Leven en laten leven

Door: Dr. Jaap Hofman

(Dit artikel werd eerder gepubliceerd in het jaarboek van de Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog; ‘De Grote Oorlog, Kroniek 1914-1918’ nr 10 )

 

In ‘De Oorlogsdagboeken van Louis Barthas 1914-1918’ beschrijft deze hoe na overvloedige stortbuien de loopgraaf waarin hij zich bevond onder water kwam te staan.

‘De volgende dag, 10 december 1915, (auteur) moesten de soldaten op verschillende plaatsen uit de loopgraven komen om niet te verdrinken. De Duitsers waren gedwongen hetzelfde te doen. Toen kregen we een eigenaardig schouwspel te zien: twee vijandelijke legers, oog in oog met elkaar, die geen enkel schot losten’. ‘Fransen en Duitsers bekeken elkaar en zagen dat ze allemaal gelijk waren. We lachten naar elkaar, begonnen met elkaar te praten, handen te schudden, tabak, koffie en wijn uit te wisselen’(1)

Een eigenaardig schouwspel, zeker wanneer men zich voorstelt dat het de bedoeling van een oorlog is dat de vijandelijke partijen elkaar zoveel mogelijk schade toebrengen. Maar uitzonderlijk is het zeker niet zoals ook verder uit de dagboeken van Barthas blijkt en de egodocumenten en boeken van vele anderen. Het gaat hier om het zogenaamde leven en laten leven principe, in het gegeven voorbeeld in de vorm van een kortdurend illegaal bestand, maar dat ook in allerlei andere vormen is voorgekomen. Het is dit principe waar het in het volgende om gaat. In vrijwel alle boeken over de Eerste Wereldoorlog wordt er niet of nauwelijks melding van gemaakt met uitzondering van het Kerstbestand in 1914, waardoor de indruk wordt gewekt dat het om een incidentele gebeurtenis ging wat allerminst het geval blijkt te zijn bij lezing van de ervaringen van frontsoldaten zelf.

Om een indruk te krijgen van de plaats van het leven en laten leven principe in het totaal van de oorlogvoering, hoe het plaats vond en de omstandigheden waaronder is het noodzakelijk een ruimer beeld te krijgen van de situatie aan het front. Daarbij beperk ik mij tot het Westelijk Front vooral omdat daarover verreweg de meeste informatie voorhanden is.

 

Het Front

Na de voorspoedige opmars in augustus 1914 tegen de Belgische, Engelse en Franse legers liep het Duitse leger in september vast in de slag aan de Marne. Beide legermachten verplaatsten zich vervolgens naar het westen, de zogenaamde race naar de zee om zodoende door, bijvoorbeeld omsingeling, te trachten elders een doorbraak te forceren. Dit lukte evenwel niet. De legers groeven zich in, er ontstond een patstelling in die zin dat er gedurende de hele oorlog met uitzondering van de laatste maanden nog nauwelijks sprake was van een noemenswaardige beweging van het front. De stellingenoorlog was, geheel tegen de bedoeling en de verwachting van beide partijen in, een feit geworden. Dit had tot gevolg dat men zich moest instellen op een totaal andere oorlogvoering dan was voorbereid, met alle complicaties van dien.

De frontlijn liep van de Belgische kustplaats Nieuwpoort langst Ieper naar de Franse grens en vervolgens even noordelijk van Arras, waarna hij het Sommegebied doorkruiste. Hier boog hij af naar het oosten richting Reims en Verdun, om ten slotte via de Vogezen te eindigen aan de Zwitserse grens, een lengte van in totaal 750 km.

Het eerste stuk, van Nieuwpoort tot even ten noorden van Ieper, een afstand van 25 km werd verdedigd door het Belgische leger. Het tweede stuk, een frontlijn van zo’n 140 kilometer waarin het grootste deel van het Sommegebied lag, werd verdedigd door de Engelsen en de rest door de Fransen. Over de aanduiding de Engelsen kan enige verwarring ontstaan. Strikt genomen gaat het om Britten, de inwoners van Groot-Brittannië ofwel van het Verenigd Koninkrijk dus inclusief de Schotten en Noord-Ieren. Conform het heersende spraakgebruik zal echter van Engelsen worden gesproken. Aan de zijde van de Engelsen stonden tevens troepen uit de dominions Canada, Australië, Nieuw-Zeeland en verder Zuid-Afrika en India. Uit bovenstaande valt af te leiden dat de Fransen, aangevuld met kolonialen veruit het grootste deel van het front voor hun rekening namen. Dit geeft echter een onjuist beeld van het aandeel van de Engelsen en de Fransen. In de Engelse sector was de oorlog per afstandseenheid/oppervlakte-eenheid veel intensiever, kwamen er minder rustige frontsectoren voor en was de bodemgesteldheid zeer ongunstig. Het betrof hier vooral laagland en wie kent niet de foto’s van eindeloze moddervelden bezaaid met watergevulde kraters, modder en nog eens modder, niet zelden de ergste vijand van de soldaten.

Hoe moet men zich de frontlijn zo ongeveer voorstellen? Zo ongeveer lijkt een wat slordige aanduiding maar er waren plaatselijk verschillen en het is onmogelijk en in dit verband ook niet van belang om die alle in detail te vermelden. Aan beide zijden bestonden er uitgebreide loopgravensystemen waartussen ingeklemd het zogenaamde niemandsland lag. Dit was meestal 100 tot 400 meter breed, soms breder maar soms ook zo onwaarschijnlijk smal als 5 tot 10 meter. De systemen waren gebaseerd op vier functies: aanval, verdediging, communicatie en bevoorrading. In die zin was er geen verschil tussen de Engelse, Franse en Duitse systemen. Wat betreft de uitvoering ervan waren er wel enkele verschillen zoals bijvoorbeeld in de onderlinge afstanden van de loopgraven.

De uitvoering kwam er in essentie op neer dat er een voorste loopgraaf was, de vuurlinie, met kort daarachter een commandoloopgraaf. Verder naar achteren gelegen, meestal op 50 tot 100 meter, lag de ondersteuningsloopgraaf en op enkele honderden meters daar weer achter de reserveloopgraaf. Deze loopgraven waren onderling verbonden met communicatieloopgraven. Her en der bevonden zich bomvrije onderkomens en nog vóór de voorste linie waarnemingsposten die eveneens via een loopgraaf waren te bereiken. Voor de voorste loopgraaf was een prikkeldraadversperring aangebracht terwijl zich achter het loopgravenstelsel de artillerie bevond, buiten het bereik van handvuurwapens inclusief mitrailleurs.

Duidelijk zal zijn dat het loopgravenstelsel zoals beschreven, alleen bestond wanneer er geen sprake was van een omvangrijke veldslag zoals bij Verdun, Ieper of in het Sommegebied. Deze slagen vonden echter plaats in een relatief beperkt gedeelte van de frontlijn en dan nog gedurende een beperkte periode van de oorlog.

Er zijn pogingen ondernomen om de totale lengte van alle loopgraven te berekenen. Dat het hier op zijn best om een benadering kan gaan zal geen verbazing wekken. Meestal komt men uit op een ruwe schatting van 40.000 km. Er is aanzienlijk meer gegraven dan gevochten, uit het volgende zal dat genoegzaam blijken.

 

Het dagelijks Leven aan het Front

In de meeste boeken over het Westelijk Front wordt relatief veel aandacht besteed aan de grote slagen zoals die bij Verdun en Ieper en in het gebied van de Somme. Deze vonden echter plaats op een zeer beperkt gedeelte van de totale frontlijn en dan nog maar gedurende een beperkte periode. Aldus ontstaat een vertekend beeld van wat zich in de frontlinie als geheel afspeelde. In werkelijkheid waren aanvallen vrij zeldzaam, het gevaar dreigde vooral van artilleriebeschietingen die, hoewel vaak intensief, weinig gericht waren. De artillerie vuurde volgens coördinaten en niet rechtstreeks op manschappen die trouwens buiten hun gezichtsveld lagen.

In Eye-Deep in Hell haalt John Ellis, een officier van de Royal Warwickshires aan die op basis van zijn dagboeken over 1916 concludeert: ‘Ik bracht 65 dagen in de vuurlinie door en nog eens 36 in de ondersteuningsloopgraaf… Daarnaast verbleef ik 120 dagen in een reservepositie van waaruit de voorste linie binnen een dag was te bereiken en werden er 73 dagen doorgebracht in rust…gedurende 10 dagen verbleef ik in een hospitaal en was 17 dagen met verlof… Gedurende de 101 dagen onder vuur verplaatste ik mij 12 keer in de loopgraven en op de verschillende plaatsen verbleef ik één tot dertien dagen’.(2) Zijn bataljon kwam gedurende het hele jaar 1916 slechts 4 keer in actie en, zoals uit de beschrijving valt af te leiden, dan nog maar voor korte tijd.(3) In een heel jaar lag deze officier dus 101 dagen onder vuur - in principe dan - want meestal was er van gericht vuur geen sprake. Het betreft hier maar een voorbeeld en hoewel het een indruk geeft van het leven van de frontsoldaat is het niet representatief en kan ook niet representatief zijn omdat de omstandigheden aan het front per sector zeer van elkaar verschilden. Het ging niet alleen om verschillen in plaats maar ook in tijd al werd er, gerekend over de hele oorlog, in bepaalde sectoren aanzienlijk meer gevochten dan in andere. In de rustige sectoren werd de vijand als regel nauwelijks gezien. Het was geen uitzondering dat soldaten in geen maanden en soms zelfs nooit een vijand zagen. Het dagelijkse leven speelde zich overdag af onder het aardoppervlak. Met het invallen van de duisternis veranderde de situatie: in het niemandsland werd gepatrouilleerd, er vonden aanvallen op beperkte schaal, de zogenaamde raids, plaats en er werden de noodzakelijke herstelwerkzaamheden aan de loopgraven en de eventuele uitbreidingen daarvan verricht.

Hoe groot de verschillen in oorlogvoering van de infanterie ook waren, er was in ieder geval sprake van een roulatiesysteem en dat gold aan het Westelijk Front voor alle betrokken partijen, al waren er onderlinge verschillen. Maar ook binnen één leger bleek het niet mogelijk, vooral door onvoorspelbare en veranderende omstandigheden, vast te houden aan een strak schema. Volgens de gangbare opvattingen was een verblijf van meer dan twee dagen in de voorste loopgraaf nadelig voor de gevechtswaarde maar in de praktijk werd deze periode vaker wel dan niet overschreden. Dit alles veranderde echter niets aan het principe dat een periode in de loopgraven werd afgewisseld met perioden in reserve en rust en, als het meezat, incidenteel verlof. Op divisieniveau kwam het er op neer dat niet meer dan ééntiende van alle manschappen, de ondersteunende eenheden en de artillerie meegerekend, op enig moment de frontlijn bemande.

In het Geallieerde leger, meer dan in het Duitse, was het gebruikelijk na de, als regel korte rustperiode een andere sector van het front te bezetten. Dat betekende lange marsen, vaak over afstanden van 20 tot 30 km en soms meer. Deze marsen behoorden tot de zwaarst denkbare beproevingen, hetgeen goed geïllustreerd wordt door het volgende marslied,

Nobody knows how tired we are.

Tired we are, Tired we are, Tired we are, Tired we are,

Nobody knows how tired we are,

And nobody seems to care.


De marsen, die om veiligheidsredenen ‘s nachts werden gehouden gingen over modderige wegen, door terreinen bedekt met granaatkraters - als regel gevuld met water of slijk - en wat betreft het laatste deel, vaak enkele kilometers, door loopgraven gevuld met water, niet zelden tot kniehoogte of hoger. Soldaten raakten totaal uitgeput, vielen vaak flauw of kregen toevallen. Niet weinigen verdronken onderweg. Zij gleden uit, werden vastgezogen in de slijkachtige substantie waarin vooral de Vlaamse en Noord-Franse grond veranderde bij zelfs de geringste regenval en waren reddeloos verloren. Een bijzondere complicatie vormde de bepakking die gemiddeld 30 tot 35 kg woog, maar soms ook meer dan 50 kg. Het was zeker niet ongewoon dat soldaten opgelucht waren wanneer zij eenmaal in de voorste loopgraaf waren gearriveerd, ondanks het feit dat daar de risico’s om gewond te raken of te sneuvelen het grootst waren.

Opgelucht of niet, aan het front wachtte hen een allesbehalve aangename ontvangst. Het grootste deel van het jaar werden vooral de Engelsen geteisterd door modder, water en kou. Dan was er de vaak onverdraaglijke stank als gevolg van de in ontbinding verkerende lijken of delen daarvan die te voorschijn kwamen bij herstelwerkzaamheden of het aanleggen van nieuwe stukken loopgraaf, maar ook als gevolg van de slechte sanitaire voorzieningen. Dit had tot gevolg dat urine en fecaliën zich vermengden met het water dat in de loopgraven stond. Dan waren er nog de ratten, luizen en vliegen die, naast de overlast ook verspreiders van ziekten waren. Een ruimhartige verstrekking van tabak kon soms enig soelaas bieden.

Ondanks de extreem slechte omstandigheden kwam verkoudheid weinig voor dit in tegenstelling tot bijvoorbeeld nierbekkenontsteking welke een zware wissel trok op de gevechtskracht. Dit gold nog meer voor de zogenaamde trench foot, een afwijking aan de voeten te vergelijken met bevriezing en die het gevolg was van het uren lang staan in water. Soms leidde dit tot gangreen, afsterving van het weefsel, met alle gevolgen van dien.

Welke van de genoemde kwellingen het ergste waren valt moeilijk te beoordelen omdat deze per plaats en tijd grote verschillen vertoonden. Het ziet er echter naar uit dat in dit inferno kou, modder, water en vooral een staat van bijna voortdurende uitputting de ergste beproevingen waren, erger vaak, dan de acties van de vijand, vooral ook omdat díe niet continu plaatsvonden.

Maar stond er dan niets positiefs tegenover al die ellende? Weinig of, sterker nog, bitter weinig. Het eten bijvoorbeeld. In alle legers was dit over het algemeen slecht. Hoewel er nauwkeurige berekeningen waren gemaakt over de calorische behoefte werd de norm meestal niet gehaald. Door de artilleriebeschietingen en de onbegaanbaarheid van het terrein was het bovendien moeilijk om de frontlijn van warme maaltijden te voorzien. Alcohol had misschien nog enige troost kunnen brengen maar werd in beperkte mate verstrekt, mede omdat de legerleiding bevreesd was voor dronkenschap aan het front hetgeen in de praktijk overigens zelden voorkwam.

Om weer enigszins op verhaal te komen waren de soldaten, en dit gold ook voor de frontofficieren, aangewezen op perioden van rust achter het front en incidenteel verlof. Rust betekende niet uitsluitend amusement en evenmin konden de soldaten gaan en staan waar ze wilden. De discipline moest worden gehandhaafd, alleen al omdat de legerleiding wilde verhinderen dat de soldaten zouden gaan handelen en denken als individuen. Maar in ieder geval waren de rustperioden minder onaangenaam dan het verblijf aan het front, al was het alleen maar omdat er sprake was van een tijdelijke onderbreking van de toestand van uitputting, de verder genoemde ellende en zeker ook angst, waarop later nog zal worden terug.

Niet altijd was het leven in de loopgraven zo ellendig als tot nu toe beschreven. Bijvoorbeeld wanneer de loopgraven zich in hoger gelegen terrein bevonden waar de overlast van water geringer was of de vijand zich voor langere of kortere tijd rustig hield. Onder dergelijke omstandigheden kon een toestand van verveling zelfs de overhand krijgen, een prijs die men als regel graag wilde betalen.

 

De Confrontatie met de Vijand in de rustige Frontsectoren

Hoewel in de rustige frontsectoren de rust vaak maar betrekkelijk was wordt ermee aangegeven dat de grote veldslagen buiten beschouwing blijven omdat die nauwelijks van betekenis waren voor het tot stand komen van het leven en laten leven principe.

Een hardnekkige mythe wil doen geloven dat de meeste slachtoffers vielen als gevolg van mitrailleurvuur. Weliswaar was de mitrailleur de grote killer bij omvangrijke veldslagen, tenminste voor de aanvallers, maar die veldslagen vonden relatief weinig plaats gerekend naar hun duur, afgezet tegen de lengte van het hele front. Hetzelfde gold voor de zogenaamde raids waarbij als regel niet meer dan enkele tientallen manschappen betrokken waren en dan nog alleen voor zover deze raids overdag plaatsvonden, hetgeen zelden het geval was. In werkelijkheid vielen, volgens Terraine, de meeste slachtoffers (doden en gewonden) als gevolg van artillerie- en mortiervuur: 58,5%, terwijl mitrailleur- en geweervuur 39% voor hun rekening namen.(4) In de rustige sectoren was het percentage slachtoffers als gevolg van artillerievuur waarschijnlijk hoger omdat de mitrailleur daar een aanzienlijk geringere rol speelde.

Aangezien de effectiviteit van het artillerievuur per plaats sterk verschilde is het niet mogelijk om een uitspraak te doen over het effect hiervan op de verschillende frontsectoren. Een uitspraak over het front als geheel is, zoals uit het volgende voorbeeld blijkt echter wel bij benadering mogelijk. Het Engelse leger of beter, het leger van het Verenigd Koninkrijk, schoot gedurende gehele oorlog ruim 170 miljoen projectielen af .(5) Een beperkt aantal daarvan, maar zeker niet meer dan 20 miljoen, op andere fronten dan het Westelijk Front. Dat betekent dat op de ongeveer 140 strekkende kilometers van het Westelijk Front, het deel dat de Engelsen voor hun rekening namen, volgens ruwe schatting 150 miljoen projectielen werden afgeschoten . Het merendeel van deze projectielen was gericht op de voorste linies en de vraag rijst dan ook hoeveel slachtoffers daar werden gemaakt en wat de psychische druk was die daardoor op de tegenstanders werd uitgeoefend. Wat betreft het laatste: artillerievuur werd gehaat, het kwam van ver, van niet te lokaliseren plaatsen en meestal op onvoorspelbare momenten. Bovendien veroorzaakte het verwondingen die in het algemeen gruwelijker waren dan die veroorzaakt werden door mitrailleurs of geweren. Men kon zich er dus moeilijk tegen beschermen, behalve in diep gegraven onderkomens, maar daarin was niet voor iedereen plaats. Daar stond tegenover dat de trefkans klein was. Maar de psychische druk werd door meer bepaald dan de trefkans: de onzekerheid over de plaats van inslag, het geluid van nabije explosies, het fluiten van de granaten; dat alles droeg daar óók aan bij. Wat betreft de intensiteit van het artillerievuur en de trefkans op enig moment daarvan zijn slechts zeer ruwe schattingen te maken en voor een belangrijk deel gebaseerd op speculatieve aannames.

Zoals gezegd: aan het Westelijk Front vuurden de Engelsen gedurende de gehele duur van de oorlog, 1.560 dagen, over een frontlijn van 140.000 meter, 150 miljoen granaten af. Dat wil zeggen, ruim 1.000 stuks per strekkende meter frontlijn. De tegenstanders waren uitsluitend Duitsers. De prijs die het Duitse leger voor de oorlog betaalde bedroeg ruim 1,8 miljoen doden en ruim 4,2 miljoen gewonden.(6) Welk deel daarvan sneuvelde aan de Engelse sector van het front is niet bekend, maar het lijkt niet onrealistisch uit te gaan van eenderde van dat aantal, waarbij moet worden aangetekend dat een precieze schatting voor dit betoog ook niet van belang is. Aangezien naar schatting zeker 60% van de slachtoffers het gevolg was van artillerievuur betekent dit, dat 150 miljoen granaten bij benadering 350.000 doden en 1,4 miljoen gewonden en voor hun rekening namen De trefkans was dus gering, maar daar stond wel tegenover dat het aantal afgeschoten granaten enorm was, waarbij ook in aanmerking moet worden genomen dat een aanzienlijk deel van deze granaten blindgangers waren. Nogmaals moet erop worden gewezen dat het hier om schattingen gaat en bovendien dat de intensiteit van het vuur per sector en per tijd zeer grote verschillen vertoonden Maar dat gold eveneens voor de slachtoffers bij de verschillende legeronderdelen; onder de ondersteuningseenheden en de artillerie waren de verliezen aanzienlijk lager dan onder de fronttroepen. Ook al was de trefkans per granaat gering dan toch was, door de enorme aantallen die werden afgeschoten, voor frontsoldaten de kans om gedood te worden of gewond te raken aanzienlijk. Een bijkomende tragische bijzonderheid was dat het gevaar niet alleen van de vijandelijke artillerie kwam maar ook van de, vaak niet goed richtende, eigen artillerie. Zo is er berekend dat ongeveer 75.000 Fransen gedood werden door wat de Engelsen met de voor hen zo kenmerkende wrange humor friendly fire noemden.

De reden dat hier zoveel aandacht aan artillerievuur wordt besteed is dat het zoveel slachtoffers maakte en voor de soldaten in de frontlinie zo onvoorspelbaar en onbeïnvloedbaar was. Het zorgde voor veel angst en was daardoor uitputtend en demoraliserend, omstandigheden die er op hun beurt weer toe leidden dat de neiging tot vechten afnam, één van de factoren die konden leiden tot het leven en laten leven principe.

Hetzelfde gold voor gasaanvallen. De artillerie zelf kon weinig invloed uitoefenen op het ontstaan van illegale bestanden omdat zij te ver van de frontlijn verwijderd was om direct contact met de vijand te maken, een zeer belangrijke hoewel niet absolute voorwaarde voor de realisering van het leven en laten leven principe. Bovendien hadden de artilleristen daar minder belang bij omdat zij in een betrekkelijk veilige positie verkeerden, tenminste in vergelijking met de infanterie in de voorste linies. In feite waren zij alleen kwetsbaar voor de vijandelijke artillerie en dan nog in aanzienlijk mindere mate dan de infanteristen.

Illegale bestanden kwamen bijna uitsluitend voor in rustige frontsectoren waar beide partijen primair de verdediging van hun linies beoogden. Dergelijke bestanden konden hoofdzakelijk gerealiseerd worden met de wapens waarover de soldaten in de voorste linie zelf beschikten, in het voorkomende geval door ze niet te gebruiken dan wel ze zodanig te gebruiken dat de vijand er geen schade van ondervond. Daarbij was wederkerigheid een absolute voorwaarde want het bleef toch altijd een complexe en wankele situatie die door weinig verstoord kon worden.

Wat waren de wapens waarover de frontsoldaten destijds konden beschikken? In principe waren dat handvuurwapens zoals geweren waarmee kogels maar ook lichte granaten konden worden afgevuurd, scherpschutters die een voortdurend gevaar vormden en je noodzaakten het hoofd beneden het maaiveld te houden, mitrailleurs en handgranaten, waarmee de nodige schade in de vijandelijke linies konden worden aangericht. In beginsel kon men zich tegen handvuurwapens beschermen door zich niet bloot te geven dit in tegenstelling tot (hand)granaten die in de loopgraven terecht konden komen. Naast de handvuurwapens waren er nog de loopgraafmortieren die door aparte mobiele eenheden werden gebruikt.

De vraag is of het verstandig dan wel noodzakelijk was om deze wapens permanent optimaal te gebruiken. Actie roept tenslotte tegenactie op en het was moeilijk voorspelbaar wie uiteindelijk de meeste schade zou lijden. Daar komt nog bij dat het er in de rustige sectoren, en daarover gaat het hier, primair ging om een status quo in stand te houden. Het was deze situatie die ruimte schiep voor het ontstaan van illegale bestanden. Maar afgezien daarvan, was het natuurlijk ook noodzakelijk de vijand onder druk te houden dan wel zich tegen hem te beschermen, onder meer door waakzaam te zijn. Hoe werd een en ander gerealiseerd?

In ieder geval was het noodzakelijk dat een deel van de soldaten op wacht stond, als regel enkele uren waarna een aflossing volgde. Het wachtlopen werd als een zware stress ervaren, vooral door de extreme vermoeidheid gecombineerd met de noodzaak alert te blijven. Wanneer een wacht in slaap viel stonden hem de zwaarste sancties te wachten en dat kon de doodstraf betekenen, ook al werd deze meestal niet ten uitvoer gebracht. Vooral het Engelse leger was, in vergelijking met het Franse en het Duitse berucht om de zwaarte van de opgelegde straffen wanneer het ging om overtredingen van de discipline of welke veronderstelde nalatigheid dan ook.

In het verlengde van het wachtlopen lagen de nachtelijke patrouilles in het niemandsland, nachtelijk omdat het verlaten van de loopgraven overdag gelijk stond met zelfmoord. Deze patrouilles, die uit slechts enkele manschappen bestonden waren bedoeld om informatie over de vijand te vergaren, maar op de achtergrond speelde tevens mee dat het een manier was om het moreel hoog te houden. Zij werden als zeer bedreigend ervaren. Ieder geluid kon fataal zijn en dat alleen al was zo enerverend dat er van betrouwbare waarnemingen meestal nauwelijks sprake was. Wanneer vijandelijke patrouilles elkaar tegenkwamen negeerden ze elkaar vaak, aldus de overwinning overlatende aan de geest van leven en laten leven. Dat dit gebeurde was bekend bij de bevelvoerders, maar het was moeilijk er maatregelen tegen te nemen omdat mogelijkheden van controle bijna geheel ontbraken. Een Engelse brigadegeneraal kwam op het lumineuze idee patrouilles te verplichten een stuk prikkeldraad mee te nemen uit een Duitse loopgraaf. Een van de patrouillerende soldaten verhaalde later dat zij in het niemandslandland een rol Duits prikkeldraad vonden en daarvan na iedere patrouille een stukje afknipten. Dat wisten ze gedurende lange tijd vol te houden zonder dat het in de gaten liep.(7) Werd er dan helemaal niet gevochten in de rustige sectoren? Weinig, met uitzondering van de zogenaamde raids die, eveneens in de nachtelijke uren, werden uitgevoerd door enkele tientallen manschappen en tot doel hadden door te dringen in de vijandelijke loopgraven teneinde daar zoveel mogelijk schade aan te richten. Zij waren van weinig militaire betekenis maar werden desondanks gedurende de hele oorlog gecontinueerd, vermoedelijk omdat het opperbevel er een middel in zag de soldaten alert te houden en het op de loer liggende gevaar van leven en laten leven zoveel mogelijk te elimineren.

In het voorgaande is een globaal beeld gegeven van de leefomstandigheden en de confrontaties met de vijand in de rustige en primair defensief ingestelde sectoren van het Westelijk Front. Dat men zich over de rustige sectoren geen idyllische voorstelling moet maken moge uit het voorgaande duidelijk zijn. Het Engelse leger alleen al leed dagelijks 7.000 man aan verliezen, de slachtoffers van de grote veldslagen niet meegerekend, waaronder te verstaan alle manschappen die niet meer op korte termijn inzetbaar waren. Gerekend naar tijd en plaats waren er afwijkingen van het algemene beeld, zoals er ook verschillen waren tussen de Engelse, Franse en Duitse legers. Voor het hoofdthema van dit artikel - het leven en laten leven principe - zijn deze afwijkingen en verschillen echter van weinig betekenis.

 

Het Leven en laten Leven Principe

In het voorgaande is een beeld gegeven van de omstandigheden waaronder, in het bijzonder de frontsoldaten leefden in de zogenaamde rustige sectoren.

Wat nu waren de omstandigheden die leidden tot of bijdroegen aan het ontstaan van een toestand van leven en laten leven? Daarbij kan een onderscheid worden gemaakt tussen constanten en variabelen. Tot de constante voorwaarden behoorde wederkerigheid tussen de partijen wat niet anders wil zeggen dan dat er sprake was van een wederzijds belang. Bovendien moest er binnen de partijen zelf sprake zijn van voldoende cohesie met betrekking tot het nagestreefde doel om, ten koste van alles, te willen overleven. Deze cohesie berustte voor een belangrijk deel op onderling vertrouwen en voor het ontstaan daarvan was enige tijd nodig. Daaraan ontbrak het, door het gehanteerde roulatiesysteem echter vaak hetgeen tot gevolg had dat de groepssamenstelling in een bepaalde loopgraaf of sector varieerde. Voor nieuwe lichtingen gold vaak dat opvattingen over het strijden voor God, koning of vaderland, de behoefte aan zelfbevestiging of heroïek sterk contrasteerden met de houding van oudere lichtingen die primair uit waren op zelfbehoud. Zij hadden zich de oorlog heel anders voorgesteld en protesteerden tegen een houding van leven en laten leven of, met andere woorden: rusten en laten rusten of geen slapende honden wakker maken. Deze houding werd als lafheid of een gebrek aan plichtsbesef ervaren. Onder dergelijke omstandigheden kon het leven en laten leven systeem niet tot stand komen, mede omdat degenen die daar wel naar streefden er rekening mee moesten houden dat hun gedrag zou kunnen worden verraden. Dit gold te meer omdat de bevelvoerders er toch al alert op waren dat er niet gesjoemeld werd. In feite waren de manschappen aan het front de gevangenen van twee gevaren, dat van de vijand en dat van hun eigen meerderen. Verder moesten beide partijen bekend zijn met de bedoelingen van de andere partij hetgeen een vorm van communicatie noodzakelijk maakte. Dat hoefde niet noodzakelijkerwijs om verbale communicatie te gaan. In de loop van de oorlog ontwikkelde zich een patroon van subtiele vormen van non-verbale overdracht die bovendien tot voordeel hadden dat de eigen bevelvoerders, in het bijzonder het opperbevel, er moeilijk greep op konden krijgen. Want ook dat was een absolute voorwaarde.

Om welke vorm van communicatie het ook ging, de boodschap was steeds dezelfde: als jullie ons met rust laten, laten wij jullie met rust. Voor beide partijen een win-win situatie, het doel van de oorlog als geheel buiten beschouwing gelaten. De variabele en niet zelden toevallige, incidenteel of onvoorzien optredende omstandigheden vormen een lange reeks die in het volgende, aan de hand van bronverwijzingen nog de nodige aandacht zal krijgen. Aparte vermelding verdienen de staat van uitputting die al naargelang de ernst en de vechtkracht ondermijnde en de angst voor dood of verminking.

Objectief gezien zouden frontsoldaten in een bijna permanente staat van extreme angst moeten verkeren. Dit was echter niet het geval. Uit de talloze egodocumenten komt naar voren dat er tussen reëel gevaar en angst vaak een omgekeerd verband bestaat. Als regel wordt de meeste angst ervaren in de periode voorafgaande aan een veldslag. Eenmaal in gevecht verdwijnt deze geheel of gedeeltelijk, zoals herhaaldelijk beschreven. De verklaringen zijn legio. De gevechtssituatie zou zoveel aandacht opeisen en tot een op een roes gelijkende toestand leiden dat er geen ruimte overbleef om aan dood of verminking te denken. Mogelijk ook is er sprake van een ingebouwd beschermingsmechanisme dat de realiteit vervormt en dat in de psychoanalyse wel wordt aangeduid als afweer of ontkenning. Veel soldaten beschrijven hoe zij tijdens de aanval een gevoel van vervreemding ervaren, alsof wat er gebeurt niet echt is of, alsof zij er feitelijk geen deel van uitmaken maar slechts toeschouwer zijn. Begin jaren tachtig interviewde ik enkele Engelse veteranen die een en ander bevestigden. In verband met doodsangst merkte Freud in 1915 nog op dat ‘onze eigen dood onvoorstelbaar is en wij deze alleen maar kunnen ervaren alsof we er de toeschouwer van zijn’. Hoe het ook zijn mag, het kan wel niet anders of er moet aan het front veel angst zijn geweest, ook al wordt daar in egodocumenten zoals de vele gepubliceerde autobiografieën nauwelijks gewag van gemaakt.

Zoals eerder gezegd, in de meeste boeken over de Eerste Wereldoorlog komt het leven en laten leven systeem nauwelijks of niet aan de orde. Een uitzondering hierop vormt het boek van Tony Ashworth Trench Warfare 1914-1918’ met als ondertitel The Live and Let Live System. Daarnaast zijn er veelvuldig verwijzingen te vinden in de autobiografische literatuur. Ashworth maakte gebruik van uitvoerig bronnenmateriaal bestaande uit brieven, dagboeken en vergelijkbare bronnen van frontstrijders. In totaal gaat het om drie bronnen van de 57 divisies die het Engelse leger telde. Bovendien interviewde hij enkele ex-frontstrijders die in grote lijnen bevestigden wat er in de geschreven bronnen stond.

Officiële stukken bleven buiten beschouwing omdat die, om begrijpelijke redenen, onbetrouwbaar bleken met betrekking tot het leven en laten leven principe, zoals uit een vergelijking met de persoonlijke bronnen bleek.(8) Te billijken gezien het heimelijke karakter van het leven en laten leven, dat zich om die reden aan de waarneming van bevelvoerders onttrok en mogelijk ook omdat het een smet kon werpen op het optreden van de frontstrijders.

Ondanks de uitvoerigheid van het onderzoek kon de vraag naar de omvang van het leven en laten leven systeem niet anders dan zeer globaal worden beantwoord. De vraag rijst dan ook of met minder bronnenonderzoek niet hetzelfde resultaat zou zijn bereikt.

In ieder geval wordt daarvan in de meer beperkte opzet van dit artikel uitgegaan. Als uitgangspunt dient een willekeurige keuze van toegankelijke biografische werken van niet alleen Engelse, zoals bij Ashworth, maar eveneens van Duitse en Franse auteurs. Deze bevatten in ieder geval een ruim aanbod van de diverse vormen van leven en laten leven en de omstandigheden die dit mogelijk maakten. Bovendien kan, op basis van het aantal keren dat het ter sprake komt een beeld worden gevormd van de omvang.

Welke bronnen men ook raadpleegt, de betrouwbaarheid is problematisch. Daarvoor zijn uiteenlopende redenen. Bij het leven en laten leven systeem ging het tenslotte om heimelijk en verboden gedrag dat door de buitenstaander kan worden beoordeeld als lafhartig. Daarover schrijft men niet graag. Voor de bekende auteurs van eigen oorlogservaringen gold bovendien dat zij hun publicaties zagen als een middel om zich als schrijver bekendheid te verwerven en om die reden de neiging konden hebben rekening te houden met de veronderstelde wensen van het lezerspubliek. Dit kon er bijvoorbeeld toe leiden dat als persoonlijke ervaringen beschreven gebeurtenissen niet anders waren dan verhalen van elders die men had gehoord en die werden gebruikt om eigen ervaringen meer glans of betekenis te geven. Dit effect kon dan nog worden versterkt door ze in een literaire vorm te gieten. Daarnaast is het niet ongewoon dat herinneringsvervalsingen onopzettelijk een vertekend beeld van de werkelijkheid geven. Om deze en soms andere redenen is er wel kritiek uitgeoefend op beroemde ‘war classics’ zoals Im Westen nichts Neues van Remarque, Le Feu van Barbusse en Goodbye to All That van Graves.(9).

Vertekening van de werkelijkheid is een probleem dat aan alle persoonlijk gekleurde bronnen kleeft, maar dat zijn nu eenmaal de enige bronnen die ons voor dit onderwerp ter beschikking staan. Dit probleem kan in belangrijke mate worden ondervangen door het gebruik van meerdere bronnen, bij voorkeur afkomstig van personen die ten opzichte van het onderwerp een verschillende positie innamen. Omdat het leven en laten leven systeem vooral ontstond tussen de lagere rangen terwijl officieren er nauwelijks deel van uitmaakten omdat zij in een andere positie verkeerden is het van belang rekening te houden met de rang van degenen van wie de geschreven bronnen afkomstig zijn. Daarbij moet overigens wel een onderscheid worden gemaakt tussen front- en stafofficieren.


Tussen een toestand van leven en laten leven en de bevolen gevechtsactiviteiten bevindt zich een wazig tussengebied waardoor niet altijd duidelijk was wanneer er wel of niet sprake was van een bewuste en georganiseerde toestand van leven en laten leven.

De Duitse onderofficier Heller beschrijft hoe zijn onderdeel volledig was vastgelopen in de modder. ‘Geschoten werd er niet meer, zelfs niet meer door de artillerie. Er speelde zich hier een geweldige tragedie af. Onmachtig en tot werkeloosheid gedwongen, lagen de vijanden uitgehongerd en ziek tegenover elkaar, in bedwang gehouden door het water. Men kon elkaar niet meer onderscheiden’. ‘Wat zouden we kunnen doen als de vijand plotseling zou aanvallen? Maar dat konden ze immers niet, dat waren toch ook slechts mensen! Integendeel, deze ellende had ons dichter bij elkaar gebracht. Enkelen waren naar hen toe gekropen om iets te eten te krijgen, maar waren slechts met een kleinigheid teruggekomen. Zij hadden zelf ook niets. Eigenaardig, hier, waar allen in hetzelfde gevaar en in dezelfde ellende verkeerden, waar de dood niet direct van de vijand kwam, werden de vijandelijkheden gestaakt, ja, hielpen we elkaar als dat kon, om straks, als de watersnood voorbij was, weer doodsvijanden te zijn!’(10)

Het saboteren van de bevelen was zeer complex en variabel. Ashworth tracht daarin enige ordening aan te brengen. Hij noemt onderling afgesproken en stilzwijgende bestanden, ritualisering, dat wil zeggen het voeren van een schijnoorlog en inertie, te vergelijken met langzaamaanacties, waarbij vermoedelijk oorlogsmoeheid maar eventueel ook een houding van protest een rol speelde.

Uitgaande van deze indeling valt de beschreven situatie van onderofficier Heller onder de categorie inertie, in dit geval als gevolg van absolute overmacht. Of men dan nog kan spreken van een vorm van leven en laten leven is een kwestie van definitie, maar moet in ieder geval worden onderscheiden van situaties waarbij er sprake is van keuzevrijheid en waarbij er voor wordt gekozen de oorlogvoering te saboteren ten behoeve van een wederzijds belang.

Dat deze sabotage, in welke mate dan ook, afhankelijk was van vele verschillende factoren dan wel combinaties daarvan, maar ook van de psychische gesteldheid, de attitude ten aanzien van de oorlog, de groepscohesie en de eensgezindheid van de frontstrijders, zal zonder meer duidelijk zijn. Daarnaast moest er overeenstemming bestaan tussen de strijdende partijen en moest de mogelijkheid bestaan elkaar dat duidelijk te maken.

Welke aspecten van het leven en laten leven systeem komen nu naar voren uit een willekeurige steekproef van autobiografische werken, aangenomen dat daarvan al melding werd gemaakt. Tenslotte ging het om illegale handelingen die bovendien op de lezer een weinig heldhaftige indruk konden maken.

Blunden, de enige mij bekende auteur die de term ‘Live and let Live’ gebruikt schrijft, ‘onze toekomst, kort gezegd, berustte op het naleven van het leven en laten leven systeem, een van de gezondste elementen van de loopgravenoorlog’(11). Zuckmayer schrijft in zijn Erinnerungen: ‘de vijand voor ons allen was de oorlog, niet de soldaat in staalblauw of khaki’, om vervolgens een beschrijving te geven van een illegaal bestand.(12) Jünger daarentegen vermeldt: ‘ik deed in de oorlog altijd mijn best de tegenstander zonder haat te beschouwen en hem als man overeenkomstig zijn moed te beoordelen’. Hij voegt daar echter wel aan toe dat hij zal proberen hem te doden en omgekeerd van hem hetzelfde verwacht.(13)

De tot nu toe geciteerde auteurs maken slechts zelden melding van illegale bestanden. Een uitzondering vormt korporaal Louis Barthas, een overtuigd socialist en pacifist en ooit medeactivist van de Franse socialistenleider Jean Jaurès, die zich, ondanks zijn principes vrijwillig voor het leger meldde: uit plichtsbesef omdat Frankrijk in gevaar verkeerde. Zijn dagboeken zijn pas in 1997 in boekvorm verschenen, hij (van beroep tonnenmaker) had dus niet de pretentie schrijver te worden en dat heeft er zeker toe bijgedragen dat deze dagboeken een authentieke indruk maken. Zijn principes met betrekking tot de oorlog verwoordt hij aldus:‘Ik zal altijd trouw blijven aan de principes van het socialisme, het humanisme en van het echte christendom, ook al zou me dit het leven kosten. Ik zou nooit schieten, alleen bij wijze van zelfverdediging. Bovendien zou het misschien niet in ons belang zijn de goede betrekkingen die we met onze buren hadden te verbreken’(14).

Zijn haat richtte zich dan ook niet tegen de vijand, maar tegen zijn superieuren en hij constateert dat dit ook bij de Duitsers voorkomt. Zo citeert hij een Duitser die tijdens een illegaal bestand roept: ‘Fransen, Duitsers, soldaten, we zijn allemaal kameraden. Toen balde hij zijn vuist:’Officieren, NEE’. God, wat had die Duitser toch gelijk. Je mag natuurlijk niet generaliseren maar de meeste officieren stonden verder van ons af en waren qua moraal meer van ons verwijderd dan die arme duivels van Duitse soldaten die tegen hun wil naar hetzelfde slachthuis werden gevoerd’(15). En elders:‘Maar het was niet voldoende dat de soldaten weigerden te vechten. Ze hadden zich ook moeten keren tegen de monsters die hen tegen elkaar opjoegen. Ze hadden ze als wilde beesten moeten afmaken. Maar dat gebeurde niet. Hoelang zouden deze moordpartijen nog duren?’(16).

Kameraadschap dus en het ontbreken van haatgevoelens, dat zou een voedingsbodem kunnen zijn voor het tot stand komen van het leven en laten leven systeem. Maar was er niet eerder sprake van een belangengemeenschap ten aanzien van dood of verminking, al ging dat in het geval van Jünger niet op. Een gevoel van lotsverbondenheid, het besef tot elkaar veroordeeld te zijn, zeker, maar daarnaast ook een dodelijke omhelzing. Want de werkelijkheid aan het front was meestal anders. Eventuele kameraadschap was een zeer instabiele toestand evenals illegale bestanden. Het voortbestaan daarvan werd bepaald door de omstandigheden en die hadden de frontstrijders maar in beperkte mate in de hand. Oorlogvoering is een chaotische, verwarrende en beangstigende toestand waarbij door het minste of geringste een toestand van rust snel kan omslaan in hardnekkige gevechtsacties. Illegale bestanden varieerden daarom sterk in tijdsduur, van enkele seconden tot soms enkele maanden. Niet altijd conformeerde iedereen zich aan een toestand van overeengekomen vrede, bovendien waren daar de bevelvoerders die bij eventuele illegale bestanden een bedreiging vormden. De voortgang van een oorlog staat of valt met een systeem waarbij degenen die de bevelen geven zelf het minste risico lopen. Aangezien er een zogenaamde. bevelsketen bestaat waarbij de lagere bevelvoerders meer risico’s lopen dan de hogere kwam het soms voor dat lagere officieren of onderofficieren illegale bestanden oogluikend toestonden of er zelfs deel aan namen, heimelijk uiteraard tegenover hun superieuren.

Heller, zelf onderofficier, vermeldt in zijn oorlogsbrieven: ‘onze officieren konden natuurlijk niet toestaan dat we op een of andere manier met de vijand in contact stonden’, maar beschrijft kort daarna de volgende situatie:‘ik was een tijdlang bij de loopgraafmortieren ingedeeld - dan floten we eerst op ons mortierfluitje waarna we de mortier afschoten. Dan wist de tegenpartij dat er een aan kwam en zocht tijdig dekking. Zo waarschuwde hij ons ook van tevoren. Onze officieren, ofschoon ze dit wel wisten, deden vaak of ze het niet merkten en lieten het oogluikend toe’.(17)

Over de complexiteit van wat er aan het front kon gebeuren doet korporaal Barthas boeiend verslag. De versperring van zijn afdeling lag op zes meter van die van de Duitsers. Gedurende dagen werd er geen schot gelost. Men praatte met elkaar, geschenken werden uitgewisseld zoals tabak, brood en kranten. Hij was er zeker van dat dit gebaar van verbroedering op meer dan één plaats waar de wachtposten dicht bij elkaar lagen is voorgekomen. Dan:‘Diezelfde dag zag een sergeant die op bevordering uit was vanuit de wachtpost van de naburige compagnie wat er in wachtpost nummer tien gebeurde. Hij kwam hierheen en wilde een handgranaat naar een Duitse soldaat gooien die argeloos over de borstwering keek. Onze wachtposten beletten hem dat. Woedend ging hij dit bij de commandopost van de majoor melden. Die bracht onmiddellijk luitenant Breton, commandant van onze compagnie, op de hoogte. Deze ontbood op staande voet onze afdelingschef, de ex-banketbakker Toulzan. ‘Het schijnt dat uw afdeling…’zei hij. ‘Om kort te gaan, is het waar dat jullie met de moffen rotzooien?’ Onze adjudant wist dat minstens zijn strepen op het spel stonden, maar hij bezwoer herhaaldelijk en pleegde dus meineed, dat er niets abnormaals gebeurde. Hij waarschuwde mij dat ik tijdens de vierentwintig uur die ik op wacht moest staan op mijn hoede moest zijn. Het was namelijk goed mogelijk dat we bespied werden. Dit in opdracht van bevelhebbers die beslist razend en meedogenloos zouden reageren als ze ons op heterdaad zouden betrappen in gesprek met de vijand’. (18)


Handelingen zijn als regel doelgericht waarbij de wijze van handelen, inclusief de eraan verbonden gevaren in relatie tot het belang van het doel, wordt bepaald door de omstandigheden. Op deze regel maakt het streven naar bestanden in oorlogstijd geen uitzondering. Wat betreft het doel gaat het aan het front om de sterkste menselijke drijfveer, overleven en dat liefst onbeschadigd. In de loop van een handeling kan het doel zich wijzigen, bijvoorbeeld wanneer de omstandigheden onleefbaar zijn, men probeert daaraan te ontkomen waardoor er een andere levensgevaarlijke situatie kan ontstaat. Die deed zich voor toen soldaten zich blootstelden aan de vijand door een loopgraaf te verlaten die vol modder en water stond. Omdat de vijand in dezelfde situatie verkeerde werd de basis van een tijdelijk bestand gelegd. Een soortgelijke situatie doet zich voor wanneer beide partijen zodanig uitgeput zijn dat zij niet of nauwelijks meer tot vechten in staat zijn. Dit zal zich eerder voordoen bij oudere soldaten waarvan Graves een voorbeeld geeft.(19).

Wat betreft het optreden van bestanden, of deze nu afgesproken of stilzwijgend waren, was het wederzijds belang beslissend. Trotzki geeft het voorbeeld van een bron die in het niemandsland lag en waarvan beide partijen voor hun watervoorziening afhankelijk waren.(20) Dit was een uitzonderlijk geval, algemener was dat men elkaar de gelegenheid gaf gewonden en gesneuvelden uit het niemandsland te halen.

In de loop van de oorlog ontstonden er bepaalde patronen van stilzwijgende bestanden. Zo was het niet ongebruikelijk dat er niet geschoten werd tijdens de maaltijden(21) of gedurende werkzaamheden aan de loopgraven.(22) Vaak ook werden aanvoerwegen gespaard of werd er alleen op vaste tijdstippen geschoten en dan nog vaak met opzet mis. De oorlog was min of meer een ritueel geworden en voor de bevelvoerders was het buitengewoon moeilijk daarop greep te krijgen. In deze patronen zat een opmerkelijk irrationeel element. Het gevechtspotentieel van de vijand werd op peil gehouden zo niet versterkt en dat kon ernstige consequenties hebben wanneer het volledige of partiele bestand weer over zou gaan in een actieve oorlogssituatie, wat na kortere of langere tijd meestal gebeurde.

In het algemeen gesproken was de geneigdheid van de Duitsers, in het bijzonder de Saksen, om illegale bestanden tot stand te brengen groter dan bij de Engelsen en de Fransen. Niet alleen Graves maakt hiervan melding(23), ook Ashworth vermeldt het enkele keren. Wellicht heeft hierbij een rol gespeeld dat de Duitsers een defensieve en de geallieerden een offensieve oorlog voerden waarbij nog komt dat de Fransen op eigen grondgebied vochten en dat wilden herveroveren.


Tot nu toe beperkte de bespreking van het leven en laten leven systeem zich tot de voorste linies, daar waar een direct contact met de vijand veelal mogelijk was door de geringe onderlinge afstand. Het front bestond echter uit meer dan alleen de voorste linie. Daarachter, op globaal twee kilometer afstand stond de veldartillerie opgesteld en nog verder naar achteren de zware artillerie. Gezien de belangrijke rol die de artillerie in de Eerste Wereldoorlog speelde is het van belang de vraag te stellen welke rol die speelde bij het tot stand komen van illegale bestanden. Daarbij zijn twee punten van belang. In de eerst plaats de afstand tot de vijand die een direct contact, hetzij verbaal hetzij door het afgeven van zichtbare signalen onmogelijk maakte. Daarnaast de geringere kwetsbaarheid omdat zij buiten het schootsveld van handvuurwapens viel. Nog minder kwetsbaar was de zware artillerie die alleen te vrezen had van de zware artillerie van de vijand. Wat dat betreft was de positie van de infanterie, in het bijzonder indien zij in de voorste linie lag, het meest ongunstig. Zij was immers het doelwit van zowel handvuurwapens als veldartillerie en zware artillerie.

In die zin waren de belangen met betrekking tot illegale bestanden verschillend.

Voor zover zij betrokken was bij illegale bestanden beperkten deze zich voor de artillerie tot een vorm van ritualisering, bijvoorbeeld door routinematig en voorspelbaar te vuren. Ashworth vat het aldus samen: het algemene principe van ritualisering met handvuurwapens was om zodanig te vuren dat de vijand niet werd geraakt, terwijl bij beschietingen met de artillerie of loopgraafmortieren er naar werd gestreefd dat de vijand het vuur kon ontwijken.(24) In overeenstemming daarmee schrijft Barthas:‘Ville-sur-Tourbe werd beschouwd als een rustige sector. De moffen stuurden elke dag een half dozijn granaten naar onze linies en uit beleefdheid stuurden onze artilleristen er evenveel terug’.(25)

De beschrijving van Barthas is vooral daarom van belang omdat zij aangeeft hoe de wijze van vuren een indirecte boodschap kon inhouden. Zat er een zeker patroon in en werd daar met een soortgelijk patroon op gereageerd, dan wist men waar men aan toe was, al bleef het verstandig er rekening mee te houden dat het een list was. Daarvan lijkt echter zelden sprake te zijn geweest.

Van de geraadpleegde autobiografische auteurs is Barthas de enige die melding maakt van de rol van de artillerie als bijdrage aan het leven en laten leven systeem. Duidelijk is dat het om een vorm van ritualisering gaat, maar de motieven van de artilleristen blijven duister en evenmin komt naar voren of en zo ja in hoeverre er sprake was van gecoördineerde acties met de in gevechtspositie verkerende infanteristen. Voor de beantwoording van deze en eventuele andere vragen lijkt het unieke en uitvoerige onderzoek van Ashworth de meest aangewezen bron, ondanks dat zijn onderzoek zich beperkt tot het Engelse leger.

In essentie beschrijft hij het volgende.’Voor een gecoördineerd optreden van de infanterie en de artillerie was een wederzijdse communicatie noodzakelijk. Die was er wel met de veldartillerie maar nauwelijks met de zware artillerie, dit in verband met de te grote onderlinge afstand. Officieren van de veldartillerie kwamen, vooral ten behoeve van de waarneming van vijandelijke doelen regelmatig in de voorste linies. Dit leidde tot contacten met de infanterieofficieren en, onvermijdelijk, tot een beter begrip voor de problemen van de infanterie, zeker ook voor zover die door de eigen artillerie werden veroorzaakt. Immers, wanneer de artillerie de vijandelijke loopgraven bestookte dan leidde dit er bijna steeds toe dat de vijand omgekeerd hetzelfde deed. Aldus werd de infanterie het slachtoffer van het optreden van de eigen artillerie. De artillerieofficieren bleken daar niet ongevoelig voor en waren vaak te overtuigen om de beschietingen te stoppen of te ritualiseren, dat wil zeggen met opzet mis te schieten in de hoop dat de vijand dat door zou krijgen en niet gericht of in het geheel niet terug zou schieten. Omdat de artillerieofficieren niet altijd bereid waren mee te werken aan een dergelijke vorm van ritualisering was er aan de kant van de infanterie toch sprake van een zekere ambivalentie. Zij stond echter veel negatiever tegenover de zware artillerie die zij moeilijker kon beïnvloeden. Kon de eigen artillerie dus problemen veroorzaken wanneer er sprake was van een toestand van leven en laten leven, dan kon zij omgekeerd, wanneer daarvan geen sprake was, de vijand daartoe dwingen door hem onder vuur te nemen. Het ging dan dus om het toepassen van het oog om oog, tand om tand principe als middel om een toestand van leven en laten leven te bereiken, psychologisch gezien ver afstaand van een in onderling overleg gecreëerd illegaal bestand op basis van een gevoel van lotsverbondenheid.

Ondanks dat de artillerie in de omstandigheid van rust aan het front ernstige gevaren voor de eigen veel kwetsbaarder infanterie kon opleveren, hetgeen tot spanningen kon leiden, waren de onderlinge betrekkingen meestal redelijk goed, hoofdzakelijk omdat de artillerie-officieren vaak oog hadden voor de positie van de infanteristen. Anders lag dat met de loopgraafmortiereenheden waarvan de officieren bij de infanterie zeer impopulair waren. De redenen hiervoor waren complex en derhalve moeilijk te achterhalen. Mogelijk speelde een rol dat het om gespecialiseerde eenheden ging die over het algemeen militanter zijn en door hun beperkte taakstelling weinig oog hebben voor de totaliteit van de oorlogvoering en derhalve niet gauw geneigd tot communicatie met andere onderdelen. Bovendien opereerden zij relatief autonoom en werden daardoor onvoldoende gecorrigeerd wanneer hun optreden niet correspondeerde met de bedoelingen van andere legeronderdelen. De belangrijkste oorzaak van de tegen hen gerichte aversie was vermoedelijk hun mobiliteit die het hun mogelijk maakte om zich, na het afschieten van enkele granaten uit de voeten te maken en aldus het vijandelijke tegenvuur te ontlopen. Dat hun aanwezigheid niet op prijs werd gesteld adstrueert Ashworth met het volgende voorval. Een loopgraafmortierofficier die op zoek is naar een goede positie wordt geconfronteerd met een verhitte woordenwisseling tussen twee infanteriekapiteins met als inzet dat zij de sector van de ander geschikter vonden voor de plaatsing van een loopgraafmortier dan hun eigen. Vrij algemeen was de menig dat loopgraafmortieren meer schade toebrachten aan de eigen infanterie dan aan die van de vijand. Geen wonder dus dat de infanteristen op allerlei manieren probeerden de loopgraafmortiereenheden tegen te werken of te misleiden door, bijvoorbeeld, verkeerde doelen op te geven.(26).

Kort gezegd kwam het er dus op neer dat er vaak met de artillerie, als het ging om handhaving van een toestand van leven en laten leven, viel samen te werken terwijl de loopgraafmortieren alleen maar voor ellende zorgden.


Vanuit een psychologisch gezichtspunt is het volgende van belang.

De mens beschikt over sterke drijfveren waarvan hij zich, al naargelang de omstandigheden, bewust wordt. De sterkste drijfveer is de wil tot overleven die manifest wordt als er gevaar dreigt. Al of niet gedreven door angst, woede of wraakzucht zal hij het gevaar om te sterven proberen af te wenden, als het moet door te doden. Bij velen is er echter ook een vooral cultureel bepaalde aversie tegen, zo niet een angst, om te doden. Gaat het om een tegenstander die eveneens doodsangst ervaart, dan zullen zij beiden proberen elkaar te elimineren. In een dergelijke situatie zijn beide partijen er echter bij gebaat elkaar met rust te laten, ook al is dat in strijd met het doel van de oorlogvoering. Kennen zij elkaars intenties niet dan zullen zij reageren volgens het besef dat de eerste klap een daalder waard is of het fight or flight principle. Alleen indien er sprake is van de mogelijkheid tot onderlinge communicatie en vertrouwen, bestaat de mogelijkheid dat zij elkaar met rust laten. Dat hoeft evenwel niet omdat er nog andere krachten in het spel zijn. Plichtsbesef, de wil om te vechten bijvoorbeeld om zichzelf te bewijzen, vijandige gevoelens jegens de tegenstander, wraaklust of angst voor superieuren die afzijdig gedrag niet alleen afkeuren maar er ook zware sancties op kunnen stellen en de behoefte zich te conformeren aan zijn referentiegroep. Vooral het laatste telt zwaar en een individuele soldaat zal alleen dan bijdragen aan een toestand van leven en laten leven wanneer, op zijn minst, zijn referentiegroep dat ook nastreeft en er een vorm van communicatie met de vijand mogelijk is. Aangezien deze voorwaarden enige tijd nodig hebben om tot stand te komen zullen zij vooral, zo niet uitsluitend, voorkomen in rustige en stabiele frontsectoren.

Het is verleidelijk om te proberen te achterhalen wat de omvang van de illegale bestanden was. Ashworth doet hiertoe een poging en concludeert dat het niet onredelijk is om aan te nemen dat in eenderde van de perioden waarin gerekend over alle divisies van de British Expeditionary Forces illegale bestanden plaatsvonden.(27). In een noot verklaart hij dat zijn studie exploratief is, wat wil zeggen dat het hoofddoel is een fenomeen te identificeren en niet precies te meten. Daaraan voegt hij toe dat, naar zijn beste weten er geen studie bestaat waarin gepoogd wordt leven en laten leven te omschrijven of te meten.

Dat valt niet te verbazen want het ene bestand is het andere niet en niet alle bestanden zijn bekend, mede omdat ze als regel heimelijk zijn. Illegale bestanden konden kort of langdurend zijn, van enkele seconden tot enkele maanden, soms waren zij openlijk maar als regel stilzwijgend, zij konden tot stand komen door gemeenzaam overleg met de vijand of met behulp van wapengeweld worden afgedwongen en het is niet ondenkbaar dat er zich nog andere variaties hebben voorgedaan. Waar het om een dergelijke hutspot van uiteenlopende gebeurtenissen gaat, is het weinig zinvol om te proberen deze boven één noemer te brengen en dan ook nog te trachten ze in een percentage uit te drukken. Voor het krijgen van een totaalbeeld van wat zich aan het front afspeelde is het echter wel zinvol om een beeld te krijgen van het voorkomen van illegale bestanden en vooral van de motieven en de omstandigheden die daartoe leidden.

Aan alles wat daarover al gezegd is kan nog worden toegevoegd dat illegale bestanden bijna hoofdzakelijk voorkwamen in gebieden die zich niet leenden voor grote offensieven, zoals de drassige en modderige gronden in een deel van Vlaanderen, gebieden waar koolwinning plaatsvond, het Argonnenwoud en het bergachtige deel van de Vogezen, mede in combinatie met het jaargetijde en/of weersomstandigheden zoals regen en kou. De oorlogvoering kreeg dan, min of meer vanzelf, een routinematig karakter met als enig doel de bestaande toestand te consolideren en liet zich niet, of nauwelijks nog afgrenzen binnen een illegaal bestand.

Hoewel in ons land de kennis over de Eerste Wereldoorlog beperkt is zijn er enkele gebeurtenissen waarvan velen op zijn minst weleens gehoord hebben. Daartoe behoort in ieder geval het kerstbestand in 1914 en vermoedelijk, doch in wat mindere mate de muiterijen in het Franse leger in 1917. Vaak wordt de indruk gewekt dat het om incidentele gebeurtenissen ging maar dat is, zoals uit het voorgaande is gebleken geenszins het geval. Zij passen, zoals hier aan de hand van casuïstiek en in algemene termen is beschreven, in een reeks van gebeurtenissen. Voor de muiterijen lijkt dit minder voor de hand te liggen al is dit maar schijn. Hoe het ook zijn mag, in een beschouwing over het leven en laten leven systeem verdienen zij enige nadere aandacht, al is het alleen maar om hen een zo goed mogelijke plaats te geven in het totaalbeeld van de oorlog.

Het kerstbestand van 1914 strekte zich over grote delen van het front uit. Er waren zowel Engelse, Franse als Duitse eenheden bij betrokken. Illustratief voor de omvang ervan is de betrokkenheid van negen Engelse divisies. Het bestand werd verbaal gearrangeerd door enkele officieren die elkaar in het niemandsland ontmoetten en afspraken maakten over de lengte van het bestand. Zoals ook later wel gebeurde werden er sigaretten, drank, voedsel, foto’s en adressen uitgewisseld. Tussen een Engelse en een Duitse eenheid werd zelfs een voetbalwedstrijd gespeeld; kortom het beeld van een verbroedering, zij het voor niet langer dan 24 uur. Het was een uitgesproken openlijk en spontaan bestand, typisch voor het begin van de oorlog. Het was ook naïef, want het opperbevel kon dit natuurlijk niet toestaan, niet alleen omdat het in strijd was met het doel van een oorlogvoering maar ook omdat dit het middels propaganda en indoctrinatie gevormde negatieve beeld van de vijand bij een direct contact, zou verstoren. Het was zeker niet uitzonderlijk dat soldaten tijdens bestanden, eenmaal oog in oog met de vijand tot hun verbazing moesten vaststellen dat het jongens waren zoals zij. Geen wonder dus dat het opperbevel, dat het toen bij vermaningen liet, in het verdere verloop van de oorlog met steeds zwaardere sancties dreigde en die vaak ook tot uitvoering bracht. Als reactie daarop kregen de latere bestanden een heimelijk karakter en ontwikkelde zich een soort verhullende fronttaal waarmee men elkaars bedoelingen probeerde duidelijk te maken. Naast de eerder beschreven ritualisering van de oorlogvoering ontstond er dus een non-verbale ritualisering van de interactie.

Wat is de reden dat hier de Franse muiterijen aan de orde worden gesteld, die gaan toch niet over het leven en laten leven principe?

Eerst maar eens de feiten.

In november 1916 besloten de Geallieerden tot een groot offensief, zo mogelijk een definitieve doorbraak aan het Westelijk Front in 1917. De Fransen zouden aanvallen in het gebied van de Chemin des Dames. Nog voordat dit plan ten uitvoer werd gebracht werd hun opperbevelhebber Joffre vervangen door Nivelle. Nivelle nu, die het niet aan eigenwaan ontbrak, was van oorsprong een artillerieofficier en het was dan ook dit wapen waaraan hij een superieure betekenis toekende en dat in zijn aanvalsplan een dominante rol kreeg toebedeeld.

Bijna 3.000 stukken geschut werden opgesteld en er werd een enorme voorraad granaten aangelegd met als doel het Duitse leger door een relatief korte maar zeer intensieve beschieting lam te leggen. Een zwak punt in zijn plan was echter dat onvoldoende rekening werd gehouden met de omstandigheid dat de Duitsers waren overgegaan tot een verdediging in de diepte. Dit had tot gevolg dat de Fransen aanvankelijk successen boekten doch de uiteindelijke doelen niet bereikten. Toen daardoor de opmars stokte ontstond er in de Franse gelederen een enorme chaos en raakte de coördinatie met de artillerie verstoord. Slechte weersomstandigheden, regen, natte sneeuw, mist en koude en de beroerde gesteldheid van het aanvalsgebied droegen er nog toe bij dat de aanval, die op 16 april 1917 was begonnen al na enkele dagen was uitgemond in een catastrofale mislukking. De doorbraak was mislukt, 130.000 man aan verliezen waren voor niets geweest en, wat voor het vervolg van de oorlog nog rampzaliger was, het leger was na bijna drie jaar oorlogvoeren tenslotte uitgeput en gedemoraliseerd. Soldaten weigerden bevelen op te volgen en een houding van defaitisme tastte het grootste deel van het leger aan. Maar niet alleen in het leger, ook aan het thuisfront ontstond onrust en werd er geprotesteerd. Het viel niet te ontkennen, er was sprake van een nationale crisis en dat droeg er toe bij dat Nivelle werd ontslagen en vervangen door Pétain die, door zijn rol in de slag bij Verdun bij het Franse volk een ruime mate van krediet had.

Pétain begreep de ernst van de crisis en toonde begrip voor de in vele opzichten ondraaglijke omstandigheden waaronder de soldaten leefden. Weliswaar werden veronderstelde gangmakers van de onlusten zwaar gestraft, hetgeen onder meer resulteerde in 49 terechtstellingen, maar daartegenover stond dat werd tegemoetgekomen aan bepaalde eisen van de soldaten zoals, beter voedsel en betere verlofregelingen en, algemener, een menselijker bejegening.

Dit alles kon niet voorkomen dat de onlusten nog ongeveer een half jaar aanhielden, een halfjaar waarin het Franse leger vrijwel weerloos was.

De onlusten, de ongedisciplineerdheid en de weigerachtigheid van de soldaten om bevelen op te volgen zijn de geschiedenis ingegaan als een muiterij. Maar was dat wel een juiste term of was het een geval van woordmagie welke de werkelijkheid geweld aandoet? Een kenmerk van een muiterij is om superieuren uit te schakelen en de macht over te nemen en daarvan was hier geen sprake. Eerder was er sprake van een wederzijds begrip tussen officieren en hun manschappen, alsof zij gezamenlijk het slachtoffer waren van niet te dragen omstandigheden. Juister is het om te spreken van een staking en die was dan nog partieel want van de kant van de soldaten was er de bereidheid om het land te verdedigen, zij weigerden alleen nog om aan te vallen. Om nog eenmaal Ashworth te citeren: ‘The French mutiny was nothing more than a dramatic demonstration of support for a policy of live and let live’.(28) Op deze opvatting valt wel iets af te dingen. Het leven en laten leven systeem is immers gebaseerd op een overeenkomst tussen de vijandelijke partijen en hetgeen veronderstelt een vorm van communicatie, verbaal of anderszins. Niet ondenkbaar echter is dat van Duitse zijde het uitblijven van aanvallen van de Fransen is opgevat als een signaal om elkaar te sparen waarbij mogelijk een rol heeft gespeeld dat de Duitsers in het algemeen meer geneigd waren illegale bestanden na te streven dan de Fransen en de Engelsen. Het lijkt echter waarschijnlijker dat het Duitse opperbevel een afwachtende houding aannam omdat het Duitse leger, meer dan dat van de Fransen en Engelsen, een defensieve oorlog voerde omdat dit het vijandelijke gebied al voor een deel had veroverd.

De passiviteit van de Fransen kwam hen trouwens wel goed uit want het verschafte hen de mogelijkheid om hun middelen in te zetten op andere fronten. Hun oorlogskansen zagen er toch al niet rooskleurig uit.

Met verbazing wordt nog steeds geconstateerd dat de Duitsers er niet achter zijn gekomen dat het Franse leger gedurende langere tijd in een deplorabele toestand verkeerde.

Maar zou het van invloed op hun strategie zijn geweest wanneer zij het wel hadden geweten?

Is het niet mogelijk dat het leven en laten leven systeem van hoog tot laag stilzwijgend was geïnstitutionaliseerd omdat ook de bevelhebbers wel door hadden dat de draagkracht van de soldaat zijn grenzen kende en het niet in het belang van de oorlogsvoering was deze te lange tijd te overschrijden met als gevolg een massale oorlogsmoeheid?

Er zijn vele vragen waarop waarschijnlijk nooit een definitief antwoord kan worden gegeven. Dat het leven en laten leven systeem, op welke schaal dan ook, niet zelden een geïntegreerd onderdeel uitmaakte van de oorlogvoering moge, na het voorgaande voldoende duidelijk zijn.

 

Noten

1. Barthas, Louis De Oorlogsdagboeken van Louis Barthas 1914-1918 (met een inleiding van
Chrisje Brants), Amsterdam 1998, blz.187.

2. Ellis, John Eye-deep in Hell, Londen 1976, blz.28-29.

3. idem, blz.29-30.

4. Terraine, John The Smoke and the Fire, Londen 1980, blz.127.

5. Ellis, blz.62.

6.. Cruttwell, C.R.M.F. A History of the Great War 1914-1918, Londen 1986, blz.631.

7. Ashworth, Tony Trench Warfare 1914-1918, The Live and Let Live System,Londen, 1980, blz.106-107.

8. idem, blz.10.

9. Fussell, Paul The Great War and Modern Memory, Oxford 1977, blz.204 met betrekking tot Graves.

10. Heller, Carl De oorlogsbrieven van Unteroffizier Carl Heller, geschreven tijdens de Eerste Wereldoorlog, bewerkt en ingeleid en van annotaties en kaarten voorzien door J.H.J. Andriessen, Soesterberg 2003, blz.183.

11. Blunden, Edmund Undertones of War, Harmondsworth 1982, blz.154.

12. Zuckmayer, Carl Als wär’s ein Stück von mir, Erinnerungen, Frankfurt am Main 1977, blz.195-196.

13. Jünger, Ernst Im Stahlgewittern, Stuttgart 1983, blz.65.

14. Barthas, blz.294.

15. idem, blz.304.

16. idem, blz.188.

17. Heller, blz.62-63.

18. Barthas, blz.300-302.

19. Graves, blz.83.

20. Trotzki, L. Europa im Krieg, Essen 1998, blz.13.

21. Ellis, blz.38.

22. Barthas, blz.180.

23. Graves, blz.162.

24. Ashworth, blz.123.

25. Barthas, blz.369.

26. Ashworth, blz.160-170.

27. idem, blz.175.

28. idem, blz.224.

overzicht: