Heeft geschiedenis nut?

Recensie door J.H.J. Andriessen

Schrijver: Maarten van Rossem
Uitgeverij: Het Spectrum
ISBN 90-274-9067-8
2e druk, 2004

 

„Heeft geschiedenis nut?’ van de „historicus van het jaar” Maarten van Rossem, bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Utrecht dat uitstekende recensies kreeg in o.a De Groene Amsterdammer en de Gelderlander, werd ons ter beoordeling aangeboden omdat een fors hoofdstuk (63 bladzijden) de Eerste Wereldoorlog behandelt.
Juist omdat het hier toch de „historicus van het jaar” betreft waren mijn verwachtingen hooggespannen en de teleurstelling was dan ook, na het lezen ervan, groot.
Ik beperk me overigens nadrukkelijk tot het eerste hoofdstuk „De Eerste Wereldoorlog” waarin de auteur de periode vanaf de aanslag te Sarajevo tot en met het vredesverdrag van 1919 onder de loep neemt. Over de verdere inhoud van het boek spreek ik nadrukkelijk geen mening uit.


Ik heb een aantal kritische opmerkingen over het eerste hoofdstuk. Allereerst noemt de auteur helaas nergens een bron zodat het moeilijk wordt na te gaan waarop hij zijn stellingen baseert. Van Rossem zegt verder eigenlijk alleen maar wat vele anderen voor hem al schreven en mogelijk heeft tijdsdruk invloed gehad op de historische zorgvuldigheid die hij bij dit onderwerp toch wel in acht had moeten nemen. Veel van wat van Rossem stelt is immers reeds lang achterhaald en als modern historicus kan hem dat toch niet onbekend zijn.
Het begint al meteen op de tweede blz. van het hoofdstuk waar hij het als „belangrijk” aanstipt dat de Servische regering niet de hand in de aanslag te Sarajevo heeft gehad en min of meer ter vergoelijking bovendien zegt dat de samenzweerders zelf ook helemaal geen aanhangers waren van de Groot-Servische gedachte, maar slechts autonomie wensten voor Bosnië. Daarmede wekt de auteur de indruk dat de Servische verantwoordelijkheid voor de aanslag te Sarajevo de facto niet aanwezig was.
De eerste stelling is echter uitermate discutabel en de tweede zelfs onjuist. Na de oorlog verklaarde de toenmalige Servische minister van Educatie, Ljuba Jovanovoc in Krv Slovenstva namelijk dat minister-president Pasic hem, alsmede enkele andere ministers van zijn kabinet, reeds eind mei of begin juni reeds hadden medegedeeld op de hoogte te zijn van de samenzwering en dat het hem niet gelukt was de samenzweerders nog tegen te houden. Als minister-president had hij er natuurlijk alles aan moeten doen om de aanslag te verijdelen en op z’n minst had hij de Oostenrijk-Hongaarse regering moeten waarschuwen. Pasic liet dit bewust na. ( zie o.a Fay. Vol 2., Seton Watson, The road to Sarajevo e.a). Zo de aanslag niet het werk van de Servische regering is geweest, ze was daar wel van op de hoogte en heeft verzuimd ze te voorkomen en was derhalve wel degelijk verantwoordelijk voor het gebeurde.
De gedachte dat de samenzweerders slechts uit waren op autonomie voor Bosnië en geen aanhangers waren van de Groot-Servische gedachte is onjuist. Er was in Bosnië in die tijd geen beweging of organisatie die zelfs maar dacht aan autonomie en in zoverre er mogelijk individuele heethoofden waren die daar wel aan dachten, dan toch waren ze allen geïnfecteerd met de Groot-Servische idealen, een samenbundeling van alle Zuid-Slaven in een Groot Joegoslavië, en lieten zich door dat ideaal leiden. Ik vind daarvan bewijzen te over waarbij eveneens duidelijk wordt dat Princip en zijn kameraden overtuigde aanhangers waren van juist dit ideaal. Ook de Serviëkenner bij uitstek Seton Watson beschrijft dat nog eens duidelijk in zijn „The Road to Sarajevo” evenals Cassels (The Archduke and the Assassins), Dedyer in zijn Road to Sarajevo (alle geheime terroristische organisaties in Bosnië waren gericht op de Groot-Servische gedachte) en bijv. ook Williamson (Austria Hungaria and the Origins of the War). Het is dan ook onduidelijk hoe van Rossem aan zijn stelling komt en zoals reeds opgemerkt, helaas noemt hij nergens bronnen.

Wat verderop stelt de auteur dan „dat het Duitse besluit het verdrag met Rusland, (het zg. herverzekeringsverdrag) niet te verlengen was gebaseerd op de overweging dat een oorlog met Rusland op den duur zowel onvermijdelijk als noodzakelijk was, omdat Rusland op termijn potentieel sterker was dan Duitsland. Voordat het zover was moest Duitsland beslissend met Rusland afrekenen.”.
Enig bewijs voor die stelling levert hij echter niet en dat zou hem ook niet gemakkelijk vallen. Het is nl. een onjuiste stelling, een constructie achteraf en niet ondersteund door feiten. Het Duits-Russisch herverzekeringsverdrag, zoals Bismarck het had genoemd, werd niet verlengd na het vertrek van Bismarck. De reden was geen vooropgezet plan om met Rusland af te rekenen, daarvoor had men het verdrag natuurlijk ook niet behoeven te beëindigen. Het verdrag werd niet verlengd omdat de nieuwe Rijkskanselier Caprivi er achter was gekomen dat het in strijd was met het verdrag tussen Duitsland en Oostenrijk en omdat hij, terecht, bevreesd was dat de Russische machthebbers Duitsland daarmede te eniger tijd zouden kunnen chanteren door het te laten uitlekken of bekend te maken. In de geheime clausules van het verdrag verklaarde Duitsland NL. neutraal te zullen blijven als Rusland de zeestraten zou innemen en eveneens indien Oostenrijk Rusland zou aanvallen. Nu was de toegang tot de Zeestraten door het Congres van Berlijn (Nb onder leiding van Bismarck) geregeld en mede ondertekend door Duitsland en een eventueel bekend worden van deze clausules zou voor Duitsland ernstige gevolgen kunnen hebben. Er was nog een tweede reden waarom Caprivi het verdrag niet meer wilde verlengen. Hij wilde zijn buitenlandse politiek meer op Gr.Brittannie richten en dacht dat het niet verlengen van het herverzekeringsverdrag een gunstige indruk op dat land zou maken en toenadering tot gevolg zou kunnen hebben (zie ook, Endhoven, Fr,Holstein.p.68, GP, Vll,). Het niet verlengen van het verdrag had totaal niets te maken met een offensief beleid en in Duitsland dacht men in officiële regeringskringen in de verste verte nog niet aan een mogelijke militaire afrekening met Rusland..

Van Rossem stelt dan voorts dat de Duitsers aanvankelijk bij hun militaire plannen uitgingen van een defensieve strategie. Hij verdedigt deze bewering uit het feit dat het de bedoeling was dat indien Duitsland Rusland zou aanvallen, tegen Frankrijk een defensieve houding zou worden aangenomen. Maar, zo gaat de auteur dan verder; in 1905 besloot de Duitse generale staf tot een geheel andere, offensieve strategie. Men zou nu eerst Frankrijk aanvallen en pas daarna Rusland.
De logica van de redenering dat er nu ineens sprake zou zijn van een offensieve strategie, ontgaat me geheel. In het eerste scenario zou immers Rusland worden aangevallen, is dat dan niet offensief? Trouwens, het eerste plan (van de oude von Moltke) was eveneens offensief en het was wel degelijk de bedoeling ook Frankrijk aan te vallen. Men zou eerst Rusland moeten verslaan waarna Frankrijk zou worden aangevallen. Von Schlieffen keerde de zaak slechts om. Eerst Frankrijk verslaan en daarna Rusland. Kennelijk heeft van Rossem de aanvalsplannen onvoldoende bestudeerd, anders zou hij niet tot zijn stelling zijn gekomen. (Zie o.a Bucholz; „Moltke,Schlieffen and Prusian War Planning” en Gerhard Ritter; „The Schlieffenplan” vert.)

Volgens van Rossem zou het feit dat Rusland de oorlog met Japan verloor voor Engeland een waarschuwing zijn geweest. De redenering zou zijn geweest dat als Rusland zo zwak bleek te zijn, dan zou ook de Russisch-Franse alliantie veel minder sterk zijn dan de Engelsen gedacht hadden. Dat zou betekenen dat Duitsland naar verhouding sterker was dan vermoed en misschien wel in staat zou zijn Frankrijk en Rusland beide te verslaan. Zo’n calamiteit zou de Duitsers en hun vloot aan de kust van het Kanaal brengen en dat was een schrikbeeld voor de Engelsen.
Deze redenering moge op het eerste gezicht aannemelijk klinken maar is in werkelijkheid een constructie die niet door de feiten wordt onderbouwd. De Brits-Duitse tegenstellingen werden niet veroorzaakt door welke militaire dreiging van Duitsland dan ook. Die was er NL. niet. Ook de bouw van een grote Duitse vloot heeft nimmer een serieuze bedreiging voor de Britten gevormd en de Britten wisten dat heel goed. De tegenstellingen werden puur veroorzaakt door economische motieven. Duitsland vormde geen militaire bedreiging voor de wereldmachtpositie van Gr.Brittannie maar wel een economische bedreiging. Zoals van Rossem zelf al zegt, Duitsland streefde Engeland op economisch gebied met enorme schreden voorbij en dat zag Gr.Brittannie als een bedreiging van haar werelddominante positie en vandaar dat dit land naar een manier zocht om van deze gevaarlijke concurrent af te komen. Niets meer en niets minder.

Nog belangrijker is dat van Rossem ontkent dat de Russische mobilisatie onvermijdelijk een oorlog tot gevolg moest hebben. Hij schrijft; ” met de mobilisatie; gaven zij geen signaal dat ook zij bereid waren tot een grote oorlog. De Russische mobilisatie kan beter beschouwd worden als een flinke verhoging van de diplomatieke inzet, als een poging Oostenrijk-Hongarije onder zware druk te zetten. Het zou immers nog vele weken duren voordat de Russische mobilisatie voltooid zou zijn”.
Onduidelijk is hoe van Rossem aan deze stelling komt. Hij zal toch op de hoogte zijn van het feit dat de Russen in het geheim reeds in 1911 met de Fransen hadden afgesproken om reeds binnen twee weken na mobilisatie, Oost Pruisen te zullen aanvallen en derhalve daarmede de wortel van het von Schlieffenplan aan te tasten (zie o.a Kennan, Lafore, Dobrorolski, Fay, Barnes, Bogitchevic en Revue d’Histoire de la Guerre Mondial 1923). De Russen vielen inderdaad reeds binnen twee weken (en niet pas na 6-8 weken) Oost Pruisen binnen en van de beweerde „vele” weken die de Russen volgens van Rossem nodig zouden hebben gehad was dan ook al lang geen sprake meer. Juist deze geheime afspraak tussen de Fransen en Russen raakte het von Schlieffenplan in het hart. Het maakt ook mede duidelijk waarom mobilisatie van de ene partij de tegenpartij dwong om onmiddellijk te reageren. Er was gewoon geen tijd om rustig op een volgende tegenzet ge wachten.
De auteur negeert voorts het feit dat het in militaire kringen algemeen bekend en aanvaard was dat mobilisatie van een grote mogendheid in 1914 de meest definitieve beslissing tot het starten van de oorlog was (Zie ook Doc.Dipl.Francais 1871-1900, vol 9 no 46, het memorandum gen.Obruchev en de brief min.van oorlog Vannovski aan min.Giers 19-5-1892, Kennan, The Fateful Alliance, app, 2, en Snijders, De mobilisatie bij de Grote Mogendheden in 1914). E.e.a betekende dat Duitsland na de Russische beslissing tot mobilisatie geen enkele keus meer had en onmiddellijke eveneens zou moeten gaan mobiliseren en dat daardoor een oorlog onvermijdelijk was geworden.

Van Rossem stelt dan daarna dat het feit dat de Russische mobilisatie binnen enkele dagen tot oorlog leidde, aan het von Schlieffenplan te wijten was. Dat is de realiteit toch wel erg op z’n kop zetten. Het von Schlieffenplan was bij de vijand volledig bekend (Zie o.a ook Snijders & Duffour, de mobilisatie… en Owen, the Russian Imperial conspiracy,) en men wist derhalve precies wat de consequenties van mobilisatie waren. Met andere woorden, men wist dat mobilisatie door Rusland de meest definitieve beslissing tot oorlog was en dat niets en niemand die dat dan meer zou kunnen tegenhouden.

Elders maakt van Rossem een klassieke vergissing. Hij stelt dat Engeland op 4 augustus de oorlog aan Duitsland verklaarde vanwege de schending van de Belgische neutraliteit. Ook andere historici maken vaak deze vergissing. Men haalt dan het feit dat Engeland de schending van de Belgische neutraliteit als argument heeft gebruikt om Duitsland de oorlog te verklaren enerzijds en anderzijds het feit dat ze helmaal niet verplicht was die neutraliteit ook gewapenderhand te verdedigen,door elkaar.
Het was een valse reden, Er was geen enkel verdrag waardoor Engeland verplicht werd om de neutraliteit van België te verdedigen. Gr.Brittannie had zich, evenals de andere ondertekenaars van het verdrag van 1839, uitsluitend verplicht die neutraliteit niet te zullen schenden (Zie o.a Loreburn, Eward, Morel). Een reden tot oorlog kon daaruit echt niet worden gedistilleerd al wordt dat vaak toch nog steeds als morele rechtvaardiging aangevoerd.

Van Rossem stelt (blz. 53) tenslotte dat de geallieerden voor 1918 geen grote offensieve plannen meer hadden. Ook dat is onjuist want dan gaat hij volledig voorbij aan de uiterst ambitieuze plannen van maarschalk Foch die juist voor eind 1918 en begin 1919 een groot eindoffensief gepland had waaraan zowel de Britten als de Fransen zouden deelnemen.

Het is jammer dat een zo gewaardeerd en deskundig historicus als Van Rossem zich, voor wat zijn artikel over de Eerste Wereldoorlog betreft, mogelijk als gevolg van tijdsdruk, heeft laten verleiden zich te baseren op reeds verouderde en achterhaalde gegevens en kennelijk niet de tijd gevonden heeft om zijn kennis van de feiten nog even op te frissen. Het gevolg is wel dat hij daarmede een kans voorbij heeft laten gaan om vernieuwend te werken en de lezer, die toch al zo afhankelijk is van zeer eenzijdig georiënteerde, vooral, buitenlandse Eerste Wereldoorlog literatuur, op het goede spoor te leiden.

overzicht: