Juryrapport Scriptieprijs Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog, 2010

Bij de uitreiking van de SSEW scriptieprijs 2010 sprak de voorzitter van de jury, Prof. dr. H. Klemann de volgende woorden:

 

Op de Website van de Stichting heeft u het volgende bericht kunnen lezen:

Genomineerden voor de SSEW-scriptieprijs 2010

Op 28 mei a.s. zal tijdens de studiedag die de Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog in samenwerking met de Faculteit der Historische en Kunstwetenschappen van de Erasmus Universiteit organiseert, weer de SSEW-scriptieprijs worden uitgereikt aan die student die, naar het oordeel van de jury, de beste doctoraal- of materscriptie heeft ingediend over een onderwerp met betrekking tot de Eerste Wereldoorlog. Voor de prijs, groot € 1000,- en mogelijke publicatie in boekvorm zijn dit jaar de volgende inzenders genomineerd:

G. de Jong,

E. Koops,

H. Meek,

V. Prince,

P. Onderwater,

W. de Vreeze.

 

De jury bestaat dit jaar uit:

Prof. dr. H. Klemann

Prof. dr. P. Romijn

Dr. M. Kraaijestein.

 

Helaas is dit niet helemaal correct:

De Jurysamenstelling was:

Prof. dr Hein Klemann (EUR) (voorzitter)

Prof. dr. Wim Klinkert, Nederlandse Defensie Academie en Universiteit van Amsterdam

Dr Martin Kraaijestein (EUR/Gepensioneerd) die dr. Ismee Tames vervangt.

 

Verder stond in de site, en dat is wel weer correct: “De uitslag zal op vrijdag 28 mei 2010 bekend worden gemaakt”.

 

Dat is nu dan ook aan de orde. De jury kregen de volgende scripties te beoordelen:

 

  • G. de Jong schreef aan de Radbout Universiteit Nijmegen de scriptie, “Correcte, niet intieme relatiën.” Denkbeelden en opvattingen van de Nederlandse regering en militie over de Nederlandse neutraliteit in de periode 1900-1915. In deze scriptie staat de vraag centraal in hoeverre de regering in de jaren 1900-1915 een weloverwogen neutraliteitspolitiek heeft ontwikkeld. En de conclusie luidt dat Nederland afzijdig was uit een, zoals de auteur het zo mooi uitdruk: ‘in politiek gestolde angst.’ Deze scriptie moet geprezen worden om de vele interessante nieuwe gegevens die de auteur boven water wist te halen.
  • Enne Koops schreef aan de Rijksuniversiteit Groningen, “De leeuw heeft gebruld.’ Het gereformeerde gedachtegoed over de moderne cultuur voor en tijdens de Eerste Wereldoorlog (1911-1918”.) Dit is een werkelijk prachtige, doorwrochte studie met als centrale vraag de kwestie in hoeverre de oorlog heeft geleid tot cultuurkritiek en/of cultuurpessimisme binnen de Gereformeerde Kerken in Nederland. Om deze vraag te beantwoorden is uiteraard naar de geschriften over deze kwestie van de hand van Abraham Kuyper  en Herman Bavinck gekeken, beide heren met een brede blik op de maatschappij en vele contacten ook buiten de eigen, gereformeerde kring. Daarnaast zijn ook diverse andere predikanten bestudeerd. Koops komt tot de conclusie dat met name de twee grote voorlieden van de gereformeerden ambivalent, maar zeker niet eenzijdig negatief stonden tegenover de moderne cultuur. De wetenschappelijke vooruitgang werd positief beoordeeld, maar de geestelijk-zedelijke ontwikkelingen gevreesd. Pas met de oorlog ontstond een werkelijk crisisgevoel en een stortvloed van cultuurkritiek. Preken kregen ook steeds vaker een eschatologisch karakter en sommige predikanten leek de tijd van de Antichrist nabij. Bavinck en Kuyper lieten zulke geluiden evenwel niet horen. Bovendien wijst de auteur erop dat niet alleen de oorlog, maar ook allerlei nieuwe ideeën leidden tot pessimisme in orthodox Christelijke kring.
  • Harmen Meek schreef aan de UU, Weten wij het nog?” Collectieve herinneringen aan de Eerste Wereldoorlog in Nederland 1918-1939” (UU) waarin de vraag naar publieke herinnering aan de Eerste Wereldoorlog in Nederland in het interbellum centraal staat. In deze mooie scriptie laat Meek zien dat de idee dat de oorlog aan Nederland voorbij is gegaan enerzijds onterecht is, anderzijds al stamt uit de jaren direct na de oorlog, waarin intellectuelen, historici als Colenbrander, Kernkamp of Brugmans, Journalisten als P.H. Ritter jr, Elout en Van der Meer de Walcheren en allerlei literaire schrijvers, zowel in katholieke als in vrijzinnige kringen zich druk maken over de Nederlandse gezapigheid. Onterecht is het evenwel omdat de tegenstelling tussen de oude generatie en de jongeren die vonden dat de wereld niet terugkon naar de tijd voor 1914, wellicht manifester was in de landen die actief aan de oorlog hadden bijgedragen, maar ook in Nederland niet ontbrak. Dat bleek uit de band die er wel degelijk was tussen intellectuelen van die generatie ook als zij tot verschillende zuilen behoorden; dat bleek ook uit de Vredesbeweging.
  • Pauline Onderwater schreef aan de UvA, “Vaderland, Vorstenhuis en weerbaarheid. Generaal C.J. Snijders en debatten over de Nederlandse defensie en samenleving, 1914-1939”.  In deze scriptie – waarin de auteur de vraag centraal stelt hoe Snijders te karakteriseren in de discussies over defensie en samenleving in de periode 1914-1939 laat zij zien dat de generaal weliswaar in militair technische zaken vooruitstrevend was, maar zodra het over politiek-maatschappelijke kwesties ging, wel erg conservatief en autoritair. Op de vraag of Snijders een held was en slachtoffer van de politiek, danwel een arrogante, conservatieve generaal antwoordt zij derhalve dat hij beide was.
  • Corstiaan Prince schreef eveneens aan de UvA met de scriptie, “J.P.J. Verberne (1872-1955). Mitrailleurspecialist, publicist en voorvechter van een alternatieve legerorganisatie”.een studie over een militair die niet alleen een belangrijke rol speelde bij de invoering van de mitrailleur in Nederland, maar bovendien eigengereide ideeën had over de invoering van een alternatieve legerorganisatie. Het opvallende aan de man is dat hij openlijk debat voerde over allerlei zaken de landsverdediging betreffende en daarmee impliciet en soms vrij expliciet de legerleiding bekritiseerde, maar desalniettemin een grootse carrière doormaakte.
  • Wieger de Vreeze schreef aan de Erasmus Universiteit, “Gas. De positie die Nederland innam in het internationale debat over chemische oorlogsvoering tussen de beide Wereldoorlogen”.  (Erasmus Universiteit Rotterdam), een scriptie waarin hij het debat in Nederland over het gebruik en een eventueel internationaal verbod van strijdgassen en de rol van Nederland op het internationale toneel, maar ook de rol van het internationale debat op dat in Nederland beschrijft.

Alle zes de scripties waren van hoog niveau en het was moeilijk te bepalen welke nu het beste voor de prijs in aanmerking kon komen. Uiteindelijke hebben we twee scripties geselecteerd, die van Enne Koops over het gereformeerde gedachtegoed over de moderne cultuur en die van Harmen Meek over Collectieve herinneringen aan de Eerste Wereldoorlog in Nederland in het interbellum. Beide scripties zijn zowel qua onderzoek, qua analyse als qua uitvoering van een uitzonderlijk niveau; van beide heb ik persoonlijk veel geleerd en beide scripties zijn het waard om ten minste in uittreksel te worden gepubliceerd. Ik zou derhalve namens de jury, de redactie van het Jaarboek in overweging willen geven van de auteur van de scriptie die de prijs uiteindelijke niet krijgt, toch te vragen in ieder geval een excerpt voor publicatie ter beschikking te stellen. Beide onderzoeken zijn het waard om niet teloor te gaan. Wij als jury hebben de taak uit de scripties van Koops en Meek er één te kiezen; er is tenslotte maar één prijs. Ik zou degene die niet verkozen is er echter op willen wijzen dat de nadruk waarmee ook zijn scriptie hier wordt genoemd, moet worden beschouwd als een eervolle vermelding.

 

Dat wij uiteindelijke voor de scriptie van Meek hebben gekozen, doet dan ook niets af aan de kwaliteiten van die van Koops. Waarom toch die scriptie van Meek? De jury, die hiervoor al veel positiefs over deze scriptie heeft gezegd, wil daar nog aan toevoegen dat wij onder de indruk waren van de wijze waarop hij in een aantal hoofdstukken de collectieve herinnering in een breed kader beziet. Zijn scriptie past goed in de huidige aandacht voor de culturele invalshoek en voor de herinneringsgeschiedenis en hoewel de aandacht voor de materiële en immateriële herinnering en functie daarvan in het buitenland al een veel beoefend genre is, was dat voor wat WO I betreft in Nederland nog wat onderontwikkeld gebleven. De wijze waarop Meek de Vredesbeweging in interbellum verbindt met de oorlogsherinnering is bovendien origineel. Daarenboven heeft Meek vele uiteenlopende bronnen gebruikt zonder wijdlopigheid te worden en heeft hij de literatuur die hij heeft verwerkt steeds kritisch bezien. Kortom, Meek toont zich in deze scriptie zondermeer een goed historicus. De prijs die ik hem dan nu ga overhandigen is hem dan ook van harte gegund.

overzicht: