Zoeken |
De invloed van de Britse blokkade en de Duitse duikbootoorlog op de neutraliteitshandhaving door Nederland
Door; J.H.J.Andriessen
(Dit artikel verscheen eerder in „Wankel Evenwicht” onder redactie van Martin kraaijestein en Paul Schulten, een uitgave tgv het gelijknamige congres Erasmus Universiteit Rotterdam) De in 1914 uitgeroepen economische blokkade van Duitsland door Gr.Brittannië evenals de in antwoord daarop ingezette duikbootoorlog door Duitsland, had enorme gevolgen voor Nederland en was van grote invloed op de neutraliteitshandhaving door ons land. Voor een juist inzicht in deze materie is het dan van belang het begrip ‘blokkade’ nader toe te lichten Tijdens het uitbreken van de oorlog in augustus 1914, legden Duitse oorlogsschepen een aantal mijnen voor de ingang van de belangrijkste Britse havens. In antwoord daarop legden de Britten mijnenvelden aan in „Het Kanaal’ en de Noordzee. Voorts begonnen de Britten met de uitvoering van hun al in 1907 opgestelde blokkadeplannen tegen Duitsland *1 In dit verband moet worden opgemerkt dat het woord blokkade hier eigenlijk niet op zijn plaats is. In oorlogstijd was het al eeuwen een geaccepteerd feit dat een oorlogvoerend land het recht had de havens van de vijand te blokkeren. Ook ten tijd van de Amerikaanse burgeroorlog verklaarde president Lincoln de havens van de confederatie tot verboden gebied voor de internationale scheepvaart. Schepen die toch probeerden om deze havens aan te doen liepen kans te worden aangehouden en te worden geconfisceerd. De havens van de confederatie waren dus onderhevig aan een algehele blokkade waarbij dus alle goederen en personen de toegang tot die havens werden ontzegd. Het doel van een dergelijke blokkade was duidelijk; het uithongeren van de civiele bevolking zodat die tenslotte tot overgave gedwongen zou worden en kon dus worden vergeleken met het beleg van een stad, vesting of gebied, zoals dat ten tijde van de middeleeuwen ook reeds gebruikelijk was. Een blokkade van de havens van Duitsland was in 1914 echter een technische onmogelijkheid. Duitsland grensde aan de ene kant aan Nederland met haar belangrijke havens Rotterdam en Amsterdam en aan de andere zijde aan Denemarken, aan neutrale landen dus en via de havens van deze landen kon Duitsland natuurlijk ongelimiteerd goederen en voedsel importeren. Om Duitsland dus effectief te kunnen blokkeren zou Engeland ook de havens van Nederland en Denemarken moeten afsluiten maar met deze landen was ze niet in oorlog en blokkeren van neutrale havens was volgens het internationale zeerecht een oorlogsdaad. In het internationale zeerecht werden een aantal eisen gesteld aan een blokkade. Die eisen werden voor een belangrijk deel geregeld in twee declaraties, die van Parijs van 1856 en in de Londense Zeerecht declaratie van 1909. Hoewel het internationale zeerecht grote onduidelijkheden vertoonde vooral waar het de inzet van onderzeeboten betrof, die immers tijdens het tot stand komen van deze wetgeving nog niet of pas zeer recent bestonden, waren er toch wel een aantal zaken min of meer geregeld. De voornaamste eisen welke aan een blokkade gesteld werden betroffen de volgende punten;
1)een blokkade diende effectief te zijn. Een blokkade was voorts onderhevig aan een aantal voorwaarden in het bijzonder met betrekking tot de rechten van de neutrale landen. Die mochten niet gehinderd worden in hun buitenlandse handel. Aan deze, hiervoor genoemde eisen, kon een blokkade door de Britten echter niet voldoen want ze zou ongetwijfeld de positie van de onder punt 3 genoemde neutrale havens moeten schenden en ze zou ook strijdig zijn met de onder punt 1 en 2 genoemde eisen omdat enerzijds ze niet onpartijdig was (Scandinavische landen en Nederland konden nog wel handel drijven met Duitsland maar Amerika en andere neutrale landen niet) en ze anderzijds ook niet effectief zou zijn omdat ze dan de Nederlandse en Scandinavische kusten binnen de invloed van haar blokkade zou moeten brengen hetgeen in strijd was met het internationale zeerecht. *3 Gr.Brittannië zou zich dus moeten beperken tot een afgezwakt alternatief. De Amerikaanse burgeroorlog gaf hen echter het antwoord op de vraag hoe een dergelijk alternatief effectief kon worden toegepast. Ook de Amerikanen kregen destijds te maken met het feit dat de confederatie probeerde de blokkade te doorbreken, door het invoeren van goederen via neutrale havens, een situatie dus vergelijkbaar met die van Duitsland dat handel bleef drijven via de haven van Rotterdam. De Amerikaanse president had over die neutrale havens natuurlijk geen jurisdictie. Het Amerikaanse Hoge Gerechtshof voerde toen een nieuw begrip in; namelijk de doctrine van de „eindbestemming”. Deze doctrine werd vanaf dat moment, we spreken 1865, deel van het toen geldende internationale recht en hield in dat oorlogvoerende landen die niet in staat waren vanwege geografische omstandigheden de havens van de vijand effectief te blokkeren, het recht kregen de internationale scheepvaart te controleren op het voeren van zogenaamde „absolute contrabande”, dwz nauwkeurig omschreven goederen die van de ene neutrale haven naar de andere neutrale haven werden vervoerd door neutrale schepen maar waarvan kon worden vastgesteld dat bedoelde goederen het vijandelijke land als eindbestemming hadden..
Deze, overigens zeer nauwkeurig omschreven goederenlijst, bevatte onder andere wapens, munitie, kruit, granaten, kogels etc. ‘niet de rechtsschendingen in dezen oorlog het droevigste verschijnsel uit het oogpunt des rechts zijn, doch veeleer de koelbloedigheid waarmede het recht verdraaid en tot caricatuur gemaakt wordt, hetzij men staat tegenover de drogredenen der Entente ter verdediging van deze ‘blokkade’, hetzij tegenover den theoretischen onzin van vele Duitsche auteurs ter verdediging van de duikboot aanslagen’. *4
Amerikaans protest De Britse regering trok zich hier echter niets van aan en dit leidde tot gespannen verhoudingen tussen Amerika en Gr.Brittannië. Teneinde de pijn wat te verzachten gingen de Britten wel over tot het betalen van de in beslag genomen goederen terwijl ze de neutrale schepen daarna wel weer lieten vertrekken maar de facto schond Engeland het internationale zeerecht met beide voeten en zonder aanziens des persoons *6
Nederlands protest.
Zoals gezegd, het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken verklaarde de Britse maatregelen illegaal en in strijd met het internationale recht maar dit deed de Britten niet van gedachten veranderen. In de loop der tijd veranderde de houding van Amerika echter langzaam maar zeker van uiterst negatief en kritisch tot begripvol en tenslotte, toen Amerika aan de oorlog ging deelnemen, van begripvol tot volledige steun. Vanaf dat moment werd ook de Britse houding tegenover het neutrale Nederland harder. Engeland behoefde zich nu nog minder dan voorheen iets van het internationale zeerecht aan te trekken en Nederland zou de gevolgen daarvan al spoedig merken. De Britten hadden de Britten zich in eerste instantie nog beperkt tot het aanhouden en onderzoeken van de lading van neutrale schepen op contrabande. Al snel echter breidden ze het begrip contrabande uit tot dat het praktisch alles omvatte inclusief voedsel en toen dat echter naar hun mening nog niet voldoende effect sorteerde, werd als volgende stap het begrip „doctrine van de voortgezette reis ingevoerd. Men ging er daarbij van uit dat elke lading aan boord van een Nederlands schip uiteindelijk bestemd was om naar Duitsland te worden vervoerd. Van de Nederlandse regering werd nu geëist dat die voor alle goederen die in Nederlandse schepen vervoerd werden, een uitvoerverbod zou instellen. Dat was natuurlijk een absurde eis en in combinatie met de eerdere uitbreiding van de lijst met contrabande, een duidelijke inbreuk op de rechten van neutrale landen. De Nederlandse regering kon hiermede natuurlijk onmogelijk akkoord gaan temeer omdat dit door Duitsland terecht beschouwd kon worden als een schending van het neutraliteits principe. Overigens, ofschoon Duitsland tot april 1915 deze Britse maatregel niet overnam en aan de scheepspapieren volledige bewijskracht toekende ten aanzien van de plaats van bestemming van het schip, eiste ook dit land al in november 1914 een garantie van Nederland dat houtladingen bestemd voor neutrale havens, ook inderdaad aldaar gelost zouden worden *7 Nederland zou echter Nederland niet zijn als daar geen oplossing voor gevonden zou worden. Wat een regering officieel niet kan doen, kunnen civiele instanties vaak wel en zo richtte men de NOT (Nederlandsche Overzeesche Trust Maatschappij) op, een particulier initiatief waarmede de regering officieel geen bemoeienis had maar waarmede de aanvoer naar Nederland voorlopig zeker werd gesteld omdat individuele reders via het NOT de garantie gaven dat de door hun schepen vervoerde goederen niet naar Duitsland zouden worden doorgeleverd. De Britten kregen dus hun zin zonder dat de Nederlandse regering daar officieel bij betrokken was. Duitsland kon zich tegen deze constructie moeilijk verzetten maar nam het ons land niet in dank af. Op 18 april 1915 veranderde ook zij de Duitse ‘Prisenordnung. *8 Het gevolg van een en ander was wel dat, via het NOT, de Britten nu de Nederlandse overzeese handel onder controle hadden, een in feite onverdraaglijke zaak. Nederland stond echter machteloos en moest zich noodgedwongen bij deze situatie neerleggen. Maar het zou nog moeilijker worden.
Buitenlandse handel Daarentegen kon Nederland niet zonder de toevoer van kolen uit Duitsland en dat land dreigde nu de aanvoer daarvan te staken als Nederland aan de Britse eisen gehoor zou geven. Uiteindelijk moest de regering toch water in de wijn doen. Er werd een formule in het leven geroepen waarbij Gr.Brittannië gecompenseerd werd voor de hoeveelheden producten die naar Duitsland werden uitgevoerd. Deze formule werd vastgelegd in een zogenaamde ‘Basis of Agreement’ van 16 juni 1916 *10 die echter, naar al snel bleek, in het geheel niet voldeed en dan ook al spoedig tot problemen leidde zowel van Britse als van Duitse kant. De Duitse regering stelde zich op het standpunt dat Nederland zich de facto niet hield aan de geldende neutraliteits eisen maar begreep ook wel dat Nederland in de tang zat en in haar vrijheid van handelen ernstig werd beperkt. Toch dreigde ook zij regelmatig met tegenmaatregelen zoals het stopzetten van de kolenleveranties en ook zij onderzocht nu Nederlandse schepen. Tussen juni en september werden voorts 8 Nederlandse schepen getorpedeerd.*11 Het gevolg daarvan was dat nu ook de verhouding met Duitsland onder steeds sterker wordende druk kwam te staan.
Britse blokkade lang voorbereid Ze hadden dan ook al ver voor het uitbreken van de oorlog besloten dat men de neutraliteit van Nederland, in het geval dat Gr.Brittannië in oorlog zou komen met Duitsland, niet zou respecteren. Lloyd George, de latere Britse minister-president, argumenteerde dat; ‘The geographical position of the Netherlands and Belgium made their attitude in a war between the British Empire in all with France and Russia against the Triple Entente, one of immense importance. If they are neutral and accorded full rights of neutrals, (zoals in de declaratie van London van 1909 was voorgeschreven) we should be unable to bring any offensive economic pressure upon her. It was essential that we should do so’) en hij vervolgde; „this country can not afford to wait and see what these countries would do’.*12) Reeds in 1912 was major Hankey, de man die een groot en bepalend aandeel had bij het opstellen van de blokkadeplannen van de Britse marine, eveneens van mening dat in geval van oorlog, ook de havens van Antwerpen en Rotterdam noodzakelijkerwijs geblokkeerd zouden moeten worden. *13 Tijdens een discussie in het Imperial Defence Committee dat jaar sprak men dan ook uit dat; teneinde de grootst mogelijke economische druk op Duitsland uit te oefenen, ‘it is essential that the Netherlands and Belgium should be either entirely friendly to this country, in which case we should limit their oversees trade, or that they should be definitely hostile, in which case we should extend the blockade to their ports”* 14 Hieruit blijkt wel dat de haven van Rotterdam door de Britten beschouwd werd als blokkadebreker en dat men van het begin af aan plannen heeft ontwikkeld om het Nederland, neutraal of niet, uitermate moeilijk te maken. Dat dit lijnrecht in tegenspraak was met de declaratie van London (1908-1909) waarin de rechten van neutrale landen gewaarborgd werden en waarin de blokkade van neutrale havens verboden werd, leek de Britten niet te deren. Trouwens, admiraal Fisher had eerder al opgemerkt dat de Britse vloot zich in tijd van oorlog, niets van deze declaratie zou aantrekken. *15 Toen de oorlog dan werkelijk uitbrak, bleek onmiddellijk dat de Britten zich inderdaad niet hielden aan de Declaratie van London, die zij nota bene zelf mede hadden opgesteld. Ze gingen er in feite al direct toe over Nederland in de blokkade van Duitsland te betrekken door het stellen van allerlei, hiervoor genoemde, eisen. Hierdoor werd ons land in een uiterst precaire situatie geplaatst, een situatie waartegen het niets kon doen op gevaar af dan in de oorlog te worden meegetrokken, een vrees die gedurende de gehele oorlog bij voortduring meegespeeld heeft bij de wijze waarop de Nederlandse regering het neutraliteits principe heeft gehandhaafd. De Britse illegale manier van blokkadevoeren en het Duitse, eveneens illegale antwoord daarop, had dan ook grote invloed op het politieke en economische klimaat in Nederland en maakte dat de Nederlandse regering zich bij voortduring in een dubbele spagaatpositie bevond.
De blokkade leidde er voorts toe dat ons land enkele malen bijna alsnog in de oorlog betrokken raakte, soms ook doordat Duitsland in de door de Britten afgedwongen handelingen van Nederland (terecht) de casus belli zag.
Toenemende schaarste: Nadrukkelijk werd daarbij bepaald dat deze regels, waarbij de bemanning en passagiers geen letsel mocht worden toegebracht, uitsluitend van kracht waren voor ongewapende vijandelijke koopvaardijschepen die zich niet tegen aanhouding verzetten noch vijandelijke acties tegen het aanhoudende schip ondernamen. Deden ze dat wel, dan werden hun gezagvoerders, officieren en bemanningen beschouwd als „franc tireur, met alle legale gevolgen van dien. *18 Gedurende de daarop volgende eeuwen werden deze regels „gewoonterecht’ en door bijna alle zeervarende naties erkend en opgevolgd en bij het uitbreken van de oorlog in 1914 hield ook de Duitse marine zich hier aan.
Bewapenen koopvaardijschepen Hij schreef later; ‘Op 10 februari 1915 vaardigde de admiraliteit strikt geheime orders uit waarin gezagvoerders van Britse koopvaardijschepen instructies ontvingen welke betrekking hadden op de houding van de Britse koopvaardijvloot in oorlogstijd. Op 25 februari volgden aanvullende instructies waarin gesteld werd; ‘Captains are ordered to immediate engage the enemy, either with their armament, if they possess it, or by ramming if the do not. Any master who surrenders his ship will be prosecuted.*20 En er volgden nog meer orders voor Britse koopvaardijkapiteins;
1;‘British naval vessels are ordered to treat the crews of captured U-boats as „felons” and not accord them the status of prisoners of war’ *21
Met deze bevelen had een Britse koopvaardijkapitein derhalve de keuze tussen een actie als franc-tireur, dus het aanvallen van een militair object door een burger met de daaraan verbonden internationaal aanvaarde consequenties, (maximaal de doodstraf) of in eigen land te worden veroordeeld wegens lafheid in het gezicht der vijand. Voorwaar, geen plezierige positie. De Britten beriepen zich echter op het recht van verdediging door koopvaardijschepen maar daarin waren ze niet erg geloofwaardig en zelfs de Amerikanen bleken voor dat argument in het begin niet erg ontvankelijk.
De afname van het aantal schepen dat de Nederlandse havens nog aandeed na het invoeren van de hervatting van de duikbootoorlog in februari 1917 was dramatisch. Waren dit er in 1912 nog 17000, in 1918 was dat teruggelopen tot 1779. De hervatting van de onbeperkte duikbootoorlog door Duitsland had namelijk nog een ander gevolg voor Nederland en dat was het feit dat de Verenigde Staten door die hervatting een motief kregen om aan de oorlog te gaan deelnemen aan de kant van de geallieerden. In het voorjaar van 1917 verklaarden zij Duitsland de oorlog en gingen als ‘geassocieerd partner’ aan de zijde van de geallieerden aan die oorlog deelnemen. Daar hoorde ook de blokkade bij. Reeds in mei 1917 vaardigde de Amerikaanse regering een decreet af waarbij ze neutrale landen en dus ook Nederland, verbood om Amerikaanse producten, van welke aard dan ook, aan Duitsland te leveren.. Dat betekende dat Nederlandse schepen die uit Amerika wilden vertrekken een ‘certificate of assurance’ moesten overleggen waarin die garantie werd gegeven en dat leidde al direct tot enorme vertragingen. *27 Tegelijkertijd eiste de Amerikaanse regering van Nederland dat er een overeenkomst zou worden gesloten over het gebruik van Nederlandse schepen en de garantie dat geen Amerikaanse goederen aan Duitsland zouden worden doorgevoerd. Om deze eis kracht bij te zetten werd de levering van bunkerkolen aan Nederlandse schepen in Amerikaanse havens verboden met als gevolg dat deze schepen niet meer konden uitvaren. Daarmede kwam aan de Amerikaanse uitvoer naar Nederland een abrupt einde. Omdat Gr.Brittannië al snel de zelfde maatregelen nam betekende dit de facto dat de blokkade nu tot Nederland werd uitgebreid, een uitbreiding die de internationale wetgeving terzake in alle opzichten tartte en in Nederland tot grote problemen en voedselschaarste leidde. Een verder gevolg voor Nederland van de herinvoering van de onbeperkte duikbootoorlog was, dat de afhankelijkheid van Nederland van de geallieerden nu gevaarlijk groot werd. Ons land was.zoals gezegd, afhankelijk van de invoer uit Amerika en Gr.Brittannië van onder meer graan, kunstmest, veevoer en andere eerste levensbehoeften, Na de participatie van Amerika aan de oorlog weigerden de geallieerden deze leveranties en wilden ze nog alleen toe staan als Nederland bereid zou zijn om daar concessies tegenover te stellen en da was natuurlijk pure chantage. Deze concessies betekenden echter een inbreuk op het steeds volgehouden neutraliteitsprincipe waardoor wij ten opzichte van Duitsland in een gevaarlijke positie kwamen te staan. Immers, toegeven aan de geallieerde eisen betekende, zeker in Duitse ogen, dat Nederland zich niet meer neutraal opstelde. Dit heeft in een aantal gevallen geleid tot een dreigende situatie en Duitse plannen om ons land binnen te vallen.*28
Vrees voor de koloniën en incidenten ‘Ich hätte gestern eine lange Unterhaltung mit den Oberbefehlshaber der holländischen Land- und Seestreitkräfte, General Snijders. Sie zeigte mir wiederum, wie deutschfreundlich in Herzen dieser Mann ist, trots aller Zurückhaltung, die er sich als guter Holländer in so hervorragender Stellung anfänglich auferlegte, die er aber im Laufe der Unterhaltung immer mehr fallen liesz’ De attaché ging dan verder; ‘ Mit einer gewissen Absicht betonte er wie abhängig Holland bezüglich seiner Versorgung mit bestimten Nahrungsmitteln und Rohstoffen vom Auslands und von seiner Verbindung mit den Kolonien wäre. Würde Holland davon abgeschnitten, so wären in zwei Monaten die Vorräte im Lande zu ende’. *29
Koninklijke Marine De eerste instructie terzake werd uitgegeven in april 1916. na een conferentie van Vlagofficieren Stellingcommandanten welke werd gehouden in het hoofdkwartier. De toelichting op deze instructie bevatte de te volgen proceures en eindigde met de zinsnede; ‘Onder de oogen van een Nederlandsch zeeofficier wordt echter geen Nederlandsch handelsschip tot zinken gebracht; dit gedoogt de eer onzer vlag niet, daartegen moet zoo noodig met geweld worden opgetreden.’*30 Voorwaar, duidelijke en vooral ferme taal en elke Nederlandse Marine commandant zal met deze instructie waarschijnlijk weinig moeite hebben gehad.
Intussen echter hadden zich enige incidenten voorgedaan en de regering, bevreesd voor ernstige gevolgen, haastte zich nu voorgaande instructie aan te passen hetgeen de duidelijkheid en fermheid zeker niet ten goede kwam. ‘ dit incident ‘licht had kunnen leiden tot een gewapend conflict waarvan het gevolg een oorlog tusschen Duitsland en Nederland had kunnen zijn. Tevens is gebleken dat het voor den Nederlandsche Commandant uiterst moeilijk is om, bij gemis aan authentieke gegevens omtrent schip, lading en passagiers en bestraffende handelingen vanaf het schip gepleegd,zich een op rechtsgronden steunend oordeel te vormen over de rechtmatigheid van het optreden van den oorlogvoerende Commandant’. De instructie merkt dan nog op dat; ‘Bovendien heeft het recht van controle der oorlogvoerenden op het vervoer van goederen en passagiers , door de opvolgende represaillemaatregelen van weerszijden genomen, een vorm gekregen , zoodanig afwijkend van de tot vóór den oorlog in het Volkenrecht erkende regelen, dat de oude rechtsopvatting der onzijdigen wel altijd in botsing komt met de rechten, welke de oorlogvoerenden zich tegenover onzijdige handelsschepen aanmatigen’. De instructie gaat dan verder; ‘Het is de wensch van de Regeering dat de bestaande instructiën worden vervangen door de navolgende formule: ‘De Nederlandsche oorlogsschepen, toevallig getuige zijnde van eene aanhouding van een Nederlandsch handelsschip, zullen zich van andere inmenging , dan het vragen van inlichtingen, onthouden, tenzij mocht blijken, dat onnoodige geweldmaatregelen tegen die schepen zelve gebruikt worden, zonder dat zij zich tegen onderzoek of opbrenging verzetten”. *31
Niets meer over ‘de eer van onze vlag’ of over ‘het zonodig aanwenden van geweld’ maar wel een ‘verdekte’ waarschuwing aan ‘den Nederlandsche zeeofficier’ er voor te zorgen om niet ‘toevallig’ getuige te zijn van een aanhouding van een Nederlandse handelsschip door een belligerente commandant als daarbij ook maar de geringste kans bestaat op een incident.Wat zo’n commandant dan wel moest doen werd in het midden gelaten. Men kan nieuwsgierig zijn naar de reacties van Nederlandse commandanten van oorlogsschepen toen ze deze uitermate onduidelijke instructie ontvingen die de volle verantwoording voor een mogelijk incident op hun schouders legde. ‘Aangezien ik, gelijk reeds hooger aangetekend, het mijn plicht acht, de c.o. van alle tot mijn beschikking gestelde schepen van positieve instructies terzake te voorzien, opdat niet de kans worde geloopen , dat door de handelingen van eenig c.o. gepleegd, in het volle vertrouwen zijn plicht te hebben gedaan, een conflict ontstaat, acht ik het noodig Uw oordeel ter zake te vragen’ *32 Het antwoord hierop, dat op 2 januari 1917 aan hem werd verzonden, eindigde met de woorden; ‘Tenslotte merk ik hier nog op, dat het mogelijk zal blijken om gevallen te construeren, waarvoor de instructie geen voldoende oplossing geeft. In dergelijke onvoorziene gevallen moet den Nederlandsche Commandant trachten in den geest van de instructie eene oplossing te vinden’. *33
en daarmede was de Schout bij nacht weer terug bij af. De inhoud van het antwoord zal hem niet erg gerust hebben gesteld. Zoals gezegd, de Duitsers hadden in 1917 de herinvoering van de ‘onbeperkte duikbootoorlog’ uitgeroepen en droegen daarmee bij aan het steeds toenemende gebrek aan geallieerde scheepsruimte. Aangezien ook de neutralen niet ontkwamen aan het lot van torpedering, hadden veel landen hun vloot opgelegd in afwachting van betere tijden Ook Nederlandse reders hielden een aantal van hun schepen binnen in de havens waar ze een toevlucht hadden gevonden. In totaal ongeveer 1 miljoen ton aan scheepsruimte lag zo ‘veilig’ achter hun ankers in buitenlandse havens. Het grootste aantal Nederlandse schepen, zo’n 70% lag in Amerikaanse havens, 15% in Britse havens en de rest in andere ‘entente’ landen. Aldus was de situatie toen de Nederlandse regering het ‘verzoek’ ontving van Amerika om deze scheepsruimte ter beschikking te stellen voor de oorlogsvoering van de ‘geassocieerde’ landen voor de vaart in gebieden buiten de door de Duitsers uitgeroepen ‘gevarenzone’. Dit verzoek kwam als reactie op een aanvraag van de Nederlandse regering aan de Verenigde Staten tot snelle levering van 100.000 ton graan teneinde de enorme schaarste aan voedsel in Nederland te helpen opvangen.. Als gevolg van de oorlogshandelingen begon de voedselvoorziening in Nederland in gevaar te komen en met name voor het derde kwartaal van 1918 voorzag de regering een nijpend probleem. Men had in eerste instantie nog getracht graan te kopen in Duitsland maar dit land kon daar niet meer aan voldoen en ten slotte richtte de regering zich hiervoor tot de Verenigde Staten. De Amerikanen kwamen nu, in antwoord op dit verzoek, met het voorstel om in ruil voor de graanleverantie, Nederlandse scheepsruimte ter beschikking te krijgen waarbij men dacht aan de Nederlandse koopvaardijschepen die in Amerikaanse havens opgelegd lagen. De Amerikanen voegden hier aan toe dat zij dit voorstel tevens uit naam van Groot-Brittannië deden. Het hoeft geen betoog dat het geallieerde voorstel de Nederlandse regering in de grootse verlegenheid bracht. Enerzijds had men dringend behoefte aan voedsel, anderzijds was men bevreesd dat Duitsland het beschikbaar stellen van scheepsruimte aan haar vijanden voor het vervoer van goederen als een regelrechte schending van onze neutraliteit zou opvatten.en zeer scherp zou reageren. Derhalve achtte de regering het noodzakelijk deze kwestie met Duitsland op te nemen en dit overleg was nog in volle gang toen in maart een nota van de Amerikaanse regering werd ontvangen waarin dit land ons beschuldigde van het traineren van een antwoord op haar voorstellen. De nota had de vorm van een ultimatum en liet duidelijk merken dat het geduld van de ‘geassocieerde’ landen op was en dat; 1) Nederland onverwijld haar scheepsruimte ‘vrijwillig’ ter beschikking diende te stellen 2) Nederlandse bemanningen aan boord dienden te blijven om in dienst van de entente te gaan varen. 3) Nederland akkoord diende te gaan met het vervoer door Nederlandse schepen van troepen en munitie naar Franse havens. 4) Nederland moest toestaan dat haar schepen ook in de door de Duitsers afgekondigde ‘gevarenzone’ zouden worden ingezet. 5) De leverantie van graan aan Nederland afhankelijk was van haar medewerking aan dit verzoek. *34
De nota sloeg in ons land in als een bom, temeer omdat tegelijkertijd een bericht van de Nederlandse consul-generaal in Singapore werd ontvangen waarin deze meldde dat het Nederlandse KPM schepen aldaar verboden werd uit te varen. Nog geen dag later ontving de regering uit Amerika het bericht dat de ladingen van het ms’Samarina” en ‘Zeelandia’ liggende in Amerikaanse havens, waren overgeladen en de schepen niet mochten uitvaren.
‘De geassocieerde landen winden er geen doekjes om. Ze ‘nemen’, of wij dat nu willen of niet.
Het blad ‘Het Volk’ schreef;
Het ‘Handelsblad’ schreef tenslotte;
De Verenigde Staten en Groot-Brittannië beriepen zich echter op het ‘recht van Augari’, een oude wet die voor het laatst was toegepast in 1871 toen de Duitsers een aantal Britse schepen op de Seine hadden vernietigd..Volgens deze wet mochten oorlogvoerenden landen schepen van neutrale naties in gebruik nemen of zelfs vernietigen onder voorwaarde dat er volledige schadevergoeding zou worden betaald.
Op 16 maart 1918 kwam de ministerraad in een buitengewone zitting bijeen Men besloot dat de vaart van Nederlandse schepen naar Engeland volledig diende te worden gestaakt om te voorkomen dat er nog meer schepen in beslag genomen zouden worden *38 1) De schepen welke in de gevarenzone gaan varen mogen geen troepen of munitie vervoeren. 2) De schepen mogen niet worden bewapend 3) Eventueel vernietigde schepen zullen na de oorlog door anderen vervangen moeten worden. *40
Nog die zelfde dag werd een nota van deze strekking aan Amerika en Engeland verzonden. *41 en met spanning werd het antwoord afgewacht. De Amerikaanse president negeerde de Nederlandse nota geheel maar vaardigde op 20 maart een proclamatie uit waarbij hij, na Nederland eerst te hebben beschuldigd zich niet aan reeds gemaakte afspraken te hebben gehouden, vervolgens stelde dat ; ‘er stappen worden gedaan om Nederlandse schepen die binnen onze territoriale jurisdictie liggen, in onze dienst te nemen’. De president leek dat verder ook helemaal geen ramp te zijn voor Nederland want; zo schreef hij,; ‘deze handeling onzerzijds en van onze bondgenoten laat aan Nederland een overvloedige scheepsruimte voor haar binnenlandse en koloniale handel over’ Als speciale toegift volgde dan nog; ‘Aan het s.s. ‘Nieuw Amsterdam’ dat voor zijn thuisreis ten gevolge van deze ‘overeenkomst’ (de president deed het voorkomen of deze daad van zeeroverij het gevolg van een met de Nederlandse regering gesloten overeenkomst was) nu ook onder onze jurisdictie valt, zal echter natuurlijk worden toegestaan terug te keren’ De proclamatie besloot dan met de woorden; ‘Het is ons ernstige verlangen om de belangen van Nederland en zijn onderdanen ‘in den volsten omvang’ te beschermen en de wijze waarop wij onze voorstellen aan Nederland hebben gedaan, kunnen niet, naar ik meen, falen om aan Nederland de oprechtheid van onze vriendschap jegens dit land duidelijk te maken’. *42 Nog diezelfde dag werden 132 Nederlandse schepen in Amerikaansen Britse havens gerekwireerd en werden vanaf dat moment door de geallieerden voor hun doeleinden ingezet. Natuurlijk protesteerde Nederland heftig. Koningin Wilhelmina sprak met grote verontwaardiging van ‘schepenroof’ en deze mening werd alom in den lande gedeeld, niet in het minst daarbij door de pers gesteund die wederom grote ophef over deze zaak maakte.
Toch moet men zich afvragen of al deze verontwaardiging wel overal even gemeend was. De laatste vernedering.
Het konvooi
Wat was het geval?
Het eerste Britse verbod tot uitvaren. Omdat men wist dat de Britten bijzonder gevoelig waren voor elke poging om de blokkade te breken, was de uiteenzetting omtrent het hoe en waarom van de uitzending aan hen uitvoeriger dan aan de andere hiervoor genoemde landen.
Nieuwe Britse voorwaarden
Epiloog Verzijl merkt hierover op; ‘Niet de rechtsschendingen in deze oorlog zijn het droevigste verschijnsel uit het oogpunt van het recht, doch veeleer de koelbloedigheid en de wijze waarop het recht verdraaid en tot karikatuur gemaakt werd, zowel van geallieerde- als van Duitse kant. *54 En dat is dus duidelijk genoeg. De oorlogvoerenden- en met name Gr,Brittannië en Duitsland maar ook de Verenigde Staten van Amerika, namen met het internationale recht een loopje en veranderden de rechtsregels naar eigen believen en ongeremd. Een klein neutraal land als Nederland had daar natuurlijk geen antwoord op en had slechts de keuze om zich te buigen voor alle rechtsschendingen en dus, in de ogen van velen in die tijd, haar eer te verkopen teneinde haar huid te redden, of zich tenslotte te scharen aan de zijde van een der belligerenten en daarmede actief in de oorlog betrokken te raken. De Nederlandse regering was dan mogelijk wel genoodzaakt de ‘Nederlandse eer’ te verkopen,, maar redde daarmede ons land van deelname aan de oorlog. Met deze houding kon ze haar koloniën behouden, bleef ons land gespaard voor grootscheepse vernietiging door oorlogshandelingen en bleven haar inwoners buiten het oorlogsgeweld . De prijs was hoog maar inmiddels is wel gebleken dat de geschiedenis de neutraliteitspolitiek van de toenmalige Nederlandse regering met welwillendheid en in positieve zin heeft beoordeeld.
Noten:
1 :Offer.A., The First World War, an agrarian Interpretation (Oxford 1989) p.242,243.
|