Hoofdstuk uit het boek “De oorlogsbrieven van Unteroffizier Carl Heller"

„De oorlogsbrieven van Unteroffizier Carl Heller”, geschreven tijdens de Eerste Wereldoorlog, bewerkt en ingeleid en van annotaties en kaarten voorzien door J.H.J. Andriessen, Uitgeverij Aspekt, (2003) Isbn: 90—5911-197-4

 

Heller was een in Nederland wonende Rijks Duitser die in 1914 werd opgeroepen voor militaire dienst en ingelijfd werd bij het 145e inf.reg. van de 34e Divisie. Van het 16e Legerkorps van het 5e Leger (Duitse Kroonprins) Hij vocht aan het westfront, (Marne, Argonne, Verdun, Ieper), raakte drie keer gewond en ontving het IJzeren Kruis.

Na de oorlog ging hij terug naar Nederland en trad weer in dienst bij de Hengelosche Trijpweverij. Hij trad in het huwelijk, kreeg een dochter en vroeg- en verkreeg in 1935 de Nederlandse nationaliteit. Op 14 april 1949 ontving hij de eremedaille in goud verbonden aan de orde van Oranje Nassau. Hiermede werd Heller waarschijnlijk een der zeer zeldzame dragers van het Duitse IJzeren Kruis 2e kl op wier borst ook de Nederlandse Koninklijke orde van Oranje Nassau prijkte. Heller stierf op hoge leeftijd (bijna 89 jaar) te Hengelo.

Hoofdstuk 8 De vreselijke gevechten rond het dorp Cherisy

Uit de divisiegeschiedenis:

Nog steeds spreekt de divisiegeschiedenis over enkele lokale acties maar beschreef deze maanden als een “rustige periode” aan het front. ( periode juni tot september 1917).

 

Heller beschrijft echter een Duitse aanval waarbij vlammenwerpers werden ingezet en de Britten met tanks een tegenaanval lanceerden .Waarschijnlijk betrof het hier een van die lokale aanvallen bedoeld om de gevechtslinie recht te trekken. Zulke gevechten kwamen regelmatig voor maar waren te lokaal om in het grotere verband van de divisie te worden opgetekend. Voor de betrokken manschappen betekende dit soort aanvallen toch steeds een verschrikkelijke strijd op leven en dood zoals uit het dagboek van Heller blijkt.

 

Er waren enige weken verlopen en we lagen nu in grote betonnen onderstanden die toen een heuvel gebouwd waren nabij het dorpje Cherisy.

De muren en daken van deze bunkers waren ruim een meter dik en er was slechts een kleine vierkante opening aan de achterkant, die als venster en ingang dienst deed. Het geheel was met een netwerk van grijze jute zo veel mogelijk gecamoufleerd. Veel hielp dat overigens niet want in weerwil van alle mogelijke voorzorg, bleek de vijand onze positie toch te hebben achterhaald en ze slaagde er in ons verblijf aldaar tot een ware hel te maken.. Ook het dorp, dat rechts van onze onderstanden lag, werd langdurig en zwaar beschoten en er stond dan ook geen huis meer overeind..

Op de plaats waar vroeger de kerk gestaan had, stonk het geweldig. Er lagen daar vele lijken bedolven. Ook in de granaattrechters en tussen de ruines lag hier en daar nog een lijk, dat, in de open lucht, binnen drie maanden verdroogd en vergaan was. Ook vonden we, hier en in het dorp, nog een menigte Engelse soldatenlijken, gevallenen en achtergeblevenen van het grote apriloffensief. Slechts de kleren en schoenen hadden zich goed gehouden. Ze lagen daar nog zoals z gevallen waren, de arme kerels, en als men ze aanstootte, dan vielen ze in elkaar. De dunne witte beenderen, ontdaan van het vlees en nog omwikkeld met de beenwindsels, rammelden en klapperden dan in de veel te wijd geworden schoenen. Hun portemonnaie en brieventas, naast andere bezittingen lagen in de regel, ontdaan van hun inhoud, naast hen.

Iedereen die voorbij kwam, raapte ze eens op en doorzocht ze opnieuw. Overal in de omtrek lagen uitrustingsstukken verspreid, zoals geweren, helmen, gasmaskers, handgranaten etc.etc.

In de onderstanden, die op ongeveer300 meter van de eerste linie waren gebouwd, lagen buiten de bataljonsstaf ook nog manschappen van een mitrailleurscompagnie. Ook was er een noodverbandpost ingericht waar gewonden, na eerste hulp te hebben ontvangen,werden verzameld om dan ‘s nachts door Rode Kruissoldaten te worden weggetransporteerd..Die hadden een zware en gevaarlijk baan. Nacht aan nacht moesten zij gewonden naar de grot transporteren, een gevaarlijke tocht van meer dan een uur door het dichte sper en trommelvuur heen . Ze hadden in verhouding tot de vechtende infanterie dan ook vaak veel grotere verliezen. Meestal waren ze geselecteerd voor dit werk omdat ze door een of ander gebrek, niet geschikt waren bevonden voor de gewapende dienst.. Het was soms in de twee bij drie meter lange en 2 meter hoge onderstanden tussen het gekerm van de gewonden, haast niet uit te houden. Door gebrek aan voldoende ruimte werden ze ook nog in onze telefoononderstand, die door de manschappen reeds overvol was, neergelegd. Zodra het schieten dan ook even ophield , probeerden we even buiten te gaan zitten al was dat ook ten strengste verboden omdat elke beweging door de vijand kon worden opgemerkt.

Er was druk telefoonverkeer. Om de telefooncentrale te ontlasten, maar vooral omdat gebleken was dat de vijand ons kon afluisteren met speciale elektrische luisterapparaten, werd besloten dat zoveel mogelijk berichten niet meer per telefoon, maar per ordonnans moesten worden overgebracht,

Deze luisterapparaten werden met een draad aan onze versperringen vastgemaakt. Ze waren in staat om het kleinste stroompje dat onze leidingen uitstraalden, te detecteren waarna dat versterkt werd en kon worden opgevangen. Alhoewel onze telefoondraden geïsoleerd waren, bleek er toch nog wat straling over te blijven en die kon ons alsnog verraden. Daarom werden alleen nog de meest spoedeisende berichten, en dan nog uitsluitend in code, doorgegeven. Alleen tijdens hevige gevechten werd, zolang de leidingen nog heel waren, onbeperkt van de telefoon gebruik gemaakt.. De meeste meldingen werden door estafetten bij het regiment bezorgd. Als het vijandelijke vuur te hevig was en er geen estafettedienst mogelijk was, dan werden de berichten ook vaak in morsecode met seinlampen doorgeseind en als dat niet mogelijk bleek, bijv. omdat dit in het zicht van de vijand moest gebeuren, dan werd gebruik gemaakt van draadloze aardtelegrafie. Hiervoor gebruikte men ondergrondse zend en ontvangstations, vaak ondergebracht in grotten, tunnels of ondergrondse bunkers die niet zo snel het gevaar liepen door de vijandelijke artillerie te worden beschoten. Deze aardtelegrafie was erg kostbaar en werd daarom alleen gebruikt als ze veilig kon worden opgesteld. Tenslotte werden voor het overbrengen van berichten, ook postduiven gebruikt. Elke ochtend bracht een ordonnans een mand met duiven naar de eerste linie. Had men een bericht, dan werd dit in een kokertje aan een duivenpoot vastgemaakt waarna hij z’n vrijheid herkreeg. Het beestje vloog terug naar zijn duiventil achter het front alwaar men hem dan van zijn kokertje ontdeed en het bericht daarna telefonisch naar de plaats van bestemming overbracht.. Maar ook honden deden dienst als koerier. In een koker aan zijn halsband bevond zich papier en potlood. Ze waren zo getraind dat ze niet bevreesd waren voor vuur en granaatdonder. Ook lieten ze zich door niemand aanhalen en zelfs het lekkerste hapje werd versmaad als dat door een vreemde werd aangeboden. Slechts als ze bij hun naam werden geroepen, kwamen ze naderbij en lieten toe dat de koker van hun halsband werd verwijderd. Helaas , reeds op de eerste dag van ons verblijf alhier, werden onze beide honden, met hun baas, door een voltreffer gedood.

Tenslotte werden er nog signaalhorens, handsirenen, zuurstofsirenen,torpedofluiten, nevelsignalen, signaalwerpers, vuurpijlen etc gebruikt om in de berichtendienst te voorzien. En als dat dan nog niet voldeed, dan konden we door grote witte doeken in bepaalde vorm op de grond te leggen, communiceren met onze vliegers, die dan, op hun beurt, de berichten weer draadloos verder seinden.

In de grote en zware gevechten was het natuurlijk uitermate belangrijk dat de zich, verder achterwaarts bevindende bevelhebbers, steeds op de hoogte bleven van de toestand aan het front.. De piloten vlogen dan ook vaak zo laag mogelijk over de stellingen, fotografeerden die telkens weer en brachten de fotoplaten dan direct naar de fotografische afdeling van de divisie, waar ze ontwikkeld werden. Overigens waren er ook z.g. schaarverrekijkers in gebruik waarmede men ver naar voren kon zien.

 

De dagen kropen langzaam voorbij. Onophoudelijk werd de gehele omgeving door de vijand onder vuur genomen, zodat we de hele dag in een kleine enge ruimte moesten doorbrengen. Natuurlijk beseften we wel dat dit een oneindig veiliger plaats was dan die van onze kameraden in de voorste linies, waar ze in de granaatkuilen waren blootgesteld aan beschietingen en ook nog eens aan de weersomstandigheden.

Zo nu en dan, als er weer eens een telefoonleiding was stukgeschoten, moest die natuurlijk weer worden gerepareerd en dat vergde dan de grootste inspanning omdat het terrein constant onder vuur lag. We kropen en sprongen dan van gat tot gat om zoveel mogelijk dekking te hebben tegen rondfluitende granaatsplinters of scherven en tegen het vuur van mitrailleurs. Ook werd er voortdurend met gas geschoten. Dan was het vooral in de onderstanden bijna niet meer uit te houden. Het gas bleef daar namelijk zeer lang hangen en moest door het branden van een vuur, worden verdreven.. Dat rookte meestal geweldig en vooral als het weer warm was, werd het verblijf in de warme hokken bijna ondragelijk.. ‘s Nachts kon geen vuur gestookt worden omdat de lichtschijn ons dan mogelijk zou kunnen verraden.

Soms schoot de vijand tussen zijn gasgranaten, ook met het z.g. “prikkelgas”, waardoor men moest proesten en niezen, ook al had men een gasmasker op. Door benauwdheid gedreven werd dan even het masker iets opgelicht en daar was het natuurlijk om begonnen. Er speelden zich dan akelige, soms afschuwelijke tonelen af. Ofschoon men bijna stikte van benauwdheid, hield men zich met geweld het masker voor het gezicht om het dan ten langen leste toch af te rukken en….de dodelijke lucht hijgend in te ademen.

Om gas te kunnen schieten of afblazen, was de windrichting natuurlijk van uitzonderlijk groot belang. Ze werd dan ook elke ochtend door elk bataljon met een eenvoudig toestelletje opgenomen en aan de divisie doorgeseind. Aan de hand van die gegevens kon daar dan worden vastgesteld of er met gas geschoten kon worden, of dat men een gasaanval van de vijand moest verwachten. Overal in het terrein stonden de z.g. “Gasposten”. Zodra er gas geroken werd, waarschuwden deze posten de manschappen door met klokken te luiden of op ijzeren platen, rails of ketels te slaan.

 

Het was de laatste dagen weer wat rustiger geworden, tenminste,er werden geen grote aanvallen meer ondernomen. Onze compagnie had echter al zware verliezen genoeg geleden. Ook werd door de manschappen dorst geleden door gebrek aan water in de voorste linies. Nu bevond zich wel een waterbron in het dorpje Cherisy, die echter niet meer te gebruiken was door de vele lijken die er in lagen. In weerwil daarvan slopen er nacht aan nacht echter toch manschappen, door vreselijke dorst gekweld, naar toe, om water te halen. Velen bleven daar dan echter liggen, getroffen en verscheurd door het zware vuur dat daar onafgebroken op werd afgegeven en diegenen, die het er heelhuids afbrachten, werden ziek. Maar dorst is een verschrikkelijk iets en om die te lessen, werd letterlijk alles gedaan. Zo heb ik eens gezien dat een man het bloed, dat bij een stervende uit z’n wonden vloeide, begerig opzoog. Anderen dronken hun eigen urine.

Op zekere morgen kregen we opdracht om een telefoonlijn aan te leggen tussen een bataljon en een compagnies commandopost.. Die middag zou er om drie uur een aanval plaats vinden en er diende dan een directe verbinding met de bataljonscommandant te liggen. Het aanleggen van de slechts enkele honderden meters lange lijn, kostte ons grote moeite omdat we over een heuvel moesten die door zwaar mitrailleurvuur werd bestreken..We kropen door een verschrikkelijk terrein. De grond was als het ware bemest met lijken van soldaten die hier gedurende de nu al maanden woedende strijd, gevallen waren.. Begraven door een granaat explosie, waren ze door een volgende weer bloot gelegd en vaak in stukken gereten. Hier stak een gelaarsd been daar een hoofd met helm, uit de grond. Ons zo veel mogelijk dekkend tegen het mitrailleurvuur dat bij tussenpozen het terrein met kogels bestrooide, kropen we door de granaattrechters over stinkende en rottende mensen en lichaamsdelen heen. Vervloekt, men had ons opgemerkt, een hagel van kogels sloeg vlak bij ons in de grond. Waarom moest die leiding nu ook juist overdag gelegd worden, waarom had dat nu niet ‘s nachts gekund? Mijn twee kameraden hadden het beter getroffen dan ik. Zij lagen een paar meter achter mij in een grote diepe kuil en waren gedekt. Ik lag echter in een kleine oneffenheid in de grond en ik dook dan ook zo diep mogelijk weg. Een dode hinderde me daarbij zeer. Zijn hele buik was open gescheurd en ik moest mijn hoofd in de halfvergane en uitgedroogde ingewanden drukken om aan de snerpende kogels, die op slechts enkele centimeters over mijn heen vlogen, te ontkomen. De verschrikkelijke lucht bedwelmde me bijna, ik werd er akelig van en moest voortdurend braken. Ik rilde over m’n gehele lichaam maar bleef liggen omdat dit de enige manier was mijn leven te redden.. Als men nu maar niet met loopgraafmortieren begon te schieten, want dan zou ik hier zeker niet meer levend vandaan komen. Ik hoefde mijn hoofd maar een fractie omhoog te richten en dan zou ik verloren zijn. Mijn kameraden riepen mij toe om toch vooral doodstil te blijven liggen, ze wilden een gang naar me toe graven waar ik dan door terugkruipen kon. Met de grootste moeite lukte het me mijn gasmasker op te zetten in de hoop dan beter bestand te zijn tegen de verschrikkelijke stank. Het hielp echter niets en het maakte me nog benauwder. Nog steeds lag ik onder direct vuur en de kogels spatten vlak voor me de grond in. Maar eindelijk waren mijn kameraden dan toch vlak achter mij gekomen en trokken mij langzaam achteruit de gang in. Ik sloeg m’n ogen op en zag eerst nu heel duidelijk waar ik gelegen had.

Meer dood dan levend en bevend over m’n gehele lichaam bleef ik in de kuil leggen. Enkele malen raakte ik buiten bewustzijn, waarschijnlijk van afmatting als gevolg van de doorgestane angsten en verschrikkingen. Hoe laat zou het zijn? Zou het al bijna drie uur zijn en stond de aanval al op het punt van beginnen? Ik maakte me al angstig over het ontzettende vijandelijke spervuur dat de aanval zou trachten te stoppen, maar het kwam niet bij me op om op m’n horloge te kijken. Hijgend en zwetend sprongen plotseling twee man in mijn kuil. Goddank, eindelijk hulp? Maar nee, ze kwamen niet om te helpen. Zij moesten de telefoonleiding, die nog steeds niet gereed was, verder leggen. “Waar zijn de anderen” vroegen ze. Ik wist het niet. Ze kropen verder door het gangetje waar ik juist was uitgekomen. Ik wachtte met angst op hun terugkeer. Maar zou ik mezelf niet in veiligheid kunnen brengen? Mocht ik echter wel terugkruipen? Ik had toch de opdracht gekregen de leiding te leggen, wat zou ik zeggen als ik terugkwam zonder mijn opdracht te hebben vervuld? Ik kon toch moeilijk vertellen dat ik onpasselijk was geworden, men zou me ronduit uitlachen. Nee, ik wild mijn makkers helpen bij hun werk. Maar dan moest ik weer door dat gangetje, het beeld van het afgrijselijke lijk, waar ik in had gelegen, deed mij walgen. Toch kroop ik er door, het gezicht afgewend om niets te hoeven zien. Gelukkig, ik was er voorbij, de afschuwelijke lucht hing nog in m’n kleren en deed me voortdurend aan dat akelige lichaam denken. Ginds kropen de anderen. Ze waren reeds op de terugtocht en in een kleine vallei gekomen waar de vijand minder goedzicht op had,.Ik zelf lag echter nog in zicht. . Plotseling verstijfde ik van schrik. Daar lagen mijn beide kameraden, de makkers die mij het leven hadden gered. Ze waren door ontelbare mitrailleurkogels doorschoten. Bij de een was de helm doorzeefd en het hoofd was een bloedige, uit elkaar geslagen massa. Zijn rechterarm hield hij als beschermend en afwerend tegen de vijand, voor zich. De andere, die plat op z’n buik lag, had de volle lading in de rug gekregen, te oordelen naar zijn stukgeschoten tuniek. Ik kroop terug, van gat tot gat, om van deze gevaarlijke plaats weg te komen.

Eindelijk kwam ik weer in de voorste linie aan waar juist de leiding werd aangesloten en tevergeefs getracht werd een verbinding tot stand te brengen. Wel vervloekt, die was intussen weer kapot geschoten. Het was inmiddels half drie geworden en binnen een half uur zou de storm losbarsten. Er werd geloot wie er naar toe moest om de reparatie uit te voeren. Gelukkig trof het lot dit keer niet mij maar een ander.en bleef mij de taak het toestel te bedienen.

De manschappen lagen inmiddels reeds klaar in de loopgraven en granaattrechters en de ordonnansen kropen af en aan door de gaten en trechters om de orders van de commandant naar de verschillende secties en groepen over te brengen. Om het verrassingselement zo groot mogelijk te maken, zou er geen voorbereidende artilleriebeschieting plaats vinden. Onze troepen zouden in één stormloop twee Engelse linies nemen en bezetten. Die lagen op een hoogte en vandaar beheerste de vijand met zijn mitrailleurs de hele omtrek en berokkende ons veel schade. Overdag kon niemand zich in het voorterrein ook maar bewegen, of zijn uitstekende observatieposten bemerkten dat en leidden er dan een stroom van vuur naartoe.

Om twee minuten voor drie, werden er langs het gehele front overal nevelpotten, die in de voorste linie stonden opgesteld, ontstoken. De wind dreef de kunstmatige nevel naar de vijand en maakte zodoende het hele terrein vóór ons onzichtbaar. Onmiddellijk werd van die kant een geweldig mitrailleurvuur afgegeven en rode vuurpijlen afgeschoten om zijn artillerie te waarschuwen. Precies om drie uur verlieten onze stormtroepen, gewapend met vlammenwerpers, de loopgraven. Hun vuurstralen spoten naar de Engelse linies en zetten daar mensen en aarde in brand. Een vreselijk gekerm en geschreeuw klonk op vanuit de op ongeveer 40 meter afstand verwijderde, vijandelijke linies, dat echter al spoedig werd overdonderd door een razend spervuur door de Engelse artillerie. Als een cycloon kwam het aanzetten door de nevel en deed de grond schudden en beven. Ook onze eigen artillerie zette nu in en donderde in de vijandelijke reserves. Gewonden kropen heen en weer en zochten hulp, die ze in hun verwarring en in de grenzeloze chaos, nergens konden vinden.

Af en toe testten wij de telefoonleidingen. Het bataljon vroeg telkens weer of er al berichten waren. Wonder boven wonder bleef de leiding nog steeds heel, maar hoe lang zou dat duren in deze hagel van inslagen. Een ordonnans kwam hijgend in ons gat gesprongen en bracht met korte, onsamenhangende woorden, de melding dat onze compagnie de vijandelijke linie genomen had en enkele gevangenen had gemaakt, maar zwaar had geleden. Dit werd onmiddellijk aan het bataljon gemeld en om versterkingen verzocht. Die kwam al spoedig door het spervuur heen aanspringen en uitgeput van de tocht, die ze nu achter zich hadden, werkten ze zich, zonder geluid te geven, met van spanning vertrokken gezichten, verder.

De gewonden kermden en smeekten om hulp. Lichtgekwetsten gooiden hun ransel en geweer weg en kropen terug, blij dat ze gewond waren en weg konden.

Een tweede ordonnans kwam buiten adem van het rennen over het ongelijke terrein, aanstormen met de boodschap: “We houden de linie nog. Verbinding links is verbroken, handgranaten nodig!” Hortend en stotend had hij dit er uitgebracht waarna hij buiten adem bleef liggen.. We probeerden de boodschap door te bellen maar ondanks onze pogingen lukte dat niet. De leiding was dus stuk, dus er uit om ze te repareren!. Maar dat duurde te lang, dus beter een nieuwe leiding aanleggen. Al rennend en dekking zoekend, lieten we de zware draadrol tussen ons aflopen.. Een stuk van een lichaam kletste voor ons neer, verder!!. Een granaat sloeg vlak bij ons in en explodeerde.. Door de luchtdruk werden we beiden tegen de grond gesmeten. We krabbelden weer op, gelukkig konden we nog lopen, was ik eigenlijk gewond?. Onwillekeurig keek en voelde ik tijdens het vooruit gaan of ik nog al mijn ledematen had. Over gewonden en doden heen, kwamen we eindelijk uitgeput en doodop bij de bataljonsstaf aan en meldden de commandant het laatste bericht.. Toen ging het weer terug, nu tussen reservetroepen in die de linie kwamen versterken. Het artillerievuur hield met onverminderde kracht aan Een rij exploderende granaten sloeg vlak voor ons in en een hete wolk sloeg ons wederom tegen de grond. Een ogenblik later kwam ik weer met moeite op de been, maar rondom me heen bleven de meeste soldaten liggen om nooit meer op te staan. Ook mijn makker,waar daarbij. Hij was als een knipmes in elkaar geklapt..Rechts van me explodeerde een mortiergranaat en joeg een ontzaggelijke fontein van aarde en stof in de lucht. Daar hadden zo-even nog mensen gelopen, nu was er niets meer te zien.

Terug gekomen in onze stelling testte ik de leiding en kreeg bevel om ze door te trekken naar een volgende commandopost. Reservemanschappen, die me daarbij moesten helpen, waren reeds onderweg. Ik wachtte op hun komst want ik had geen telefoondraad meer. Intussen bemerkte ik dat de vijandelijke granaten op deze plek verschrikkelijk hadden huisgehouden. De hele omgeving was bezaaid met lichamen, die in allerlei standen en houdingen, als zakken met lompen, in de kuilen en gaten door elkaar lagen. Een laars met een stuk been was naast het toestel terecht gekomen. Ik pakte het beet en smeet het weg. Naast mij onderzocht een jonge soldaat met een beenwond, de ransel van een dode, haalde er een zakje met beschuit uit en begon er smakelijk aan te knabbelen.. De granaten van een batterij verderop, sisten op enkele meters hoogte over me heen en sloegen zo’n 50 meter verderop in. Telkens boog ik me dan onwillekeurig dieper, met angst bedenkende wat er zou gebeuren als er een te laag zou vliegen.

Een ordonnans kwam aanrennen, hij hield een gele enveloppe in de hand maar zakte plotseling in elkaar en bleef liggen. Ik kroop naar hem toe om de brief te pakken maar die lag onder hem en toen ik hem wat opzij wilde duwen, kwam er een stroom bloed uit zijn mond. Hij was door een mitrailleurkogel getroffen. Met zijn nog heldere ogen keek hij mij angstig en verontwaardigd aan en het leek alsof hij nog wat wilde zeggen. Ik haalde de nu met bloed besmeurde enveloppe onder hem vandaan en kroop er mee naar mijn toestel, waar de versterking intussen was aangekomen. Het met potlood neergekrabbelde bericht luidde: “Doel bereikt, vijandelijke tanks vanaf Heninel over de weg naar Cherisy in opmars. Vijand bereidt tegenaanval voor”. Ik telefoneerde dit bericht door en maakt mij toen gereed om, met behulp van de nieuwe kameraden, de leiding verder te gaan leggen. Het vijandelijke mitrailleurvuur was niet meer zo hevig en ook het spervuur was langzaam in een wat regelmatiger schieten overgegaan.. Het voor enige uren geleden nog “niemandsland” zijnde gebied lag nu achter ons en wij kwamen rechtstreeks in de eerste linie van de vijand. Het zag er daar allertreurigst uit. De stelling was bezaaid met naakte en verkoolde lijken. Met de bajonet op het geweer hadden ze onze stormtroepen afgewacht, maar waren al, voordat die tot de aanval overgingen, ellendig verbrand door onze vlammenwerpers. Men kon zien dat ze zich de grootste moeite hadden getroost om te blussen maar dat was een onbegonnen zaak want alles wat door de vlammenwerpers werd bespoten, mensen, aarde, voorwerpen en zelfs water, veranderde in een helse vlammenzee. De ongelukkigen die aan de vuurstralen ontkwamen en uit de onderstanden vluchtten, kwamen in de kogelregen die door de loopgraven werd gejaagd, alsnog ellendig om het leven.

Manschappen van de mitrailleurscompagnieën, kwamen nu naar voren en bouwden hun machinegeweren opnieuw in terwijl genietroepen aan het werk togen om de veroverde stelling verder uit te bouwen en gereed te maken voor de opvang van een verwachte tegenaanval.

Wij kropen verder en lieten de rol met telefoondraad verder aflopen.. Bij een bepaalde hoogte aangekomen kwamen we weer onder vuur te liggen en moesten het laatste stuk door gaten en kuilen kruipen om gedekt te blijven. De slachting die hier onder onze eigen troepen was aangericht was vreselijk. Dicht voor de vijandelijke tweede linie waren hele rijen mensen door mitrailleurs weggemaaid, maar toch scheen het dat ze nog gelegenheid gehad hadden handgranaten te gooien, te oordelen naar het aantal dode Engelsen. Dolken, schoppen, bajonetten en handgranaten waren hier het voornaamste wapen geweest tijdens het handgemeen dat hier had plaatsgevonden. Een Engelsman had een Duitser de bajonet in het hoofd gestoten en hield, nog in zijn dood, het geweer vast , het smerige zwarte gelaat in een woeste grijns verwrongen. Naast hem, tegen de rand van een kuil leunend, hingen twee man die elkaar wurgden. Tijdens hun gevecht waren ze met hun hoofden boven de loopgraaf uitgekomen en door mitrailleurskogels gedood..

Gelukkig vonden wij al snel de nieuwe commandopost en konden daar ons werk afmaken.

Op dat moment barstte het vijandelijke trommelvuur weer in alle hevigheid los.Een dikke wolk van kruitdamp en opspattende aarde, waarin het telkens blauwachtig en roze, fel opflikkerde, bedekte het hele terrein en belette het uitzicht. De grond wrong en boog zich onder de mokerslagen der exploderende projectielen. De mensen hier wachtten in stomme gelatenheid op verdere gruwelen. Iedereen begreep dat het nog lang niet was afgelopen. De rechts en links exploderende vijandelijke granaten waarmede de Engelsen de stelling stormrijp probeerden te maken, lieten velen echter koud omdat ze de dood niet meer vreesden. Zij hadden hem al zo vaak onder ogen gezien en steeds was het goed gegaan, waarom zouden ze zich dan nu aan hun angst overgeven? Het hielp hen immers toch niet. Het noodlot had nu eenmaal beschikt dat zij hier lagen, en al waren ze bang en trachtten ze zich te beschermen, dat zou hen toch niet helpen. Misschien zouden ze dan juist de dood tegemoet gaan?

Met bleke smerige gezichten, waarop de zweetstralen zich duidelijk aftekenden, lagen zij in de kuilen, de handgranaten gereed en elkaar stom aanstarende , ieder met zijn eigen gedachten. Enkelen lagen onbewegelijk met het hoofd tegen de grond en krabden peinzend het leem van hun laarzen. Anderen tekenden figuurtjes in de platgetreden aarde en als er een granaat in de nabijheid insloeg, drukten allen zich nog vaster tegen de grond aan, alsof ze het gevaar daarmede konden ontgaan.

Plotseling sloeg ongeveer 10 meter verderop naar rechts, een granaat met oorverdovend geweld in. Als een kudde vee brulden enkele ogenblikken later de gewonden en verminkten en renden als wilden door elkaar. Een pionier kwam met bloedend gelaat aanlopen, viel telkens in de kuilen en schreeuwde: “Ik ben blind, ik ben blind!”. Hij struikelde over levenden en gewonden en viel telkens neer en toen enkele makkers hem in een kuil trokken en vasthielden om hem te verbinden, sloeg hij wild om zich heen. “Zien jullie dan niet dat ik blind ben!,ik ben blind!! Schreeuwde hij weer en niet dan met de grootste moeite kon men hem een beetje kalmeren. Maar hij bleef , zijn treurig lot begrijpende, schreeuwen en klagen dat hij nu zijn familie nooit meer zou kunnen zien, ook al kwam hij thuis. “Ik zie mijn kinderen niet meer, ik kan hun gezichten nooit meer zien, ik kan mijn vrouw nooit meer zien, ik ben blind, mijn God, ik ben blind!” jammerde hij voortdurend. Men trachtte hem te kalmeren door hem voor te houden dat hij er beter aan toe was dan velen hier die nooit meer thuis zouden komen maar hier op het slagveld moesten verrotten, “Ja, maar ik ben blind!”. Op alles had hij slechts dit ene antwoord.

Een ander, wiens been verbrijzeld was, richtte zich gedurig op om zijn been te bekijken en viel dan telkens weer neer, zuchtende :”Oh jé. Oh jé, oh jé!”.

Onze commandant zat naast het toestel en was bijna voortdurend in gesprek. Een granaatscherf sloeg door het papier waarop hij aantekeningen maakte. Lachend liet hij het zien.

Rondom ons donderde overal het geschut. Het offensief, dat bij ons was begonnen, had zich uitgebreid naar beide kanten. Onophoudelijk gromden zware granaten over ons heen om verderop, achter het front, de wegen en dorpen onder vuur te houden. Reserves, moe en bezweet, sprongen groepsgewijs in onze linie, om daar als dood te blijven liggen. Zij hadden de twee uur lange weg door het spervuur, zonder rust, kruipend, springend en lopend in een stuk afgelegd en grote verliezen geleden.. Een door 6 paarden getrokken kanon werd nu naar voren gebracht. Hun berijders sloegen met alle macht op de arme dieren in, die van uitputting bijna in elkaar zakten. In een grote kuil werden ze uitgespannen en weer teruggebracht terwijl het kanon in stelling werd gebracht en tot vuren gereed werd gemaakt.. We legden een telefoonleiding aan en kort daarop kon het kanon reeds vuren naar punten die van achteren telefonisch werden doorgegeven.. De benodigde munitie werd door infanteristen aangeleverd.

Inmiddels was het vuren tot een ongekende hevigheid aangegroeid. Als kokend water borrelde de grond overal op en begroef de arme ongelukkige wezens, die daar sidderend en bevend en onder de indruk van dit ontzettende drama, overal in de kuilen en spleten weggedoken lagen.

Tussen deze geweldige explosies, die door hun aantal bijna één reusachtige, aanhoudende uitbarsting geleek, tussen dit vreselijke lijden en sterven van mensen, klonken rustig en bedaard de bevelen der artillerieofficieren, die hun ondergeschikten van achteren door de telefoon telkens nieuwe mensenscholingen, telkens nieuwe doelen aanwezen.

Een halfuur duurde deze artillerieorkaan nu reeds met onverminderde woede. Toen was de leiding weer stuk en moesten we er op uit om ze te repareren.. Door de hagelslag van projectielen was ze grotendeels bedolven en door de luchtdruk van de explosies en door de inslag van granaatscherven , op tal van plaatsen stukgeslagen.

Terwijl we ons met moeite voorwaarts werkten , legden we een nieuwe leiding omdat dit sneller en beter ging dan de oude te repareren. Eindelijk kwamen we bij de onderstanden aan waar ook grote verwarring heerste. Hierboven explodeerden voortdurend shrapnells, die hun loden kogels over een wijde omtrek uitstrooiden. Een 10 cm granaat was onder de bodem van een betonnen bunker terecht gekomen en had deze doen kantelen waardoor de ingang op de bodem lag en de inwoners, waaronder ook onze bataljonscommandant, binnen gevangen zaten.. Ook onze telefooncentrale was daar binnen..

Om de ingang weer te bereiken, werd met de grootste moeite een gang onder het geweldige betonnen blok, dat overal scheuren vertoonde, gegraven. We staken een geweer in de grond, bonden daar de leiding aan vast , opdat men haar straks zou vinden, en gingen weer naar voren. Het artillerievuur nam af maar nu begonnen de mitrailleurs weer te schieten. Er waren dus weer gevechten daar voren, gevechten waarin de mensen elkaar als wilde dieren verscheurden. Ik meende door het geraas heen hun woedende, gesmoorde kreten en hun wanhopig hulpgeroep te horen. Op het met bloed doordrenkte- en met menselijke resten bezaaide slagveld, kropen we weer naar onze plaats, maar vonden die niet meer terug. Daar waar ons toestel had gestaan was nu nog slechts een grote kuil waarin, half bedolven, de bloedige vleesmassa van onze commandant lag. Zijn bloed sijpelde in een dun straaltje langs de helling van de kuil naar de bodem en vormde daar een plas. Zijn hoofd was gruwelijk misvormd en de linkerkant er van was geheel weggeslagen. Een oog hing als aan een touwtje op zijn mond. Mijn blik viel op het horloge aan zijn pols., het liep niet meer. Waarschijnlijk was het door de ontploffing blijven stilstaan. Dus om 5.13 uur was het gebeurd….

Nu de rook en stof, door het afnemen van de explosies, langzaam begon op te trekken, kon men pas goed zien, welke verwoestingen hier waren aangericht. Het gehele terrein was als door een reusachtige ploeg, omgewerkt en mensen en materiaal lagen overal verspreid. Nergens was meer enige beweging te bespeuren. In deze verschrikkelijke paar uren, waren honderden en nog eens honderden mannen, in de kracht van hun leven neer gemaaid op de meest afschuwelijke wijze.Mijn helper en ik keken elkaar aan, enkele uren geleden waren we nog vreemden voor elkaar maar de laatste gebeurtenissen hadden ons samengebracht. Hij schudde zijn hoofd, zeggende:”wat een ellende, wat een grenzeloze ellende!”.

Wat moesten we doen? De leiding was stuk en het toestel onder de aarde bedolven. Wat hadden wijzelf geluk gehad dat we net onderweg waren gegaan toen deze plek door een voltreffer werd geraakt.

Een jonge rekruut, waarschijnlijk met de laatste reserve juist uit Duitsland aangekomen, lag in een soort onderstand, die door enkele balken was gestut zodat de laag van zandzakken niet kon neervallen. Hij kreunde erbarmelijk en smeekte ons hem te helpen. Omdat we geen schop konden vinden moesten we met een kleine spade, waarvan de steel was afgeschoten, de arme, half bedolven jongen, uitgraven. Hij leed erge pijn en toen we hem bevrijd hadden, zagen we ook wat hem deerde. Beide benen waren gebroken terwijl zijn stalen bajonetschede diep in zijn rechter dijbeen was gedrongen. We trokken die er uit en legden de arme drommel in een stuk tentlinnen, om hem daarin terug te dragen. Onderweg schreeuwde hij verschrikkelijk en door vreselijke pijnen gekweld, schold hij ons voortdurend uit en verweet ons , dat we geen kameraadschap toonden , want anders zouden we niet zo ruw met hem omgaan. Wij konden echter in het oneffen terrein haast niet vooruit komen met onze last. Eindelijk bereikten we de onderstanden waar we hem aan de Rode Kruissoldaten overdroegen. Ook hier zag het er treurig uit. Vanuit de onderstanden, die tot aan de ingangen vol met gewonden lagen, klonk het gekerm en gesmeek en ook buiten lagen hele rijen met deze beklagenswaardige mensen die, door vreselijke pijnen gekweld, wachtten tot ze zouden worden gehaald.

We meldden ons bij de commandant en kregen bevel te blijven en te helpen bij het transport van de gewonden. Blij, dat we niet weer naar voren hoefden, gingen we met vlijt aan het werk.

Verse troepen rukten naar voren. Afdeling na afdeling kwam onze onderstand voorbij. Steeds weer nieuw “kanonnenvlees”, steeds weer nieuwe slachtoffers. Hield dit verschrikkelijke moorden dan nooit op?.

Het was bijna avond geworden en de adjudant deelde ons mede dat we waarschijnlijk tegen de ochtend zouden worden afgelost. Wat maakte deze tijding ons gelukkig. Nu hadden we weer een toekomst, nu konden we weer hopen!.

De brancarddragers begonnen in de schemering hun zware werk. Met z’n vieren onder een draagbaar droegen ze de gekwetsten door gaten en kuilen naar de grot. Plotseling barstte met oorverdovend lawaai een salvo shrapnell boven de onderstanden. De fluitende en snerpende loden kogels sloegen tussen de massa’s gewonden in en deze deden wanhopige pogingen om weg te komen. De verwarring was verschrikkelijk en al wat lopen kon rende als bezetenen door elkaar, niet wetende waar zich te bergen daar alle onderstanden vol waren. Overal kropen de mensen over elkaar heen en de door hun wonden machteloze gekwetsten dolven natuurlijk het onderspit en werden vertrapt. Vijf of zes salvo’s volgden, toen was het weer rustig. Veel van de buiten liggende gewonden waren echter voor de tweede maal geraakt, de meesten ditmaal dodelijk, juist in het zicht van hun uiteindelijke redding.

Ik bracht een akelige nacht door tussen de massa gewonden. Het voortdurende gekerm ging me door merg en been. Door de te kleine ruimte, lagen de mensen op en over elkaar heen en trapten elkaar met hun zware laarzen in het gezicht. Telkens moesten ze worden omgedraaid hetwelk in die kleine ruimte geen kleinigheid was. Velen waren aan het ijlen en sloegen in hun ijlkoortsen op hun ongelukkige makkers in die zich nergens bergen konden, of ze wilden over de anderen heen naar de uitgang. Slechts met de grootste moeite konden we ze binnen houden. En steeds maar weer kwamen er vanuit de linie nieuwe gewonden binnen. De brancarddragers zwoegden tot het uiterste maar dat was maar een druppel op een gloeiende plaat bij deze massa slachtoffers, die ook allemaal als eerste aan de beurt wilden zijn.

Plotseling klonk er een enorme explosie en de luchtdruk ontnam me bijna de adem. Wat was dat in Godsnaam? Als één man sprongen de gewonden op, lieten zich in de donkere ruimte vallen en vertrapten zo hun onmachtige kameraden . Het was, alsof er een troep waanzinnigen in een veel te kleine ruimte op elkaar werden losgelaten.. Er werd vreselijk gevochten om als eerste bij de uitgang te zijn en naar buiten te komen, uit die verstikkende ruimte.. De onderstand naast ons was door een mortier geraakt en uit elkaar geslagen en had allen die er in lagen verpletterd. Wat te doen? Weglopen?, maar waarheen? Of hier blijven met het gevaar door een volgende granaat verscheurd te worden? Een verschrikkelijk kraken en gedreun volgde, Oh God, het spervuur werd weer ingezet! Opnieuw begon dat vreselijke spel met de dood weer!. Zou het dan nooit eens ophouden? Was het nog altijd niet genoeg? Waren de mensen dan waanzinnig geworden? Een vreselijke woede maakte zich van me meester maar onmachtig om zelfs nog maar te denken, ging ik in een hoek zitten. De onderstand schudde van de inslagen en explosies.van die vervloekte granaten., die, hoe was het mogelijk, alleen maar werden gemaakt om te doden. Hoe konden er nog mensen bestaan die zoiets goedkeurden en er zelfs aan meewerkten? Daar kwamen de eerste gewonden al weer aankruipen om zich tegen de granaatsplinters te beschermen en snel was ook dit hol weer boordevol met kermende gewonden. Eindelijk, tegen de ochtend, kreeg ons bataljon bevel om weer naar achteren te gaan. Goddank!, eindelijk verlossing! Intussen had ik mijn hele uitrusting, geweer en telefoongerei, verloren. Maar dat was weer te vervangen. Degenen die niets te dragen hadden, moesten gewonden mee terug nemen. Afwisselend droegen we met z’n beiden een aan het hoofd gekwetste, tot aan de grot waar we hem neerlegden om verder te worden getransporteerd.

De volgende ochtend kwamen we eindelijk in Lecluse, ons rustkwartier, aan Slechts weinigen van de compagnie die enige weken eerder van deze plaats waren uitgerukt, kwamen weer terug. De meeste waren gebleven, op die verkrachtte velden die ze met hun bloed hadden gedrenkt. Wij, gelukkigen, zouden enkele dagen rust krijgen om ons weer voor te bereiden op nieuwe gevaren en ontberingen.

overzicht: