min of meer geleidelijk falende pogingen om de vrede te verzekeren, zoals men dat bij het verdrag van Versailles voor ogen had: fatsoenlijk gedrag, handel, ontwapening en vormen van internationaal overleg (Volkenbond) en oplossing van geschillen (Hof van Arbitrage). Erg goed werkte dat blijkbaar niet, want het in 1928 te Parijs gesloten Kellog-Pact was in feite een regeling voor de oplossing van internationale geschillen. Niets Volkenbond dus ………..
De jaren ‘20 en ‘30 kenmerkten zich, mede door de ervaringen in de periode 1914-1918, ook door politieke stromingen die niets of weinig zagen in het gebruik van militaire middelen om de internationale rechtsorde te handhaven en desnoods met geweld slechterikken op het goede pad te houden. Het gaat dan om groeiend pacifisme (‘gebroken geweertje’ in Nederland), anti-dienstplicht groeperingen (geen ‘nations in arms’) en ‘geen man en geen cent’ leuzen, waarbij ook het economische motief in tijden van recessie een rol speelde. Ook de Nederlandse defensie-inspanning heeft hier in die jaren sterk onder geleden.

De Duitse Positie en de Gevolgen daarvan op Militair-politiek Strategisch Gebied

Door de aan Duitsland in het vredesverdrag Versailles opgelegde bepalingen voelde dit land zich knap vernederd. Ook al omdat het zich op het slagveld niet echt verslagen voelde. Het vragen om wapenstilstand in 1918 was geschied in de verwachting dat er een redelijk ‘eervolle’ vrede zou volgen. Van een eervolle vrede was echter zeker geen sprake; bovendien werd door opname van de ‘war guilt cause’ in het verdrag de schuld aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog formeel eenzijdig bij Duitsland gelegd. Door de bepalingen op politiek/staatkundig, militair- en financieel-economisch gebied was Duitsland in een onmogelijke positie gemanoeuvreerd. Dit leidde tot grote interne instabiliteit. De hieruit voortvloeiende ontreddering nam nog toe door de ongekende geldontwaardingsgolf (met het hoogtepunt in 1923) en de wereldwijde economische depressie van 1929 en volgende jaren. Grote werkeloosheid en armoede kenmerkten de na-oorlogse jaren. Deze kenmerken en het gevoel van vernedering vormden de voedingsbodem voor de opkomst van het Nationaal-socialisme van Adolf Hitler.

Op het gebied van de internationale politieke verhoudingen zagen de vroegere geallieerden geleidelijk wel in dat Duitsland niet in een zo vernederende positie aan zijn lot kon worden overgelaten. Want ondanks alles was Duitsland nog steeds het belangrijkste land in Centraal en West-Europa met 60 miljoen inwoners en een groot economisch potentieel. Ter vergelijking Frankrijk had 40 miljoen inwoners en op dat gebied slechte vooruitzichten. Pogingen de nieuwe staatskundige verhoudingen te stabiliseren en het internationaal weer opkrabbelen van Duitsland mogelijk te maken hebben met name inhoud gekregen door een 3-tal verdragen.
1922 Overeenkomst van Rapallo tussen Duitsland en de Sovjet-Unie: Duitsland erkent de USSR; de USSR ziet af van herstelbetalingen. Dit pact was een schok voor en een waarschuwing aan het westen.
1925 Het (pact)verdrag van Locarno tussen Frankrijk en Duitsland met garantie van Engeland, Italië en België met als hoofdpunten de erkenning van de westgrens van Duitsland (alsof Versailles dat al niet had geregeld) en toelating van Duitsland als lid van de Volkenbond. Het lijkt een beetje op een reactie op Rapallo: Duitsland niet in de armen van de Sovjet-Unie drijven.
1928 Het 15-landen Kellogpact van Parijs m.b.t. afspraken over vreedzame oplossingen voor internationale geschillen. In 1933 stelde het pact 63 aaneengesloten landen waaronder de Verenigde Staten.
1932 Overeenkomst van Lausanne waarbij de Duitse herstelbetalingsverplichtingen grotendeels werden kwijtgescholden.

Na het tekenen van het Verdrag van Versailles in 1919 waren de Duitse militaire inspanningen in eerste instantie gericht op het opzetten en in standhouden van het 100.000 Mann Heer. Een niet geringe operatie: van een massalager van voornamelijk dienstplichtigen naar een (zeer) klein beroepsleger. Tegelijkertijd moest nog al eens worden opgetreden tegen niet geringe buitenlandse ‘troebelen’. Daarnaast waren de inspanningen gericht op de toekomst met als (onuitgesproken) doelstellingen: het bewaren van de militaire vakkennis en kunde op alle gebieden. Niet zo gemakkelijk zonder formele Generale Staf. Belangrijk was ook het ontwikkelen van nieuwe know how, m.n. ook op de verboden gebieden van tanks en luchtstrijdkrachten. Daarbij werd vaak ook gezondigd tegen de bepalingen van het verdrag van Versailles: vliegeropleidingen bij de Lufthansa, samenwerking met het Sovjet leger op het gebied van tanks en luchtmacht (de twee paria van europa werden in elkaars armen gedreven). Ook de zweefvliegsport werd gepromoot en gesteund, opdat enthousiast jong potentieel voor een toekomstige luchtmacht zou ontstaan. En zoals al was voorspeld: in feite vormde het 100.000 Mann heer een hoogwaardige kern voor toekomstige expansie. Officieren konden dan doorstromen naar de hogere rangen, onderofficieren naar de subalterne officiersrangen etc. Toen Hitler dan ook eenmaal aan de macht kwam in 1933 ging de ontwikkeling naar een groot leger, modern en getraind in het optimale gebruik van dat materieel, dan ook zeer snel. De springen voorwaarts worden gemarkeerd door een 3-tal gebeurtenissen:
15 maart 1935 Oprichting van de Luftwaffe.
16 maart 1935 Herinvoering van de dienstplicht.
7 maart 1936 Duitse troepen trekken het Rijnland
binnen.
Deze gebeurtenissen waren duidelijk in strijd met het verdrag van Versailles. Afgezien van wat zwakke formele protesten gebeurde er verder niets. De weg was vrij voor verdere Duitse expansie en avonturen leidende tot de Tweede Wereldoorlog.

Enkele (grove) Conclusies

Het vredesverdrag van Versailles bracht een politiek-militaire ordening in 19e Eeuwse zin tot stand. Wel staatkundige oplossingen, maar geen levensvatbare sociaal-economische groeperingen. Daar komt nog bij de problematiek van niet geringe etnische minderheden met verschillen in afkomst, taal godsdienst en cultuur.

De nieuwe ordening met een Volkenbond e.d. leverde zeker geen natuurlijk evenwichtige situatie op en al helemaal geen bereidheid om zich d.m.v. ‘civilised behaviour’ te schikken naar bovennationale regels en belangen. De 19e eeuwse alliantie politiek werd in feite voortgezet, evenals het streven naar uitbreiding of minstens het behoud van koloniale bezittingen. Het gebruik van geweld als instrument van de politiek om nationale doelen te bereiken bleek nog steeds ‘normaal’ in ieder geval onvermijdelijk, te worden gevonden, ondanks sterke pacifistische stromingen en het streven naar algemene ontwapening.

Het zich min of meer vertrapt voelende Duitsland, dat door economische factoren als inflatie en recessie nog verder van de helling gleed, werd door interne instabiliteit steeds rijper voor ongewenste politieke ontwikkelingen. Het verdrag van Versailles mag zeker als een belangrijke, zo niet de belangrijkste oorzaak voor deze ontwikkelingen worden genoemd.

overzicht: