Landverraders en steunpilaren in marineblauw

De Duitse oorlogsvloot tussen revolutie en contra-revolutie

Door: Dr. P. Pierik

Als keizer Wilhelm II zijn buitenverblijf op de Griekse eilanden bezocht, liet hij zijn schepen saluutschot na saluutschot lossen waarbij het hele eiland op haar grondvesten schudde. Keizerin Sisi van Oostenrijk-Hongarije, wiens mediterrane stulpje de keizer later zou overnemen, zorgde dan altijd pardoes dat zij verdween om niet opgezadeld te zitten met die wonderlijke Duitse keizer, die door sommige historici en tijdgenoten werd samengevat als een ‘vat vol tegenstrijdigheden’. Hoe wispelturig de keizer ook kon zijn, hij had een trouwe liefde, en dat was de marine.

De historicus Christian Graf von Krockow sprak van een ‘hang naar marineblauw’. Voor Duitsland, arm aan koloniën, en wat men had behoorde geopolitiek gezien tot de ‘kruimeltjes’, symboliseerde de marine de (koloniale) grootheid welke Engeland en Frankrijk kenden. De uitbouw van de Duitse vloot, welke admiraal Von Tirpitz ter hand had genomen, had dan ook iets weg van een inhaalmanoeuvre. Men bouwde een ‘Hochseeflotte’ zonder dat men over de kolenstations beschikte om deze vloot mondiaal te laten gelden. De vloot kon dan ook niets anders zijn dan een directe bedreiging van de Entente-vloot in de westerse wateren en droeg daardoor bij tot een polarisatie van het politieke klimaat aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog. De vloot werd dan ook sterk gedragen door een politieke wil, meer dan een geopolitieke noodzakelijkheid. Vanuit dat oogpunt is het niet vreemd dat na de november ineenstorting van 1918 juist bij de vloot de meest radicale politieke elementen tegenover elkaar kwamen te staan: de revolutie èn de reactie.

De rol van de marine met betrekking tot de Duitse ineenstorting is over het algemeen goed bekend. Uit vrees voor een laatste eindslag zonder uitzicht op succes was de Duitse vloot meer vatbaar voor de radenrevoluties die overal in Duitsland uitbraken dan andere legeronderdelen. Tot in Berlijn toe braken opstanden uit waar marinesoldaten een belangrijke rol in speelden.

Veel minder bekend is het feit dat het ook marinemensen waren - veelal officieren - die deze opstanden neersloegen. Dit gebeurde met ijzeren hand.

Het feit dat de jonge Weimar-regering van Friedrich Ebert moest steunen op hetzelfde leger dat als gevolg van de Vrede van Versailles gekortwiekt zou worden, maakte de positie van de jonge republiek heel kwetsbaar. Toch waren Ebert en de Minister van Defensie, Gustav Noske, er van doordrongen, dat zij slechts dan zouden kunnen blijven bestaan als zij met de ‘Reichswehr’ tot een pact zouden komen. Hiertoe werden de zogenaamde Freikorpsen toegestaan, welke in de zomer van 1919 reeds tot een 400.000 manschappen waren uitgegroeid.

De belangrijkste eenheid was de ‘Garde Kavallerie Schützen Division’. Hoewel men het niet uit de naam zou afleiden, was dit een eenheid die grotendeels bestond uit marine-officieren. Zij deelden de ‘Sehnsucht’ naar de marineblauwe dagen van het Wilhelminische tijdperk en beseften dat de instabiliteit van de radenrepublieken en mogelijk Beiers -en Rijnland-separatisme als gevolg daarvan, desastreus zou zijn voor de toekomst van het kostbare marinewapen. Daarom was er juist in deze kringen veel support voor de ‘reactie’.

In en rond deze ‘Garde Kavallerie Schützen Division’ speelden een paar interessante figuren die sleutelrollen zouden spelen met betrekking tot Duitsland reactionaire toekomst.

Een van de belangrijkste, maar in de geschiedenisboeken slechts mondjesmaat genoemd, was Waldemar Pabst. Pabst werd in 1880 in Hamburg geboren en werd door een tijdgenoot beschreven als ‘een man met een gloeiend gezicht, eerzuchtig en daadkrachtig en met ambitie voor de grote politiek’. Dit bleek onder andere uit de ‘Deutsche Vaterlandspartei’ welke hij in 1917 al had opgericht samen met Alfred von Tirpitz, de man van de ‘Hochseeflotte’. Deze heren pacteerden op hun beurt weer met ‘Alldeutsche’ conservatieve kringen rond de in 1858 geboren Wolfgang Kapp. De historicus Werner Maser typeerde Kapp als een ‘onverbeterlijke Scharfmacher’, een criticus van de Duitse politiek, die hij in de eindfase te pacifistisch vond. Dit bracht deze ‘Generaldirektor’ van de Oost-Pruisische landbouw in het kamp van de ‘Deutsche Vaterlandspartei’ en de kringen van reactionaire marinemannen, waartoe ook de latere ‘Abwehrchef (marine-inlichtingendienst) Heinz Canaris behoorde en corvettenkapitein Hermann Ehrhardt. Deze laatste was een zeer daadkrachtige figuur, die tijdens de Skagerrakslag als commandant van de IX de Torpedobootflottille indruk had gemaakt. Tevens had hij deelgenomen aan operaties rond de eilanden Oesel, Dagoe en Moon voor de Baltische kust.

Het eerste optreden van de reactionaire marinemannen vond plaats tegen de Radenrepublieken. Dit optreden was even gewelddadig als effectief, men schrok er zelfs niet voor terug om belangrijke linkse leiders als Rosa Luxemburg en Karl Liebknecht te vermoorden.

In Berlijn werden de soldaten van de Marine-Division, die aan de Radenkant meevochten, door de stad opgedreven en point-blank met artillerie beschoten. De republiek was gered, al vroegen velen zich af waar het ‘socialistische hart’ van Noske klopte, om zulke middelen in te zetten. Noske was realistisch genoeg om in te zien dat het pact voorbij was en schoof Waldemar Pabst terzijde.

Hiermee werd een gevoelige snaar geraakt. ‘Das Militär’, met als harde kern de marine, voelde zich in de steek gelaten. Een groot deel van de generaals deed of hun neus bloedde, maar in ‘Alldeutsche’-kringen rond Pabst, Kapp, Canaris en ook de inmiddels uit Zweden (waar hij was vanwege de Radenrepublieken) teruggekeerde Erich Ludendorff, die tijdens de Eerste Wereldoorlog met Von Hindenburg en de keizer het ijzeren trio vormde dat de oorlog bestierde, plande men de tegenrevolutie.

Terwijl een deel van de Duitse veteranen zich min of meer buiten de politiek hield, in bijvoorbeeld de ‘Deutsche Reichskriegerbund Kyffhäuser’ (een welzijnsorganisatie) of de vereniging ‘Reichsbanner’, die zich meegaand opstelde ten aanzien van de nieuwe republiek, verzamelden zich in het Berlijnse Adlon-hotel, en later in de Viktoria-Strasse waar Ludendorff residentie hield, de ‘Reaktion’. Pabst was inmiddels met pensioen gestuurd en zijn 40.000 man sterke eenheid deels ontbonden. Officieren waren op ‘dictaat’ van Versailles massaal ontslagen. ‘We worden als bedelaars behandeld’, meende Ludendorff.

De zaak spitste zich uiteindelijk toe rond twee elite Freikorpsen, niet toevallig marine-eenheden (bij Berlijn!); de Marine-Brigade ‘Ehrhardt’ en ‘Löwenfeld’. De eerste was ontstaan uit marinepersoneel uit Wilhelmshaven en gelegerd bij Döberitz. De andere eenheid bestond grotendeels uit veteranen van de lichte kruizer ‘Breslau’ en marinesoldaten uit de stad Kiel. De eenheden stonden onder overkoepelend bevel van generaal Von Lüttwitz, een fel tegenstander van de ‘Enfüllungspolitiek’. Op 1 maart 1920 had hij tegenover zijn ondergeschikte Ehrhardt en diens manschappen verklaard dat hij ontbinden van ‘Ehrhardt’ en ‘Löwenfeld’ niet zou toelaten. Maar tien dagen later volgde toch het bevel van Noske hiertoe. Het kwam tot een botsing, en Berlijn stuurde Von Trotha, de meerdere van Canaris, naar Döberitz toe om de spanning weg te nemen en Berlijn te melden wat er gebeurde.

Dit was een inschattingsfout van Ebert en Noske. Trotha was een marine-man en stond sympathiek tegenover Ehrhardt en meldde dat alles rustig was. Een paar uur later echter marcheerde de Ehrhardt-brigade naar Berlijn: De Kapp-putsch was begonnen.

Het gaat er hier nu niet om de Kapp-putsch, en het falen ervan reeds na enkele dagen, te beschrijven. Wat hier van belang is, is het feit dat uitvoerend gezien de marine middels ‘Ehrhardt’ en ‘Löwenfeld’ een hoofdrol speelde. Tot werkelijke gevechten kwam het niet, de regering week niet en een staking frustreerde de wankele regering Kapp. Toen de contrarevolutie wankelde, bood Hermann Ehrhardt aan ‘een half dozijn aarzelende generaals tegen de muur te zetten’. Von Lüttwitz wees dit van de hand.

Interessant was dat tijdens de Kapp-putsch zich het scenario van eind 1918, begin 1919 herhaalde. In de marinesteden koos de leiding voor Kapp, zoals in Wilhelmshaven, waar vice-admiraal Michelsen de scepter zwaaide, en in Kiel, waar admiraal Magnus von Levetzow aan het roer stond. De manschappen daarentegen verdedigden de republiek of kozen voor hernieuwd spartaristisch verzet.

Ook dit leidde tot een herhaling van zetten. Terwijl de leiding van de Kapp-putsch alle richtingen op vluchtte, sloot de Berlijnse administratie een hernieuwde deal met het voetvolk van de contrarevolutie-putsch, de Freikorpsen. Als gevolg van de Putsch-chaos waren wederom spartaristische opstanden uitgebroken. De manschappen van ‘Ehrhardt’ en ‘Löwenfeld’ marcheerden af naar het Ruhrgebied waar ongeveer 60.000 man een Rode Leger hadden gevormd en sloegen de radenopstand bloedig neer. ‘Realpolitik’ a la Weimar.

De rol van de marine in het reactionaire kamp was hiermee nog niet voorbij. Marine-officieren, als Pabst en Ehrhardt zouden een belangrijke rol spelen bij de training van Hitlers SA in Beieren. Pabst was daarbij een niet onbelangrijke geldschieter. Ehrhardt hield zich met aanhangers bezig in het duistere ‘consul’-netwerk. ‘Consul’ was een geheime organisatie welke verantwoordelijk wordt gehouden voor de moord op ‘Erfüllungspolitiker’ als Walther Rathenau en andere ‘Feme-moorden’, die geïnspireerd waren op tijden van chaos uit de Duitse middeleeuwen. Bij de opheffing van Ehrhardts marine-eenheid was in het geheim de ‘Bund ehemaliger Ehrhardt offiziere’ opgericht, onder voorzittersschap van marine-officier Alfred Hoffmann. Onder schuilnaam van ‘Holz-Verwertungs-Gesellschaft m.b.H.’ in München, vormden zij een soldatenreservoir voor tijden van nood. De marine als ordeningselement van de samenleving: een militaire en geestelijke elite. Een elite die er echter niet voor terugschrok landverraad te plegen en actief betrokken was bij steun aan de nieuwe duistere macht welke zich aftekende: de NSDAP van Adolf Hitler.

 

Dr. Perry Pierik

 

Literatuurlijst:

  • Hofmann, U.C.: ‘Verräter verfallen der Feme!’ Fememorde in Bayern in den zwanziger Jahren, Köln: Böhlan, 2000.
  • Institut für Marxismus - Leninismus (Hg): Spartakusbriefe, Berlin: Dietz Verlag, 1958.
  • Krockow, C., Graf von: ‘Unser Kaiser’ glanz und Sturz der Monarchie, München: DTV, 1993.
  • Krummacher, F.A. / Wucher, A.: Die Weimar Republik. Ihre Geschichte in Texten, Bilder und Dokumenten 1918-1933, München: Kurt Desch, 1965.
  • Mann, R.: Mit Ehrhardt durch Deutschland. Quelletexte zur Konservativen Revolution, Toppenstedt: Berg Verlag, 1921.
  • Maser, W.: Der Sturm auf die Republik. Frühgeschichte der NSDAP, Frankfurt am Main: Ullstein, 1981.
  • Pierik, P. / Pors, H.: De verlaten monarch. Keizer Wilhelm II in Nederland, Soesterberg: Aspekt, 1999.
  • Reichel, P.: Freiheit verspielt und verraten in Die Zeit nr. 42 - 13 oktober 1989.
  • Rosenburg, A.: Entstehung der Weimarer Republik, Frankfurt am Main: Europäische Verlagsanstalt, 1971.
  • Salomon, E. von: Das Buch vom deutschen Freikorpskämpfer, 1938. (Hier gebruikt Archiv-Edition 2001).
  • Schulze, Hagen: Weimar, Deutschland 1917-1933, München: Severin und Siedler, z.j.
  • Venner, D.: Ein deutscher Heldenkampf. Die Geschichte der Freikorps 1918-1923. ‘Söldner ohne Sold’. Kiel: Arndt-Verlag, 1989.

overzicht: