IJzeren Doodskisten

Het onderzeebootwapen in de Eerste Wereldoorlog

Auteurs: J.H.J. Andriessen, G. Kip, P. Pierik en A. Sam
Uitgeverij: Aspekt
Isbn: 90-5911-377-2

In de serie Eerste Wereldoorlogboeken die uitgeverij Aspekt met de regelmaat van de klok doet verschijnen neemt “IJzeren doodkisten, het U-bootwapen in de Eerste Wereldoorlog” weer een geheel eigen plaats in. Aan het onderwerp “onderzeeboten” wordt in de literatuur over de Eerste Wereldoorlog maar mondjesmaat aandacht geschonken en het is dan ook een goede gedachte van Aspekt om deze materie nu eens onder de loep te nemen.

De hervatting van de onbeperkte duikbootoorlog is wel een van de meest bekritiseerde beslissingen geweest welke het Duitse oppercommando ooit heeft genomen.

Veel historici zijn van mening dat dit besluit tot gevolg heeft gehad dat Amerika aan de kant van de geallieerden aan de oorlog is gaan deelnemen en dat Duitsland daardoor het definitieve doodvonnis over zichzelf heeft afgeroepen.

 

In “IJzeren doodskisten’ gaan vier auteurs hier uitgebreid op in en benaderen dit belangwekkende en interessante onderwerp elk vanuit een verschillend gezichtspunt. Een van de vier onderwerpen werd reeds eerder uitvoerig besproken in het boek “De Mythe van 1918”, eveneens uitgegeven bij Aspekt, waarin het einde van de Eerste Wereldoorlog in al zijn facetten wordt behandeld.

 

De onderzeeboot werd in eerste instantie niet gezien als een belangwekkend aanvalswapen. Het was de Britse admiraal Lord Fisher die, als eerste, de kracht van de onderzeeboot hoog inschatte en het is opvallend dat Fisher, die aan de wieg stond van het reusachtige slagschip de “Dreadnought”, toentertijd als het summum van gevechtskracht beschouwd, zich tegelijkertijd realiseerde dat met de bouw er van, tevens het eind van de grote slagschepen in zicht kwam.

Bij het te water laten van de eerste Britse onderzeeboot was het Fisher die onmiddellijk het enorme belang van dit wapen inzag en er propaganda voor maakte. Het lukte hem echter niet om de regering en zijn collegae van de Britse admiraliteit van het immense belang van de onderzeeboot als aanvalswapen te overtuigen. Zijn argumenten voor de bouw van de Dreadnought waren te intensief en overtuigend geweest en hij zou zich ongeloofwaardig hebben gemaakt door te veel het grote belang en de voordelen van de onderzeeboot te benadrukken..Toch kon hij het niet laten om van tijd tot tijd anderen voor zijn standpunt te winnen. In 1904 schreef hij:”I don’t think.it is even faintly realized- the immense impending revolution which the submarines will effect as offensive weapons of war”.

 

In 1909 echter, als gevolg van de paniek die de Britse Admiraliteit veroorzaakte door alarm te slaan over een beweerde Duitse voorsprong op het gebied van zware slagschepen, was niemand meer geïnteresseerd in onderzeeboten. Het was al “Dreadnought” wat de klok sloeg en de bouw van deze gewapende reuzen kreeg de hoogste aandacht. . In 1911 veranderde de situatie bij het aantreden van Churchill als “First Lord”. Het begon er mee dat deze bezorgd raakte over de toename van het aantal Duitse onderzeeboten. Ook Churchill was er van overtuigd dat de dagen van de grote slagschepen geteld waren en dat het verstandig zou zijn om veel meer onderzeeboten te bouwen. Hij werd in deze mening gesteund door een memorandum van Lord Fisher die o.a schreef:” The submarine is the coming type of war vessel for sea fighting and as such should first of all be developed by that power whose existence depends on the Navy”.

Fisher werd opvallend genoeg in deze mening gesteund en aangevuld door Admiraal Sir Peercy Scott die, in een brief aan de Times, openlijk verklaarde dat: “now that submarines have come in, battleships are of no use either for defensive or offensive purposes and consequently, building any more in 1914 will be a misuse of money subscribed by the citizens for the defence of the Empire”.

Dat was zware taal en het zal duidelijk zijn dat van behoudende zijde na deze verklaring een storm van protest en ongenoegen over Scott losbarstte. Het laatste woord over deze kwestie was daarmede echter nog niet gesproken.

Bij het uitbreken van de oorlog bezat Gr.Brittannie meer dan 70 onderzeeboten terwijl er 19 in aanbouw waren. Duitsland bezat toen 30 onderzeeboten waarvan er 20 vaargereed waren terwijl er nog 20 boten in aanbouw waren.

Toen een Duitse U-boot er op 22 september in slaagde om binnen het uur 3 Britse kruisers, de Cressy, Hogue en Aboukir, tot zinken te brengen sloeg dat in Gr.Brittannie in als een bom en zo er nog weerstanden tegen de bouw van onderzeeboten waren dan was die weerstand na deze dramatische gebeurtenis volledig verdwenen..

Als een onderzeeboot in staat was om de slagvloot tot zinken te brengen, zo was de openbare mening, dan behoorde een invasie waarschijnlijk ook tot de mogelijkheden. De paniek sloeg toe en de kruistocht die admiraal Fisher gevoerd had voor een sterke uitbouw van het onderzeebootwapen had dan uiteindelijk toch nog positieve gevolgen. Vanaf dat moment versnelde Gr.Brittannie de bouw van onderzeeboten o.a resulterend in een opdracht voor de levering van 20 onderzeeboten bij de Amerikaanse staalgigant Bethlemen Steel, een order waarover elders in dit boek meer valt te lezen.

 

Was in Gr.Brittannie admiraal Fisher dus de man die met groot inzicht en voortvarendheid de bouw van onderzeeboten entameerde, zijn Duitse tegenpool, admiraal Tirpitz zag lange tijd het nut van deze boten absoluut niet in. Hij verklaarde pas in de onderzeeboot te zullen geloven als het militaire nut daarvan eerst zou zijn bewezen.

In 1902 bouwde de Duitse staalgigant Krupp voor eigen risico een kleine onderzeeboot, slechts 15,5 ton groot met een actieradius van 4,5 mijl. De Duitse marine toonde zich echter in het geheel niet geïnteresseerd en uiteindelijk werd de boot door de Russen gekocht.. Ze zou onder de naam Forel, dienst gaan doen bij Vladiwostok maar schijnt daar echter nimmer te zijn aangekomen..

 

Na de Agadir crisis in 1911 begon men echter ook in Duitsland het belang van de U-boot in te zien en men startte een ambitieus bouwprogramma. Bij het uitbreken van de oorlog in 1914 had Duitsland echter nog slechts 20 boten die vaargereed waren. Dat zou overigens al spoedig veranderen en de een na de andere U-boot liep daarna van stapel. In 1915 werden 100 nieuwe U-boten aan de vloot toegevoegd. In januari 1916 bezat Duitsland reeds 185 U-boten en dit aantal nam nog gestadig toe.

Het Duitse bouwprogramma kreeg nog een extra impuls na de slag bij Jutland. Hoewel de Duitsers dit titanengevecht met de trotse Britse vloot terecht als een overwinning te boek stelden, was het hen daarbij tegelijkertijd toch wel duidelijk geworden dat de in aantal veel kleinere Hochsee Flotte niet in staat zou zijn de Britse Grand Fleet effectief te verslaan of de Britse blokkade te kunnen breken.

Na de slag adviseerde admiraal Scheer de Rijkskanselier dan ook dat, wilde Duitsland de strijd tegen de geallieerden nog winnen, daartoe nog slechts een mogelijkheid open stond namelijk de bouw van nog meer onderzeeboten en de hervatting van de onbeperkte duikbootoorlog. Scheer zag dit nog als enig middel om de rol van de Duitse marine van beslissende invloed te laten zijn bij het behalen van de eindoverwinning. Bethmann Hollweg, de Rijkskanselier was echter faliekant tegen dit voorstel en verzette zich nog geruime tijd totdat ook hij zich moest neerleggen bij de eisen van het Duitse opperbevel. Dat zag de hervatting van de onbeperkte duikbootoorlog tenslotte nog als de enige mogelijkheid om de oorlog nog te kunnen winnen.

Aldus geschiedde en de uitslag van deze beslissing is inmiddels genoegzaam bekend. Hoewel de Duitsers er nog bijna in slaagden om Gr.Brttannie op de knieën te dwingen moesten ze hun pogingen tenslotte toch opgeven. . Door Amerikaanse hulp en door op het nippertje en na lang dralen over te gaan tot de invoering van het konvooisysteem keerden de kansen voor de geallieerden en werd Duitsland tenslotte gedwongen ook deze mogelijkheid op het beslissen van de strijd op voor haar positieve wijze, op te geven.

 

Na het sluiten van de wapenstilstand in november 1918 moest Duitsland 185 U-boten aan de geallieerden overdragen, zeven anderen zonken of liepen aan de grond op weg naar de plaats van overdracht terwijl 192 U-boten zonken of aan de grond liepen voordat ze in handen van de geallieerden vielen. Van de 13000 bemanningsleden verloren er ruim 5000 het leven tijdens vijandelijke acties of door verlies door andere oorzaken.

Ook de Britse onderzeebootvloot leed verliezen en uiteindelijk bleek de aanvalskracht van het onderzeebootwapen, als gevolg van moderne en nieuwe verdedigingsmiddelen toch minder groot dan zich in eerste instantie had laten aanzien.

 

Door de publicatie van dit boek draagt uitgeverij Aspekt wederom op positieve wijze bij aan de vergroting van de kennis in Nederland over deze ,ook voor de Nederlandse geschiedenis, zo belangrijke periode.

overzicht: