Karl Kautsky en de Eerste Wereldoorlog

Reactie op de inleiding door Prof. Dr. Bart Tromp in het gelijknamige boek over Karl Kautsky, heruitgegeven door Uitgeverij Aspekt.

Door J.H.J. Andriessen.

 

In het door uitgeverij Aspekt te Soesterberg heruitgegeven boek van de Duitse  politicus Karl Kautsky, heeft de Nederlandse historicus Prof.dr. Bart Tromp een interessante inleiding geschreven. Een inleiding die getuigt van een gedegen kennis over Kautsky en zijn rol in en invloed op het opstellen van de Duitse documenten over o.a Duitslands aandeel in het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog. Tromp beperkt zich daarin niet alleen tot Kautsky maar belicht tevens, in vogelvlucht, de ontwikkelingen vanaf  1918 tot heden in de gedachten m.b.t. de schuldvraag. Hierbij ontbreken uiteraard niet, de Fischer-these, het werk van de Italiaanse historicus Albertini en dat van de Britse econoom Keynes.

Een duidelijke en interessante analyse waarmee niets mis is.

 

Daarnaast echter geeft Tromp een verrassende eigen visie op het ontstaan van de Eerste Wereldoorlog en de rol van de daaraan deelnemende landen. Een visie die daarom zo verrassend is omdat ze in veel opzichten niet lijkt overeen te komen met de feiten en op een aantal punten nogal afwijkt van de, inmiddels toch wel door velen (en ook door mij),  als ‘vaststaand’ beschouwde feiten.

 

Ik zal in dit artikel trachten aan te geven waar zijn en mijn inzichten elkaar kruisen.

 

Tromp begint in zijn voorwoord met uit te leggen dat de Oostenrijk-Hongaarse troon-opvolger, aartshertog Franz Ferdinand en zijn vrouw Sophie, in Serajevo vermoord werden door handlangers van de Servische geheime organisatie ‘Zwarte hand’. Deze organisatie stond onder leiding van het hoofd van de Servische militaire inlichtingendienst, de kolonel Dimitryevic. Hij merkt dan op dat:

 

“…overigens nooit is aangetoond of aannemelijk gemaakt dat de Servische regering van tevoren wist van de moordaanslag…”

 

Dit echter lijkt me een achterhaalde visie en ze komt m.i ook niet overeen met de werkelijkheid. De Servische regering, althans een deel daarvan, was wel degelijk op de hoogte van het complot en deed niets om het tegen te houden.

Wat namelijk, was het geval? Op de 10e verjaardag van het einde van. de Eerste Wereldoorlog schreef mr. Ljuba Javanovic, Voorzitter van het Servische Parlement doch ten tijde van de moordaanslag Minister van Educatie onder Pasic, een essay in het blad “Krv Sloventstva” (het bloed van het Slavische Volk). Hierin merkte hij op:

“…Ik herinner mij dat op een dag,ergens eind mei of begin juni, Pasic ons mededeelde dat bepaalde personen op weg waren naar Sarajevo om Franz Ferdinand te vermoorden, die daar op St.Vitusdag ontvangen zou worden. Hij voegde eraan toe dat deze criminelen tot een geheime organisatie van Bosnische studenten in Belgrado behoorden en dat de minister van Binnenlandse Zaken, Protic, met toestemming van zijn collegae, order had gegeven aan de autoriteiten, ze bij de grens tegen te houden. Deze autoriteiten bleken echter zelf ook tot de samenzweerders te behoren en hadden ze doorgelaten waarna ze Belgrado meldden dat het al te laat was.

Hoewel ik dus wist wat men daar aan het voorbereiden was, kreeg ik, toen ik het nieuws van de moord telefonisch vernam, een enorme schok, alsof iemand me totaal onverwacht een zware klap had gegeven. De meest vreselijke gedachten kwamen  in mij op en het gehele weekend werd ik door angst voor de consequenties geplaagd.

Op maandagochtend kreeg ik echter bezoek van majoor N. Hij was zeer rustig en ik bestookte hem met mijn angstige voorgevoelens maar hij antwoordde op rustige en opgewekte toon en zei: ‘…Mijn beste minister, het is niet nodig om zo wanhopig te zijn. Laat Oostenrijk ons maar aanvallen, dat zou vroeg of laat toch gebeurd zijn. Het moment is wel erg ongunstig voor ons maar we hebben het nu eenmaal niet voor het zeggen. Als Oostenrijk nu de keus maakt, wel, het zij zo. ’t Kan mogelijk slecht voor ons aflopen, maar wie weet, het zou ook wel eens anders kunnen zijn…’.

Deze woorden van Majoor N. die suggereerden dat Servische militaire kringen de situatie niet zo zwaar inzagen en zich kennelijk zeker voelden van Russische hulp, brachten me weer tot bezinning en ik was gelukkig later te kunnen constateren dat de officiële Russische persberichten positief waren en ons verdedigden tegen de Oostenrijk-Hongaarse beschuldigingen…” *1. *2, *3

 

Uit deze verklaring blijkt duidelijk dat de Servische minister-president Pasic wel degelijk van de aanslagplannen wist en deze wetenschap met een aantal ministers deelde. Er is nog meer bewijs dat hij op de hoogte moet zijn geweest. Pasic had een informant binnen de ‘Zwarte Hand’ die hem van alles wat daar omging nauwgezet op de hoogte hield. Een van zijn medewerkers, Milan Ciganovic, werd bij de ‘Zwarte Hand’ ingeschreven als lid nr. 412 *4 en het was ook deze Ciganovic die betrokken was bij de aanslag op de aarsthertog. Hij was de man die, samen met de Majoor Tankosic, de Browningpistolen, het vergif en de bommen aan de drie jeugdige moordenaars verstrekte. Hij was tevens degene die in 1917, toen  duidelijk werd dat Rusland de oorlog zou gaan verliezen, optrad als getuige  tegen de inmiddels gearresteerde kolonel Dimitrijevic. De kolonel werd al spoedig daarna geëxecuteerd, zogenaamd in verband met ‘….een door hem georganiseerde samenzwering tegen kroonprins Alexander….’, maar naar later duidelijk werd, omdat hij te gevaarlijk werd en de waarheid wist over de moord op Franz Ferdinand. Het was ook deze Ciganovic die, direct na de moord, van de aardbodem verdween en toen Oostenrijk-Hongarije om zijn uitlevering verzocht, ontkende men zijn bestaan.

Tenslotte. De bekende voorvechter voor een onafhankelijk Servië, Seton Watson, die het artikel van Javanovic in handen kreeg stelde alles in het werk om een ontkenning van Pasic los te krijgen en reisde daartoe onmiddellijk naar Belgrado. Hij kreeg die ontkenning niet maar hem werd wel hem beloofd dat de Servische regering een blauwboek zou uitgeven over deze zaak.

Seton Watson schreef daarop een artikel in de  London Times, waarin hij de lezers om geduld vroeg en verklaarde er zeker van te zijn dat de Servische regering haar belofte zou nakomen en een blauwboek over de zaak zou publiceren.

 

Hierin vergiste hij zich schromelijk. Het beloofde blauwboek is nimmer verschenen. In zijn boek schreef hij daarop: ”… eight months have passed and nothing more has been heard of the Blue Book. It seems probable that the announcement was merely tactical, intended to appease the critics until the whole agitation should die down. Unfortunately, the Yougoslav Government, instead of demonstrating its innocence by a detailed statement of the facts, shrouded itself in mystery…” *5

 

De aanname van Tromp, dat nooit werd aangetoond dat de Servische regering op de hoogte zou zijn geweest van de plannen van de samenzweerders, lijkt niet op feiten te berusten. Ze is achterhaald zoals de documenten ons leren en het artikel van Javanovic ook duidelijk aantoont.

 

Even verder  beschrijft Tromp de these van Fischer en komt  tot de conclusie dat : “…het weinig twijfel lijdt dat het debat onder historici tot een vrij algemene aanvaarding van Fischers oorspronkelijke these heeft geleid…”.

Ook deze stelling lijkt achterhaald. De ‘Fischerdiscussie’ is vandaag de dag nog volop en zeer heftig aan de gang en die strijd is nog lang niet gestreden. Niet alleen historici zoals Ritter, Joll, Zechlin, Erdmann, Montgelas e.v.a. verwierpen Fischers theorie, maar ik moet bovendien verwijzen naar recente historici zoals Ferguson in zijn ‘Pity of War’ (p. 256  257, 247, 248,  278, 169, 170),  Zara S. Steiner in ‘The Origins’, (p. 213). Lafore, (p.176), Berghahn, (p.176), Koch (p.13, 7-14, 22-45, 86,101,102,110,123) en, niet te vergeten de studie van de Nederlander C. V. Lafeber (1961)…..

Lafeber immers toonde duidelijk aan dat Fischers bewering dat Bethmann Hollweg en het hele Ministerie van Buitenlandse Zaken “…die politischen Exponenten der von so breiten Kräften getragenen Deutschen Kriegszielpolitik…”waren, volstrekt onhoudbaar is gebleken. Ook bleken Fischers beweringen over Duitslands plannen m.b.t. Rusland en over de oostelijke oorlogsdoeleinden, na het bekend worden van de werkelijke  ‘Separatfriedenspolitik’ jegens Rusland,  speculatief te zijn geweest. Tenslotte zou Tromp de momenteel op het internet aan de gang zijnde heftige discussie tussen internationale historici eens moeten volgen. Nog op 24 november 2002 schreef  de Duitse historicus dr. Bernd F. Schulte: “…mit dem Tod Fritz Fischers im December 1999 ist die nach ihm benannten Kontroverse keineswegs beendet. Das zeigt der Blick auf die wissenschaftliche Produktion der letzten fünfzehn Jahre…”*6. Schulte overigens, werd nog slechts een jaar of tien geleden zelf het slachtoffer van de nog steeds hevig woedende strijd tussen voor- en tegenstanders van Fischer. Als diens pupil werd hem het werken in Duitsland onmogelijk gemaakt en moest hij zijn beroep elders gaan uitoefenen.

De stelling dat de Fischerthese onder historici algemeen aanvaard wordt, is  dan ook een nogal gedurfde en vandaag de dag  zeker niet verantwoord te noemen.

 

Tromp vervolgt zijn inleiding met een, naar mijn bescheiden mening, verbazing-wekkende stelling. Hij verbaast, door zijn verwerping van de these van o.a. Joll , die stelde dat het hele systeem van allianties en de wijze waarop de grootmachten in de tweede helft van de 19e eeuw met elkaar omgingen ooit op een grote oorlog zou móeten uitlopen.

Tromp schrijft letterlijk:

”Er was geen sprake van dat aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog twee  duidelijk afgebakende allianties door verdragsverplichtingen aan elkaar geklonken, tegenover elkaar stonden. De Entente Cordiale (1904) tussen Frankrijk en Groot-Brittannïe kwam neer op een vrijblijvend vriendschapsverdrag dat meningsverschillen over koloniale kwesties hielp overbruggen maar geenszins een militaire bijstandsverplichting in geval van een gewapend conflict in Europa inhield. Italië had wel een bindend verdrag met Duitsland en Oostenrijk-Hongarije, maar verkoos in 1914 niet aan zijn verplichtingen te voldoen en buiten de oorlog te blijven. Van doorslaggevend belang waren eigenlijk alleen de allianties tussen Rusland en Frankrijk en die tussen Duitsland en Oostenrijk-Hongarije. De eerste droeg een zuiver defensief  karakter maar bepaalde daardoor, zoals we zullen zien, de Duitse oorlogs- en mobilisatieplannen. De tweede bracht in eerste instantie slechts  wederzijdse bijstand in geval van agressie door derden met zich mee. Voor Oostenrijk-Hongarije stond het begin juli 1914 dan ook allerminst vast dat Duitsland een oorlog tegen Servië zou steunen”.

 

Wat Tromp hier stelt lijkt in beginsel misschien juist, maar ook hier is de werkelijk-heid toch wel even anders.

 

Na de Frans-Pruisische oorlog van 1870-1871 waarbij Frankrijk een smadelijke nederlaag leed, zorgde Bismarck door het afsluiten van diverse geheime verdragen met o.a Rusland en Oostenrijk-Hongarije ervoor, dat Frankrijk alleen en geïsoleerd achterbleef. Het duurde tot ca. 1880 voordat de Franse politici zich weer wat gingen bekommeren  om ‘s lands grenzen en zij ook de defensie weer serieus gingen nemen.

In de jaren daarna  werd de nieuwe grens met Duitsland voorzien van een verdedi-gingsgordel met uitermate sterke, welhaast onneembare forten, waaronder Verdun, Toulle en Belfort. De toegang tot Frankrijk werd hiermede hermetisch afgesloten en het Franse volk begon weer geloof in de toekomst te krijgen. In 1887, kort na het gereedkomen van het laatste fort, stelde de Franse militaire leiding haar eerste offensieve plannen op die er in principe op waren gericht, ooit het verloren gegane Elzas-Lotharingen weer in de Franse moederschoot te doen terugkeren. *7. Het was ook tóen dat de gedachte aan ‘revanche’ in die kringen weer opgeld deed. Het leger begon zich voor te bereiden op de strijd en haar officieren zagen het ‘grote ogenblik’ weer met vertrouwen tegemoet.

Gedurende dit proces zaten ook de diplomaten niet stil. De Franse regering, bevreesd voor een herhaling van de ramp van 1871 begon een diplomatiek offensief dat, naar de geschiedenis ons leert, briljant van opzet en bijzonder geslaagd in uitvoering genoemd mag worden.

Het primaire doel daarvan was de door Bismarck veroorzaakte diplomatieke isolatie van Frankrijk  te doorbreken en daarna zo mogelijk een alliantie  tegen Duitsland te vormen om uiteindelijk het verloren gegane Elzas-Lotharingen terug te nemen.

 

Frankrijks eerste kans kwam toen Duitsland onder de nieuwe kanselier Caprivi, het zogenaamde ‘herverzekeringsverdrag’ met Rusland niet verlengde. Dit door Bismarck in 1887 gesloten verdrag had ten doel Rusland aan Duitsland te binden daardoor voorkomend dat dit land aansluiting bij Frankrijk zou zoeken om zo een blok tegen Duitsland te vormen.

Nadat ze van dit niet-verlengen op de hoogte kwam reageerde Frankrijk bliksemsnel.  Zij zond in 1890 generaal Boisdeffre naar Rusland die zijn voelhoorns moest uitsteken naar een mogelijk toekomstige Frans-Russische militaire samenwerking. Het gelukte hem de Russen daarvoor te interesseren en na twee weken keerde hij naar zijn land terug met een ontwerpverdrag inzake Frans-Russische militaire samenwerking ingeval een der landen in oorlog zou komen met Duitsland. Enkele maanden later bracht een Frans marine-eskader een officieel bezoek aan St. Petersburg*8 waarmede de toenadering tussen beide landen nog eens werd onderstreept. Al snel daarop begonnen geheime besprekingen die uiteindelijk leidden tot een militaire conventie (augustus 1892) en het befaamde geheime Frans-Russische militaire verdrag van  27 december 1893*9

 

Dit ‘defensieve’ verdrag, waarbij in de aanhef zijn in inkrachttreding werd gesuggereerd ‘…indien één van beide landen door Duitsland zou worden aangevallen zonder provocatie hunnerzijds…’, bleek wat later in werkelijkheid wel degelijk agressief bedoeld te zijn.

Artikel 2 en 3 ervan maakten o.a. duidelijk dat  slechts het mobiliseren van een der bij de Triple Alliance aangesloten landen reeds aanleiding zou zijn voor een directe mobilisatie en een daaropvolgende aanval  op Duitsland door Frankrijk en Rusland. M.a.w., als een der Triple Alliance-landen zou mobiliseren zou dat, de facto, oorlog betekenen.

Aan de betekenis van het Frans-Russische verdrag van 1893 en de daarbij behorende geheime militaire conventie moet zeer grote betekenis worden gehecht en Tromp gaat m.i. daaraan veel te gemakkelijk voorbij. De overeenkomst verbrak niet alleen het isolement van Frankrijk na de oorlog 1870-‘71 maar zij betekende tevens het begin van een tegen Duitsland gerichte blokvorming. Later zou Groot-Brittannïe zich daarbij aansluiten.

Hoe serieus men dit verdrag wel nam, kunnen we meten aan het feit dat de beide militaire staven nu jaarlijks bijeenkwamen om het verdrag verder inhoud te geven. Uit de notulen van een van die bijeenkomsten, die van 1913, lezen we o.a.:

 

“De twee Chefs van Staven bevestigen de afspraken van de vorige vergaderingen van 1912 en 1911 waarin volledige overeenstemming werd bereikt m.b.t. de gezamenlijke doelstelling, nl. de vernietiging van de Duitse legers”. *10

Direct na het van kracht worden van het verdrag begon Frankrijk Rusland financieel te steunen en stelde, voor die tijd enorme, geldbedragen ter beschikking waarbij slechts één voorwaarde werd gesteld. Een deel van dat geld diende te worden gebruikt voor de uitbouw van het Russische spoorwegnet, een uiterst dringende zaak volgens de Fransen omdat daardoor een snellere mobilisatie van het Russische leger mogelijk zou worden.*11 Een tijd die meer zou aansluiten op de Franse mobilisatietijd van 2 à 3 weken. In 1911 werd voorts afgesproken dat de Russen, voorafgaand aan de voltooiing van een algemene mobilisatie, binnen 16 dagen Oost-Pruisen zouden binnenvallen.*12. Met die toezegging werd het gehele Duitse Von Schlieffenplan, dat gebaseerd was op de aanname dat er minstens vier weken verschil zou zijn tussen de Franse en Russische mobilisatietijd, onderuit gehaald.

Het volharden in de overtuiging dat het Frans-Russische verdrag van 1894 in essentie defensief bedoeld was wordt door bovenstaande wel moeilijk. Het lijdt inmiddels immers toch weinig twijfel meer dat serieuze onderzoekers van dit verdrag inmiddels algemeen aanvaarden dat het, na verloop van tijd, getransformeerd werd tot een duidelijk offensief verdrag. Het verloop van de jaarlijkse besprekingen tussen beide generale staven, waarvan de notulen bewaard zijn, maakt dat ook heel duidelijk.

 

In dit verband is ook het Russisch-Bulgaarse verdrag van 1909 van groot belang. Uit dit zeer geheime verdrag blijkt duidelijk dat de Russen weinig vriendschappelijke bedoelingen hadden t.à.v. Duitsland. Artikel  5 ervan luidde: “…gezien het feit dat de realisatie van de heilige idealen van de Slavische volkeren in de Balkanstaten, welke zo na aan het hart van Rusland liggen, uitsluitend gerealiseerd kunnen worden na een positieve afloop van Ruslands strijd met Duitsland en Oostenrijk-Hongarije…” enz. enz.  en in artikel 4 lezen we: “…in geval van een gunstige uitslag van de oorlog met Oostenrijk-Hongarije en met Roemenië of met Duitsland, Oostenrijk-Hongarije en Roemenië, verklaart Rusland aan Bulgarije de grootst mogelijke steun te zullen geven bij zijn pogingen zijn territorium uit te breiden in de richting het district bevolkt met Bulgaren, liggende tussen de Zwarte Zee en de rechterflank van de Donau…”*13

 

Uit beide artikelen blijkt duidelijk dat Rusland een oorlog met Duitsland als onvermijdelijk beschouwde om zijn “….heilige idealen m.b.t. de Slavische volkeren te kunnen realiseren…” Een defensieve strategie past dan ook helemaal niet in dit beeld. Het Frans-Russische verdrag maakte het voor Rusland natuurlijk veel gemakkelijker om die idealen te realiseren. Voor Frankrijk betekende het niet alleen haar terugkeer tot de status van grote mogendheid, maar het bood bovendien mogelijkheden tot een eventuele terugname van Elzas-Lotharingen, iets dat Frankrijk zonder hulp natuurlijk nimmer zou kunnen realiseren. Nauwkeurige bestudering van de stafverslagen toont duidelijk aan dat dit ook de diepere bedoeling van de Franse buitenlandse politiek onder de opeenvolgende ministers was.

In elk geval betekende het Frans-Russische verdrag een duidelijke blokvorming van twee grootmachten gericht tegen Duitsland en niet, zoals Tromp beweert, een onschuldige en uitsluitend defensief bedoelde overeenkomst. Al zeker niet na 1911 zoals ook duidelijk blijkt uit de notulen van de besprekingen tussen de hoge Franse en Russische militairen. Besprekingen waarvan de inhoud integraal werd doorgegeven aan de respectievelijke Ministers van Buitenlandse Zaken..

Maar het zou nog duidelijker worden.

 

Als Tromp spreekt over de Brits-Franse Entente Cordiale van 1904 en deze betitelt als een “…slechts vrijblijvend vriendschapsverdrag dat meningsverschillen over koloniale kwes-ties hielp overbruggen, maar geenszins een militaire bijstandsverplichting in geval van een gewapend conflict in Europa  inhield…”, is dat minstens een zeer opmerkelijke en tevens  duidelijk achterhaalde bewering.

 

Alhoewel het juist is dat de Britse Minister van Buitenlandse Zaken, Edward Grey, inderdaad nimmer zijn handtekening onder een officieel verdrag heeft gezet, kan toch moeilijk ontkend worden dat er wel degelijk vanaf 1904 tussen beide landen militaire plannen werden ontwikkeld die, in geval van een oorlog met Duitsland, voorzagen in uitgebreide militaire bijstand door Groot-Brittannïe aan Frankrijk. Het betrof hier niet slechts militaire plannen. De Ministers van Buitenlandse Zaken van beide landen werden van de voortgang van deze plannen nauwkeurig op de hoogte gehouden zodat de politieke dekking aanwezig was.

Reeds op 20 juni 1911 werd overeengekomen dat Engeland in geval van oorlog, 150.000 manschappen en 67.000 paarden naar Boulogne en Le Havre zou zenden met als doel de linkerflank van het Franse leger tegen omsingeling in te dekken. Het was dáár, dat het zwaartepunt van de Duitse aanval verwacht werd. Het was dan ook de bedoeling dat de Britten de Duitse opmars zouden vertragen waardoor Frankrijk de gelegenheid zou krijgen een grote troepenmacht  aan de oostgrens in te zetten en daar, door het behalen van de over-winning, de Duitse rechtervleugel van de rest van het leger af te snijden.

 

In september 1912 werden, in onderling overleg, de Franse en Britse zeestrijdkrachten gehergroepeerd en afgestemd op de ‘toekomstige gebeurtenissen’. De Franse vloot werd in zijn geheel overgeplaatst naar de Middellandse Zee en de Britten  verplaatsten het grootste deel van hun aldaar gestationeerde schepen naar de Noordzee waarbij werd afgesproken dat, in geval van oorlog, de Britten de Franse kusten zouden beschermen.*14.

 

Zo ‘vriendschappelijk en onschuldig’ was deze Frans-Britse Entente toch niet en het verbaast me dat Tromp geen enkel gewag maakt van deze, reeds 10 jaar voor het uitbreken van de oorlog gestarte, actieve militaire samenwerking tussen beide landen. Het is juist, dat met name Britse historici maar weinig mededeelzaam zijn over genoemde samenwerking maar de feiten zijn desondanks nu toch wel genoegzaam bekend. Het was. n.b. Churchill zelf die de Britse Minister-President waarschuwde dat genoemde militaire afspraken voor Groot- Brittannïe zware verplichtingen met zich meebrachten en haar vrijheid van handelen belangrijk zouden beperken.*15 Asquith schreef later in zijn ‘The Genesis of the War’ : “…France undoubtedly felt that she could calculate upon our vetoing  any attack by sea upon her coasts and that’s what actually happened…”*16 . en Lloyd George schreef: “…there is abundant evidence that both, France and Russia, regarded the military arrangements as practically tentamount to a commitment on our part to come to the aid of France in the event of war with Germany…”*17

 

Nog duidelijker wordt de zaak als we zien dat Grey daarna er alles aan deed om ook de verhouding met Rusland te verbeteren. Hij had daarmee zeer specifieke bedoelingen zoals we kunnen lezen in een brief die hij in 1906 aan ambassadeur Spring Rice zond. De tekst luidde: “…I am impatient to see Russia re-established as a factor in European politics…”* 18 en wat later schreef hij: ”…an entente between Russia, France and ourselves would be absolutely secure…”*19 en verder: “…if it is necessary to check Germany, it could be done…”*20 en  “…ten years hence, a combination of Britain, France and Russia may be able to dominate Near Eastern policy…”*21.

Grey streefde er met kracht naar tot een werkbare, tegen Duitsland gerichte alliantie te komen waarvan ook Rusland zou deel uitmaken en hij had daar duidelijke politieke doelen bij voor ogen.

 

Op 31 augustus 1907 tekende hij een verdrag met de Russen waarin hij hen  de vrije hand in de Balkan gaf in ruil voor de regeling van een aantal problemen met betrekking tot o.a. de Perzische kwestie. Dit was het begin van  een nieuwe Brits-Russische verstandhouding . In 1908 organiseerde Grey het bezoek, dat later bekend geworden is als de “ontmoeting te Reval”, van de Britse koning aan de Tsaar.

De Britse vorst vertrok met groot gevolg. Er was nogal wat te doen geweest over dit bezoek want de Tsaar en zijn bewind waren bepaald niet populair in Groot-Brittannïe. Grey echter achtte een verdere versterking van de banden tussen beide landen noodzakelijk. Er gingen n.l. geruchten dat Rusland zijn marine in de Oost- en Zwarte Zee wilde versterken en daartoe noodzakelijke fondsen wilde onttrekken aan de beschikbare, bedoeld  voor de uitbrei-ding van zijn strijdkrachten in het Europese deel van het Russische Rijk.*22 Dit zou de militaire positie van Rusland aldaar verzwakken hetgeen Grey onwenselijk achtte.

 

Het bezoek van de Britse koning was zeer succesvol.

Tijdens dit bezoek werd uiteraard ook over Duitsland gesproken. Hierbij werd van Britse zijde opgemerkt dat: ”…men de ogen niet kon sluiten voor het feit dat, als Duitsland zou doorgaan met de uitbreiding van zijn Marine op dezelfde versnelde wijze als op dit moment het geval was, er binnen 7 á 8 jaar een alarmerende situatie zou kunnen ontstaan in Europa. Rusland, zo stelden de Britten, zou in die situatie dan zonder twijfel een beslissende rol kunnen spelen. Om die reden, en in het belang van de vrede en ter handhaving van de ‘balance of power’, wenste de Britse regering dat Rusland zowel ter land als ter zee, zo sterk mogelijk zou zijn…”*23

 

Grey wenste een militair sterk Rusland dat op het moment dat men daartoe geschikt achtte militair gereed zou zijn  om, samen met Frankrijk en Groot-Brittannie, de strijd aan te binden met Duitsland om dat land als machtsfactor in Europa voorgoed uit te schakelen. Maar het was nog niet genoeg. Frankrijk en Rusland sloten op 16 juni 1912, naast de bestaande militaire conventie ook nog een marineverdrag, waarbij Frankrijk toezegde al haar oorlogs-schepen in de Middellandse Zee te zullen stationeren om zo de Italiaanse en Oostenrijks-Hongaarse oorlogsvloten te neutraliseren. Frankrijk zou dan echter haar Noordzeekust geheel onbeschermd laten maar ze kon dit doen omdat met Groot-Brittannïe de afspraak was gemaakt dat de Britse Marine die kust onder bescherming zou nemen.*24 Om de zaak te completeren, kwamen Groot-Brittannïe en Rusland daarna met elkaar overeen dat  de Britse vloot ook de Oostzeekusten zou beschermen*25. Beide landen spraken nog over uitbreiding van deze overeenkomst toen de oorlog uitbrak. Met een sterke Russische vloot in de Zwarte Zee, de gehele Franse vloot in de Middellandse Zee en de machtige Britse zeestrijdkrachten gestationeerd in de Noordzee ter bescherming van de Britse en Franse kusten, waren de marines van de drie “bondgenoten” zo efficiënt en sterk  mogelijk verdeeld en was men ter zee gereed voor het ‘grote gebeuren’.

 

De Frans-Russische militaire conventie was dan wel in naam defensief, in werkelijk-heid was het echter wel degelijk een agressief en offensief gericht verdrag waarmede beide partijen hun eigen doeleinden hoopten te kunnen realiseren. Die doeleinden waren voor Frankrijk de terugkeer van Elzas Lotharingen in de Franse moederschoot en voor Rusland een toegang tot de ‘Sraits’ en dus de Middellandse Zee alsmede een dominante positie op de Balkan.

 

Met betrekking tot Frankrijk en Groot-Brittannïe kan worden gesteld dat er inderdaad nimmer een officieel militair verdrag tussen beide landen ondertekend werd, (het is juist dat Grey officieel de handen steeds vrij hield). Maar de gezamenlijke mobilisatieoefeningen te Amiens in juni 1914 echter toonden aan dat die samenwerking wel degelijk  bestond  en dat Groot-Brittannïe zich moreel geheel verplicht had met Frankrijk samen te werken in geval van oorlog met Duitsland. Toen die oorlog dan ook uitbrak werd die Brits-Franse samenwerking ook voor ieder geheel duidelijk.

Het verdrag tussen Duitsland en Oostenrijk-Hongarije leek wellicht wat losser omdat er geen sprake was van een goede en op elkaar afgestemde militaire planning, zoals dat bij de ‘geallieerden’. Echter, toen Rusland ging mobiliseren bleek het verdrag wél de hoeksteen van de Duitse politiek te zijn en verbond dit land zijn lot onvoorwaardelijk aan dat van Oostenrijk-Hongarije.

Nadat de oorlog uitbrak slaagden Frankrijk, Rusland en Groot-Brittannïe erin om in zeer korte tijd te mobiliseren en hun troepen te velde te krijgen. Dit was dan ook het logische resultaat van jarenlange voorbereidingen en soepel op elkaar aansluitende bondgenootschappen, anders zou e.e.a. totaal onmogelijk zijn geweest.

 

Tenslotte, als bewijs dat er wel degelijk twee blókken tegenover elkaar stonden, lezen we in de verklaring van de Russische generaal Dobrorolski die schreef: “Welcher Kampf stand Russland im ersten Viertel des 20.Jahrhunderts bevor? Der Hauptkampf, d.h. in Europa mit dem Dreibund der Zentralmachte. Es war klar, dasz dies ein Krieg auf Leben und Tod werden musste bis zur volligen Erschöpfung einer der beiden Parteien. Dieser allerernstesten Möglichkeit musste die algemeine Mobilmachung unserer Streitkräfte entsprechten”*26.

 

De stelling van Tromp dat er “…aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog geen sprake was van twee  allianties die tegenover elkaar stonden…”, is dan ook onmogelijk te verklaren. Het is een bewering waarin Tromp, voor zover wij weten, volstrekt alleen staat en die door de feiten  volkomen weersproken wordt.

 

 

MOBILISATIE BETEKENT NOG GEEN OORLOG:

“’Mobilisatie is nog geen oorlog’ stond er in de Franse regeringsverklaring  ter toelichting op de algemene mobilisatie  op 2 augustus 1914”, aldus Tromp en hij voegde daaraan dan toe: “…In tegenstelling tot de legende die daarover na de oorlog in omloop kwam, was dit ook zo, op één uitzondering na…” en Tromp noemt dan het Duitse aanvalsplan waarbij dit wel het geval zou zijn geweest.

 

Ook hierover moeten wij met Tromp van mening verschillen. Allereerst was hier geen sprake van een “legende’ en voorts werd deze stelling  niet pas na de oorlog geponeerd en tenslotte lijkt deze stelling van Tromp ook feitelijk onjuist.

 

Wat was het geval?

Reeds in het beginstadium van de Frans-Russische militaire onderhandelingen, en dat was ver voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, zette de Russische generaal Obruchev de betekenis van de Russische mobilisatie helder en duidelijk uiteen tijdens een bespreking met Tsaar Alexander.

De generaal vatte de noodzaak samen van de onmiddellijke en voortgaande mobilisatie van de Russische en Franse legers zodra bericht zou worden ontvangen dat de strijdkrachten van een der bij de Triple Alliantie aangesloten landen  mobiliseerde. Hij verklaarde dat alsdan “…de mobilisatie van de legers van Rusland en Frankrijk onmiddellijk moest worden gevolgd door oorlogshandelingen en dat dus de mobilisatie niet meer kon worden gezien als een vredeshandeling maar, integendeel, als de meest beslissende daad tot oorlog…”.*27

Later herhaalde hij dit standpunt nog eens in een nota van 7 mei 1892 aan de minister van Oorlog, waarin hij verklaarde dat: “…succes op het slagveld is afhankelijk van wie het snelst  de grootste hoeveelheid manschappen in ’t veld kan brengen. Degene die het eerst de vijand aanvalt maakt de meeste kans op een overwinning. Derhalve kan de mobilisatie niet langer gezien worden als een handeling om de vrede te bewaren maar moet, integendeel, worden beschouwd als de meest definitieve oorlogsdaad. Mobilisatie dient te worden gezien als het begin van de oorlogshandelingen zelf en dit betekent dat zodra tot mobilisatie wordt besloten, diplomatieke acties moeten worden uitgesloten omdat dit tot vertragingen kan leiden hetgeen men zich niet meer kan permitteren. De minister dient zich dan ook te realiseren dat gezien de huidige spanningsvelden in Europa, het praktisch onmogelijk zal zijn een oorlog op het continent nog gelokaliseerd te houden.. Zodra de oorlog op het punt van uitbreken staat,  is er onder politici altijd een tendens waar te nemen om zo’n conflict te lokaliseren en de gevolgen te limiteren. In de huidige situatie dient Rusland lokalisatie van de oorlog met de uiterste scepsis te beoordelen omdat dit de vijand ten voordeel kan zijn…”.*28.

 

Een duidelijker bewijs van de mening dat mobilisatie wel degelijk oorlog betekende en dat de politici daarna niet meer de vrije hand zouden hebben om die oorlog nog tegen te houden, is niet denkbaar.

Ook de Franse dachten er zo over. De Franse generaal Boisdeffre was eveneens duidelijk toen hij de Tsaar liet weten dat mobilisatie gelijk stond met een oorlogsverklaring. Mobilisatie betekende dat men de tegenstander dwong eveneens te mobiliseren.  Als men dan zijn tegenstander zou toestaan om ’n miljoen man  langs de grenzen op te stellen zonder zelf ook te mobiliseren dan ontzegde men daarmede zichzelf elke kans op succes.*29.

 

Zelfs de Nederlandse opperbevelhebber, de generaal Snijders deelde die mening. Hij schreef in zijn boek ‘De mobilisatie bij de Grote Mogendheden in 1914’:

“De mobilisatie  van een buurstaat waarmede een ernstige spanning bestaat, dwingt tot het onmiddellijk nemen van dezelfde  maatregel. Het gevaar aangevallen te worden terwijl de strategische opmars nog niet is voltooid moet op straffe van een bijna zekere nederlaag worden ontgaan. Algemeen heeft het denkbeeld gegolden dat als de regering van een grote mogendheid de mobilisatie afkondigt, dit ‘oorlog’ betekent!.

 

Dit argument vinden we dan ook gematerialiseerd in artikel 2 en 3 van de Frans-Russische militaire conventie waarin klip en klaar te lezen stond dat zodra een der Triple Alliantielanden zou gaan mobiliseren, Frankrijk en Rusland dat eveneens zouden doen. Zij zouden dan hun troepen onmiddellijk dienen samen te trekken bij de grenzen waarna ze direct de strijd zouden aanbinden met….Duitsland (ook dus indien dat land zelf nog niet zou hebben gemobiliseerd!!)  zodat dit land dan tegelijkertijd op twee fronten zou moeten vechten, in het Oosten en in het Westen. Dat het de beide verdragspartners voornamelijk om Duitsland ging  blijkt nog eens ten overvloede uit de notulen van de bespreking tussen de twee stafchefs  van 1913 waarin te lezen stond: “De twee chefs van staven bevestigen de afspraken van de vorige vergaderingen van 1911 en 1912 waarin volledige overeenstemming werd bereikt m.b.t. de gezamenlijke doelstelling, n.l. de vernietiging van de Duitse legers”.

 

Dat mobilisatie ook inderdaad oorlog betekende moge tenslotte nog blijken uit de mededeling van de Russische generaal Dobrorolski die, nadat hij vernam dat tot mobilisatie was besloten aantekende : ”…der Krieg war bereits beschlossene Sache und die ganze Flut von Telegrammen zwischen(4. Fall mvd. die?) der Regierungen Russlands und Deutschlands stellte nur eine mise-en-scène eines historischen Dramas vor…”.*30. De bekende historicus Albertini verwees in zijn boek ‘The Origins of the War of 1914’ naar het antwoord van de Russische Tsaar die, na zijn gesprek met Boisdeffre waarin deze hem vertelde ‘dat mobilisatie gelijk stond met een oorlogsverklaring’, antwoordde dat hij het daarmee geheel eens was. Albertini merkte daarbij op: “…the importance  and the consequences of this judgement were to come to the fore in July 1914 when Russia was the first Power to order General Mobilization…”

 

 Deze stelling van Tromp dat mobilisatie nog geen oorlog betekende, roept vraagtekens op en men kan zich dan ook afvragen waarom hij zijn perceptie van deze facetten van de ontstaansgeschiedenis van de Eerste Wereldoorlog, op deze wijze heeft geponeerd.  

Noten :

1 )  Seton Watson,R.W., Sarajevo, p.153.

2 )  Fay,S.B., The Origins of the Worldwar, Vol.2, p64.

3 )  Ibid.

4 )  Ibid, p.144.

5 )  Seton Watson,R.W., Sarajevo, p.156.

6 )  diaeko@t-online-de 24-11-2002.

7 )  Ernest Judet, Carnets de Georges Louis (1`925), p.143.

8 )  Fay,S.B., The Origins of the Worldwar, Vol.1, p.111.

9 )  Key Treatties for the Great Powers 1814-1914, Vol.2, p.669.

      Kennan, The Fateful Alliance, p.234-235.

10) Snijders & Dufour., De mobilisatien bij de Groote Europeesche Mogendheden,

      p.52.

      Notulen van de Russisch-Franse stafbespreking 31-08-1911.

11) Brief Russische nminister van Financien Kokostov aan Sazonov 27-0601913.

12) Fay.S.B., The origins of the Worldwar.

13) Bogicevic, The Causes of the War, p.8.

      Fay.S.B., The Origins…,Vol.1, p.411.

      Lowes Dickinson, G., The International Anarchy 1904-1914,  p.165.

14) Fay, S.B., The Origins…, Vol.1, p.323,324,328.

      Churchill,W., The World Crisis, (11927) Vol.1, p.111.

15) Ibid, p.112.

16) Asquith,H.H., The genesis of the war,  0.83.

17) Lloyd George, War Memoirs, Vol.1, p.29,30.

18) Monges,E., End of Isolation, p.281,282.

19) Steiner, S., Britain and the the Origins of the War, p.82.

20) Trevelyan,  Grey of Fallodon, Vol.1, p.37.

21) Ibid, p.182.

22) Steiner, S., Britain and the Origins of the War, p85,86.

23) Monteglas, The case of the Central Powers, p.252.

      Iswolski to Benckendorff  18-06-1908.

24) Steiner,S., Britain and the…, p.101-104.

      Trevelyan, Grey of Fallodon, p.216.

25) Barnes,E., The genesis of the war, p.74.

26) Snijders & Duffour, De mobilisatien…, p.37.

27) Documents de l’Alliance Franco Russe , Concention Militaire 1892-1899 et Convention

      Navale  1912 (Paris 1918) p.56.

28) Kennan, The Fatteful Alliance, appendix 2, p.263.

29) Documents Diplomatique Francais (1871-1900),no 461. p. 672-682.

      Aanvullend rapport Gen.Boisdeffre  aan Freycinet 10-08-1892 in Kennan p.182.

30) Tunstall, Planning for War, p.146. 

overzicht: