Lezing A. Reijngoudt over Belgische vluchtelingen in 1914 naar Nederland

Lezing Belgenkamp Harderwijk door drs. A.L. Reijngoudt op de themadag over Belgenkampen van 22 mei 2010 in Ede.

 

Aan het slot van zijn lezenswaardig boek The last veteran citeert Peter Parker een leraar:

Het is werkelijk ondoenlijk om kinderen over de Grote Oorlog te vertellen door te spreken over de miljoenen mensen die gedood of gewond werden, maar als je praat over één persoon begrijpen ze het echt, leggen ze werkelijk de verbanden. (vrij vertaald)

Ik begin daarom met zo’n enkeling, Adolph De Jaegher. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was hij 36 jaar. Hij woonde in Gent, samen met zijn vrouw en twee dochtertjes, Martha van bijna 6 en Elza van 4 jaar.

Eind juli 1914 las De Jaegher over het ultimatum dat Oostenrijk gesteld had aan Servië na de moordaanslag van 28 juni 1914 op aartshertog Frans Ferdinand. Later, in de herfst van dat jaar, schrijft hij in het Harderwijkse interneringskamp in zes blauwe schriftjes een verslag.

Mijne lotgevallen als reservist

De binnenroeping

Het was op het einde van Juli, in het jaar 1914, toen ik op een middag na mijne taak volbracht te hebben, te huis kwam. Gelijk altijd nam ik gretig naar mijn gewoon centenbladje, de ‘Gentenaar’, om vluchtig eens voordat ik at het meest in het oogspringend nieuws te overzien; toen mijne oogen vielen op een rij letters in ongewoonen druk: een ULTIMATUM.

Eigentlijk weet ik niet wat dat vreemde woord wil zeggen, maar daar dit gewoonlijk de oorlogen voorafgaat, aanzie ik dat voor eene uitdaging van het eene land aan het andere, ofwel is dat zooveel als zeggen: dat willen wij, of dat moet ge doen, of het zit er op; wij verklaren den oorlog als gij niet toegeeft.

Ik las dus het ultimatum, en ondervond dat het Oostenrijk was die zulk een schrift of eisch aan Servië besteld had. Er was dus spraak van een oorlog tussen Oostenrijk en Servië.

Dit lezen liet mij zooals ik was, want daar ik een weinig kennis had van de Europeesche landkaart wist ik dat die landen volgens hunne ligging weinig gemeens hadden met ons België. Toch zegde ik onwillekeurig tegen mijne vrouw die bezig was met het eten op te dienen: het gaat oorlog worden;

knorrig zegde zij ja, waaruit ik opmaakte dat zij wilde zeggen: eet liever, en laat het niet koud worden; vrouwen immers die maken zoo weinig van groote zaken, veel liever hooren zij dat de vrouw van Jan eenen hoed heeft die haar niet past, en dat het kleintje van Marie al twee tandjes heeft alhoewel het nog zoo jong is.

Ik legde dus mijn bladje opzijde en begon te peuzelen om verder geronk te vermijden, en  na nog wat kleine ditjes en datjes en het gerook van mijn middagpijpje begaf ik mij opnieuw naar mijne dagelijksche bezigheid.

Aanvankelijk was Adolph dus van mening dat België daarmee niets te maken had.

Dat veranderde toen er lichtingen reserve-militairen werden opgeroepen en helemaal toen op 4 augustus 1914 de Duitsers België binnentrokken (en daar verschrikkelijk huishielden, met moordpartijen en andere wreedheden; dieptepunt het in brand steken van Leuven, met zijn middeleeuwse schatten, o.a. een onvervangbare middeleeuwse bibliotheek).

Woede in België. In Gent Duits café vernield. Verontwaardiging daarover bij Adolph.

Ik hoorde vertellen van duitsche Café’s die stuk geslagen waren in den omtrek der zuidstatie; de menschen waren tog al zoo verbolgen kwaad op de duitschers. Had er zich een meisje, een duitsch wel te verstaan, van twaalf jaaren in de straat moeten vertoonen, men zou er gevonden hebben die er ook zouden op geslagen hebben. Maar dit is meest van dat volkje die dit liever doet dan werken, en die er een goede gelegenheid bij vinden het een en ander te robberen, en er tusschen vier oogen heimelijk mede naar huis te trekken. Andere hebben er een goede gelegenheid zich eens voor niet zat te zuipen en dan pochen zij nog in hunnen dronken toestand dat ze alles kapot geslagen en de duitschers eene goede pert gebakken te hebben en ze meenen ook al eenen held te zijn;

ja, er zijn zooveel soorten van helden in eenen oorlog!

Adolph krijgt ‘het rampzalige briefje in zijn lichtblouwe kleur’.

Er volgt een ontroerend afscheid.

Het was immers des donderdags prijsdeeling voor mijne lieve kleinen en mijne vrouw was was bezig hun haar in krullen te leggen; op al de andere dagen zou dat voor mij eene vreugde geweest hebben, nu wat het droefheid tot in den hoogsten graad. Die prijsdeeling, die lievelingen hadden er zoo lang van gesproken zij hadden er zulken moed op; want mama had hun opzettelijk een wit kleed gekocht van verscheidene maanden te vooren. Helaas! ik zou nu hunne kinderlijke vreugde niet deelen, en die onbewuste kinderharten wisten niet dat hun vader nu zoo droevig was om de willen van hen,

en zij lieten maar lachend en hoovaardig die krullekens draaien die des anderdags hun lief hoofdje moest versieren.

Dit was te veel voor mij, en mijne traanen niet kunnende weerhouden brak ik in snikken los, en drukte ze beiden in mijne armen. Niet wetende waar zich aan te houden, en niet begrijpende wat er tog mocht scheelen weenden zij ook; mijne vrouw ook; en zoo had er in mijn huis een tooneel plaats die ik nooit meer wensch te beleven, en waaraan ik een einde stelde met het huis uit te gaan, vast besloten er niet eerder weer te keeren alswanneer het avond zou zijn en verzekert dat zij te bed waren, en  ik nam een vast besluit hen voor mijn vertrek niet weer te zien; dit kinderlijk verdriet had mij in het diepste geschokt en ik wilde het niet weder doen terug keeren.

De Jaegher wordt ingezet op een van  de vele forten rondom Antwerpen, op een niet al te belangrijke positie.

Hij heeft, ongetwijfeld tot zijn genoegen, geen schot hoeven te lossen.

Na de val van Antwerpen (10 oktober 1914) vluchtte hij met ongeveer 40.000 andere militairen naar het neutrale Nederland.

Er was weinig keus: krijgsgevangenschap / naar de IJzer mogelijk?  / Nederland dichtbij. De rol van de officieren was op zijn minst onduidelijk.

Internering:  volgens artikel 11 van het Landonzijdigheidsverdrag van circa 33.000 soldaten (7000 militairen hadden zich hieraan weten te onttrekken).

Ziekte; opname in ziekenhuis Middelburg en kennismaking met verdachte Nederlandse zeden

In de namiddag kwam de zuster mij verwittigen, dat ik een bad moest nemen, en ik haar te dien einde diende te volgen. Onmiddellijk leidde zij mij naar eene plaats waar een overgroote wasbasijn stond. Door kraanen te openen liet zij dezen vol water komen, gedurig voelende als het niet te koud of te warm was. In die zaal stond er anders niet dan eenen stoel om er uwe kleederen op te leggen en eene nogal groote pot met bruine zeep. Ik stond haar onbeweeglijk aan te zien, toen zij al meteens zegde: kleedt ge u maar uit. Ik begon daarop mijne bovenkleederen uit te doen, alsook mijne kousen en schoenen, en daarmee gedaan hebbende bleef ik staan. Ziende dat ik niet voortdeed zegde zij: het is gereed, doet maar alles uit en leg er u maar in, en ze bleef aan den basijn staan mij aanziende en wachtende. Dat paalde aan het ongelooflijke, en ik was er als door verstomd. Welhoe, die jonge vrouw zou daar in mijne tegenwoordigheid blijven, terwijl ik mij gansch naakt moest wasschen. Nog heviger ontstelde ik, toen ik na mij in bad gelegd te hebben zag dat ze zelf spons en zeep nam om mijn er dugtig, en op alle plaatsen mede te overwrijven. Ik voelde onwillekeurig eenen afkeer van zulk eene handelwijze; want die vrouw al was zij een ziekedienster en kloosterzuster, bleef tog eene vrouw gelijk elke andere en had niet het recht met de eerbaarheid om te springen gelijk zij wilde. Door mij in hare tegenwoordigheid gansch moeten uitkleeden, en door hare handen deze bewerking moeten ondergaan, was tog maar goed om driftige gevoelens in iemand op te wekken, en daarom kan ik zulke doenwijze met niets anders bestempelen dan met het woord: zedeloos.

[Opmerking: Onduidelijk is of het een kloosterzuster betreft of een (protestantse) diacones. Misschien zag Adolph het verschil in kleding niet.]

Daarna gaat De Jaegher op 20 oktober per trein naar Harderwijk; zeer terneergeslagen.

Niemand is in staat het te beschrijven met welke gevoelens men in zulke oogenblikken vervuld is, men zou waarlijk geheel de wereld vervloeken. Men overdenkt in die stonden geheel zijn leven, die u dan als een hemelsch visioen verschijnt, en uwen toestand overdenkende waant ge u dan in eene hel, en u kunt u zelven met geen andere naam bestempelen dan een rampzalige verstooteling. Ware het niet dat de hoop vroeg of laat eens vrij te komen u niet verlaat, ge zoud een aanslag op uw leven wagen, om aan al het verdriet en kommer een einde te stellen. De oorlog is dan ook nog goed, als ge niet op een veldslag gesneuveld zijt, voor u rijp te maken voor een zelfmoord!

Lopend naar het tentenkamp, dat ongeveer vijf kilometer ten zuidoosten van de stad was opgericht. Adolph had geen oog voor de schoonheid van onze Veluwe.

Bijna nergens in den omtrek ontwaarde men een woonhuis of geen enkele personn kwam ons in ’t gemoed. Geheel de streek zag er woest en verlaten uit, en onze belgische kempen zijn met deze vergeleken nog een paradijs.

Na eenige tijd gegaan te hebben, ontwaarde ik in de verte een zonderling verschijnsel, die onmiddellijk door allen met den vinger aangewezen werd. Zie ginder is het kamp zegde den eenen tegen den anderen en aller oogen waren gericht  op de ontelbare witte stipjes, die als zoovele paddestoelen boven den grond rezen. Dien aanblik bracht in mij geene geestdrift, want naderbij gekomen zag ik dat die witte tippen zeildoek tenten waren, en dat wij ook in zoo eene woning gingen terecht komen was onvermijdelijk. Onwillekeurig en mismoedig dacht ik nog eens aan die schone caserne die wij op het punt hadden gestaan binnen te treden en dat het daar zou beter geweest hebben dan hier daar bleef niet aan te twijfelen. Het aanschouwen dier tenten zou u aan tafereelen van Jul Verne’s wonderreis doen denken zoo vreemd en armzalig en ordenloos stonden zij daar. Hoe meer ik ze naderde hoe treuriger zij mij scheenen, en ik zag er dicht [bij] gekomen zijnde duizende mannen er zich gelijk mieren doorheen bewegen. Dat was nu het kamp; en een enkel oogenblik was voldoende om u een gedacht te vormen, wat het moest zijn in zulk een kamp te verblijven.

Mijn gedacht had nooit geweest van in een paleis te recht te komen, maar zoo een ellendig verblijf gelijk in deze tenten; neen, daaraan had ik nog veel min gedacht.

Als misdadigers werden de 13.000 Harderwijkse geïnterneerden opgesloten achter het prikkeldraad, bewaakt door Nederlandse militairen met bajonet op het geweer. Ze verkeerden in grote onzekerheid over de duur van de oorlog en vooral over het lot van de achtergebleven gezinnen.

Kolonel J.T. Oosterman, later commandant van het interneringskamp in Zeist, schreef erover in zijn uitgebreid verslag –  ter inzage in het Legermuseum in Delft:

Opgezweept en opgeschrikt door de berichten in de dagbladen en door vluchtelingen ten opzichte van de wijze , waarop de vijand in hun land huis hield en zich door hunne verbeelding deze omstandigheden nog veel erger voorstellende, dan zij in werkelijkheid waren, hielden zij zich voortdurend in gedachten met het lot van hun gezin bezig, waarvan geen enkel bericht, noch gunstig, noch ongunstig, tot hen doordrong in de lange dagen, die zij in ledigheid in hunne afgesloten ruimten doorbrachten.

Daar kwam nog bij de wrok over de Belgische officieren die hen in de steek gelaten zouden hebben bij de val van Antwerpen. De officieren werden niet in de kampen geìnterneerd, maar ingekwartierd bij particulieren of in hotels. Zij mochten ook hun gezin laten overkomen. Pas veel later was dat ook het geval voor de kampbewoners.

Oosterman had veel begrip voor zijn collega-officieren:

Was de ziels- en gemoedsstemming der mindere Belgische militairen reeds gedrukt, des te meer gold dit voor de Belgische officieren. Ze werden er immers van beschuldigd zich weinig of niets van hun troep te hebben aangetrokken en in sommige depots ontstond er een vijandige stemming van de Belgische minderen tegenover hun officieren. Hoe zou de Belgische regering daartegenover staan? Hoe zouden de vooruitzichten zijn van de beroepsofficieren na de oorlog? Ja, hoevele jongeren zouden hen niet voorbijgaan en lauweren plukken op het slagveld, terwijl zij tot ledigheid waren gedoemd?

De omstandigheden van de geïnterneerden verbeterden na de chaotische beginperiode aanzienlijk.

In plaats van  de tenten kwamen er 50 houten barakken van 51 x 13 meter. Ook daarin was het leven, met 250 man per barak, geen pretje, maar toch aanmerkelijk beter dan het ´ellendig verblijf´ in de tenten. In de loop van het eerste jaar ontstond langzamerhand een compleet houten dorp met administratiegebouwen, was- en badvoorzieningen, een arrestbarak, een rooms-katholieke kerkbarak, een ziekenzaal, drie schoollokalen en werk- en magazijnbarakken. Daarna volgden nog een bibliotheek, een postkantoor, een wisselkantoor, winkels, restaurants, een bioscoop, een schouwburg en zelfs een circustent. Een eigen elektriciteitscentrale voorzag het kamp van stroom en er kwam een goede riolering.

Bij de bouw van het barakkenkamp werd te Harderwijk door de geïnterneerden meegeholpen. Dat gebeurde niet helemaal vrijwillig, schreef De Jaegher:

Zoo zag men den eenen na den anderen tusschen de tenten wegsluipen totdat er eindelijk niemand meer op het werk overschoot. Dit bracht ook somtijds een klein opstootje teweeg, maar het werd altijd in der minne geschikt en door belooften van te mogen uitgaan trachtten zijn ons weder aan den gang te krijgen. Ook ondervonden de hollandsche officieren rap dat ze met schoone woorden op ons het meeste wonnen en het was ook met groote beleefdheid dat zij ons altijd aanspraken.

[In Kamp Zeist ging het er anders aan toe. De stemming onder de geïnterneerden was daar door allerlei oorzaken erg negatief en opstandig. Op 2 december 1914 kwam het tot een uitbarsting. De kantine werd geplunderd en vandalisme vierde hoogtij. De Nederlandse bewaking werd uitgejouwd en uitgedaagd: Schiet maar, Kwattasoldaatjes.

Dat gebeurde de dag erop inderdaad. De Kwattasoldaatjes schoten na nieuwe provocaties met scherp, met als verschrikkelijk resultaat: acht doden en achttien gewonden.

Door deze traumatische ervaring was de stemming in Kamp Zeist waarschijnlijk voorgoed bedorven.]

Om de gedwongen ledigheid te bestrijden werd in het Harderwijkse kamp een indrukwekkende activiteit aan de dag gelegd. In de loop der tijd zag Adolph De Jaegher met de andere geïnterneerden de levensomstandigheden sterk verbeteren.

 

De medische zorg was goed en de voeding, aanvankelijk béton armé genoemd, werd aangepast aan de Belgische smaak. Er kwam later zelfs een ´frietkot´.

Aan ontspanning werd veel gedaan. Aanvankelijk alleen met militaire wandelingen buiten het kamp, maar algauw met een grote variatie aan sport en spel. In 1917 telde het Algemeen Sportverbond 52 verenigingen met 3000 leden. De geïnterneerden legden eigenhandig een wielerbaan aan, de grootste in Nederland. Regelmatig werden er nationale en internationale wielerwedstrijden gehouden, onder andere met de beroemde Piet Moescops.

Verder kwam er een bibliotheek met werken in het Nederlands en Frans, maar ook in het Grieks, Latijn en Italiaans.

Een enorme schouwburg bood plaats aan 1200 toeschouwers. Twee toneelverenigingen gaven er uitvoeringen van onder andere Carmen en La Bohème en bekende cabaretiers als Jean-Louis Pisuisse traden er op. In de ´bioscope´ werden allerlei films gedraaid, Amerikaanse, Engelse, Italiaanse en zelfs Duitse.

Ook op het gebied van de muziek was het een en ander te beleven. Naast een fanfarekorps en  een harmonie met elk 110 leden, was er een symphonieorkest met 87 musici. Ze gaven, later ook buiten het kamp, regelmatig goedbezochte uitvoeringen, al dan niet met een eigen koor.

Onderwijs: Indrukwekkend was ook wat werd gepresteerd op het gebied van het onderwijs. Tijdens de interneringsperiode leerden 5.968 Belgische militairen lezen en schrijven. Vanwege het ontbreken van leerplicht waren velen nog analfabeet.

Het algemeen vormend onderwijs en beroepsonderwijs op lager en middelbaar niveau was zeer succesvol. Op de werkschool kwamen opleidingen op het gebied van metaal-, steen- en houtbewerking en textiele vaardigheden. In de werkplaatsen werden demontabele woningen gebouwd, onder ondere voor het gezinsdorp Leopolddorp, dat in 1916 naast het gezinsdorp Heidekamp onderdak bood aan gezinsleden van geïnterneerden. Toen later steeds meer geïnterneerden buiten de kampen mochten werken, waren de in het kamp opgeleide vaklieden zeer in trek.

Omdat in de beginperiode Belgische studenten nog niet de Nederlandse universiteiten mochten bezoeken, werd zelfs een eigen universiteit gesticht, de Université belge d´Amersfoort. Die heeft overigens maar kort bestaan, van januari tot november 1915.

Werkgelegenheid: Het meest voor de hand liggend om ledigheid te bestrijden is natuurlijk het scheppen van werkgelegenheid. Na een wat aarzelend begin werkten uiteindelijk meer dan 4.000 bewoners buiten het kamp. Dat gaf wat problemen met de bewaking; grote groepen werden in de gaten gehouden door een bewakingsdetachement en voor individuele werknemers bij boeren en tuinders was de burgemeester van de betrokken gemeente verantwoordelijk.

De grootste interneringsgroep werkte in de mijnen van Zuid-Limburg. Op 30 september 1918 waren dat wel 3155 kompels.

Gezinshereniging: Hoog op de verlanglijst van de gehuwde geïnterneerden stond de vereniging met hun gezin. Vanaf het begin waren er al relatief veel gezinsleden naar Nederland gekomen. Velen moesten een beroep doen op de Nederlandse overheid voor een tegemoetkoming in de kosten van levensonderhoud. Daarom werd later aan overkomst naar Nederland de voorwaarde verbonden dat het (geïnterneerde) gezinshoofd door tewerkstelling in staat moest zijn het gezin te onderhouden.

De huisvesting was problematisch. Velen moesten in de stad Harderwijk of de onmiddellijke omgeving onderdak zoeken bij particulieren. De vraag overtrof ruimschoots het aanbod, zodat de gemeenten richtlijnen moesten vaststellen om veel te hoge huurprijzen te voorkomen.

Met de bouw van de al eerder genoemde gezinsdorpen Heidekamp (februari 1916) en Leopoldsdorp (31 december 1916) verbeterde de toestand aanmerkelijk. Uiteindelijk waren begin 1917 in totaal 917 gezinnen herenigd.

Tegen de locatie van Heidekamp, dicht bij het interneringskamp, bestond aanvankelijk grote weerstand in Harderwijk, getuige het volgende citaat uit de notulen van de gemeenteraad:

Vrouwen en meisjes samen brengen in een kamp in de nabijheid van het militaire mannenkamp, roept een situatie in het leven die met het oog op de zedelijkheid, door iedere menschenkenner als uiterst gevaarlijk zal worden aangewezen. Onder die duizenden mannen, zeer gekweld door sexuele begeerten en erger, zullen er meerdere zijn voor wien deze verleiding te sterk zal blijken.

In de praktijk viel het allemaal wel mee.

Door alle initiatieven veranderde het interneringskamp van een soort gevangenis in een leefbaar dorp, met allerlei mogelijkheden tot ontspanning. Door de tewerkstelling in en buiten de kampen vonden velen zinvol en betaald werk. Mede als gevolg van de soepel wordende verlofregelingen en de gezinshereniging werd het leven van veel geïnterneerden dragelijk.

Al te rooskleurig werd de toestand nu ook weer niet voor iedereen. Er waren nog veel kampbewoners die buiten de boot vielen. Voor hen die geen familieleden in de nabijheid hadden, niet actief deelnamen aan de activiteiten en geen extra geld konden verdienen, bleef het leven in het kamp, ondanks de toegenomen ruimte, zwaar, triest en uitzichtloos.

Politieke verwikkelingen:

Nog een enkel woord over politieke verwikkelingen.

Na de inval van de Duitsers in 1914 waren de rivaliserende stromingen in België overeengekomen de onderlinge verschillen te laten rusten zolang de oorlog zou duren. Liberalen, socialisten, gelovigen en ongelovigen, Vlaams- en Waalsgezinden hielden zich aanvankelijk goed aan de afspraak. Naarmate de oorlog langer duurde, werd deze godsvrede steeds vaker verbroken en werden de tegenstellingen zelfs scherper dan voorheen.

In de Nederlandse interneringskampen betrof de polarisatie met name het socialisme en het flamingantisme. Die twee stromingen zetten zich af tegen het traditionele Belgische nationalisme. Ontevredenheid over het gebrek aan vrijheid, de slechte levensomstandigheden en het gebrek aan belangstelling van de zijde van de Belgische regering waren daar waarschijnlijk debet aan. Ook internationale ontwikkelingen, zoals de revolutie in Rusland, speelden een rol. Het kabinet in Le Havre was zeer bezorgd over de radicalisering en stelde alles in het werk om afwijkende politieke ideeën in de kiem te smoren.

De Nederlandse regering had naar de mening van de Belgische regering veel te weinig oog voor deze problemen. Dat alles, gevoegd bij Belgische neigingen om na de oorlog een deel van Limburg en ook Zeeuws-Vlaanderen te annexeren, veroorzaakte een verstoring in de verstandhouding tussen de beide regeringen, die wel tot de Tweede Wereldoorlog zou duren.

Epiloog

Hoe het Adolph De Jaegher in die vier jaar is vergaan – zijn verslag ging niet verder dan de eerste maanden van de internering – is helaas onduidelijk.

Wel zeker is dat hij na de wapenstilstand van 11 november 1918 terugging naar vrouw en kinderen in Gent. Hij overleed in 1959. Intussen was zijn oudste dochter Martha getrouwd met Léon Lamont, met wie ze ging wonen in Doornik (Tournai), dicht bij de Franse grens en Lille.

Een van hun kinderen is Francine. Toen haar grootvader overleed was ze 18 jaar. Francine, intussen gehuwd met journalist Jean-Pierre Duquenne en lerares geworden, kwam in de hete zomer van 2003 naar Harderwijk, op zoek naar sporen van haar grootvader, onze Adolph De Jaegher. Ze vond inderdaad zijn naam terug in de lijsten van het Harderwijkse archief.

Ze liet daar kopieën achter van het laatste van de zes schriftjes die Adolph eind 1914 in Harderwijk volgeschreven had en die Francine pas veel later in handen kreeg.

In die tijd was ik op zoek naar materiaal om mijn doctoraalscriptie, op verzoek van de BDU die hem wilde uitgever in de Schaffelaarreeks, wat minder  ‘scriptie-achtig’ te maken. Of ik belangstelling had voor kopieën die een Belgische dame had achtergelaten, vroeg de archivaris.

Nou en of, want bij gebrek aan nog levende Belgische ooggetuigen was een schriftelijk verslag ook buitengewoon welkom. Gelukkig had Francine bij de kopieën ook haar adres, telefoonnummer en e-mailadres achtergelaten.

In mijn beste Frans vroeg ik haar per e-mail om meer gegevens en kreeg ook de kopieën van de andere vijf schriftjes van haar grootvader. Telefonisch contact was ook heel eenvoudig, want dankzij moeder Martha spreekt Francine, ondanks haar Franstalige omgeving en opvoeding, vloeiend Vlaams.

Op 1 mei 2004 ontmoetten we elkaar, heel toepasselijk, in Ieper, waar net een tentoonstelling was geopend in het museum In Flanders’ Fields over Belgische vluchtelingen uit de Eerste Wereldoorlog.

Tot mijn  vreugde was ze ook aanwezig bij de presentatie in het Stadmuseum van Harderwijk van mijn boekje Gehalveerde mensen op 14 oktober 2004, op de dag af 90 jaar na de komst van de eerste Belgische militairen in Harderwijk. Ik mocht haar het eerste exemplaar aanbieden.

Francine is, in tegenstelling tot haar grootvader, zeer extrovert en spraakzaam.

Bij het voorlezen van de passages over het afscheid van zijn gezin stonden de tranen in haar ogen. Want ja, een van de meisjes in de witte kleedjes en met de krullekens was haar moeder Martha (overleden in 1991). ‘Wat zou ze dit alles met veel geluk meebeleefd hebben,’ schreef Francine me onlangs. Even later lachte ze hartelijk bij de passage over het ziekenhuis in Middelburg.

We hebben nog steeds contact. Zulke dingen maken het leven van een mens plezierig. En dat is ook het geval met de lezing die ik vanmorgen voor u mocht houden. Dank u.

overzicht: