Mijn Grote Oorlog

Belevenissen van een frontsoldaat 1914-1918

Auteur: Jef Vermeiren

Davidsfonds Uitgeverij, Leuven, 2009

ISBN 978 90 5826 655 2

174 pagina’s, prijs 24,95 Euro.

Dagboeken van soldaten uit de Eerste Wereldoorlog zijn een belangrijke bron van informatie. In deze persoonlijke documenten komen immers mensen aan het woord die de oorlog zèlf hebben meegemaakt. Jef Vermeiren, een eenvoudige Belgische volksjongen uit ’s Gravenwezel, brengt de gehele Grote Oorlog door aan het front. Vele jaren na de oorlog vertrouwt hij zijn frontervaringen toe aan het papier. Het boek is opgebouwd uit vijf hoofdstukken met een chronologische opbouw en een korte epiloog. Het hoofdstuk waarin het frontleven wordt beschreven beslaat het grootste gedeelte van het boek. Dit is ook meteen het meest aangrijpende hoofdstuk.

Josephus (‘Jef’) Vermeiren werd op 22 januari 1894 geboren. In tegenstelling tot zijn vader, die de oorlog al in 1911 had voorspeld, geloofde hij aanvankelijk niet dat België ooit in een oorlog zou worden betrokken. Toen de oorlog uitbrak maakte hij zich als burger verdienstelijk voor het terugtrekkende Belgische leger en kwam zodoende in Calais terecht. Daar tekende hij zich in als vrijwilliger. Na een korte opleiding van drie maanden in Frankrijk was Jef Vermeiren inzetbaar voor het front en kon ‘het grote avontuur’ beginnen. Het enthousiasme van de bevolking voor de oorlog was aanvankelijk groot. Op weg naar het front werden de soldaten door de Franse bevolking onder bloemen bedolven (p. 33). Deze optimistische stemming werd mede gevoed door het naïeve idee dat dit de ‘laatste’ grote oorlog zou zijn.

Jef Vermeiren heeft op de gevaarlijkste plaatsen van het Belgische front gezeten, waaronder de beruchte ‘dodengang’ nabij Diksmuide. De frontsoldaten bevonden zich niet permanent in de voorste linie, maar werden regelmatig afgewisseld door hun collega’s uit de tweede linie en gingen daarna een tijd ‘in reserve’. Dit betekende echter niet dat deze soldaten dan rust werd gegund. Jef Vermeiren herinnert zich dat de afgeloste manschappen voortdurend werden lastiggevallen door oefeningen, marsen en inspecties (p. 53). Alle soldaten liepen voortdurend het gevaar om door sluipschutters te worden neergeschoten of door granaatsplinters te worden geraakt. Daarnaast hadden de frontsoldaten ook andere vijanden. “De modder, het slijk en het water waren iets verschrikkelijks. Vooral in de winter hadden wij bijna altijd natte voeten” (p. 48).

De jonge Belgische frontsoldaat schuwt ook politieke uitspraken niet. Zo is hij uitermate kritisch richting de legerleiding. “Het was gewoon dat de kleinen het werk deden en dat de groten de eer kregen” (p. 58). Cynisch is hij ook over zijn eigen lot als frontsoldaat: “Onze taak bestond er alleen in het land te heroveren, te vechten en desnoods te sneuvelen” (p. 144). Ook andere gevoelige onderwerpen gaat Jef Vermeiren niet uit de weg, bijvoorbeeld de muiterijen in het Franse leger in 1917 en de slachtoffers die vielen door het eigen geschut. Daarnaast stelt hij de ‘Vlaamse kwestie’ aan de orde. “De Walen werden overal vooruitgestoken en de beste postjes waren voor hen. Het waren droeve toestanden voor de Vlamingen” (p. 69). Officieren gaven hun bevelen bijvoorbeeld doorgaans in het Frans. Daarnaast heeft Jef Vermeiren verschillende malen persoonlijk vastgesteld dat de zogeheten ‘heldenhuldezerken’ van gesneuvelde Vlaamse soldaten besmeurd en vernield waren. “Wij Vlamingen werden wel erg in onze rechten en in onze eer aangetast” (p. 97). Op een andere plaats in het boek vergelijkt hij het lot van de Vlamingen met die van de Schotten, die in zijn beleving ook altijd en overal voor Engeland het slechtste en vuilste werk moesten opknappen (p. 116).

Gelukkig was het niet alleen kommer en kwel aan het front. Een lichtpunt was het vooruitzicht op verlof, dat voorzag in behoeften die in vredestijd zo vanzelfsprekend zijn. “Een echt zacht bed met lakens om in te slapen was een weelde die ik in geen jaren meer gekend had” (p. 77). Desondanks werd Jef Vermeiren ook tijdens zijn verlofdagen voortdurend aan de oorlog herinnerd. In het straatbeeld waren bijvoorbeeld geen mannelijke politieagenten meer te zien. Bovendien trachtte de bevolking uit alles geld te slaan (p. 44). Ook constateert hij dat het thuisfront zich totaal niet bewust was van de ellende waarmee frontsoldaten dagelijks werden geconfronteerd. Ondanks de aangename afleiding erkent Jef Vermeiren openhartig zich beter op zijn plaats te voelen aan het front bij vrienden. Daar waren aanzienlijk minder ontspanningsmogelijkheden. Wie na negen uur in een café werd aangetroffen, werd zwaar gestraft. Ook andere vormen van vermaak waren schaars. “Op gans onze fronttijd hebben wij tweemaal de gelegenheid gehad, en dit tegen betaling, om een film te gaan zien (p. 94). Desondanks gaven Jef en zijn kameraden nimmer de moed op.

Het boek is in het Vlaams geschreven. De Nederlandse lezer kan dus soms wat moeite hebben met de hier en daar afwijkende woorden en zinsopbouw. Een punt van kritiek is dat de persoonlijke frontervaringen van Jef Vermeiren niet zijn opgetekend tijdens de oorlog, maar pas vele jaren daarna. Waarschijnlijk zijn om die reden weinig specifieke data vermeld. Ondanks zijn ijzersterke geheugen is een verslag op basis van een reconstructie achteraf minder betrouwbaar dan het schrijven van een dagboek ter plekke. Een andere kanttekening is dat het boek uitspraken bevat die in onze moderne tijd niet meer door de beugel kunnen. Zo ‘constateert’ Jef Vermeiren dat de gitzwarte troepen in het Amerikaanse leger nog ‘volledig onbeschaafd’ waren. Om die reden zouden deze ‘wilden’ uitsluitend worden ingezet om aanvallen op de vijand uit te voeren (p. 107). Ook bij andere minder beladen observaties kunnen vraagtekens worden geplaatst, bijvoorbeeld zijn opmerking dat rijke vaderlanders nooit soldaat werden (p. 91). Uit andere documenten, bijvoorbeeld de oorlogsbrieven van onderofficier Carl Heller (2003), komt namelijk het beeld naar voren dat zich onder de frontsoldaten mensen uit allerlei rangen en standen bevonden. Voor zover bekend vormde het Belgische leger hierop geen uitzondering.

Het einde van de oorlog werd door de frontsoldaten met gemengde gevoelens beleefd. Enerzijds was men verheugd dat die ‘vervloekte oorlog’ eindelijk voorbij was. Anderzijds was ook sprake van ontgoocheling en teleurstelling bij de soldaten die zo lang van huis waren geweest. De kloof tussen de burgers en oud-veteranen werd pijnlijk zichtbaar. In het laatste hoofdstuk bekent Jef Vermeiren openhartig dat hij zich vlak na de oorlog overbodig voelde in de maatschappij. Tijdens zijn afwezigheid was het leven namelijk niet stil blijven staan. “Opeens zag ik de toekomst voor mij als een leegte waartegen ik mij niet opgewassen voelde. Wat zou ze mij brengen?” (p. 166). De epiloog geeft een geruststellend antwoord op deze vraag. Na de oorlog ontving deze voormalige frontsoldaat verscheidene eretekens. Als veldwachter zou hij ruim 34 dienstjaren vervullen. Op 27 mei 1972 overleed Jef Vermeiren na een kort ziekbed.

Dennis de Kool is als onderzoeker verbonden aan de Erasmus Universiteit Rotterdam.

overzicht: