Het is een ingenieursoorlog

Chemie in militaire dienst in Nederland 1914-1925

Dr. Wim Klinkert, Nederlandse Defensie Academie, Breda

Inleiding

Sinds de uitvinding van het buskruit zijn chemie en oorlogvoering nauw met elkaar verbonden. De Eerste Wereldoorlog voegde hier nog een dimensie aan toe, die van de chemische wapens en de bescherming daartegen. Deze bijdrage gaat in op de Nederlandse chemische oorlogsproductie in en kort na de Eerste Wereldoorlog. Nederland was toen teruggeworpen op zichzelf, het ontbeerde veel van de grondstoffen die noodzakelijk waren voor chemische productie en het zag zich voor ingewikkelde (chemische) uitdagingen geplaatst, die voor de inzet van de krijgsmacht essentieel waren. Een analyse van de Nederlandse inspanningen om rookzwak kruit, strijdgas, vlammenwerpers, nevels en gasmaskers te produceren vormt een bijdrage tot beantwoording van de vraag in welke mate Nederland in 1914-1918 dezelfde ervaringen doormaakte als de belligerenten. Maartje Abbenhuis maakt  in haar proefschrift[2] duidelijk dat de defensieorganisatie in Nederland zich in deze periode  ook op maatschappelijke en economisch gebied moest gaan bewegen. Zij heeft hiermee de veelzijdigheid van de militaire activiteiten aangetoond. Ik zou het debat nog willen aanscherpen door het begrip uit het internationale historische debat total mobilization[3] toe te passen op de Nederlandse neutraliteitservaring. Dit begrip is een afgeleide van het in de internationale historiografie ruimer toegepaste begrip total war.Juist een land dat zo ingeklemd lag tussen de oorlogvoerenden moest, om zijn neutraliteit te handhaven, veel van dezelfde ingrijpende maatregelen nemen of processen ervaren, die de buurstaten doormaakten om de oorlog te voeren. De mobilisatie had dus een veel totaler karakter dan alleen het op oorlogssterkte brengen van de krijgsmacht.  Vanzelfsprekend had het gebrek aan daadwerkelijke oorlogservaring op de Nederlandse situatie een dempende werking. Echter, in wezen waren veel ervaringen gelijk en kwamen ze voort uit de reële mogelijkheid betrokken te raken in het conflict. Hierbij valt in algemene zin te denken aan de inzet van grote delen van de bevolking in het leger - en aan ideeen om die nog verder te vergroten - , inperking van allerlei vrijheden, het ingrijpen van de overheid in het economisch leven en de honorering van wensen van de militaire organisatie. Meer in detail op militair gebied gaat het dan om de modernisering van de krijgsmacht op technisch, tactisch en organisatorisch gebied.

Chemische toepassingen in oorlogvoering moderniseerden door de Eerste Wereldoorlog razendsnel. Teruggeworpen op zichzelf moest de Nederlandse overheid wel ingrijpen om ten opzichte van de belligerente staten niet achterop te raken. Deze situatie leidde tot meer bemoeienis van de overheid met de industrie en een nauwere band tussen de universiteiten, de defensieorgansitatie en de overheid. R.D. Müller stelt dat bij uitstek chemische wapens  „represented (…) the mobilization of industry and science for war.’”[4] Dit roept twee vragen op. Ten eerste of overheidsinterventie en samenwerking met de industrie van blijvende aard waren, zodat Nederland na een oorlog beschikte over een academisch-industrieel-militair netwerk als basis voor verdere militaire technologisering in het Interbellum. Een dergelijk netwerk van academisch-industrieel was namelijk wel de resultante van de oorlog voor de Nederlandse chemische industrie in het algemeen. Ten tweede de vraag of Nederlandse regering op het gebied van gecontroleerde wapenontwikkeling een instrumentarium ontwikkelde analoog aan de oorlogvoerende staten.

Over de gasoorlog en de bemoeienis van wetenschap en industrie bij de belligerenten zijn in de jaren negentig belangrijke studies verschenen. D. Richter opende de rij in 1992 met Chemical soldiers. Vier jaar volgde D. Martinez met Der Gaskrieg 1914-1918. Ten slotte kwam in 1998 het werk van O. Lepick La grande guerre chimique. Voor Nederland ontbreekt een dergelijke studie, maar wel heeft  Ernst Homburg (1952), chemicus en sinds 2002 hoogleraar geschiedenis van wetenschap en techniek aan de universiteit Maastricht, diepgravend onderzoek verricht naar de algemene ontwikkeling van de Nederlandse chemische industrie. Zonder deze kennis is het niet mogelijk de militaire activiteiten in een industrieel-economisch kader te plaatsen.

Chemie en oorlog voor 1914

De chemische kennis binnen de krijgsmacht was vanouds geconcentreerd bij de Artillerie Inrichtingen (AI) in Delft. Een onderdeel hiervan was de Pyrotechnische School, waar onderzoek op chemisch gebied plaatsvond. Tevens werd er les gegeven en waren een werkplaats voor granaten en sinds 1868 een patronenfabriek  aan de school verbonden. De school dateerde uit 1860. Ze was gevestigd aan de Paardenmarkt. In 1897 begon de verplaatsing van het grootste deel van de AI naar de Hembrug (Zaandam). Deze locatie lag binnen de Stelling van Amsterdam, de binnenste verdedigingsring van Nederland, en dat gaf de mogelijkheid in oorlogstijd de militaire productie veilig te kunnen voortzetten.[5] In 1899 was de munitiefabriek gereed, hiervan was het Scheikundig Laboratorium[6], zoals de nieuwe benaming luidde, een onderdeel. In 1913 werd de AI een zelfstandig staatsbedrijf, voordien viel het direct onder de afdeling „artillerie” van het ministerie van Oorlog.[7]

De taak van het scheikundig laboratorium was de keuring van aangeschaft kruit, van grondstoffen en ontstekingsmiddelen en van de kwaliteit van opgelegde voorraden. Tevens keurde het alle chemische stoffen die bij de AI in gebruik waren en adviseerde het bij fabricageproblemen als die te maken hadden met de chemische samenstelling van grondstoffen of materialen. Ten slotte onderzocht het laboratorium de effecten van blootstelling van oorlogsmaterieel aan weer en wind en oorlogsomstandigheden. De chemische kennis deden de daar geplaatste militairen niet alleen aan de eigen school op. Zo was het voor luitenants mogelijk op rijkskosten een tweejarige opleiding aan de hogeschool in Delft te volgen.

Hembrug, Muiden (De Krijgsman) en Ouderkerk (De Oude Molen)

Tijdens de mobilisatie stond het scheikundig laboratorium onder leiding van Jan David Berkhout (1868-1945), een artillerieofficier die al sinds 1894 was verbonden aan de Pyrotechnische School. Zijn plaatsvervanger was een burger-chemicus, of technoloog zoals de toenmalige benaming luidde, Constant Frederik van Duin (1892-1946) die een apothekersachtergrond had. De belangrijkste medewerker was Lodewijk Pieter Frans van der Grinten[8] (1894-1981), die zijn doctorstitel in de chemie kort voor de oorlog in München had behaald. In totaal was een twaalftal man in het laboratorium werkzaam, geholpen door enkele „jongmaatjes”.

De productie van rookzwak kruit voor het Nederlandse leger vond niet plaats bij de AI, maar in de eeuwenoude fabriek in Muiden en de in 1895 heropende fabriek in Ouderkerk aan de Amstel.[9] De twee fabrieken vormden een particuliere onderneming, generatieslang in handen van de familie Bredius. Formeel luidde de naam NV Gezamenlijke Buskruidmakers van Noord-Holland, Utrecht en Zeeland.  Er was vanzelfsprekend wel een nauwe band met de AI. Het scheikundig laboratorium moest de fabricage van kruit controleren en officieren werden bij de Buskruidmakers gedetacheerd.

Aan het einde van de negentiende eeuw was een nauwe samenwerking ontstaan met de Pulverfabrik Rottweil van Max Duttenhofer (1843-1903), de uitvinder in 1884 van het rookzwak buskruit[10], dat sindsdien de algemeen gebruikte militaire kruitsoort werd. In 1891 was aan deze samenwerking een einde gekomen; de chemische ontwikkeling van buskruit kwam toen in handen van Arnoldus Jacobus Bredius (1864-1941) en de artillerieofficier Carel Frederik Gey van Pittius (1866-1945). Oder hun leiding transformeerden de fabrieken in Muiden en Ouderkerk tot een moderne chemische industrie. Rookzwak kruit was het belangrijkste product. Het traditionele zwart buskruit werd alleen in Muiden nog gefabriceerd.

Gey van Pittius was een autoriteit binnen het leger op chemisch gebied. Vanaf 1888 was hij te werk gesteld bij de pyrotechnische werkplaats in Delft en sinds 1899 bij de kruitfabriek. Hij vertegenwoordigde de krijgsmacht voor de Eerste Wereldoorlog al op nationale en internationale congressen over explosieven. Daarmee geldt hij als een van de eerste officieren die in zowel wetenschappelijke als industriële kringen op chemisch gebied actief was. In de jaren direct voor de oorlog verbleef op verlof in Nederlands-Indië. In die periode zette hij onder andere met Bredius, een „Maatschappij voor de vervaardiging van springmiddelen en kruitsoorten” op. Na dit koloniale commerciële avontuur hervatte Gey tijdens de mobilisatie zijn werk voor de krijgsmacht.

Kruitfabricage tijdens de mobilisatie

Muiden en Ouderkerk waren voor de Nederlandse oorlogsinspanning essentiële fabrieken. De afkondiging van de mobilisatie en het uitbreken van de oorlog in Europa verhoogden de vraag naar kruitf enorm. Om daarin te voorzien moest de productie vele malen groter worden en dat was meer dan alleen Muiden en Ouderkerk konden produceren. De grotere vraag naar kruit leidde vanzelfsprekend ook tot een grotere vraag naar grondstoffen zoals salpeterzuur, zwavelzuur en glycerine. De aanvoer hiervan diende veiliggesteld te worden. Dit had tot gevolg dat de staat haar greep op de aanvoer vergrootte en dat  meer particuliere bedrijven ingeschakeld werden om het productieproces zoveel als mogelijk in eigen land te laten plaatsvinden. Toen in 1915 duidelijk werd dat het geen korte oorlog zou worden en dat het munitieverbruik alle vooroorlogse schattingen verre overtrof, gingen de Nederlandse regering en het bedrijfsleven tot actie over om de gewenst schaalvergroting te verwezenlijken..

Voor de fabricage van projectielen en granaten zijn twee explosieve stoffen nodig. De eerste stuwt het projectiel voort, de zogenaamde voortdrijvende lading en de tweede zorgt voor de ontploffing wanneer het projectiel doel treft, de zogenaamde springlading. Ten tijde van de Eerste Wereldoorlog waren respectievelijk rookzwak kruit en trotyl - ook TNT genoemd -  hiervoor het gebruikelijkst. Rookzwak kruit werd gemaakt van schietkatoen dat bestaat uit salpeter, glycerine en zwavelzuur. De basis voor trotyl vormde tolueen, toen ook toluol genoemd. Het werd gemaakt uit steenkool en bij uitzondering ook uit benzine afkomstig van de Borneo (Nederlands-Indië). Salpeterzuur, ammoniak en zwavelzuur waren niet alleen nodig voor de fabricage van rookloos kruit- maar ook voor die van trotyl. Om zwavelzuur te maken is pyriet, zwavelhoudende ijzererts, nodig. Ten slotte moesten ether en aceton beschikbaar zijn om de springstoffen kneedbaar te maken en in de juiste vorm te persen.

In juni 1915 richtte de regering het Munitiebureau op onder leiding van de Delftse hoogleraar mechanische technologie en oud- artillerieofficier Louis Anne van Roijen (1865-1946). Dit Bureau was direct onder de minister geplaatst. Het kreeg in de loop van de mobilisatie een steeds centralere rol waar het ging om innovatie, productie en import van defensiegerelateerde goederen. Het coördineerde de relatie met het bedrijfsleven, nam de aankoop van grondstoffen in het buitenland ter hand en gaf aan hoeveel er geproduceerd moest worden. Het Munitiebureau vertoonde aldus grote overeenkomst met de ministeries van Munitie die in Frankrijk en Groot-Brittannië op bijna exact hetzelfde moment ontstonden. In mei 1915 werd Albert Thomas (1878-1932) tot onderminister van Munitie benoemd en in diezelfde maand David Lloyd George (1863-1945) tot minister van Munitie. In het voorjaar 1915 drong ook in Nederland het besef door dat de oorlog nog lang kon duren en een grotere omvang van de militaire productie zou eisen dan voorheen was aangenomen. Het neutrale Nederland kon voorlopig volstaan met een bureau, terwijl belligerenten complete ministeries nodig hadden. Zelfs in Japan waren vergelijkbare ideeën van economische mobilisatie en bundeling van krachten waarneembaar, het best verwoord en geïmplementeerd door Tetsuzan Nagata (1884-1935). In Duitsland was het Walter Rathenau (1867-1922) die met de Kriegsrohstoffbehörde al in 1914 wetenschap en militaire productie met elkaar verbond. Hierbij ging het ook in het bijzonder om het zekerstellen van munitiefabricage.

Als deskundige op chemisch gebied trad Gey van Pittius tot het Munitiebureau toe. Het bureau probeerde de buskruitfabricage niet alleen in omvang te vergroten, maar ook te spreiden over verschillende fabrieken. De fabricage van patronen voor geweren en van projectielen en granaten voor geschut zijn bijzonder complex. Deze productie kan niet gemakkelijk door een willekeurige metaalfabriek overgenomen worden omdat deze veel bijzondere vakkennis vereist. Op de metaalkant van de fabricage, die het Munitiebureau ook onder particuliere fabrieken trachtte te spreiden, gaat dit artikel niet verder in. Hier zal de aandacht uitgaan naar de vulling, het rookzwakke kruit en trotyl en op de stoffen die nodig zijn om deze explosieven te maken. Aangezien trotyl voor 1914  uit Duitsland was betrokken bestond hiervoor in Nederland geen productiecapaciteit. Al kort na het begin van de mobilisatie zocht het ministerie van Oorlog naar leveranciers in de Verenigde Staten en Zweden. Naar het eerste land vertrok Leonard Leopold Eduard Ornstein (1879-1953). Deze artillerist was als luitenant in Delft tot ingenieur opgeleid en werkte bij de AI. Hij zou hij in de jaren dertig directeur van de AI worden. Van februari tot december 1915 maakte Ornstein twee reizen naar de Verenigde Staten om 100.000 kg trotyl te kopen, maar de prijzen waren erg hoog en de levering traag.[11] Latere contacten met DuPontNemours leverden ook niet veel op. De druk op de Amerikaanse markt was erg groot omdat Frankrijk en Groot-Brittannië massale bestellingen plaatsten. Wel lukte het in januari 1916 uit Zweden een partij rookzwak buskruit te verkrijgen. Datzelfde jaar vonden aankopen plaats van tolueen en ammoniak in Groot-Brittannië en pyriet in Noorwegen en Spanje. Maar deze buitenlandse aanvoer was en bleef onzeker, soms duur en gering. Een andere methode was vordering van voorraden bij Nederlandse bedrijven. De overheid had deze bevoegdheid op basis van artikel 32 van de Inkwartieringswet van 1899[12]. De vorderingen vonden vanaf 1915 plaats, vooral van salpeter en in 1916 van zwavelzure ammoniak bij de verschillende gasfabrieken in den lande.

Structureler van aard was de samenwerking met de kunstmestindustrie, of zoals de term toen luidde, superfosfaatfabrieken. Sommige grondstoffen voor de fabricage van explosieven worden ook in de kunstmestindustrie gebruikt, met name zwavelzuur en salpeterzuur. Daarnaast wordt ammoniumnitraat zowel gebruikt als explosief, als als kunstmest. Superfosfaat is een mengsel van kalk en fosforzuur verkregen door een speciale bewerking van ruwe fosfaat. Door deze bewerking nemen planten het beter op. Voor dit proces zijn zuren nodig als zwavelzuur (het meest gebruikelijk), salpeterzuur of fosforzuur. Het zwavelzuur werd door een aantal superfosfaatfabrieken zelf geproduceerd door de verbranding van pyriet. Het is dan ook niet vreemd dat vanaf 1915 onder leiding van het Munitiebureau een nauwe band ontstond tussen deze twee industrieën. Ook de kunstmestindustrie was in juni 1915 in een commissie gaan samenwerken om import van grondstoffen en distributie daarvan in Nederland te regelen.

Het verslag van de kunstmestcommissie geeft de herkomst van de verschillende grondstoffen aan. Chili leverde salpeter, Groot-Brittannië zwavelzure ammoniak en Frans Noord-Afrika en de Verenigde Staten fosfaat. De aanvoer van salpeter kwam in mei 1917 definitief tot stilstand. De Britten leverden bijna niets in 1916 en fosfaat kwam na 1916 niet meer uit Franse gebieden, maar de terugval in de aanvoer van beide grondstoffen werd in de jaren 1915 tot 1917 door Amerikaanse leveranties gecompenseerd. Ten slotte kwam pyriet van het Iberisch schiereiland en uit Noorwegen. De Britten hinderden deze aanvoer regelmatig. Het ging er de Engelse regering om dat Nederland kon garanderen dat niets van de aangevoerde grondstoffen naar Duitsland doorgevoerd werd. Bij twijfel bracht de Navy Nederlandse schepen op en legde deze aan de ketting tot zekerheid was verkregen.[13] Een voorbeeld is de Groningen, een schip van de gebroeders Van Uden uit Rotterdam dat vanuit Bjorkaasen, bij Narvik, met pyriet op weg was naar Nederland. Op 16 september 1917 hielden de Britten het schip aan en brachten het op naar Harwich. Pas na langdurige onderhandelingen lieten ze het schip zijn reis vervolgen.[14]

Met welke fabrieken kwam het Munitiebureau in aanraking? De oudste Nederlandse fabriek die als superfosfaatfabriek was opgericht, was de Internationale Guano en Superfosfaatwerken in Zwijndrecht, gelegen nabij de spoorbrug over de Oude Maas naar Dordrecht. De fabriek was opgericht in 1895. Aan de wieg ervan hadden Rotterdamse reders en importeurs en een Duitse fabrikant gestaan. Sinds 1901 was Evert Bloembergen (1865 -1925), oud-secretaris van de Raad van Commissarissen, directeur. De andere belangrijke fabriek was de Centrale Guano Fabrieken in Kralingse Veer nabij Capelle aan den IJssel[15] waar de Hollandse IJssel de Nieuwe Maas instroomt. Deze twee fabrieken fuseerden in 1915 onder Bloembergen als directeur. Zowel in Zwijndrecht (al vanaf 1898) als in Capelle (vanaf 1904) als vond zwavelzuurproductie plaats.In eerste instantie benaderde het Munitiebureau deze fabrieken om productie van salpeterzuur en zwavelzuur te verhogen.[16] Later kwam daar nog zwavelzure ammoniak bij.

Bij de fusie van 1915 was ook de Groningse fabriek van Hoorn, Luitjens en Kamminga betrokken. De nieuwe naam werd NV Vereenigde Chemische Fabrieken.  De nieuwe combinatie fuseerde op zijn beurt in 1918 met de Amsterdamsche Superfosfaatfabriek tot ASF-VCF. Dit conglomeraat bezat toen zo goed als het monopolie van de Nederlandse superfosfaatproductie. De Amsterdamsche Superfosfaatfabriek[17] was in 1907 opgericht en lag nabij de Hembrug, aan de zuidzijde van het Noordzeekanaal, tussen Minervahaven, Amsterdammerpolder en Noordzeekanaal[18]. De locatie van de fabriek was zo gekozen dat massale aanvoer van ruwe fosfaat en zwavelzuur met grote schepen mogelijk was.

De ASF maakte het zwavelzuur dat nodig was voor de superfosfaatbereiding aanvankelijk niet zelf, dat was afkomstig van de daarin gespecialiseerde fabrieken van Johan Ketjen (1868-1938) gevestigd in Uithoorn[19] en aan het Hasseltkanaal-Oost in Amsterdam-Noord[20]. De grote vraag tijdens de mobilisatie, zowel voor munitie als voor kunstmest, zette de ASF er toe aan in 1917 een eigen zwavelzuurfabriek te bouwen.

Het Munitiebureau benaderde kort na zijn oprichting ook een van de pioniers op het gebied van de industriële organische chemie, het bedrijf van Ter Horst. [21] Adolf ter Horst (1874-1935)[22] was in 1901 in Schiedam samen met een oud-studiegenoot uit Delft, Rolf van Hasselt (1876-1956) een chemische fabriek begonnen. Beiden kwamen uit families met enig kapitaal. De familie Ter Horst bezat Wolters uitgeverij in Groningen en Van Hasselt was de zoon van de directeur van de Hollandsche Yzeren Spoorwegmaatschappij. Zij verplaatsten hun fabriek, die hoofdzakelijk azijn- en mierenzuur voor de verwerking van natuurrubber uit Nederlands-Indië produceerde, in 1911-1913 naar een open stuk land aan de zuidzijde van de Nieuwe Maas, de Vondelingenplaat nabij Pernis. Havenbaron Daniel George van Beuningen (1877-1955) ontwikkelde dit gebied voor kolenbunkering en er was plaats voor een superfosfaatfabriek - later onderdeel van de ASF-  en voor de chemische fabriek van Ter Horst.[23] Vanaf het begin steunde de Delftse hoogleraar Sebastiaan Hoogewerff (1847-1934) dit bedrijf. Hij was er 1908-1934 president-commissaris van en geldt als een van de meest invloedrijke chemici van zijn tijd. Een belangrijk chemicus van het bedrijf was Adrianus Johannes van Peski (1885-1946), die in 1911 overgestapt was van de hogeschool in Delft naar Pernis. Hij kreeg er een eigen chemisch laboratorium en zou er tot 1923 werken. Nadien was Van Peski nog actief bij de BPM en weer bij de TH Delft.

Ter Horst was zelfs al voordat het Munitiebureau was opgericht, betrokken bij de buskruitproductie. Kort na afkondiging van de mobilisatie wierp hij zich op de productie van aceton en ether voor de Buskruidmakers. Reeds in december 1914 correspondeerde hij, met positief resultaat, met minister Willem Treub (1858-1931) van Economische Zaken over verlaging van accijnzen om de productie hiervan goedkoper te maken. Ter Horst meende dat zijn fabriek Nederland voor dit product zelfvoorzienend zou kunnen maken.[24] Extra personeel rekruteerde Ter Horst ondermeer uit geïnterneerde Duitsers en Belgen. Na het contact met het Munitiebureau verbreedde de Vondelingenplaat in de zomer van 1915 zijn productie met salpeterzuur en tolueen, maar de geproduceerde hoeveelheden waren klein. Met tolueenverwerking zou de fabriek stoppen toen de nieuwe BPM-fabriek gereed was.

Dit brengt ons bij de laatste grote relevante producent: de Bataafsche Petroleum Maatschappij (BPM) waarvan de oud-minister van Oorlog, Hendrikus Colijn (1869-1944), directeur was. De BPM behoorde tot het Brits-Nederlandse aardolie-imperium van Henri Deterding (1866-1939) en was in 1907 ontstaan na de fusie van de Shell met de Koninklijke. De BPM had een eigen chemisch laboratorium in Schiedam, nadien in Rotterdam en in 1913 overgeplaatst naar Amsterdam-Noord. Willem Knoops (1879-1953)[25] was de belangrijkste chemicus van het bedrijf. De BPM beschikte over deskundigheid op het gebied van tolueenverwerking, maar het bleek niet eenvoudig deze onderneming voor de Nederlandse oorlogsproductie te laten produceren. Tolueen was een van de grondstoffen voor trotyl. De enige fabriek die dit produceerde was de koolteerfabriek in Krimpen aan de IJssel[26] van Sebastiaan Matheas Sigismund van Panhuys (1883-1918). Deze deed dat op verzoek van het Munitiebureau. Maar de productie bedroeg slechts 400 kg per week, en dat was veel te weinig.

Uit overleg op 2 september 1915 tussen Bredius, Hoogewerff, Ter Horst, Knoops, en het Munitiebureau kwam het initiatief naar voren een eigen Nederlandse trotylfabriek op te richten. Aangezien de bouw van een nieuwe fabriek wel enige tijd zou duren steunde het Munitiebureau een tussenoplossing van Cornelis Pleyte (1865-1951) van de BPM. Pleytes idee was de BPM de grondstoffen te laten leveren en de fabrieken op de Vondelingenplaat - ervaren in organische chemie-  en in Muiden te laten produceren. In 1915 hadden deze drie bedrijven hierover contact. De BPM leverde tolueenbenzine, Ter Horsts fabriek deed nitratie en destillatie en dan ging het aldus gewonnen product naar Muiden om er trotyl van te maken. Het restproduct, de benzine, gaf de Vondelingenplaat weer terug aan de BPM.  Ook dit leverde echter te weinig volume op.

De enige oplossing die werkelijk tot een belangrijke verhoging van de trotylproductie kon leiden was de bouw van een eigen nieuwe Nederlandse trotylfabriek, maar de BPM, de enige die over voldoende grondstoffen beschikte, leverde deze aan de Britten. Terwijl de ASF ammoniumnitraat kon leveren en deze en andere fabrieken salpeterzuur, bleef de BPM achter omdat Deterding alle tolueen aan de westelijke geallieerden verkocht. Hij had zelfs zijn fabriek in Rotterdam in januari 1915 ontmanteld en naar Groot-Brittannië overgebracht.[27] De onderhandelingen van het Munitiebureau met de BPM om ook in Nederland de productie weer op te starten, verliepen stroef. Deterding meende dat het Munitiebureau maar zelf de tolueenbenzine uit Borneo moest halen, maar na het sturen van een jurist van het Ministerie van Oorlog, J. van Herwijnen, kwam er uiteindelijk een doorbraak. De BPM ging begin 1916 akkoord met de levering en opslag van tolueen in Rotterdam en in april met de bouw van een trotylfabriek aan de zuidzijde van het Noordzeekanaal. Deze kwam in januari 1917 in gebruik en stond ook wel bekend als chemische fabriek Hembrug. Zwavelzuur en salpeterzuur betrok deze fabriek van de ASF en van Ketjen. In mei 1917  bedroeg productie van 10.000 kg per week.[28] De uiteindelijke totale productie tot mei 1918, toen de fabriek werd stilgelegd wegens het gebrek aan grondstoffen, bedroeg 509.000 kg. Ter vergelijking: het Britse leger verbruikte 1.500.000 kg per week. Wel heeft deze fabriek bijgedragen aan de ontwikkeling van chemische kennis in Nederland. De BPM putte hiervoor uit zowel Britse als Duitse bron. Als coördinator van de explosieven- en kleurstoffenfabricage van de Shell en BPM trad de chemicus en oud-officier Johan Egbert Frederik de Kok (1882-1940) op.[29]

Voor de glycerineproductie was de in 1905 opgerichte Chemische Fabriek Naarden[30] van belang. Deze exporteerde genitreerde glycerine naar Groot-Brittannië en produceerde enkele grondstoffen voor explosieven. De eigenaar was Willem Anne van Dorp (1882-1970). De Amsterdamse hoogleraar Gerrit Hondius Boldingh (1865-1936) fungeerde als president-commissaris, vergelijkbaar met de rol van Hoogewerff bij Ter Horst.

Het Munitiebureau keek niet alleen in eigen land naar mogelijkheden. Directeur Van Roijen had grote voorkeur voor Groot-Brittannië als leverancier van zowel wapens als munitie. Hij verkoos dit boven de aankooppogingen in Zweden en de Verenigde Staten. In juli 1915 werd via kolonel Schuurman, de vertegenwoordiger in Nederland van de Britse wapenfabrikant Armstrong Whitworth in Newcastle upon Tyne, contact gelegd met de Britten. De Britse militair attaché in Den Haag die hierin bemiddelde, stelde toen zelfs dat de Nederlandse legerleiding „desperately” aan het zoeken was naar aankoopmogelijkheden. Maar de Britten bleken geen gemakkelijke partners, hun eigen behoeften waren vanzelfsprekend zeer hoog en hadden prioriteit. Wat buskruit betrof vroeg het Munitiebureau 25.000 kg ineens en 500.000 kg als er oorlog zou uitbreken, maar de Britten leverden niet. [31] Voorlopig leken Zweden en de Verenigde Staten toch nog het meeste resultaat te geven. Behalve Ornstein was ook de zoon van de Utrechtse hoogleraar chemie Van Romburgh, Hubertus van Romburgh (1883-    ) in deze landen actief.

Ook in Frankrijk werden al meteen aankooppogingen gewaagd. Dit leidde pas medio 1916 tot enig resultaat toen er  toestemming van de Franse regering kwam voor aankoop van trinitrotoluol, trotyl en fosfor.[32] In Parijs werkte kapitein Paul Koster als Nederlands vertegenwoordiger voor de belangen van het Munitiebureau. Hij zou dat blijven doen ook nadat er in 1916 een Nederlands militair attaché in Parijs werd geplaatst.

De Nederlandse legerleiding was ervan doordrongen dat de munitieindustrie van wezenlijk belang was voor het voortzettingsvermogen van een eventuele Nederlandse oorlogsinspanning. Het Munitiebureau investeerde erg veel moeite in de verhoging van de productie van granaten voor de artillerie en patronen voor de geweren, en slaagde daar, met hulp van het particuliere bedrijfsleven, zeer redelijk in als het ging om de metalen componenten van de munitie. Voor de vulling, waarvoor de chemische industrie werkte en zonder welke iedere oorlogsproductie vanzelfsprekend zinloos was, viel de regering volledig terug op het particuliere bedrijfsleven. De AI produceerde immers geen chemische producten.

Is een enigszins nauwkeurige schatting te maken van de omvang van de Nederlandse buskruitproductie? De situatie in augustus 1915 was dat er 74.000 kg aanwezig was, en de behoefte gesteld werd op 428.000 kg. Aan bestellingen stond er toen 303.000 kg uit, deels in Zweden en er liepen onderhandelingen voor 120.000 kg, onder meer met Zweedse en Amerikaanse bedrijven. De eerste opdracht van het ministerie aan het Munitiebureau was een oorlogsvoorraad kruit op te bouwen van 300.000 kg. De weekproductie, voornamelijk van de Buskruidmakers, van 5000 kg moest hiervoor naar 12.000 kg worden verhoogd. Dit werd bereikt in 1916 en het lijkt er op dat dit niveau gehandhaafd kon worden. In april 1917 was zelfs al 900.000 kg beschikbaar. Deze eigen productie was toen aangevuld met 135.000 kg uit Zweden,150.000 kg uit de Verenigde Staten en 20.000 kg uit Frankrijk.[33] Getallen van de laatste oorlogsjaren zijn niet bekend. De bedrijfsgeschiedenis van de Gezamenlijke Buskruidmakers spreekt van een vervier- of zelfs vervijfvoudiging van de kruitproductie die plaatsvond in 1916-1917 ten opzichte van 1914-1915. Dit lijkt wel een reële inschatting te zijn. Daarbij is niet aan te geven hoe de trotylproductie, vooral voor artilleriegranaten, zich verhield ten opzichte van de rookzwak kruitproductie. Maar desondanks lijkt de conclusie gerechtvaardigd dat het Munitiebureau succes boekte door zowel in binnen- als buitenland voortvarend te handelen en alle mogelijke wegen te bewandelen. Onafhankelijkheid van overzeese aanvoer kon echter niet worden bereikt. 

Een probleem van geheel andere orde was de kwetsbaarheid van de fabrieken in Muiden en Ouderkerk. Ze lagen niet alleen buiten de bescherming die de  Stelling van Amsterdam bood. Ze waren ook kwetsbaar voor luchtaanvallen. Al in januari 1915 bepaalde minister van Oorlog Nicolaas Bosboom (1855-1937) dat in geval van oorlog de fabrieken moesten doorwerken, maar dat voorraden en eindproducten liefst zo snel mogelijk binnen de Stelling van Amsterdam opgelegd moesten worden. In het bijzonder wees de minister „op het gevaar van het werpen van bommen uit vliegtuigen.” Opperbevelhebber Jacobus Cornelis Snijders (1852-1939) kreeg de bevoegdheid te bepalen wanneer, mocht Nederland bij de oorlog betrokken raken, de fabrieken vernietigd werden.[34]

Op dat moment lag de springstoffenvoorraad in de Nieuwe Hollandse Waterlinie in de forten Jutphaas (Nieuwegein) en De Klop (Zuilen). Tijdens de mobilisatie werden plannen gemaakt deze binnen de Stelling van Amsterdam onder te brengen, de Duivendrechtse Polder gooide hoge ogen. In het ontwerp van de opslagplaatsen werd met camouflage tegen herkenbaarheid vanuit de lucht rekening gehouden, als preventief middel tegen luchtaanvallen. Het einde van de oorlog betekende ook het einde van deze plannen.

In staatshanden?

Het is niet vreemd dat tijdens de mobilisatie de vraag naar voren kwam of deze essentiële oorlogsproductie niet in staatshanden moest komen. Die vraag rees niet voor de eerste keer. In de jaren zestig van de negentiende eeuw had het Rijk hiervan afgezien. In september 1916 kwamen de broers Arnoldus Jacobus en Johannes Jacobus (1868-1934) Bredius zelf met het voorstel hun bedrijf aan de staat te verkopen. Ze waren beiden ongehuwd en kampten met gezondheidsproblemen. De gebroeders benaderden het Munitiebureau. De voorzitter van de Raad van Commissarissen van de kruitfabriek, de Utrechtse commissaris van de koningin Frederik Alexander Carel van Lynden van Sandenburg (1873-1932), benaderde op zijn beurt minister Bosboom. Het Munitiebureau adviseerde Bosboom staatsdeelname in de fabricage, de Artillerie Inrichtingen bepleitten volledige staatsexploitatie. Het werd een slepende kwestie. Het Rijk vreesde grote financiële risico’s te nemen, buskruit is immers een nogal sterk afhankelijk van wisselende internationale omstandigheden. Verder zag het Rijk op tegen de kosten de fabriek binnen de Stelling van Amsterdam te verplaatsen. In 1918 was er nog steeds geen oplossing, wat naar goed Nederlands gebruik resulteerde in de opzet van een Buskruitcommissie waarin de ministeries van Oorlog, Marine, Financiën en Koloniën en de Artillerie Inrichtingen vertegenwoordigd waren. In 1919 kwam het bijna tot een overeenkomst waarin de ASF en de NV Chemische Fabrieken de buskruitfabrieken opkochten en het Rijk zich verplichtte tot afname. De Buskruitcommissie was daar niet tegen.[35] De onderhandelingen liepen op het laatste moment stuk. Uiteindelijk kwam in 1921 een wetsontwerp in de Tweede Kamer in behandeling ter bevordering van de Nederlandse onafhankelijkheid van buitenlandse springstoffen. De argumentatie was dat dit noodzakelijk was voor de kolenmijnen, de vroege jaren twintig waren geen vruchtbare bodem voor militaire argumenten. De Eerste Kamer verwierp het voorstel nog hetzelfde jaar, maar accepteerde het in 1922, toen het Rijk afzag van de monopolie op invoer en verkoop van buskruit, maar alleen dat op fabricage behield. Het Rijk wilde geen ondernemer zijn en financieel risico lopen, maar wel buskruitfabricage in Nederland behouden. Het voorstel van de AI de buskruitfabricage daar onder te brengen, was daarom ook niet aanvaardbaar. Hieruit kwam de NV Nederlandsche Springstoffenfabrieken[36] voort. De oud-voorzitter van het Munitiebureau, Van Roijen, werd namens de Staat commissaris en later aanvaardde ook Gey van Pittius een commissariaat. De productie in Muiden en Ouderkerk had in 1919-1921 intussen grotendeels stil gelegen in schril contrast met de periode van hoogconjunctuur van de jaren daarvoor, die had geleid tot omvangrijke voorraadvorming.

Gasgranaten

Na de Duitse gasaanval bij Ieper op 22 april 1915 duurde het niet lang of ook de Nederlandse legerleiding nam het initiatief strijdgassen te produceren. Waarschijnlijk kwam de aanzet daartoe vanuit de Artillerie Inrichtingen, in de persoon van Berkhout, die contact legde met de Sociëteit voor chemische industrie te Katwijk. De directeur daarvan, de chemicus Gerard Carel Anton van Dorp (1873-1964), afkomstig uit een welgestelde Arnhemse remonstrante familie[37], had gewerkt in het laboratorium van Van Romburgh en was nadien een eigen laboratorium in Utrecht en in 1913 in Katwijk aan Zee begonnen. Ook in 1913 was hij directeur geworden van de Sociëteit voor chemische industrie in Koog aan de Zaan, nabij de Artillerie Inrichtingen. Wellicht dateerden contacten met de AI uit deze tijd. Deze Sociëteit verhuisde in 1914 naar Katwijk.[38] Van Dorp was een groot voorstander van een krachtige nationale chemische industrie en onderschreef het belang daarvan voor de landsverdediging.[39]

Andere instanties waarmee de militaire autoriteiten in mei en juni 1915 contact legden waren de Westergasfabriek in Amsterdam[40] en de geneesmiddelen fabriek van  Brocades Stheeman[41] in Meppel.  Van Dorp beval de productie van chloorkooloxide[42] of dimethylsulfaat[43] aan, in Meppel werd geëxperimenteerd met fosgeen, een zeer veel giftiger gas dan chloor.[44] De legerleiding belastte luitenant-kolonel Dirk Merens (1874 -1940) met deze materie. In juli 1915 kwam de eerste ministeriële subsidie van zesduizend gulden beschikbaar. De eerste proeven, zowel voor in projectielen als in cylinders om vanuit loopgraven gaswolken te laten ontstaan, betroffen dimethylsulfaat.

De eerste maanden waren de resultaten nog mager. Het leger beproefde zowel gascylinders, die in loopgraven geplaatst gaswolken produceerden, als projectielen voor mortieren met gasladingen. Berkhout was de eerste die begin 1916 op basis van een mondelinge opdracht van Snijders de projectielen aan testen onderwierp.[45] De resultaten waren zodanig, dat in mei van dat jaar de substantiële som van 400.000 gulden voor de aanschaf van grondstoffen beschikbaar kwam, onder dankzegging aan de fabriek in Katwijk voor de voorbereidingen en proefnemingen.[46] De keuze was uiteindelijk op zwaveldioxide gevallen. Als explosief werd trotyl gebruikt omdat het alternatief, picrinezuur, in Nederland onvoldoende voorradig was. De schietproeven met de mortieren vonden van mei tot juli 1916 in Oldebroek plaats. De resultaten waren nog steeds niet bevredigend, maar Snijders wilde wel op deze ingeslagen weg voortgaan.  Eind 1916 beval hij de productie van 35.000 mortiergasgranaten.[47] Het kwam er niet van, er waren maar weinig mortieren in de bewapening en de resultaten van de beproevingen bleven teleurstellend. Werkelijk schadelijke gaswolken konden er niet mee geproduceerd worden. In augustus 1917 stelde Snijders voor het advies van het Munitiebureau te volgen en het zeer giftige dimethylsulfaat, geproduceerd in Katwijk, te gaan beproeven, waar al dierproeven mee waren gedaan. Dit gas was zwaar genoeg om op afstanden van 200 tot 500 meter nog effectieve wolken te creëren, niet met projectielen van mortieren maar met de granaten van het 12 en eventueel 15 cm geschut.[48] De brief van Snijders en overleg tussen de militaire autoriteiten en de voorzitter van het Munitiebureau op 11 september 1917[49] leidden nog diezelfde maand tot de instelling van een commissie van scheikundigen die zich over de verdere ontwikkeling moest beraden. Naast Gey van Pittius en Berkhout nam Johannes Cornelis Thonus (1887-     ) een leerling van de Leidse hoogleraar organische chemie Antoine Paul Nicolas Franchimont (1844-1919), hierin zitting. Hun voorstel was over te gaan tot fosgeen gas in 15cm granaten. Zij achtten de massaproductie hiervan in Nederland haalbaar.[50] Van Waegeningh, overhem later meer, onderschreef deze conclusie. Dimethylsulfaat had volgens de commissie te weinig „stopping power”.[51] De concentratie waarmee de vijand belaagd kon worden was te laag. Snijders ging in januari 1918 akkoord. Dit betekende dat voor de vulling van granaten met fosgeen geëxperimenteerd zou gaan worden zodra dat beschikbaar was. Tot dat moment bleven chloor en zwaveldioxide als alternatief voor fosgeen in gebruik. Snijders constateerde daarbij wel dat de belligerenten voor alle gassen die Nederland kon produceren bescherming hadden. Hij stelde daarom voor in een eventuele strijd afwisselend verschillende gassen te gebruiken om de vijandelijke soldaten van gasmasker te moeten laten wisselen.[52] Of de chemici dit een haalbare optie vonden is onduidelijk, maar deze weg lijkt toch niet verder betreden te zijn.

Na de fase van experimenten in laboratoria en proeven in Oldebroek volgde die van overleg met de industrie over massaproductie. Het Munitiebureau koos voor de hen al bekende fabrieken zoals de Superfosfaatfabriek in Amsterdam, de fabriek voor chemische producten van Ter Horst op de Vondelingenplaat (Pernis) en de gefuseerde superfosfaatfabrieken in Capelle aan den IJssel (Kralingse Veer) en Zwijndrecht. Deze laatste twee kregen de grootste opdrachten. De chemicus Auke Bloembergen (1892-1955), de zoon van de directeur, zette vanaf 1916 de zwaveldioxideproductie op. Het verhaal gaat dat toen Snijders de fabriek in Kralingse Veer bezocht er een verkeerd kraantje openging waardoor penetrante SO2 lucht zich verspreidde, de generaal zou niet geweten hebben hoe snel hij zich uit de voeten moest maken. [53]  Voor de productie van zwavelzuur in Capelle aan den IJssel vorderde de regering pyriet „als belooning voor de moeite, risico en medewerking door die fabriek betoond om het onderwerpelijk gas te maken tegen alleszins billijke voorwaarden.”[54]

In de tweede helft van 1916 was de productie van beide fabrieken, Zwijndrecht en Capelle, samen 2400 kg per dag. De opgebouwde voorraad bedroeg najaar 1916 140.000 kg. Het streven was deze in ieder geval tot 400.000 te laten groeien.[55] In voorjaar 1917 was de dagproductie inmiddels verhoogd tot 1000 kg per etmaal in Zwijndrecht en 3000 tot 4000 kg in Kralingse Veer. In oorlogstijd, wanneer continu gewerkt zou kunnen worden, was een totale dagproductie van 6500 kg mogelijk. Minister Bosboom was hiermee nog niet tevreden en wenste, kort voor zijn aftreden, een derde fabriek.[56] Die wens honoreerde zijn opvolger niet, al was er eind 1917 nog slechts voldoende geproduceerd om eenmaal op grote schaal gas in een gevecht in te zetten.[57] De productie ging wel gestaag door want in januari 1918 was er 380.000 kg geproduceerd, waarmee het eerder gestelde doel bijna gehaald was.[58]

De fabriek in Kralingse Veer was de belangrijkste, niet alleen omdat deze het meeste produceerde, maar ook omdat daar het meeste oorlogsmaterieel en de meeste voorraden lagen opgeslagen. Daarom stond deze locatie, net als de buskruitfabrieken, hoog op de lijst om in geval van oorlog door luchtdoelartillerie beschermd te worden. Een dergelijke maatregel gold ook voor de petroleumtanks in de Rotterdamse haven.[59]

De zwaveldioxide was de belangrijkste vulling voor de cylinders. De productie van zogenaamde loopgraafketels en cylinders met spuitbuizen, slangen en andere onderdelen. die voor de inzet van gifgas noodzakelijk waren, kwam vanaf 1917 goed op gang bij de bedrijven Korpershoek en Van Borselen, Stokvis (Rotterdam) en Merens (Haarlem).[60] De loopgraafketels bevatten 33 kg gas, dat zich in twaalf minuten verspreidde. In een cylinder zat 17 kg, leeg in zeven minuten. Het gebruik van loopgraafketels en cylinders was verder identiek. Oefeningen werden steeds frequenter. Alleen al in januari - februari 1918 werden gasoefeningen gehouden in de Stelling van de Maas en het Haringvliet, door het 6 Regiment Infanterie op de Rucphense Heide en het 17 Regiment Infanterie bij Etten.[61] Om binnen- en buitenland te laten zien dat het Nederlandse leger deze belangrijke technische ontwikkeling in de oorlogvoering niet miste, en wellicht ook om de Nederlandse militairen te laten zien dat de legerleiding alles deed hen voorbereid de strijd in te laten gaan, werden in augustus 1917 in het geïllustreerde weekblad Het Leven foto’s gepubliceerd van oefeningen in Udenhout. Dit nam niet weg dat ontwikkeling en productie van de gassen in het uiterste geheim plaatsvond.

De proeven met de granaten, meestal in Oldebroek, konden aanvankelijk nog niet met fosgeen plaatsvinden, omdat dat nog in onvoldoende hoeveelheden beschikbaar was, daarom werd voorlopig nog van chloor en zwaveldioxide gebruik gemaakt. In de zomer van 1918 waren de projectielen productiegereed. Er was zowel met 12 cm als 15 cm projectielen geoefend. In februari 1918 was al formeel de naam GP (gasprojectiel) vastgesteld. De fabriek op de Vondelingenplaat, die bereid was de fosgeenproductie op zich te nemen, kon in het najaar pas de eerste geslaagde proeven met dit gas melden. Directeur Ter Horst vroeg daarom in oktober 1918 10.000 gulden krediet voor de bouw van een kleine fabriek om zijn productiemogelijkheden te vergroten.[62] De Amsterdamse Superfosfaatfabriek had zich voor deze gasproductie teruggetrokken, bang voor ongelukken. Eindelijk leek nu in 1918 de productie van 15 cm gasprojectielen van start te kunnen gaan. Het Munitiebureau meldde drie weken voor het einde van de oorlog dat „uit de inlichtingen in het buitenland verkregen het argument te putten is dat GP onmisbaar zijn te achten voor de oorlogvoering en voor deze is het meest uitwerking gevende gas gekozen, waarover men beschikt”[63], waarmee het chloor bedoelde en, zodra het beschikbaar zou zijn, fosgeen.

Hoe moeten we de Nederlandse chemische oorlogsindustrie beschouwen, in vergelijking met wat de belligerenten deden? Wat het buskruit betreft zien we dat in Nederland vergelijkbare organisatorische maatregelen werden genomen als in het buitenland. Of dit kwantitatief voldoende resultaat opleverde is moeilijk met zekerheid te zeggen. Bij de Nederlandse legerleiding lijkt dit geen groot punt van zorg geweest te zijn, buitenlandse beschouwers schatten het voortzettingsvermogen van de Nederlandse oorlogsinspanning als het er op aankwam wel eens minder hoog in wegens de tekorten aan kruit. Een voorbeeld biedt de analyse van de Franse militair attaché van juni 1918: „L’armée Hollandaise ne possédait en réalité ni effectifs militaires, ni munitions, ni artillerie de nature à lui permettre de résister avec la moindre chanche de succès des armées modernes.[64] De Britse legerleiding geloofde ook niet in effectief Nederlands optreden, als het Nederlandse leger niet voorzien werd van grote hoeveelheden moderne wapens en munitie.

De gifgasproductie lag kwantitatief in Nederland laag, hoewel exacte cijfers niet zijn te geven. Als we uitgaan van het eerder genoemde cijfer van 380 ton, dan steekt dat in elk geval schril af tegen de belligerente productie. In totaal is tijdens de Eerste Wereldoorlog  tussen de 113.000 en 124.000 ton strijdgas ingezet. 46% hiervan kwam voor rekening van Duitsland, 23% van Frankrijk en 12% van Groot-Brittannië. De rest werd ingezet door Oostenrijk, Italië, Rusland en de Verenigde Staten. Het meest gebruikte gas was chloor (53%) gevolgd door fosgeen[65] (27%) en chloorpicrine (9%).

De inzet van gas door het Nederlandse leger

Eind 1917 was het ondanks de aanloopmoeilijkheden wel duidelijk dat gas in een eventuele oorlog door het Nederlandse leger gebruikt kon worden. In dat geval werd een gascompagnie geformeerd waarin dienstplichtigen met chemische kennis een plaats kregen.[66] De eerste officieren die hiervoor voorbestemd  werden waren Thonus, Hendrik Frederik Grondijs (1891-   )[67] en Adriaan Pieter van Stolk (1890-    ). De laatste twee waren ingedeeld bij de vestingartillerie. Een oefenterrein met opslagloods werd ingericht op de Zwetsplaat[68] bij Gorinchem. Van de twee mogelijke wijzen van inzet was alleen die van de ketels en cylinders,  waarvan er eind 1917 zo’n 7000 beschikbaar waren[69], zo ver ontwikkeld dat inzet in oorlogsomstandigheden mogelijk was.

In welke militaire voorschriften zien we deze inzet terug? Het eerste speciaal op de loopgravenoorlog toegesneden voorschrift was Tactische en technische wenken (1916), waarvoor waarschijnlijk Van Munnekrede[70] veel inspiratie en informatie leverde. De gasoorlog kwam hierin alleen in defensieve zin voor in een tactisch statische loopgravensituatie. Over de effecten van een mogelijke vijandelijke gasaanval was dit voorschrift geruststellend - of moeten we zeggen naïef -  er waren immers gasmaskers en  „manschappen die geen gasmasker hebben, drukken bij een gasaanval het gelaat in de grond.” Ook verwachtten de samenstellers dat gasaanvallen niet langer dan tien tot twintig minuten duurden en met verbranden van stro de gaswolken nog sneller verdreven konden worden. Zo bleef het effect beperkt tot een paar honderd meter.

Een jaar later verscheen een nieuw lesboek tactiek aan de Koninklijke Militaire Academie van de hand van J.H. Fruyt van Hertog (1897-1956). Hierin bleef het gas beperkt tot de enkele opmerking: dat de oorlog  „machines ter verspreiding van stikgassen en van vloeibaar vuur” had opgeleverd. Op tactische inzet ging het boek niet in.

Slechts een voorschrift, waarschijnlijk uit 1918 en van een geheim karakter, behandelde de gasoorlog uitvoerig, het Voorschrift stikgassen. Het voorschrift werkte de defensieve inzet uit de Tactische en technische wenken verder in detail uit, daarbij ook de eigen Nederlandse inzet behandelende. Hierin was dit voorschrift uniek. Onder stikgas verstonden de samenstellers de zwaveldioxcide uit cylinders en loopgraafketels en uitdrukkelijk niet chloor, want tegenover chloor „mag het stikgas humaner worden genoemd, wijl de personen, die niet stikken, een veel groter kans hebben om in het leven te blijven, terwijl chloor, ook bij geringe hoeveelheden, die een man niet onmiddellijk buiten gevecht stellen, vernielend werkt op de inwendige organen en daardoor ernstige ziekten veroorzaakt.”

In offensieve zin adviseerde het voorschrift een nachtelijke, verrassende inzet van vijftien ketels per honderd meter en in een tegenaanval een inzet vanuit de tweede linie tegen de vijand die zich in de voorste loopgraven had genesteld. In een verdedigend gevecht diende het gas losgelaten worden wanneer de vijand op honderd tot 150 meter genaderd was. Ten slotte besprak het voorschrift de taak van de gasofficier die achter de linies de aanvoer van gas over water of over spoor regelde en aansluitend verdeelde over de eenheden. In het Algemeen Hoofdkwartier diende „een hoofdofficier voor den gasdienst” deze inzet voor te bereiden en te coördineren.

Opmerkelijk is dus dat offensieve, eigen inzet van gas weinig aandacht in de openbare militaire pers kreeg. Gebruik van gasprojectielen door de Nederlandse krijgsmacht was in 1918 nog niet doorgedrongen in de voorschriften, en zou dat nadien ook niet meer doen. Was de oorlog nog tot 1919 doorgegaan, dan is het niet ondenkbaar dat deze inzet wel beschreven was. Ook kunnen we constateren dat de inzet van dit middel niet als heel bijzonder werd beschouwd, eerder als een te accepteren gevolg van het technologisch karakter dat de oorlog nu eenmaal onomkeerbaar had gekregen.

Maskerende rook en vlammenspuiten

Een andere chemische toepassing was het maken van kunstmatige rookgordijnen of nevels. In december 1916 werden op verzoek van de minister door het Munitiebureau in Oldebroek hiermee de eerste proeven gedaan. Het ging er om vast te stellen of zo troepenbewegingen gemaskeerd konden worden. De beproefde middelen waren naftaline, ammoniumsulfaat, turf en fijne houtkrullen.[71] Aan de chemische samenstelling werkte het scheikundig laboratorium van de AI samen met Gey van Pittius en Van Romburgh.

Een andere proef behelsde op 24 maart 1917 de maskering met rook van het omvangrijke fabriekscomplex van de Artillerie Inrichtingen Hembrug tegen luchtaanvallen. Met luchtfoto’s kon een oordeel over de effectiviteit van dit middel worden gegeven.[72] De resultaten waren bevredigend.

In 1918 werden voorraden naftaline, zaagsel en houtkrullen opgelegd om schaarste voor te zijn. Het Munitiebureau wees er op dat in plaats van naftaline ook ongebluste kalk en chloorsulfonzuur voldeden, die wellicht gemakkelijker verkrijgbaar waren. Ten slotte beproefde de genie in 1918 ‘Nevelverwekkende toestellen’. Het was bekend dat de Duitsers dergelijke apparaten aan de Belgische kust inzetten.[73]

Vlammenwerpers waren een Duitse vinding en deden in 1915 hun intrede in de strijd aan het Westfront. Ze kregen in Nederland niet veel aandacht. In april 1916 achtte divisiecommandant Philip Wilhelm Weber (1857-1938) de invoering wenselijk en twee maanden later vroeg zijn collega van de III divisie een exemplaar om oefeningen mee te houden. [74] Waarschijnlijk zijn deze verlangens niet op korte termijn gehonoreerd want pas in de najaar van 1917 zien we de eerste serieuze pogingen in Oldebroek dit wapen te beproeven en bogen de technici zich over de meest wenselijke brandstof. Juist in die periode wenste Snijders dat het Nederlandse leger net als het Duitse zou beschikken over stormtroepen[75] en in hun arsenaal paste een dergelijk wapen. De inlichtingdienst stelde rapporten over de Duitse „vuurspuitafdelingen” samen en analyseerde hun technische en tactische inzet.[76]

De proeven duurden een jaar. Het Munitiebureau regelde de materialen en organiseerde de oefeningen, het chemisch laboratorium van de Artillerie Inrichtingen hield zich bezig met de samenstelling van de brandstof. Het prefereerde zwaveldioxide, sumatrine, een product van de BPM, en benzol maar omdat leveringsproblemen een rol speelden was beter te kiezen voor een mengsel van benzine met of petroleum danwel alcohol of brandspiritus. De cylinders met koolzuur, om de druk in de spuit op te bouwen, werden geleverd door de Rotterdamse firma Korpershoek. In Oldebroek en in de duinen bij Scheveningen werden proeven gehouden. Snijders zelf woonde de proeven in Scheveningen van 1 november bij. Het definitieve besluit een eenheid op te richten viel in december 1917, maar er was toen nog geen sprake van inzetbaarheid. Pas in de zomer van 1918 werden vlammenwerpers afgeleverd bij de stormscholen en bij het Regiment Jagers om soldaten zich in het gebruik te laten bekwamen. De eerste formele „vlammenspuitafdeeling” dateerde van oktober 1918 onder eerste luitenant P.J.W. van Dongen. Dat was een maand na de levering van de eerste dertig lichte en dertig zware vlammenwerpers, echter nog zonder de voor de ontsteking noodzakelijke fosforcalcium. Na de wapenstilstand bleven deze wapens nog bij de stormscholen maar in 1922, toen ook die scholen verdwenen, beval de chef van de Generale Staf de afschaffing van dit wapensysteem aan. Het onderhoud was te duur en andere legers schaften het ook af. Het geld kon wel beter besteed worden.

Gasmasker, het onafscheidelijk aanhangsel van de moderne soldaat[77]

De aanzet tot tegenmaatregelen viel bijna samen met die van de strijdgassen zelf. De commandant in Zeeland vroeg in juni 1915 op de verbandplaatsen zuurstofkoffers en respiratoren beschikbaar te krijgen.[78] Hieraan gaf de inspectie van de geneeskundige dienst gehoor, er waren in 1917 driehonderd koffers beschikbaar.[79]  In september 1915 was het eerste gasmasker gereed, ontworpen door de geneeskundige dienst en de AI. De Haagse firma van J.M.C. van Borselen kreeg de opdracht er 23.500 te maken, die werden opgelegd in het Rijksmagazijn van Geneesmiddelen in Amsterdam. Enkele maanden later was er ook een voorschrift. Dit eerste beschermingsmiddel bestond uit een mondkap met een bril (model A). Ze werden in de tweede helft 1916 ter oefening bij de troep geïntroduceerd. In februari 1917 waren er van het eerste model 39.000 beschikbaar.[80]

In de loop van 1916, na proeven bij de fabriek van Van Dorp in Katwijk, bleek dat effectievere bescherming, beter aansluitend aan het gezicht van de soldaat, noodzakelijk was.[81] Bovendien was gebleken dat de mondkapjes niet volstonden, maar de soldaat een bus met beschermingsmiddel die het gas onschadelijk maakte moest hebben, met een slang verbonden met het masker (model B). In december 1916 oefende een compagnie van het Regiment Grenadiers en Jagers met een dergelijk proefmodel. Er kwam in oktober 1916 een order van de Geneeskundige Dienst voor 50.000 stuks bij de firma J.F. Vermeulen in Amsterdam. De trage levering stoorde de inspecteur van de geneeskundige dienst, zeker toen de minister er op aandrong dat er in juni 1917 150.000 beschikbaar moesten zijn.[82]

Het was wel nodig dat de productie nu goed op gang kwam. Snijders achtte het juli 1917 noodzakelijk dat elke soldaat te velde een masker kreeg, hij wilde er 300.000 tot zelfs 400.000 hebben. Hiermee was hij teruggekomen op een eerdere opvatting dat gas alleen in de linies en stellingen gebruikt zou worden en dat bescherming verstrekt kon worden wanneer zich ergens een noodsituatie voordeed.[83] Hij had inmiddels een miljoen gulden voor de maskers beschikbaar gekregen. Behalve voor het masker zelf was dat ook voor de fabricage van bussen, die van blik[84] gemaakt werden, en van brillen. Het Munitiebureau kreeg in augustus 1917 opdracht de aanschaf en fabricage te organiseren.[85] Het benaderde particuliere industrieën om snel tot een leverantie van 100.000 te komen, later te verdubbelen. Voor die tweede 100.000 begon de productie in het voorjaar van 1918.

Inmiddels had de inspecteur zijn oog laten vallen op een nieuw ontwerp masker dat de Bredase ‘mecanicien’[86] Frans Otten (1880-1976) samen met Van Waegeningh had vervaardigd. Kapitein Joseph Emile Hubert van Waegeningh (1870-1944)[87], als apotheker verbonden aan het garnizoen Breda, had op eigen initiatief een gasmaskervulling ontwikkeld bestaande uit potas-zinkoxide en urotropine, dat beschermde tegen chloor, fosgeen, blauwzuur, zwaveldioxide en nog een aantal andere giftige gassen. Dit ontwerp was kort voordien al in opspraak gekomen. In juni 1917 had een van Van Waegeninghs assistenten, de arts Henri van Meer, contact gelegd met Duitse autoriteiten voor een eventuele koop van dit masker. In oktober bezochten twee Duitse chemici met dit doel voor ogen Breda. Zij boden vijftigduizend gulden. Nadat Van Waegeningh Snijders hiervan op de hoogte had gesteld, verbood Snijders verder elk contact met de Duitsers. In april 1918 bepaalde de minister dat Van Waegeningh de chemische samenstelling van het gasmaskerfilter niet aan derden prijs mocht geven. [88]

In de tweede helft van 1917 nam het leger Ottens en Van Waegeninghs masker in beproeving (model Otten) om te bepalen hoe effectief het was tegen de gassen die zij claimden. De beslissing of dit masker in productie genomen moest worden en welke vergoeding daar tegenover moest staan kwam in handen van een commissie van deskundigen: Gey van Pittius, de arts F.A. van Suchtelen en de kapiteins Van Riemsdijk en Van Munnekrede. Begin 1918 wenste Snijders 100.000 maskers van het systeem Otten, al zou dit aantal door het gebrek aan formaline, nodig als vulmiddel, voorlopig nog niet geproduceerd kunnen worden. De opperbevelhebber was misschien wat ongeduldig, want de proeven met de vulling liepen de eerste maanden van 1918 nog door. Hiervoor werden de Utrechtse laboratoria van Van Romburgh en zijn collega farmacie Nicolaas Schoorl (1872-1942) gebruikt. Het Munitiebureau ging in juli akkoord met de serieproductie van model Otten en de minister maakte in augustus middelen vrij om tot een totale gasmaskervoorraad van 600.000 te komen, de helft van het model Otten, de andere van model C, een doorontwikkeling van het model B. Een inmiddels geplaatste bestelling van 100.000 gasmaskers in Engeland bleef gewoon staan. Juni 1918 was ook duidelijk geworden dat iedere soldaat zijn eigen, individuele gasmasker diende te hebben om een optimale bescherming te verzekeren. Voor het testen daarvan werd begonnen met de bouw van kleine gesloten ruimten.

Het gevolg van de langdurige proefnemingen en tekorten aan grondstoffen was dat er in mei 1918 nog maar 50.000 gasmaskers beschikbaar waren[89], maar dat aantal steeg nadien snel. Eind september 1918 was een voorraad van 200.000 maskers aangemaakt.[90] Dit betrof de modellen B en C. Een maand later waren er meer dan 250.000. Dit deelde de minster van Oorlog in een geheime nota aan de leden van de Tweede Kamer mee.[91] Er had zich eerder dat jaar een mooie kans voorgedaan het aantal snel verder te verhogen toen in mei onderhandelingen geopend werden met Britse militaire autoriteiten. Het ging om de vraag wat het Nederlandse leger van de Britten aan materieel zou willen ontvangen, indien de Britten Nederland zouden ondersteunen in het geval van een Duitse aanval. De legerleiding zette in juni 200.000 gasmaskers op het verlanglijstje.[92] Uiteindelijk leidde het tot niets omdat de Duitse aanval uitbleef. Bij de wapenstilstand bezat de krijgsmacht dus ruim 250.000 gasmaskers, het streven was geweest er over 600.000 te kunnen beschikken.

Het model van Otten, dat daarvan de helft zou moeten uitmaken, was echter nog steeds niet in massaproductie genomen. De proeven met de chemische samenstelling van de vulling duurden lang en juridische problemen over het octrooi en financiële over de vergoedingen waarop Otten en Van Waegeningh recht zouden hebben zorgden voor vertraging. In oktober 1918 had Van Roijen wel vastgesteld dat dit masker effectiever was tegen fosgeenaanvallen, daarom zouden er 400.000 van gemaakt moeten worden in plaats van 300.000 Minister George August Alexander Alting von Geusau (1864-1937) ging hiermee akkoord, maar het einde van de oorlog maakte aan dit voornemen ook een einde.[93] Uiteindelijk kreeg Van Waegeningh in september 1919 twintigduizend gulden vergoeding van het ministerie van Oorlog. Behalve via chemische proeven kreeg het leger ook via ondervragingen van deserteurs informatie over gasmaskers. Deze rapporten stuurde de inlichtingendienst naar het Munitiebureau.[94]

Gasmaskers riepen in het publieke debat veel meer reacties op dan het gaswapen. Dit zal waarschijnlijk komen door het geheime karakter van de wapenproductie enerzijds en anderzijds de relatie tussen de factor moreel en de beschikbaarheid van beschermingsmiddelen. Alle Nederlanders, dus ook de gemobiliseerde soldaten, konden uit de krant en de geïllustreerde bladen over de verschrikkingen van de gasoorlog lezen. Hoe zou de Nederlandse militair vechten bij de gedachte een gasaanval over zich heen te kunnen krijgen, als hij geen beschermingsmiddelen had?

In april 1916 legde de commandant van de IV divisie, Weber, de vinger al op de zere plek in een brief aan de commandant van het veldleger waarin hij stelde dat het gebrek aan ondermeer gasmaskers het vertrouwen van de troep in de legerleiding schaadde.[95] Het Kamerlid Jan Bomans (1885-1941) (RKSP) noemde op 16 februari 1917 in een opsomming van wat er zijns inziens nog ontbrak aan het leger ook „verstikkende gassen” en „traanverwekkende chemicalieën”. Toen minister van Oorlog Bonifacius Cornelis de Jonge (1875-1958) in april 1918 met Snijders en de hoge legerautoriteiten discussieerde over de verdedigbaarheid van Nederland in geval van een Duitse aanval, constateerde de sous-chef van de Generale Staf Willem Frederik Pop (1858-1931) dat gasmaskers en -granaten nog steeds onvoldoende aanwezig waren en Johannes Burger (1861-1928), verbonden aan het Algemeen Hoofdkwartier, stelde vast dat de Duitsers zeker gas zouden gebruiken. Veldlegercommandant Willem Hendrik van Terwisga (1861-1948) legde bij die gelegenheid opnieuw het verband tussen gasmaskers en moreel.[96]

Institutionalisering

Voor de regering en legerleiding was duidelijk dat de chemie onlosmakelijk met oorlogvoering was verbonden en dat Nederland kennis moest behouden en ontwikkelen. Het Munitiebureau speelde hierin een belangrijke rol, vooral als bouwer aan een netwerk, maar dat loste de vraag van kennisbehoud op langere termijn niet op. Gedurende de mobilisatie zien we de eerste aanzetten tot institutionalisering van chemie binnen de krijgsmacht. We zien dit in organisaties en voorschriften.

In september 1918 vond de eerst stap plaats met de oprichting van een scheikundig-technische dienst, gevestigd in Utrecht. Als reden voor de oprichting gaf het Munitiebureau de snelle, gecompliceerde ontwikkelingen op dit gebied. De wetenschap was vertegenwoordigd in de persoon van Pieter van Romburgh (1855-1945), sinds 1902 hoogleraar organische chemie aan de universiteit Utrecht. Hij had ook expertise op het gebied van explosieven opgebouwd.[97] Van Romburgh was een leerling van Franchimont, de eerste hoogleraar in de organische chemie in Nederland. De krijgsmacht werd in deze commissie vertegenwoordigd door Van Waegeningh. Deze twee personen vormden een brug tussen de buskruitproductie enerzijds en die van chemische wapens anderzijds. Het was vooral dit laatste gebied waarop zij zich bewogen.

In oktober 1918 vond op dit deelgebied institutionalisering plaats met de oprichting van de chemisch-technische gasmaskerdienst, gesteld onder de inspecteur van de geneeskundige dienst, bestaande uit Van Waegeningh, de arts L. Hoejenbosch[98] en C. Hermans. De commissie van toezicht hierop bestond uit Gey van Pittius, Van Munnekrede[99], Van Suchtelen en Van Riemsdijk[100]. Deze commissie vormde een verbinding tussen wetenschap en de organisatie van de gasbescherming bij de troep. Zo zorgde de commissie voor de opleiding van gasinspecteurs die per november 1918 aan elke brigade werden toegewezen en voorzag ze de gasmaskerofficieren van chemische en technische informatie.

Op het niveau van de troep werd op compagniesniveau „een intelligent onderofficier aangewezen als gascontroleur voor den beschermingsdienst tegen vergiftigde gassen.” [101] Zijn takenpakket bestond uit controle van de gasmaskers, gebruik van de gongs tegen gasgevaar, opleggen van brandbare stoffen als tegenmaatregel tegen gaswolken,  waarnemen van windrichting en - snelheid en het nemen van ontsmettingsmaatregelen na een aanval. De gasmaskerofficier had hiervoor de eindverantwoordelijkheid evenals voor de instructie van de manschappen op dit gebied. Ten slotte moest deze officier scherven van vijandelijke gasprojectielen analyseren en doorzenden aan de brigadegasinspecteur. Al deze activiteiten waren dus volledig defensief gericht en gingen niet uit van inzet door Nederlandse troepen. Deze defensive instelling zette  zich ook na de mobilisatie voort. In de voorschriften kwam, als er al aandacht aan inzet van gas werd besteed, deze alleen voor in de vorm van defensieve maatregelen tegen de gevolgen ervan. In de Aanwijzingen bij de opleiding van de infanterie van 1923 werd alleen het gebruik van het gasmasker en nevels beschreven en er melding van gemaakt dat per regiment - het brigadeverband bestond niet meer - in de staf een gasofficier was opgenomen die adviseerde in geval van gasaanvallen over land en vanuit de lucht.

Behalve deze vormen van institutionalisering zien we op een hoger niveau dezelfde processen. Bundeling van krachten en onafhankelijkheid van importen waren in het algemeen belangrijke reacties bij het Nederlandse bedrijfsleven en de overheid ten tijde van de Eerste Wereldoorlog. Voor de chemische industrie, die de oorlog aanzienlijk sterker uitkwam dan deze er in gegaan was, gold dit zeker ook.[102] De mobilisatietijd betekende grote druk op de chemische productie, zowel kwalitatief als kwantitatief. Voor een aantal betrokkenen was dit een uitgelezen gelegenheid kracht te winnen door samenwerking binnen de bedrijfstak of door bundeling van krachten met universiteiten en de regering. Ondernemers zagen door deze bundeling van krachten kansen sterker uit de oorlog naar voren te komen bovendien maakten de onderlinge verwevenheid en afhankelijkheid van de chemische productieprocessen schaalvergroting ook wenselijk. De militaire productie ging in dit proces mee. Het is niet aan te geven welke omvang die productie van de totale chemische productie uitmaakte.

Sinds 1903 waren de chemici verenigd in de Nederlandsche Chemische Vereeniging. De mobilisatietijd voegde hier aan aantal belangrijke en krachtige organen aan toe, waarin vooral de relatie tussen wetenschap en bedrijfsleven centraal stond. In 1917 ontstond het Hoogewerff fonds ter stimulering van chemisch-technisch onderzoek. Namens de ondernemers in de chemische industrie zat Ter Horst in het bestuur hiervan. Homburg noemt dit stimuleringsfonds „een der belangrijkste chemisch-technologische ontmoetingsplaatsen”.[103]

Oproepen tot chemische bundeling van krachten gingen in de jaren 1917-1918 vooral uit van de Amsterdamse hoogleraar Hondius Boldingh, commissaris van de chemische fabriek in Naarden, en Hugo Rudolph Kruyt (1882-1959). Dit leidde in mei 1918 tot de oprichting van de Vereeniging van de Nederlandsche Chemische Industrie. Tot het bestuur traden Panhuys, de directeur van de koolteerfabriek in Krimpen aan de IJssel, Waller van de Gist en Spirtusfabriek, Kruyt en de directeur van de Naardense fabriek Van Dorp toe. Vanaf het begin sloten de ASF en de chemische fabrieken Vondelingenplaat, Ketjen en Naarden zich hierbij aan. Een van de taken was advies te geven aan de NOT om beter te kunnen onderhandelen met de Britten die voortdurend bang waren voor doorvoer naar Duitsland.

Hondius Boldingh wilde nog veel verder gaan. Hij wenste een echt nationale chemische industrie door fusering van alle belangrijke chemische bedrijven. Deze gedachte, die door de moeilijke oorlogssituatie wel enige aanhang had, leidde tot een aantal fusiebesprekingen. In december 1918 fuseerde ASF met de VCF en vestigde een nieuw hoofdkantoor met laboratorium in Utrecht. De maand voordien was een fusie van de bedrijven van Ter Horst, Ketjen en Van Dorp (Naarden) op het allerlaatste moment niet door gegaan.

Boldingh zette zijn strijd voort. Hij riep in januari 1919 opnieuw op tot samenwerking, ook als het ging om oorlogsproductie. Het resultaat was uiteindelijk beperkt: de oprichting in 1920 van de Nederlandsche Kleurstoffenfabriek (NKF) met oa J. Woltman, hoofd van het kabinet van de minister van Oorlog, namens dat Ministerie in de Raad van Bestuur. Een van de moederbedrijven was de fabriek Naarden. Ketjen en de fabriek in Krimpen aan den IJssel sloten zich aan.  De NKF mocht alleen directeuren en commissarissen bezitten die de Nederlandse nationaliteit hadden. Oud-minister van Oorlog De Jonge werd president-commissaris. Chemici vonden hun weg vanuit de trotylfabricage en de Artillerie Inrichtingen naar dit bedrijf.

Een andere, maar wel verwante vorm van samenwerking werd geïnitieerd door de Nobelprijswinnaar Hendrik Lorentz (1853-1928). In november 1917 stelde deze wetenschapper de oprichting van een „organisatie van wetenschappelijke krachten” voor en benaderde de Minister van Binnenlandse Zaken. Deze nam het idee over en gaf de Koninklijke Academie voor Wetenschappen een maand later opdracht te komen tot een bundeling van wetenschappelijke en economische kennis. Nu Nederland steeds meer op zichzelf werd teruggeworpen, moesten door samenwerking „volkswelvaart en weerbaarheid” worden verhoogd. Lorentz en Pieter Zeeman (1865-1943), ook een Nobelprijswinnaar, stelden een commissie van ondernemers en wetenschappers samen, onderverdeeld naar specialisme. Zeeman vergeleek het idee met de Amerikaanse National Research Council, de Britse Advisoring council for scientific and industrial research en de Franse Commission supérieure des inventions. Hoogewerff kwam met Lorentz en Zeeman in het hoofdbestuur. Voor de subcommissies chemie en munitie benaderden zij respectievelijk de hoogleraren Hondius Boldingh[104] en Van Romburgh. Deze laatste koos als commissieleden onder andere Ter Horst, Van Roijen, Berkhout en Gey van Pittius. Ter Horst zat ook in de commissie die chemische industrie vertegenwoordigde. Dit was gebeurd op voorspraak van Hoogewerff. In zijn aanbeveling gaf hij meteen toe, dat door zijn positie de keuze verdacht kon lijken, maar het beste alternatief, François Gerard Waller (1860-1935) van de Gist- en Spiritusfabriek, was al te druk. Bovendien meldde Hoogewerff nog dat tussen de superfosfaatfabriek in Amsterdam en de Vereenigde Chemische Fabrieken enige animositeit bestond.[105] Beide commissies vergaderden in 1918 een viertal keren. Voordat hieruit een werkelijk gezaghebbend orgaan kon uitgroeien, was de oorlog ten einde en daarmee vielen alle werkzaamheden stil. Formeel bleef Lorentz’ initiatief nog wel in leven, maar feitelijk betekende het weinig meer. Pas met de oprichting van TNO in 1930 kan weer gesproken worden van een vergelijkbare bundeling van krachten.[106] Hierin speelde Kruyt een belangrijke rol.

Kijken we naar de  organisatorische inbedding van de gasproductie en gasbeschermingsmiddelen, dan zien we dat gedurende de mobilisatie het Munitiebureau de spil was, aangevuld wat technische zaken betreft door de AI, die zelf niet produceerden. Gasmaskers waren een zaak van de Geneeskundige Dienst. Na de oorlog gingen beide activiteiten over naar de Generale Staf en het Ministerie. Was dit afwijkend van de belligerenten?

In Duitsland bestond sinds 1914 een chemische afdeling als onderdeel van de Kriegsrohstoffbehörde, dat weer onderdeel vormde van het Ministerie van Oorlog. De leider hiervan was Fritz Haber (1868-1934), die zijn chemische reputatie in de kunstmestontwikkeling had verdiend. Rond de jaarwisseling 1914-1915 kwam er een zelfstandig bureau voor deze wijze van oorlogvoeren onder Departement A van het Ministerie van Oorlog. Alle aspecten van gasoorlog en de bescherming hiertegen waren hierin gebundeld. Deze afsplitsing viel ongeveer samen met de eerste experimenten met militair gebruik van gas. De wetenschappelijke unput kwam van het Kaiser Wilhelminstitut, dat zeer nauw bij de technologische innovatie in de oorlogvoering betrokken was. In het bedrijfsleven speelden Bayer en BASF de vooraanstaandste rol. De Duitse Generale Staf bezat een Technische Sektion die in de persoon van Max Bauer (1869-1929) de contacten tussen de militairen en de industrie onderhield. Bauer werkte daarbij samen met Habers afdeling in het ministerie. Naar schatting waren in Duitsland 150 wetenschappers en 1500 tot 2000 burgers en militairen bij de gasoorlog betrokken.

Ook in Groot-Brittannië begon de wetenschappelijke oorlogsinzet vroeg. In november 1914 ontstond een wetenschappelijk war committee van de Royal Society. De chemicus en Nobelprijswinnaar William Ramsay (1852-1916) leidde het subcomité chemie. Na de eerste Duitse gasaanval ontwikkelden zich twee sporen. Gasmaskers en alles wat met gasgescherming te maken had kwam onder de geneeskundige dienst, het Royal Army Medical Corps. Dit viel op zijn beurt onder het Ministerie van Oorlog. Het ministerie van Munitie hield zich bezig met de offensieve inzet van gas, zowel de technische ontwikkeling als de beproeving en de productie. Dit was tot 1916 de verantwoordelijkheid van het Trench Warfare Department van dit ministerie. Nadien kwam er binnen dit ministerie een Design Group, waaronder een Chemical Warfare Department was geplaatst. De activiteiten van dit ministerie leunden sterk op steun vanuit de civiele academische wereld. Die wereld was op zijn beurt weer sterk vertegenwoordigd in het in november 1916 ingestelde Department for Scientific and Industrial Research. Uiteindelijk waren honderden academici en een dertigtal universiteiten ingeschakeld in de ontwikkeling van de gasoorlog. De operationele inzet van gas aan het front viel onder Special Brigade, voortgekomen uit de genie, waarin 600 tot 800 chemici werkten. Het meest vooraanstaand op dit niveau was generaal Henry Fleetwood Thuillier (1868-1953).

Het Britse leger bezat bovendien sinds 1916 een van de grootste experimenteer faciliteiten voor chemische oorlogvoering ter wereld, te weten in Porton Down (Wiltshire) waar eind van de oorlog maar liefst 1500 burgers en militairen werkten. De belangrijke fabriek was Castner-Kellnet Alkali Co aan de Mersey rivier in Runcorn Cheshire, nu deel van ICI.

Frankrijk ten slotte, kende sinds juli 1915 een Direction de Matériel Chimique de Guerre  als onderdeel van het ministerie van Oorlog. Drie bestaande bureaus waren daarin verenigd, die waren opgericht ter identificatie van gas, de ontwikkeling van de eigen gascapaciteit en van de operationele inzet. Alle aspecten van chemische oorlogvoering waren hierin dus verenigd onder bevel van een generaal van de genie. Er waren contacten met het Collège de France en de Sorbonne universiteit voor de wetenschappelijke steun en met vele chemische en medische laboratoria. Zodra het ministerie van Bewapening in 1916 een zelfstandige positie kreeg, werd deze problematiek daar ondergebracht. De belangrijkste fabrieken waren Chlore liquide in het departement Isère[107] en de Usine des Produits Chimiques d’Alais et Camargue[108].

1918-1925: ontmanteling en kennisbehoud

Na de wapenstilstand van november 1918 ontmantelde de legerleiding de capaciteit zelf een gasoorlog te kunnen voeren snel. Nog diezelfde maand ondernam het Munitiebureau de eerste pogingen de voorraden zwaveldioxide en zwavelzuur te verkopen. De voorraden bij Kralingse Veer, namens het Munitiebureau onder beheer van kapitein Johannes Jacobus de Reede (1866-1929)[109], werden in de zomer van 1919 op de Catharina van schipper Jansen opgeborgen. De loopgraafketels en cylinders, die in 1919 onverkoopbaar bleken, werden ondergebracht bij de stormscholen als oefenmateriaal. Ter Horst stopte bijna onmiddellijk met zijn aanzetten tot fosgeenproductie.

Per 1 juli 1919 werd de gasmaskerdienst ingekrompen tot alleen Van Waegeningh, die de beschikking kreeg over het instrumentarium uit Van Romburghs laboratorium. Hiermee versmolt de dienst eigenlijk met de commissie van toezicht. Kort nadien werd hij opgevolgd door Hermanus Johannes Antonius Feber (1867-1940), oud-docent artilleriewetenschappen aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda en oud-voorzitter van de Commissie van Proefneming, het belangrijkste technisch-innovatieve orgaan van de artillerie.

De voorraden waren in 1920 wel zo goed als verdwenen, de kennis wilde het leger wel behouden. Nu was het mogelijk informatie in te winnen bij de voormalige belligerenten, maar generaal-majoor M.A. Elout (1858-1944), directeur materieelaanschaf, wenste zelfs voor proefnemingen nog te kunnen beschikken over chloorpikrine - gemaakt uit fenol - , een in de oorlog gebruikt gas, en chloorkalk, dat in Vlaardingen nog in productie was. Het moest mogelijk blijven dat Nederland in geval van oorlog zijn 15cm kanonnen en 15cm houwitsers kon voorzien van gasprojectielen.  Minister van Oorlog Pop verschafte in juni 1921 7.000 gulden hiervoor. [110] Zijn opvolger Jannes Johannes Cornelis van Dijk (1871-1954) zette dit beleid voort en meldde dat in de Tweede Kamer.[111]

Verdere studie kwam in handen van de Commissie ter Bestudering van het Stikgasvraagstuk. Toen Van Romburgh gevraagd werd hiervan lid te worden, zodat defensie over zijn laboratoria kon blijven beschikken, stemde hij graag in. Hij adviseerde een jaarlijkse subsidie van vijfhonderd gulden. De chef van de Generale Staf zag het belang ook en stelde voor een Dienst Chemische Strijdmiddelen op te richten, onder hemzelf,  waarin kennis over wapens en afweermiddelen werd bijgehouden. Hij zag als andere terreinen waarop onderzoek noodzakelijk bleef de constructie van gasmunitie, gasbommen uit vliegtuigen, bescherming van dieren en rook- en nevelverwekkende strijdmiddelen. De generaal adviseerde behalve militaire autoriteiten ook Van Romburgh en Van Waegeningh hierbij te betrekken. De eerste prees hij voor zijn bijdrage aan het oplossen van het „stikgasvraagstuk” tijdens de mobilisatie en de ander voor „hoogst belangrijke diensten” geleverd op dit vakgebied. Van Waegeningh, inmiddels directeur van de Keuringsdienst van Waren in Maastricht, verklaarde in oktober 1922 bereid zijn diensten te leveren. Minister Van Dijk  ging januari 1923  akkoord met het voorstel en zo ontstond in februari de Commissie voor Chemische Strijdmiddelen waarin studie naar gebruik van en bescherming tegen chemische wapens waren verenigd. De Gasmaskerdienst van Feber ging hier in op. Voorzitter werd Gey van Pittius, naast Van Romburgh en Van Waegeningh trad Feber toe samen met nog enkele officieren. Minister Van Dijk verklaarde een maand later aan de commissie dat „zoolang niet onomstootelijk vaststaat, dat die strijdmiddelen op geenerlei wijze tegen ons gebruikt zouden worden” het nodig was hieraan aandacht te besteden. In het bijzonder was het gewenst, zo voegde de minister toe, te weten of „deze strijdmiddelen in verhouding tot de daarmee bereikte resultaten goedkooper zijn dan andere strijdmiddelen en op dien grond beter binnen het bereik liggen van onze beperkte geldmiddelen.”[112] Inzet tegen binnenlandse onrust achtte de minister onwenselijk. Deze opmerking liet zien dat de ervaringen van binnenlandse onrust in Nederland (november 1918) en Duitsland nog doorwerkten. In juli 1923 meldde de minister dat hij bereid was „een belangrijk bedrag uit te trekken voor chemische strijdmiddelen”.  Waarschijnlijk ging hierbij zijn eerste gedachte uit naar gasmaskers, waarvan er toen nog maar 100.000 direct bruikbare aanwezig waren.

De commissie inventariseerde intussen welke de capaciteit de Nederlandse industrie bezat, mocht de productie van chemische wapens weer urgent worden. Zij kwam in maart 1925 met een lijst, die bekende bedrijven uit de mobilisatiejaren bevatte: de buskruitfabriek in Ouderkerk aan de Amstel, het bedrijf van Ter Horst op de Vondelingenplaat - die de fosgeenproductie had voorbereid - , de fabriek in Katwijk en als nieuwkomer die van Polak in Amersfoort. De laatste twee achtte de commissie niet geschikt voor de aanmaak van fosgeen en mosterdgas op grote schaal.[113] In mei 1925 gaf Van Dijk middelen om in de Utrechtse laboratoria van de hoogleraar farmacologie en fysiologie Rudolf Magnus (1873-1927) dierproeven te houden. Magnus was in de Eerste Wereldoorlog in het Duitse leger bij de gifgasproductie betrokken geweest. Tevens kon een order van 10.000 kilo mosterdgas geplaatst worden bij de NV Nederlandsche Springstoffenfabrieken. Pas na de oorlog kwam kennis over dit gas in Nederland terecht.

In deze commissie moest het kennisbehoud plaatsvinden, maar binnen de krijgsmacht als geheel bleef chemische kennis marginaal. Slechts enkelen hielden zich naast de commissie met enige wetenschappelijke diepgang met deze materie bezig. De twee belangrijkste waren Dirk Hendrik Wester (1885-    ) en Dirk Hendrik Hiensch (1872-1940). De eerste was een in Bern opgeleide apotheker die in 1917 hoogleraar aan de Hogere Krijgsschool in Den Haag werd. In 1923 publiceerde hij De chemische oorlogvoering. De tweede, militair arts, gespecialiseerd in huidaandoeningen en oorlogsgassen, publiceerde in datzelfde jaar De gasoorlog.

De commissie werd in 1926 opgevormd tot de Commissie van Advies nopens Chemische en Aanverwante Verdedigingsvraagstukken onder leiding van de chemicus van de Artillerie Inrichtingen Adriaan Johannes der Weduwen (1896-1983). Hij pakte in november 1936 de draad weer op met een lezing Industrieel-chemische oorlogsvoorbereiding. Hij constateerde hierin dat de productiemogelijkheden in Nederland voor chemische wapens wat kennis, grondstoffen enz., betrof bijzonder gering waren. Der Weduwen zou zich gaan bezig houden met een proeffabriek voor mosterdgas bij de Artillerie Inrichtingen tot deze in 1938 werd gesloten. Na de oorlog zette hij de lijn voort met de oprichting in 1950 van de Rijksverdedigingsorganisatie (RVO-TNO). In de legerorganisatie bleef na de opheffing van de stormscholen in 1922 uiteindelijk alleen de in 1926 opgerichte Gasschool over, waarin alle aandacht uitging naar beschermingsmaatregelen. Gasbescherming werd een vast onderdeel waarmee alle militairen tijdens hun opleiding en taakuitoefening te maken kregen.

In de jaren twintig was het chemische wapen ook onderwerp van maatschappelijk debat geworden. De uitgesproken tegenstander ervan was David van Embden (1875-1962) links-liberaal lid van de Eerste Kamer en hoogleraar in Amsterdam. In vele publicaties en fora uitte hij zijn afkeer van bewapening in het algemeen en zeker ook van de inzet van chemische strijdmiddelen. Weerwoord kwam er in het publieke debat van militaire zijde. Naast Snijders en Van Waegeningh traden vooral de artillerieofficieren Abraham Johannes Maas (1883-1939) en Petrus Wilhelmus Best (1881-1960) naar voren. Zij beklemtoonden dat deze vorm van oorlogvoeren een realiteit was, waarvoor Nederland de ogen niet mocht sluiten en dat het chemische wapen in beginsel niet wreder of dodelijker was dan het conventionele. Zij vonden hierin minister Van Dijk aan hun zijde. De bewindsman wilde, zoals al bleek, niet afzien van testen en mogelijk bezit chemische wapens.[114] Het duurde tot 1930 voordat Nederland het Geneefse gasprotocol van juni 1925 ratificeerde. Dit protocol verbood het gebruik van chemische en biologische wapens, niet het bezit.

De erfenis

In de eerste jaren na de oorlog was vanuit Nederlands militaire zijde de roep om een meer van het buitenland onafhankelijke oorlogsindustrie duidelijk hoorbaar. De ontnuchterende vier mobilisatiejaren waarin de kwetsbaarheid van de Nederlandse oorlogsinspanning, de afhankelijkheid van goederen en kennis uit het buitenland zo pregnant gebleken was, klonk hierin door. In het Militair Technisch Tijdschrift van februari 1919 betoogde de innovatieve artillerieofficier Karel Eduard Oudendijk (1872-1955): „De afgeloopen oorlog heeft toch wel geleerd dat de moderne oorlog een uiterst krachtige, van het buitenland zooveel mogelijk onafhankelijke industrie eischt.”[115] In maart 1919 betoogde Hein Israel Waterman (1889-1961) in zijn Delftse oratie dat de oorlogsjaren het bewijs van de noodzaak voor een nationale chemische industrie hadden geleverd.[116] En zoals ook al bleek uit de activiteiten van Boldingh had de industrieel-wetenschappelijke samenwerking op chemisch gebied een belangrijke impuls gekregen. Bovendien waren de fabrieken aanzienlijk gegroeid. Het laboratorium van de BPM in Amsterdam bijvoorbeeld ging met negen medewerkers de mobilisatie in en kwam er met dertig uit.[117] Toch was de oogst voor de krijgsmacht uiteindelijk maar gering. De Artillerie Inrichtingen, de plaats bij uitstek waar dit had moeten gebeuren, maakten weliswaar een enorme groei door, het personeel verzevenvoudigde, maar na de demobilisatie smolt dat grotendeels weer weg. In de jaren twintig werkten prominente chemici, zo lijkt het, niet voor het leger.

Onderstaande tabel[118] geeft aan waar de belangrijkste contacten in de vorm van werk- en belangrijkere overlegrelaties lagen wat betreft de militair-chemische productie. Er was zeker sprake, zo kunnen we constateren, van een netwerk dat ondernemers, academici en militairen omvatte. Het heeft er echter alle schijn van, dat dit een gelegenheidscoalitie was en uiteenviel zodra de oorlogsdreiging wegviel.

 

  VCF BPM CFN Katw. Vond Muiden MB AI GS Gey Waeg. Romb Hond Hoogew
VCF-ASF             x           x  
BPM         x   x              
CFN             x           x  
Katw.               x x     x    
Vond.   x         x         x x x
Muiden             x x   x x      
MB x x x   x x     x x   x    
AI       x   x       x   x    
GS             x     x x x    
Gey           x x x x   x xx x  
Waeg.           x     x x   x    
Romb       x x   x x x x x   x  
Hond x   x   x         x   x   x
Hoogew         x               x  

 

De kleine commissies die na 1918 binnen de legerorganisatie de kennis en contacten vast moesten houden waren onvoldoende fundament voor een stevig, blijvend militair-wetenschappelijke-industriële infrastructuur op chemisch gebied. De jaren twintig hebben zowel wat fondsen betreft als wat het algemene antimilitaire klimaat veel van wat in 1914-1918 was gegroeid tussen krijgsmacht, industrie en academische wereld, in ieder geval op chemisch gebied doen verdwijnen. Het zal nader onderzoek vereisen om te zien in hoeverre de activiteiten in de jaren dertig toch nog voortbouwden op de contacten en kennis van de mobilisatiejaren. Die draad zou pas weer in de tweede helft van de jaren dertig weer opgepakt worden. Een orgaan dat zo’n centrale rol speelde als het Munitiebureau ontbrak in het Interbellum. Bovendien was door het wegvallen van iedere ambitie chemische wapens te produceren, ook de noodzaak voor samenwerking met de industrie grotendeels weggevallen. De fabrieken in Muiden en Ouderkerk gingen eigenlijk op de oude, vooroorlogse wijze door met kruitfabricage, zij het dat het meer kenmerken van een staatsbedrijf vertoonde.

Wat de chemische industrie betreft, uit de analyse in de Geschiedenis van de techniek in Nederland in de twintigste eeuw[119] blijkt duidelijk het belang van de Eerste Wereldoorlog voor de ontwikkeling van de chemische industrie en de stimulerende rol die defensieopdrachten daarin speelden. Het procentuele belang hiervan ten opzichte van de civiele chemische industrie is echter niet vast te stellen. Erg groot zal het niet geweest zijn. De bedrijfstak kwam in deze vier jaren tot volwassenheid met een scala aan producten. Zowel netwerken van industriëlen en academici breidden uit  als de interne research van bedrijven expandeerde.

Kunnen we toch spreken van aspecten van total mobilisation? Zeker kunnen de in de jaren 1914-1918 opbebouwde contacten tussen ondernemers, academici en miliairen als een aspect hiervan beschouwd worden. Al bleef het op chemisch gebied een klein gezelschap, het was een nieuw fenomeen in zijn structuur zeker vergelijkbaar aan wat plaatsvond bij de belligerenten. Leggen we hier ook de metaalindustrie naast, dan wordt de omvang al groter. Ook de uitlatingen vanuit alle drie groepen, dat er een nationale chemische industrie moest komen, kunnen in dit kader worden beschouwd. Schaalvergroting hoort hier ook onder, al was de impuls hiertoe in 1914-1918 vooral vanuit de industrie zelf afkomstig uit economische overwegingen, en niet opgelegd. Ook de aarzeling van de kant van de overheid zelf als ondernemer op te treden geeft aan dat er nog beperkingen waren ten aanzien vcan de vraag hoe ver de staat wilde gaan. Wel faciliteerde de staat nadrukkelijk militaire productie en zette daartoe ruime financiële en juridische middelen in zonder dat daar veel verzet tegen was. Was de noodzaak nog hoger ingeschat, dan kon dit verder kracht bij gezet worden.

Noten

[1] Wilhelmus Johannes Franciscus Juten (RK) in de Tweede Kamer 25 mei 1916. Ik dank prof. E. Homburg voor zijn hulp bij de totstandkoming van dit artikel.

[2] M. Abbenhuis The art of staying neutral Amsterdam 2006.

[3] R. Chickering en S. Förster Great War, Total War Cambridge 2000.

[4] R.D. Müller, „Total war as a result of new weapons” in R. Chickering en S. Förster Great War, Total War (Cambridge 2000) 111.

[5] W.A. Feitsma Delft en haar krijgsgeschiedenis (Rijswijk 1987) 132-134 en H.A.M. Snelders „De scheikundige laboratoria van de defensie artillerie-inrichtingen in de negentiende eeuw” in: H.L. Houtzager ea (red.) Kruit en krijg (Amsterdam 1988) 207-217. De fabriek heet sinds 1973 Eurometaal. In 2002 is het complex gesloten.

[6] Nu onderdeel van het Prins Maurits Laboratorium te Rijswijk

[7] H. Nägele Geen oorlog, geen munitie (Haarlem 1979) 63-88 en J. Jungeling „Staatsbedrijf van de Artillerie-Inrichtingen” in J. Kooiman De Nederlandsche strijdmacht en hare mobilisatie in 1914 (Purmerend zj) 130-182.

[8] Een van de eigenaren van de chemische fabriek in Venlo die later Océ Van der Grinten gaat heten.

[9] Aanvankelijk in de gemeente Nieuwer Amstel. Opgeheven als kruitfabriek in 1991. Nu restaurant Lute, gemeente Amstelveen. In deze fabriek werkte H.A. Rouffaer als chemicus.

[10] In Frankrijk geldt Paul Vieille (1854-1934) als uitvinder.

[11] Verslag Ornstein 28 februari 1916, Nationaal Archief Den Haag (NA), archief Artillerie Inrichtingen (AI) inv. nr. 2824 en N. Bosboom Onder moeilijke omstandigheden (Gorinchem 1933) 109-110.

[12] De Inundatiewet van 1896, Inkwartieringswet en de Oorlogswet van 1899 en de Legerwetten van 1898 en 1901 gaven de overheid een krachtiger instrumentarium voor optreden in het binnenland in tijden van mobilisatie en oorlog.

[13] Verslag kunstmestcommissie NA, archief Crisisinstellingen, kunstmestcommissie inv. nr. 593.

[14] Britse Foreign Office aan de Nederlandse gezant in Londen 29 september 1917, NA, archief Nederlandse ambassade in Londen inv. nr. 862.

[15] De chemicus van deze fabriek was Jan Rutten (1873-1946), later directeur van het gemeentelijk gasbedrijf Den Haag. De fabriek in Kralingse Veer bestaat sinds 1970 niet meer.

[16] Zie over de superfosfaat- en zwavelzuurindustrie in Nederland J.W. Schot (red.) Techniek in Nederland in de twintigste eeuw (TIN) Zutphen 2000, deel 2, 279-297.

[17] Later Albatros, nadien UKF,  nu ICL Firtilizers (Israel).

[18] De huidige zuidelijke ingang van de Coentunnel.

[19] Op de lokatie van het huidige Cindu. Ketjen was de enige fabriek die geconcentreerd zwavelzuur maakte dat noodzakelijk is voor de trotylproductie, zogenaamd contactzwavelzuur.

[20] Later AKZO-Nobel, nu Albemarle Catalysts Company (VS).

[21] W. Postma 75 jaar Vondelingenplaat (1976) 18.

[22] Necrologie in De Ingenieur 50 (1935) 14, door Wouter Cool.

[23] Heden ten dage het Franse bedrijf Atofina BV aan het Tankhoofd.

[24] Correspondentie Ter Horst - Treub december 1914, collectie Ter Horst, in familiebezit.

[25] Assistent van Hoogewerff, die zijn schoonvader was. Hij was gehuwd met de kunstenares Nancy Anna Hoogewerff (1883-1970). Knoops werkte onder andere bij de Koninklijke en had ervaring in Duitsland opgedaan bij Reisholtz waar mononitrotolueen werd gemaakt.  Zie F.C. Gerretson Geschiedenis der Koninklijke deel 3, 348-350.

[26] Later UAF.

[27] Zie P. Hendrix Henri Deterding (Den Haag 1996) 171 en E. Homburg „Explosives from oil” in: B.J. Buchanan Gunpowder, explosives and the state (Aldershot\Burlington 2006) 385-407.

[28] Bosboom In moeilijke omstandigheden 140.

[29] F.C. Gerretson Geschiedenis der Koninklijke (Baarn 1942) deel 3, 340.

[30] Nu Quest International geheten en onderdeel van ICI.

[31] Johnstone 3 augustus 1915 in C. Smit Bescheiden betreffende de buitenlandse politiek van Nederland 1848-1919 (’s-Gravenhage 1971) deel 137,  p. 211-212; Johnstone aan Grey 8 juli 1915 en memo Schuurman 14 juli 1915 National Archives Londen (NA-GB), Foreign Office (FO) 382/213 en 37½419.

[32] Buitenlandse Zaken aan Bosboom 19 juni 1916, NA, AI inv. nr. 2587.

[33] Bosboom aan Snijders 21 augustus 1915, NA, archief Generale Staf (GS) inv. nr. 275, J.A. van Wiechen Munitievoorziening door de eeuwen heen (’s-Gravenhage 1983) 55 en Bosboom omstandigheden 138-139.

[34] Bosboom aan Snijders 20 januari 1915, NA, GS inv. nr. 275.

[35] Alting von Geusau aan Snijders 21 oktober 1918, NA, GS inv. nr. 822 en G. de Bruin Buscruytmaeckers (Amsterdam 1952) 95.

[36] Later Muiden Chemie, dat in 1990 failliet ging.

[37] Verre familie van de Naardense Van Dorp.

[38] www.iisg.nl/ondernemers.

[39] Chemisch Weekblad (16) 1919 265-269.

[40] dr. A. Stoffel.

[41] De fabriek was in handen van de broers Eisso Pieter (1881-1918) en Hendrik Anne Stheeman (1887-1940). De chemicus was dr. Esser.

[42] Op basis van zout, zwavelzuur en bruinkool. In juli 1915 kocht de Artillerie Inrichtingen grote hoeveelheden bruinkool. L. Schmit, De behoefte is meer dan dringend (doctiraalscriptie UvA 1999)  92.

[43] Op basis van zwavelzuurhydride en methylalcohol.

[44] Bestaat uit chloor en kooloxide. Verslag Van Dorp 22 mei 1915, NA, GS, inv. nr. 2 en Berkhout 28 september 1915, NA, GS inv. nr. 304.

[45] AI aan Snijders 8 maart 1916, NA, GS inv. nr. 3.

[46] Bosboom aan Snijders 16 mei 1916, NA, GS inv. nr. 3.

[47] Snijders aan Fabius 28 augustus 1916, NA, GS inv. nr. 3 en Snijders aan Bosboom 5 december 1916, NA, GS inv. nr. 274.

[48] Snijders aan directeur aanschaf en verstrekkingen van artilleriematerieel 31 augustus 1917, NA, archief directeur materieel (AM) inv. nr. 3.

[49] Scheltema aan Snijders 14 januari 1918, NA, GS inv. nr. 274. op basis van een kabinetsmissive van 31 juli 1917.

[50] Verslag overleg Van Roijen en Snijders 11 september 1917, NA, AM.

[51] Van Roijen aan Snijders 3 januari 1918, NA, AM..

[52] Snijders aan directeur aanschaf en verstrekking 30 januari 1918, NA, AM.

[53] E. Bloembergen 75 jaar supersulfaat (Utrecht 1953) 85-86.

[54] Bosboom aan Snijders 25 juli 1916, NA, GS inv. nr. 497.

[55] Maandverslag Munitiebureau oktober-november 1916, NA, AM.

[56] Bosboom aan Snijders 19 april 1917, NA, GS inv. nr. 4.

[57],Schmit behoefte 107 en Bosboom aan Snijders 19 april 1917, NA, GS inv. nr. 4.

[58] Nota Snijders 16 januari 1918, NA, GS inv. nr. 705.

[59] Fabius aan commandant depot 2 RvgA 5 april 1917, NA, GS inv. nr. 494.

[60] Overzicht geleverd gasmaterieel per 1 maart 1918, NA, GS inv. nr. 624.

[61] Oefenverslagen januari-februari 1918, NA, GS inv. nr. 713.

[62] Ter Horst aan Alting von Geusau 2 oktober 1918, NA, 2.13.60.01

[63] Van Roijen aan directeur aanschaf en verstrekkking 22 oktober 1918, NA, AM.

[64] Telegram aan Stephen Pichon  (1857-1933) , minister van Buitenlandse Zaken,  4 juni 1918, militair archief Parijs, militair attaché Pays Bas, inv. nr. 7 N 1181.

[65] Inclusief difosgeen, dat alleen door Duitsland werd gebruikt.

[66] Snijders aan ondercommandanten 19 februari 1917, NA, GS inv. nr. 625.

[67] Hij speelde ook een belangrijke rol bij de constructie van de vlammenwerper.

[68] Eigendom van ir. Hermanus Eliza Verschoor van Sleeuwijk (1874-1945).

[69] Schmit behoefte 97.

[70] Petrus Josephus van Munnekrede (1873-1949) was leraar aan de Hogere Krijgsschool en een belangrijk deskundige op het gebied van tactiek en techniek van de loopgravenoorlog.

[71] Stukken betreffende rookgordijnen, 1916-1918, NA, GS inv. nr. 459

[72] Van Roijen aan Van Dam 20 februari 1917, NA, AI  inv. nr. 2636.

[73] Snijders aan Stuten 25 maart 1918, NA, GS inv. nr. 754.

[74] Commandant III divisie aan Snijders 29 juni 1916, NA, GS inv. nr. 485.

[75] Zie over de Nederlandse stormtroepen Schmit  behoefte.

[76] Rapporten GS III vlammenwerpers 2 september 1917, NA, GS inv. nr. 569. Zie ook Het Leven augustus 1917, p. 1039 en een verslag van ritmeester C.J. Nierstrasz  (1873-1921) over vlammenwerpers naar aanleiding van een bezoek aan het Westfront  21 november 1917, NA, GS inv. nr. 596.

[77] NRC 4 juli 1916.

[78] Commandant Zeeland aan Snijders 10 juni 1915, NA, GS inv. nr. 555.

[79] Snijders aan Van Terwisga 11 april 1917, NA, HV inv. nr. 225. Van Waegeningh werkte aan dit project.

[80] Quanjer aan Bosboom 7 september 1915, NA, GS inv. nr. 555.

[81] Snijders aan Bosboom 7 oktober 1916, NA, GS inv. nr. 555.

[82] Quanjer aan Snijders 25 juni 1917, NA, GS inv. nr. 555.

[83] Snijders aan Van Terwisga 24 maart 1916, NA, 2.13.61.01 inv. nr. 5.

[84] Geleverd door de Vereenigde Blikfabrieken Amsterdam en verkregen door vordering.

[85] Van Roijen aan Snijders 17 augustus 1917, NA, GS inv. nr. 642.

[86] Hij fabriceerde fietsen, motoren, lampen, gasfittingen en nog vele andere apparaten. Met Van Waegeningh deelde hij een passie voor fotografie en experimenteren met kleurenfoto’s.

[87] P. van der Pol, „Kapitein Van Waegeningh” Breda’s Museum Post 9 (2000), 1, 26-33.

[88] Dossier Otten 1917-1918, NA, GS inv. nr. 555.

[89] De Jonge aan de ministerraad 8 mei 1918, C. Smit Bescheiden (’s-Gravenhage 1964) deel 116, 503-506.

[90] Van Roijen aan Snijders 26 september 1918, NA, GS inv. nr. 555.

[91] Nota aan de Tweede Kamer oktober 1918, NA, GS inv. nr. 705.

[92] Directeur aanschaf en verstrekking 8 juli 1918, NA, GS inv. nr. 821.

[93] Dossier gasmasker Otten en Van Waegeningh, Breda’s Museum.

[94] Verslag over gasmaskers van GS III november 1917, NA, GS inv. nr. 555.

[95] Weber aan Van Terwisga 12 april 1916, NA, HV inv. nr. 197.

[96] NA, Archief De Jonge, inv. nr. 47. Hij had dat ook al gedaan in een brief van 28 december 1917, NA, HV inv. nr. 225.

[97] NRC 8 juni 1915.

[98] Tijdens de mobilisatie ten behoeve van de gasdienst werkzaam bij het Munitiebureau. Later werkzaam bij de firma Polak in Amersfoort.

[99] Wegens zijn drukke werkzaamheden vervangen door Merens.

[100] In november 1918 vervangen door J.W. Peppelman van Kampen (1880-1951).

[101] Voorschrift Maatregelen tegen gasgevaar (1918).

[102] TIN deel 2, 331.

[103] TIN deel 2, 309.

[104] Hij zag er van af, in zijn plaats kwam Arnold Frederik Holleman (1859-1953).

[105] Hoogewerff aan Lorentz  23 december 1917.

[106] J. Faber Kennisverwerving in de Nederlandse industrie (2001) 34 en 37.

[107] Nu Chloralp (VS).

[108] Later Péchiney.

[109] Ingedeeld bij de artillerie van de Landweer.

[110] Pop 30 juni 1921, NA, GS inv. nr. 274.

[111] Handelingen Tweede Kamer 1921-1922, p. 1057, 14 december 1921.

[112] Van Dijk aan Commissie Chemische Strijdmiddelen 5 maart 1923, NA, GS inv. nr. 992.

[113] Opmerkelijk is dat in een artikel in de Tribune van 2 april 1932 naar dit onderzoek werd gerefereerd.

[114] Handelingen Tweede Kamer 1921-1922, 1057, 14 december 1921. In zijn Memorie van Antwoord op de defensiebegroting verklaarde hij het gebruik van gasprojectielen „in het oog” te houden.

[115] P. 597.

[116] NRC 23 maart 1919 en H.A.M. Snelders De geschiedenis van de scheikunde in Nederland (Delft 1997) 31.

[117] Snelders scheikunde, 180.

[118] Van links naar rechts staan aangegeven de bedrijven (superfosfaat; olieproducten; Chemische Fabriek Naarden; Chemische Sociëteit Katwijk; Vondelingenplaat en de Buskruidmakers); de militaire spelers (Munitiebureau; Artillerie Inrichtingen; Generale Staf; Gey van Pittius en Van Waegeningh) en de academische wereld (Van Romburgh; Hondius Boldingh en Hoogewerff).

[119] TIN deel 2, p. 315, 322 en 330.

overzicht: