Keizer Wilhelm II en “De Hunnenrede van Bremerhafen (1900)”

Door; J.H.J. Andriessen

 

Tussen 1899 en 1900 brak er in China een volksopstand uit als gevolg van de toenemende sociaaleconomische ontwrichting en armoede, met name onder de boerenbevolking. De sociale onrust in het land werd aangewakkerd door een reeds sinds 1727 bestaand geheim religieus genootschap met de welluidende nam ‘vuisten van gerechtigheid en harmonie’, in het westen bekend als ‘Boxers’. Dit genootschap praktiseerde een mengeling van Confuciaanse. Taoïstische en Boedistische geloofsvormen, beoefende zwaard en lansgevechten en geloofde ondermeer in de eigen onkwetsbaarheid tegen kogels, De beweging, die afkerig was van vooruitgang en verandering, stond bekend om zijn haat tegen vreemdelingen en Christenen en liet niets na die haat ook onder de arme boerenbevolking, vooral in Noord China, aan te wakkeren..

 

Nu hadden de grote mogendheden waaronder Rusland, Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië, tussen 1840 en 1870 handelsverdragen gesloten met de Chinese regering waardoor dit land allerlei buitenlandse invloeden onderging en door een nogal agressieve benadering door deze landen kwam ook de soevereiniteit van China onder druk te staan . Dit leidde weer tot heftige anti-vreemdelingenreacties in het gehele land

In de daarop volgende jaren voerden de grote mogendheden de druk op de Chinese regering steeds verder op en eisten allerlei aanvullende concessies waaronder de huur van Chinese gebieden zoals Port Arthur, Kiaochow,  Chankiang  en Weihaiwei. Dit veroorzaakte grote onrust bij de heersende klasse die de territoriale onschendbaarheid van China in gevaar zag komen.

 

De invoer van buitenlandse producten breidde zich inmiddels, vooral op het platte land,  gestaag uit en was oorzaak van  veel ellende voor mensen van alle klassen.. Het arrogante gedrag van veel buitenlanders was oorzaak van toenemende afkeer en haat onder veel Chinese groeperingen. Deze afkeer spitste zich tenslotte toe tegen de activiteiten van  Christelijke missionarissen die op het platteland werkzaam waren. Andere, meer geschoolde Chinezen vonden dat China vernederd werd door de buitenlanders en  verzetten zich tegen de neerbuigende manier van doen van zelfs de laaggeplaatste Europese ambtenaar.

Het keizerlijke hof kwam steeds meer onder druk te staan en bleek niet in staat de steeds verdergaande eisen van de westerse mogendheden effectief te weerstaan. Dit had tot gevolg dat ze in de krachtige Boxer beweging  die eerder te vuur en te zwaard was bestreden, nu een mogelijke bondgenoot begon te zien, hetgeen de macht van deze organisatie natuurlijk enorm versterkte.

Eind 1899  had dit tot gevolg dat er opstand ontstond onder de boeren, die in eerste instantie gericht was tegen vreemdelingen en missionarissen, uitmondend in de moord op een aantal bekeerde Christen-Chinezen. Al snel breidde de opstand zich van Shandong uit naar het noorden van China, onder andere ook naar Beijing (Peking).

De westerse mogendheden zagen hun belangen in China door dit oproer in gevaar komen en stuurden op 10 juni 1900, ruim 2000 man troepen naar Peking om de opstand te onderdrukken maar die werden door de opstandelingen tegen gehouden en gedwongen zich terug te trekken. De Boxers kwamen daarop Peking binnen en plunderden de stad waarbij vele Chinese Christenen werden vermoord. Enkele dagen later, op 20 juni, keerden de Boxers zich nu ook tegen de buitenlandse ambassades waar zich inmiddels 475 buitenlanders en ca 3000 Christen-Chinezen hadden verschanst onder bescherming  van 450 buitenlandse soldaten De keizerin schaarde zich nu volledig achter de Boxerbeweging nadat gebleken was dat buitenlandse troepen Chinese forten hadden aangevallen en ze bij geruchte vernomen had dat men haar neef, Kuang Hsu, op de troon wilde plaatsen.  Op 21 juni verklaarde zij officieel de oorlog aan de buitenlandse mogendheden, hetgeen het sein was tot de moord op ongeveer 250 buitenlanders en een groot aantal Christen-Chinezen.

 

De opstand

Zoals gezegd, de opstand begon met het belegeren van buitenlandse ambassades en al snel werden de eerste missionarissen en diplomaten vermoord. Een en ander had tot gevolg dat de acht mogendheden van het verdrag nu, teneinde de  veiligheid van hun burgers zeker te stellen, ruim 20.000 troepen naar China zonden om de opstand de kop in te drukken en om Beijing te ontzetten. Op 14 augustus 1900 bereikte deze macht Peking en bevrijdde de ambassades. Daarna trokken ze verder om delen van Noord China te ‘pacificeren’ waarbij ze echter een spoor van geweld achter zich lieten. Dit leidde weer tot ondraaglijke spanningen en revolutie en ingrijpen door de mogendheden..

Op 7 september 1901 werd het zogenaamde ‘Boxerverdrag’ getekend waarbij de coalitie het recht kreeg om garnizoenen in de ambassadewijk in Peking te legeren, 25 Chinese forten te vernietigen en een schadeloosstelling van 333 miljoen dollar verkreeg.

De keizerindouairière stierf op 15 november 1908 en liet een kleine jongen, Puyi, achter om China’s volgende en laatste keizer te worden. Het was het begin van het einde. Na duizenden jaren stortte het Chinese Keizerrijk ineen en in 1912 werd de jonge keizer afgezet en kwam de Voorlopige Regering van de Chinese Republiek aan de macht.1

 

De rol van de Duitse keizer

Duitsland was een der deelnemers aan de coalitie die troepen naar China stuurde en op 27 juli 1900 kwam keizer Wilhelm ll naar Bremerhafen om afscheid te nemen van de manschappen die, met drie schepen, op het punt stonden naar China af te reizen. Klokslag 1300 uur stonden de militairen verzameld om door Wilhelm te worden toegesproken. Deze toespraak die al snel tot een ‘rede’ werd gebombardeerd, maar in werkelijkheid nog geen tien minuten duurde, is door de geallieerde propaganda en later ook wel door een aantal auteurs enorm opgeblazen en gebruikt als voorbeeld van weer zo’n onverstandige  en ondoordachte uiting van de keizer, waarmee hij zichzelf en zijn land belachelijk maakte en waarvan hij de gevolgen totaal niet zou hebben overzien. Ook hier echter moeten we constateren dat ’s keizers speech als gevolg van het later daarover gevoerde Britse propagandaoffensief een volstrekt eigen leven is gaan leiden en destijds in werkelijkheid veel positiever werd ontvangen dan wel is gesuggereerd.

Wij laten hier eerst de inhoud van deze toespraak integraal volgen om daarna te onderzoeken hoe deze in werkelijkheid geïnterpreteerd dient te worden.

De keizer verklaarde:

‘Große überseeische Aufgaben sind es, die dem neu entstandenen Deutschen Reiche zugefallen sind, Aufgaben weit größer, als viele meiner Landsleute es erwartet haben. Das Deutsche Reich hat seinem Charakter nach die Verpflichtung, seinen Bürgern, wofern diese im Ausland bedrängt werden, beizustehen. Die Aufgaben, welche das alte Römische Reich deutscher Nation nicht hat lösen können, ist das neue Deutsche Reich in der Lage zu lösen. Das Mittel, das ihm dies ermöglicht, ist unser Heer.

In dreißigjähriger treuer Friedensarbeit ist es herangebildet worden nach den Grundsätzen Meines verewigten Großvaters. Auch ihr habt eure Ausbildung nach diesen Grundsätzen erhalten und sollt nun vor dem Feinde die Probe ablegen, ob sie sich bei euch bewährt haben. Eure Kameraden von der Marine haben diese Probe bereits bestanden, sie haben euch gezeigt, daß die Grundsätze unserer Ausbildung gute sind, und Ich bin stolz auf das Lob auch aus Munde auswärtiger Führer, das eure Kameraden draußen sich erworben haben. An euch ist es, es ihnen gleich zu tun. Eine große Aufgabe harrt eurer: ihr sollt das schwere Unrecht, das geschehen ist, sühnen. Die Chinesen haben das Völkerrecht umgeworfen, sie haben in einer in der Weltgeschichte nicht erhörten Weise der Heiligkeit des Gesandten, den Pflichten des Gastrechts Hohn gesprochen. Es ist das um so empörender, als dies Verbrechen begangen worden ist von einer Nation, die auf ihre uralte Kultur stolz ist. Bewährt die alte preußische Tüchtigkeit, zeigt euch als Christen im freundlichen Ertragen von Leiden, möge Ehre und Ruhm euren Fahnen und  Waffen folgen, gebt an Manneszucht und Disziplin aller Welt ein Beispiel. Ihr wißt es wohl, ihr sollt fechten gegen einen verschlagenen, tapferen, gut bewaffneten, grausamen Feind.  Kommt ihr vor den Feind, so wird derselbe geschlagen! Pardon wird nicht gegeben! Gefangene werden nicht gemacht! Wer euch in die Hände fällt, sei euch verfallen! Wie vor tausend Jahren die Hunnen unter ihrem König Etzel sich einen Namen gemacht, der sie noch jetzt in Überlieferung und Märchen gewaltig erscheinen läßt, so möge der Name Deutscher in China auf 1000 Jahre durch euch in einer Weise bestätigt werden, daß es niemals wieder ein Chinese wagt, einen Deutschen scheel anzusehen!2

 

Het was vooral de laatste passage waarover kritiek in sommige Duitse kringen werd geuit en die later een geheel eigen leven is gaan leiden, waarbij nog dient te worden vermeld dat deze passage in eerste instantie door von Bülow uit de aan de pers uit te reiken versie was weggelaten maar uiteraard uiteindelijk toch bekend werd en ook in het buitenland verspreid werd.

 

Na het uitspreken van zijn toespraak verscheen deze dan, eerst in een door von Bülow gekuiste versie, maar al spoedig ook in zijn geheel, in de pers en wekte in Duitsland inderdaad hier en daar wel enig opzien. In de Rijksdag werd de speech door de Sociaaldemocraten onmiddellijk veroordeeld en de leider daarvan, August Bebel,  eiste dat er  meer controle zou worden uitgeoefend op de uitingen van de keizer.3 Anderen gebruikten de  eis van Bebel om aan te tonen dat de verontwaardiging in Duitsland alom tegenwoordig was. De historicus E.F.Benson ging nog verder en beweerde dat  ook in Groot-Brittannië de verontwaardiging uitermate groot was. Hij schreef; ‘The speech made an extremely bad  impression in England, for British troops were now under German supreme command, and such were the exhortations of the War lord’.4

 

Wat was nu echter de werkelijke situatie?

In Duitsland  kwam de kritiek voornamelijk van de oppositie, een te verwachten en normale reactie, zeker als die van de Sociaaldemocraten kwam. Bebe werd echter onmiddellijk van repliek gediend door von Bülow die vaststelde dat men de woorden van de keizer niet als een politieke verklaring mocht opvatten maar dat Wilhelm in dit geval en terecht, gesproken had als soldaat tot soldaten 5  Rijkskanselier Hohenlohe omschreef de rede als ‘vurig’ en roemde ze als een ‘stimulans’ voor de troepen die een gevaarlijke onderneming tegemoet gingen 6

De kritiek van de Sociaal-Democraten werd voorts ook tegengesproken door de conservatieve en de Nationaal Liberale pers die Wilhelms toespraak eveneens positief ontvingen en verdedigden als een ‘logische en volstrekt legitieme poging de troepen voor te bereiden op de  problemen welke hen te wachten stonden in een land waarin men de moderne oorlogswetgeving niet kent en ook niet erkent’.7

Het viel dus allemaal nogal mee met de beweerde slechte ontvangst in eigen land van ’s keizers toespraak.

Maar ook de reacties in het buitenland op de ‘Hunnenrede’ van Wilhelm waren helemaal niet zo negatief, eerder positief. Martiale speeches, uitgesproken door staatslieden, waren in die tijd vrij gebruikelijk en een algemeen aanvaard verschijnsel en de rede van Wilhelm maakte daarop zeker geen uitzondering. Zo schreef de ‘Daily Telegraph’:

dat de door de keizer gebruikte taal

‘de enige taal was die door Aziaten wordt verstaan. Engeland heeft die taal tenslotte zelf ook gebezigd en daarna in daden omgezet bij het onderdrukken van de opstand van de sepoys in India’

 

En de Franse minister van Buitenlandse Zaken, Delcassé, zeker geen vriend van Duitsland, verklaarde dat de rede van de keizer grote indruk had gemaakt op hem en het gehele Franse volk. 8

 

Die gematigde- en zelfs positieve reacties  zijn ook vrij logisch  als we ze plaatsen in de context van de tijd waarin Wilhelm zijn speech uitsprak. In de Europese pers verschenen toentertijd de meest ijzingwekkende verhalen over de wandaden van de Chinese opstandelingen en over de moorden op en martelingen van Europese missionarissen en diplomatieke vertegenwoordigers. De naar China vertrekkende troepen gingen daar heen om orde op zaken te stellen en niet met vredelievende bedoelingen. Kortom de uitingen van de keizer waren in feite het sop de kool niet waard en er zou zeker geen aandacht meer aan zijn geschonken, indien de geallieerde propaganda in de Eerste Wereldoorlog zich er niet van had meester gemaakt en de zaak niet had opgerakeld teneinde daarmee propagandistisch voordeel te behalen.

De bewering dat de toespraak in Gr.Brittannie uitermate slecht werd ontvangen lijkt op een duidelijke poging tot geschiedvervalsing. Ze komt in elk geval niet overeen met de feiten. Niet alleen blijkt dat niet uit de persberichten aldaar,  maar ook klopt de bewering dat ‘de uitermate slechte ontvangst’ gezocht moet worden in het feit dat Britse troepen onder commando van een Duitse generaal stonden en dat dit ‘alom grote weerstand  en vraagtekens in het land opriep’, niet met de feiten. Ten tijde van Wilhelms rede (27 juli) was er nl nog geen sprake van een Duitse generaal die aan het hoofd van de coalitietroepen zou staan. Veldmaarschalk Waldersee  werd pas half augustus tot opperbevelhebber  benoemd  en vertrok pas eind augustus naar China om het bevel daadwerkelijk op zich te nemen. De Britse regering was, evenals de Franse en Russische regering, ook pas half augustus akkoord gegaan met de benoeming. Indien er dus in Gr.Brittannië al sprake zou zijn geweest van ‘hevige weerzin’ dan zou men zeker niet met de benoeming  van deze Duitse generaal akkoord zijn gegaan of daar zou dan beslist wel een pittige discussie aan vooraf zijn gegaan. Hiervoor is in de Britse pers echter niets terug te vinden

Tegen die beweerde ‘weerzin’ spreekt ook het feit dat de Duitse en Britse regeringen inmiddels reeds onderhandelden over hun respectievelijke invloedsferen op de Yang-tze rivier, waarover ze op 18 oktober 1900 volledige overeenstemming bereikten. 9

De vergelijking die Wilhelm maakte tussen de Duitse troepen die naar China vertrokken, en de Hunnen onder koning Etzel, werd echter pas veel later bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, door de geallieerde propaganda herontdekt en voor propagandistische doeleinden weer uit de kast gehaald. De Hunnen hadden een spoor van vernietiging, roof, moord en verkrachting achter zich gelaten en het was natuurlijk niet zo’n gelukkige gedachte de Duitse troepen met deze barbaren te vergelijken.

Von Bülow schreef nu wel in zijn memoires dat de toespraak van Wilhelm:

Die schlimmste Rede jener Zeit und vielleicht die schädlichste  die Wilhelm ll, je gehalten hat’.10

 

maar daarbij valt het dan natuurlijk wel op dat hij daar in 1900 , toen de rede werd uitgesproken, kennelijk heel anders over dacht en ze in de Rijksdag met verve verdedigde.

Beschouwt men de toespraak  in de context en omstandigheden van het tijdperk waarin ze werd uitgesproken; een tijd waarin, zoals gezegd, de kranten bijna dagelijks melding maakten van de meest vreselijke en barbaarse daden van de opstandelingen, dan is het duidelijk dat de latere lading die men er aan heeft gegeven niet overeenkomt met de werkelijke bedoeling waarmee ze werd uitgesproken.

Wat bij dit alles natuurlijk wel weer opvalt is dat in tegenstelling tot bijvoorbeeld deze zogenaamde  ‘schele ogen’ speech waaraan zo veel negatieve aandacht is besteed, totaal geen aandacht werd besteed aan de rede die Wilhelm hield bij het afscheid van de Duitse troepen die naar S.W.Afrika vertrokken. Bij die gelegenheid vertelde Wilhelm zijn gehoor onder andere:

‘Vergeet nooit dat hoewel de bewoners van S.W.Afrika een zwarte huidskleur hebben, zij net als U eergevoel hebben. U dient die mensen daar dan ook vriendelijk te behandelen’.11

 

maar zulke positieve uitlatingen door de Duitse keizer pasten natuurlijk niet bij het negatieve beeld waarin men hem nu eenmaal heeft willen plaatsen.

 

Conclusie

Zoals gezegd, de kritiek op de zg ‘Hunnen rede’ van de Keizer werd pas serieus naar voren gebracht en als een propagandamiddel gebruikt nadat de oorlog was uitgebroken. Daarvóór  bracht,zoals we zien, de Britse pers totaal andere berichten hierover naar voren. De context van de rede was krachtig bedoeld, bestemd voor soldaten uitgesproken door een soldaat zoals in die tijd onder militairen niet ongebruikelijk. Het gaat dan ook veel te ver om hieruit een agressief karakter van de Keizer  vast te stellen. De interpretatie van de feiten is bewust geweld aangedaan met als doel de beschadiging van de geloofwaardigheid van de ex-Keizer.

 

 

1.Encyclopedia Americana., no 4 p.374.

2.Clark.C., Kaiser Wilhelm ll (London 2000) p169, note 43.

3.Ibid, p.171, Eyck.E.,  Das Persönliche Regiment Wilhelms ll.  p.272.

4.Benson,E.F., The Kaiser and English relations. p. 175

5.Clark C., Kaiser Wilhelm ll   p.171.

6.Ibid. p.170.

7.Ibid. p 171,. Citeert Sösemann,  Hunnenrede p.353-355.

8.Clark. C., Kaiser Wilhelm ll (London 2000) p. 170.

9.The Growing Antogonism, German Diplomatic Documents 1898-1910, Vol 3.p.134

10.Von Bülow.B., Denkwürdigkeiten.Vol. 1, p.359.

11.Tyler-Whittle.M., The Last Kaiser. p. 168.

overzicht: