De gevechten om de Maasovergangen in de sector Saint Mihiel in augustus en september 1914

Door: J.H. Buitenhuis, Luitenant-kolonel b.d. der Artillerie

Inleiding

De nederlaag die de Franse troepen in de Frans-Duitse oorlog van 1870-1871 leden had tot gevolg dat Frankrijk noord-oost Lotharingen met de geheel Frans- talige stad Metz, met Diedenhofen, alsmede de Elzas met uitzondering van de vesting Belfort, moest overdragen aan Duitsland. Deze gebieden vormden samen de oostelijke Franse departementen Bas Rhin, Haut Rhin en Moselle met een oppervlakte van ruim 14 500 vierkante kilometer en een inwoneraantal van anderhalf miljoen, voor het merendeel Duitstaligen.

Het inlijven van deze Franse gebieden maakte een revanche onvermijdelijk en vormde de kiem voor een toekomstig conflict. Ook accepteerde de bevolking de Duitse nationaliteit niet, hetgeen blijkt uit het feit dat een derde deel van de in-woners tussen 1875 en 1895 de ingelijfde gebieden verliet en naar Frankrijk terugkeerde. Ook onttrokken velen zich aan de Duitse dienstplicht: alleen al tussen 1871 en 1874 waren dit meer dan honderdduizend mannen waarvan de Duitsers ruim 27 000 man opspoorden. Van dit aantal was de helft echter lichamelijk ongeschikt om tot soldaat te worden opgeleid.

De zware nederlaag van de Franse troepen in de oorlog van 1870-1871 had het vertrouwen van de Franse bevolking in het leger en zijn bevelhebbers onder-mijnd. De nieuwe Franse premier en tevens minister van Oorlog De Fraycinet reorganiseerde het leger en stelde de eerste volwaardige generale staf aan.Hij koesterde echter niet de illusie dat het leger in deze opbouwfase offensief tegen een sterke Duitse tegenstander kon optreden.

De Franse Generale Staf beperkte zich dan ook in eerste instantie tot het opstel-len van een defensief plan, het zo genoemde Plan 1.

In dit plan was de zuiver defensieve verdediging van de oostgrens geregeld omdat deze door het verlies van de versterkingen in o.a. de regio Metz praktisch onbeschermd was geworden. De beroemde vestingbouwer, generaal Séré de Rivières, kreeg de opdracht om deze kwetsbare grens te versterken door het bouwen van forten en andere versterkingen bij Verdun, Toul, Epinal en Belfort.

Nadat deze forten in 1887 grotendeels gereed waren gekomen werden nieuwe plannen opgesteld met als hoofddoel de herovering van de verloren gebieden.

De gevechten in de periode september - november 1914

Nadat de Duitse opmars in september 1914 na de slag aan de Marne was vast-gelopen en de hierop volgende terugtocht tot de Aisne van de Duitsers was vol- tooid, begon een stellingenoorlog. Beide tegenstanders trachtten door verwoede aanvallen weer beweging in de frontlijn te brengen.

Oost van Verdun in de Woëvre-vlakte zochten zowel het Franse 3e Leger onder bevel van generaal Sarrail als het Duitse 5e Leger onder Kroonprins Wilhelm naar mogelijkheden om door een groot offensief het verstarde front weer in beweging te brengen.

De Woëvre-vlakte, die grotendeels uit leemgrond bestaat, was door de onophou-delijke regen in de tweede en derde week van september vrijwel onbegaanbaar geworden voor verplaatsingen van zwaar materieel. Toch slaagden de Duitsers er in langzaam op te rukken hetgeen generaal Sarrail verontrustte en wel om twee redenen: ten eerste werden de bewegingen van zijn troepen eveneens door de natte leembodem belemmerd en ten tweede konden over de sterk gezwollen Maas tussen St. Mihiel en Chauvoncourt geen noodbruggen worden geslagen voor het snel opvoeren van versterkingen.

De troepen van generaal Sarrail bezetten een sleutelpositie in het Franse front. Indien de Duitsers kans zouden zien om in de vestinggordel langs de oostoever van de Maas een bres te slaan, konden zij door hier de rivier over te steken de aanvoerroutes en spoorlijnen naar Verdun blokkeren waardoor deze vesting van zijn toevoer werd afgesneden.

Achter de oostelijke Maasoever in de lijn Buzy - Saint Mihiel bevond zich de legerafdeling Von Strantz, welke deel uitmaakte van het 5e Leger van de Duitse Kroonprins.

Dit leger was in eerste instantie samengesteld uit (van noord naar zuid):

  • het V e Legerkorps (V Lk) met onder bevel de 33e Reserve Divisie (33 ResDiv) als algemene reserve en de Landwehr Divisie (LandwDiv) von Waldow. Deze troepen waren tussen 20 en 25 september tot de lijn Buzy - Combres - St Rémy - Seuzey - Lamorville opgerukt.
  • het Beierse IIIe Lk, met later onder bevel de Beierse Elite Div, die enige weken later tot de lijn Senonville - St Mihiel - Apremont zouden oprukken.
  • de 10e Infanterie Divisie (10 InfDiv) en weer de Garde Elite Divisie in de lijn Laheyville - Regniéville - Pont-à-Mousson
  • en tenslotte
    de Beierse Cavalerie Divisie (Cav Div) ten zuidwesten van Chambley voor verkenningen in het gebied van de Côtes Lorraines.

Begin september gaf de Kroonprins het bevel om de sperforten, die de Maas-hoogten en de overgangen over de Maas tussen Verdun en Saint Mihiel beheer-sten, uit te schakelen met behulp van infanterie ondersteund door sterke artil-lerie-eenheden. Sperforten zijn forten die een belangrijke opmarsweg voor vijandelijke troepen met behulp van hun artillerie en hun infanteriebezetting moeten blokkeren.

Generaal von Strantz kreeg de opdracht allereerst de sperforten Troyon (ca. 10 km ten noorden van St. Mihiel op de oostoever van de Maas)), Les Paroches (enige kms ten noorden van de stad op de westoever van de Maas) en Camp des Romains (ca. 1 km ten zuiden van de stad) in te nemen. Vervolgens moest hij tussen Toul en Verdun een doorbraak forceren, de Maas oversteken en de be-voorradingslijnen vanuit het zuiden naar Verdun afsnijden.

Op 20 september begonnen de Duitse aanvallen op de oostelijke hellingen van de Côtes Lorraines met het doel deze strategisch belangrijke heuvelrug te vero- veren om daarna de Maas te kunnen oversteken..

De aanvallers hadden de beschikking over extra artillerie-eenheden.

Naast de organieke 1steAfdeling 155mm-houwitsers van het Beierse 3e Vesting-artillerie Regiment nog de 2e Afdeling-155mm-houwitsers van het Beierse 2e Reserve Vestingartillerie Regiment. Voorts de 2e en 3e Afdeling 21cm-houwit-sers van het 18e Vestingartillerie Regiment en twee batterijen 10cm-kanonnen van het 8ste Reserve Vestingartillerie Regiment.

Bovendien werden deze artillerie-eenheden nog versterkt met een afdeling 155mm-houwitsers van het 2e Reserve Vestingartillerie Regiment, en met drie 28cm-houwitsers en twee 30.5cm-houwitsers van de (Oostenrijkse) 2e Zware Houwitserbatterij.

De slecht verharde wegen naar de nieuwe voorwaarts gelegen stellingen voor deze artillerie waren door de aanhoudende regen vrijwel onbegaanbaar en het kostte ruim 24 uur voor de nieuwe stellingen waren betrokken.

De aanval vorderde niet snel door massale Franse beschietingen en door de hardnekkige Franse tegenstand, waardoor vele dorpen volledig werden vernield.

Sarrail had dit offensief verwacht, temeer omdat een aanval op Verdun door het XIIIe en XVIe Lk van het Duitse 5e Leger vanuit de lijn Varennes-Montfaucon was vastgelopen en Franse patrouilles op 16 september tussen Etain en Thiau-court reeds gevechtscontact hadden gemaakt met sterke Duitse voorposten. Hij onderkende dat het zwaartepunt van de vijandelijke aanval naar de rechter Maasoever was verlegd, waarop hij trachtte het Franse 8e Lk, dat zich tussen de

forten op de deze Maasoever bevond en tot de rand van de Woëvre-vlakte was opgerukt, te versterken.

De Duitse troepen rukten echter sneller op en vóór deze Franse versterkingen de Maas waren overgestoken wierpen troepen van het Ve Duitse en het IIIe Beier-se Lk de Fransen terug tot op de Maashoogten.

Reeds eerder, op 9 september, was de Franse verdediging op de oostoever van de Maas tussen Les Paroches en St. Mihiel bedreigd door Duitse voorhoede- eenheden die Chaillon hadden bereikt. Vanaf deze plaats begint een in weste-lijke richting verlopende laagte door de hoge heuvelrug langs de Maas in de richting van deze rivier. Toen de Duitsers hierdoor oprukten in de richting van de plaatsen Banoncourt en St. Mihiel, beide gelegen tussen de sperforten Troyon en Camp des Romains, bestond het gevaar dat zij op deze plaats de Maas zouden oversteken waardoor het Franse 3e Leger in de rug zou worden bedreigd.

Inderdaad zag een kleine Duitse patrouille, waarbij enige pioniers waren inge-deeld, kans om in de nacht van 9 september de Maas over te zwemmen en de hierlangs lopende spoorlijn St. Mihiel - Verdun op één plaats op te blazen en daarna ongezien weer naar hun onderdeel terug te keren.

Onmiddellijk versterkte Sarrail de troepen op de Maashoogten met nieuwe een-heden en met talrijke batterijen veldartillerie omdat hij een hernieuwde poging om de rivier over te steken verwachtte. Dit werd zekerheid toen op 20 septem-ber de Duitse artillerie met de beschieting van het tactisch belangrijke knoop-punt Hattonchâtel aanving, gevolgd door een aanval met drie legerkorpsen en wel met het Ve Lk op de rechtervleugel, het Beierse IIIe Lk in het midden en het XIVe Lk op de linkervleugel.

De Franse troepen bevonden zich op de kam van de heuvelrug en controleerden

de vijandelijke bewegingen vanuit de regio Hattonchâtel. Geheel onverwachts begonnen de Duitsers een aanval vanuit de bossen bij Harville, Beney en Thiaucourt en rukten op naar de lijn Fresnes - Wadonville - Hattonchâtel - Heu-dicourt - Essey - Limey. (zie kaart)

Het Ve Lk op de rechtervleugel zag kans om de Franse troepen tussen 20 en 25 september via Wadonville en St. Maurice terug te dringen tot de lijn Les Epar-ges - St. Rémy. De voorhoede van enige Duitse eenheden zag zelfs kans om via de zeer steile helling aan de oostzijde van de Côtes Lorraines op de heuvelrug te komen. Zij overschreden de beroemde Tranchée de Calonne en bereikten het hoog gelegen dorp Vaux-les-Palameix van waaruit het Fort de Troyon kon wor-den waargenomen. Hier konden de Franse troepen met hulp van over de Maas aangevoerde versterkingen en met sterke artilleriesteun de vijandelijke opmars op 25 september tot staan brengen.

Het Beierse Ve Lk rukte vanuit Haumont en St. Benoit op naar Hattonchâtel en naar de weg van Heudicourt naar St. Mihiel. Bij deze opmars werden de dorpen Hattonville, Vigneulles en Hattonchâtel veroverd alsmede Heudicourt en Woin- ville. Hierdoor werden de Franse troepen teruggedrukt tot de weg Apremont - Loupmont - Xivray, waar zij zich ter verdediging inrichtten en waarbij zij wer-den ondersteund door artillerievuur van onder meer de forten Liouville en Gironville.

Het Duitse XIVe Lk op de linkerflank was op 20 september uit de omgeving van Thiaucourt en Essay in zuidelijke richting opgerukt maar liep vast op de taaie tegenstand van de Fransen langs de weg D 958 vanaf het dorp Flirey via Limey naar Pont-à-Mousson.

Het aandeel van de Beierse troepen bij de gevechten in en bij de sector van Saint Mihiel

Zoals reeds is beschreven hadden de Duitse aanvallen op de oostelijke Maasoe-ver tot doel een overgang over de Maas te forceren teneinde de aanvoerlijnen voor de troepen in de vesting Verdun te kunnen afsnijden.

Een zeer belangrijk aandeel in deze gevechten, die tot de inname van St. Mihiel en het Fort Camp des Romains leidden, had het Beierse IIIe Lk.

In de nacht van 21 op 22 september slaagden eenheden van dit legerkorps er in

door de dichte bossen ten oosten van St. Mihiel op te rukken. Zij bezetten hier de westelijke bosranden vanaf het Bois de Gaumont op 3 km ten noordoosten van St. Mihiel tot de Vieux Etaing Ferme op 4,5 km ten oosten van de stad aan de weg naar Woinville. Een en ander had tot gevolg dat hun voorhoedes zich nu tegenover de forten Les Paroches en Camp des Romains bevonden alwaar zij zich ingroeven.

Achter deze lijn werd op 22 september zwaar belegeringsgeschut in stelling ge- bracht, waaronder twee 30,5cm-houwitsers van de (Oostenrijkse) 2e Zware Houwitserbatterij, de 2e en 7e Batterij 28cm-houwitsers en enige batterijen 21cm- en 15cm-houwitsers . Het aantrekken en in stelling brengen van al deze batterijen verliep zonder problemen.

De 11e (Beierse) Infanterie Brigade was in een zware strijd gewikkeld en het hiertoe behorende 10e Regiment Infanterie slaagde op 22 september er niet in de Franse troepen uit Lamorville en van de hoogten ten noorden en westen van dit dorp te verdrijven. In tegendeel: om 10.00 uur begon een Franse tegenaanval vanuit het smalle Belouse-bos bij Lacroix-sur-Meuse op 2 km noordwest van Lamorville gelegen, alsmede aan weerszijden van de weg Lacroix - Lamorville (thans de D 162).

Deze aanval werd door het 10e Regiment Infanterie (ondersteund door de Ie Af- deling van het (Beierse) 3e Regiment Veldartillerie) en door eenheden van de 20e Infanterie Brigade van het Ve Lk (uit Deuxnouds) afgeslagen, waarop de Franse troepen zich terugtrokken.

In de nacht van 21 op 22 september echter namen de Fransen weer hun oude posities ten noorden van Lamorville en Spade in en voerden versterkingen aan.

De Beierse commandanten besloten hier een mogelijke Franse aanval te voorkomen door in de avond van 23 september met het 3e Bataljon van het 11e Regiment en het Ie Bataljon van het 6e Regiment aan te vallen. Zij slaagden er in de tegenstander van Hoogte 294 (ten noordwesten van Spada en ten westen van Lamorville) te verdrijven en tot Rouvrois-sur-Meuse door te dringen.De Beiers konden zich hier echter niet handhaven omdat zij gedurende de gehele 24e september onder moordend Frans artillerievuur kwamen en hierdoor ernstige verliezen leden. Zij trokken terug op hun uitgangsstellingen zuidoost van Spada waarna de Fransen hun oude stellingen op de hoogten tussen Lacroix, Lamorville en Spada weer bezetten, zodat de situatie weer dezelfde was als die op de avond ervoor.

Intussen was het zware belegeringsgeschut van het Beierse IIIe Lk in stelling gebracht, te weten de reeds hiervoor genoemde twee Oostenrijkse batterijen 30,5cm- houwitsers, de 2e en 7e Batterij 28cm houwitsers alsmede een aantal batterijen 21cm- en 15cm-houwitsers.

De val van Fort du Camp des Romains en de inname van Saint Mihiel

Om 0830 uur in de ochtend van 23 september begonnen deze batterijen, ver-sterkt met negen batterijen van het Beierse 8e Veldartillerie Regiment, bestaan1de uit zes batterijen met 7,7cm-kanonnen en drie batterijen met 10,5cm- houwitsers, aan de beschieting van de forten Les Paroches, Camp des Romains en Liouville vanuit hun stellingen in de bossen ten westen van Varvinay en Savonnières, terwijl de zware artillerie van het Duitse Ve Lk het Fort de Troyon neutraliseerde.

De cadans van de granaatinslagen op Camp des Romains bedroeg 6 schoten per minuut, dus in de 44 uren durende beschieting ongeveer 16 000 inslagen.

In het fort vloog reeds kort na de aanvang van de beschieting een munitiedepôt in de lucht. Het fort was evenals Les Paroches en Troyon een gemetseld fort uit 1875 en het was niet bestand tegen de zware granaten van het moderne Duitse en Oostenrijkse geschut.

De bewapening van Camp des Romains bestond uit verouderde kanonnen met een kaliber van 9 en 12cm van het type De Bange zonder rem- en vooruitbreng-inrichting, met een lage vuursnelheid en met een maximum schootsafstand van 8.000 meter, alsmede uit een aantal mortieren met een kleine dracht, te zamen een dertigtal.

Het merendeel van deze vuurmonden en mortieren was vrijwel onbeschermd in de open lucht opgesteld en werd onmiddellijk door het vijandelijke artillerie-vuur uitgeschakeld.

In de ochtend van 24 september verklaarde de commandant van de Beierse zwa-re artillerie, de kolonel Niebann, dat het fort Camp des Romains stormrijp was geschoten. Er waren grote bressen in de muren ontstaan en de vuurmonden van het fort waren tot zwijgen gebracht. Hierop gaf de commandant van de Beierse 6e Infanterie Divisie, generaal Freiherr Von Gebsattel, het bevel om Camp des Romains in een stormaanval te veroveren , St. Mihiel in te nemen en hier een bruggenhoofd over de Maas te vormen.

Van de aanval op Fort les Paroches op de westoever van de Maas moest worden afgezien omdat het Beierse Lk en de 11e Infanteriebrigade door de taaie Franse tegenstand de tegenover het fort gelegen Maasoever niet kon bereiken.

Het 11e Infanterie Regiment (minus het IIIe Bataljon) kreeg de opdracht het Fort Camp des Romains in te nemen en het 6e Infanterie Regiment moest de stad St. Mihiel bezetten en een bruggenhoofd over de Maas vormen

In de ochtend van 24 september zette het 6e Infanterie Regiment de aanval op de stad in. Door een foutieve Franse inschatting van de tactische situatie alhier wa- ren vrijwel geen Franse troepen in de stad om de brug over de Maas te verdedi-gen. Zonder ernstige tegenstand te ontmoeten drongen het IIe en het IIIe Bataljon van het 6e Infanterie Regiment de stad binnen en veroverden de brug en de hoogten op de westoever van de Maas ten zuiden van Chauvoncourt.

De val van St.Mihiel had een grote psychologische uitwerking op de Franse troepen in de regio.

Meerdere Franse tegenaanvallen op 25, 26 en 27 september met als doel de her-overing van het bruggenhoofd werden afgeslagen. Eerst in september 1918 werd onder dreiging van een offensief door Amerikaanse troepen tussen St. Mi-hiel en de Moezel, het bruggenhoofd ontruimd.

Het 11e Infanterie Regiment, ondersteund door de IIe Afdeling van het Beierse Veldartillerie Regiment, rukte langs de westrand van het Bois Pernosse ten zui-den van de Marsoupe Ferme op en bereikte tegen de avond van 24 september Hoogte 332 op 1 km ten oosten van het fort Camp des Romains zonder te zijn beschoten.

Om 0400 uur in de morgen van de 25ste meldde een vooruitgeschoven verken-ningspatrouille dat het fort ondanks de beschieting door de zware artillerie nog niet stormrijp was en waarschijnlijk nog een zeer sterke bezetting had en dat de prikkeldraadgordels op de buitenwallen ondanks deze beschieting slechts wei-nig schade hadden geleden. Deze berichten waren in strijd met die van de zware belegeringsartillerie. Ondanks deze tegenslag besloot de commandant van de Beierse 12e Infanterie Brigade de aanval door te zetten, ook al omdat het fort tot op deze morgen geen ondersteuning van Franse artillerie vanaf de westelijke oever van de Maas had ontvangen. Eveneens waren geen Franse troepen zowel oostelijk als westelijk van de rivier op dit moment te zien. Ook vermoedde hij dat de situatie, waarin het fort verkeerde, wel per telefoon aan de autoriteiten in Toul en Verdun was gemeld, waardoor Franse tegenaanvallen te verwachten wa- ren als het fort niet onmiddellijk zou worden veroverd.

In de loop van de nacht van de 24ste op de 25ste hadden de beide bataljons van het Beierse 11e Infanterie Regiment reeds hun uitgangsstellingen ingenomen: het Ie aan de noordzijde en het IIe aan de zuidzijde van het fort. Ondertussen hadden de bij deze eenheden ingedeelde pioniers van het 16e Pionierbataljon reeds doorgangen in de draadhindernissen gemaakt.

Op 25 september om 05.30 uur zetten de acht compagnieën, elk ondersteund door pioniers met o.a. stormladders, rookpotten, handgranaten, enz., de aanval in.

De fortbezetting werd volkomen verrast maar herstelde zich snel en de aanval-lers werden onthaald door hevig mitrailleur- en geweervuur uit alle schietgaten, ingangen en granaattrechters en in de droge fortgracht door revolverkanonnen. Ondanks verliezen slaagden de aanvallers binnen een kort tijdsbestek over de fortgracht te komen en het fort aan de noord- en zuidzijde te beklimmen. Om de oostzijde werd nog verbitterd gestreden, waarbij aan Duitse zijde ook nog de mitrailleur-compagnie van het 11e Regiment Infanterie en het snel aangevoerde IIIe Bataljon van het 6e Regiment werden ingezet.

Na een strijd, die ruim drie uren duurde, slaagden de aanvallers er in de ooste-lijke bovenzijde van het fort te veroveren en niet lang hierna de hoofdingang binnen te dringen, waarop in de gangen, in de galerijen en in de kazematten een verbitterd gevecht van man tegen man ontstond. De overmacht van de aanval-lers was echter te groot zodat één voor één de laatste weerstandsnesten konden worden opgeruimd.

Om 0830 uur capituleerden de overlevenden. De overgave werd ondertekend door de commandant van het fort, de luitenant-kolonel Grignot. Van de oor-spronkelijke bezetting, bestaande uit 5 officieren en 453 artilleristen en infan-teristen, sneuvelden 50 man en werden 60 man gewond, terwijl ruim 200 man door andere oorzaken niet meer inzetbaar waren omdat zij door o.a. instortingen waren afgesneden.

Overeenkomstig de capitulatievoorwaarden werd de gehele bezetting als krijgsgevangenen beschouwd, de officieren mochten hun degen behouden en de uit- tocht van de bezetting zou des namiddags tussen twee en drie uur met militaire eer plaatsvinden om hun taai verzet te eren. De afmars vond plaats tussen twee rijen in paradehouding opgestelde overwinnaars. Als laatste man verliet de commandant het fort, leunend op een wandelstok. Toen de legerkorpscomman-dant, luitenant-generaal Höhn, hem de hand drukte kon overste Grignot, door emotie bevangen, geen woord meer uitbrengen.

In de hierop volgende jaren stabiliseerde het front in deze saillant zich op een lijn even ten noorden van de weg van St.Mihiel naar Apremont-le-Fôret. In dit gebied werd doorlopend gevochten zonder noemenswaardige terreinwinst maar wel met grote verliezen aan beide zijden. De Franse troepen in dit gebied (o.a. in het Bois Brûlé en langs de beruchte Tranchée du Soif) werden ondersteund door vuur van het sperfort Liouville en het hier naast gelegen artilleriefort Ste. Agnant en de Franse veldartilleriebatterijen ten westen hiervan.

De Duitsers bouwden in dit gebied veel met beton versterkte permanente loop-graven, bunkers en onderkomens in meerdere linies achter elkaar, terwijl aan Franse zijde meestal eenvoudige aarden versterkingen en veel ondiepe loopgraven werden aangelegd, die zelden een permanent karakter hadden.

Dit was mede een gevolg van de wens van het Franse opperbevel: de troepen mochten zich niet te veilig voelen, want dan ging de offensieve geest verloren!

Nog heden zijn de Duitse linies met hun betonnen bouwwerken, thans in een dicht bos gelegen, vrijwel intact en zijn bij uitstek geschikt om een reconstructie van de hier plaats gevonden gevechten te maken.

Tot het Amerikaanse offensief in 1918 bleef dit front intact ondanks de voortdu-rende aanvallen, vooral van Franse zijde met het doel de saillant van St. Mihiel op te ruimen om zo de spoorlijn van deze stad naar Verdun weer te kunnen ge-bruiken.

De rol van Fort de Troyon als sperfort in september 1914

Het mislukken van de Duitse opmars met als doel via de Maashoogten de Maas te bereiken en deze rivier over te steken was voor een groot deel te danken aan de hardnekkige weerstand door de bezetting van het sperfort Troyon. in de kri-tieke eerste dagen van de Duitse opmars van 8 tot 14 september.

De functie van de forten langs de Maas was drieërlei:

  • het beveiligen van bepaalde gebieden ten westen van de Maas waarin het eigen veldleger bij mobilisatie zou concentreren
  • het verhinderen dat de vijand in de zwak verdedigde frontsectoren oost van de Maas troepen kon concentreren voor een aanval in de richting van de rivier en zijn bruggen. Zo had Troyon onder meer de taak de bruggen bij Ambly en La-croix-sur-Meuse te beveiligen.
  • het kanaliseren van een vijandelijke aanval in deze richting.

Het fort, gebouwd in de jaren 1878 -1880, was geheel uit metselstenen opge-trokken en afgedekt met een laag aarde van twee tot vijf meter dik. Het metsel- werk werd later niet met beton versterkt zoals het geval was bij de forten Dou-aumont, Vaux en Moulainville. Wel werden drie uit gewapend beton bestaande infanteriewaarnemingsposten boven op het fort gebouwd en onder in het fort werden enige bomvrije ruimten in de rotsachtige ondergrond uitgehouwen om als schuilplaats voor de bezetting en voor de opslag van munitie te dienen.

Het fort beschikte over 22 verouderde kanonnen van het type de Bange en had geen gepantserde geschutskoepels en artilleriewaarnemingsposten. Een aantal kanonnen was boven op het fort opgesteld tussen hoge, met aarde gevulde man-den en werd dan ook, zoals later blijkt, bij de Duitse beschieting direct uitge-schakeld

In het centrale deel van het fort bevond zich de kazerne waarin de bezetting, de stafsectie, de keukens, de messes, de ziekenzaal, enz. waren ondergebracht.

Verder waren er ruimten voor opslag van munitie, levensmiddelen en voor reparatiewerkzaamheden aan bewapening en uitrusting.

Troyon is bijna 350 meter breed en 250 meter diep en wordt omgeven door een 10 meter diepe droge gracht. Hierin bevinden zich vier caponnières met in to-taal zes kanonnen met een kaliber van 12cm en zes revolverkanonnen met een kaliber van 57mm. Een caponnière is een bunker die in de fortgracht (meestal aan de buitenzijde) tegenover een hoekpunt van het fort is gebouwd en door tunnels hiermede is verbonden. Vanuit een caponnière kan de gehele fortgracht met vuur worden bestreken om te verhinderen dat vijandelijke troepen hierin beschutting konden zoeken of via de fortgracht op het fort konden klimmen.

De keelzijde van het fort werd verdedigd door zes kanonnen van 12cm, die in een halve cirkelvorm in het ravelijn achter een borstwering waren opgesteld en onderling door aarden wallen van elkaar waren gescheiden. Een ravelijn is een midden voor het fort gelegen ongeveer driehoekig buitenwerk ter dekking van o.a. de toegangspoort.

Voorts waren er boven de gracht op het fort achter een borstwering 18 opstel-lingsplaatsen voor kanonnen van 12cm, gescheiden door met aarde gevulde hoge korven.

In september bestond de bezetting uit 150 artilleristen van het 5e Regiment Vestingartillerie onder bevel van eerste-luitenant Semoux en uit 300 infante-risten van het 166e Regiment Infanterie onder bevel van kapitein Heym, die tevens fortcommandant was. De infanterie had onder meer tot taak een doorge- broken vijandelijke eenheid te stoppen en te voorkomen dat deze het fort kon. aanvallen. Kanon type Bange wordt opgetakeld om op het fort in stelling te worden gebracht

In de vroege morgen van 8 september werd Heym door een paar burgers gewaarschuwd dat een sterke vijandelijke eenheid, waaronder artillerie, in de richting van Troyon oprukte. Hij was reeds gealarmeerd omdat een uitgezonden rijwielpatrouille en een aantal vooruitgeschoven luisterposten, in totaal 31 man, niet op de vastgestelde tijd waren teruggekeerd.

Op 8 september om 08.20 uur begon de beschieting en sloeg de eerste granaat in op een dicht bij het fort gelegen weide, gevolgd door een tweede granaat wel-ke nog dichter bij het fort insloeg waaruit bleek dat de vijandelijke artillerie aan het inschieten was. (Kort samengevat wil inschieten zeggen dat met een kanon door middel van het afvuren van enige granaten op verschillende afstanden in de richting van het doel, de afstand tot dit doel wordt bepaald).

Onmiddellijk hierna werd het fort getroffen door de eerste salvo’s , hetgeen een diepe indruk op de bezetting maakte. Het moreel werd nog meer op de proef ge-steld toen na het eerste salvo een luitenant van de artillerie en een kanonnier ernstig werden gewond en een derde kanonnier werd gedood. De op het fort opgestelde 12cm-kanonnen moesten, na slechts een paar granaten te hebben af-gevuurd, zwijgen omdat het vijandelijke vuur zó nauwkeurig lag dat het niet meer mogelijk was de kanonnen te bedienen. Bovendien was het ook onmoge-lijk om de vijandelijke batterijen onder vuur te nemen omdat de plaats van hun opstelling niet bekend was. Om 09.15 uur kregen de stuksbedieningen het bevel zich in de onderkomens en in het munitiemagazijn in veiligheid te stellen.

Na drie uren nam de intensiteit van de vijandelijke beschieting af, maar 180 treffers van 15cm-houwitsers hadden reeds zeven kanonnen en de bovenbouw van het fort zwaar beschadigd.

In de namiddag vuurden de nog inzetbare 9cm-kanonnen een aantal granaten af op het Bois des Chênots en op Duitse loopgraven op 1200 meter van het fort en

in de nacht van 8 op 9 september werd nog een Duits zoeklicht, dat met zijn lichtbundel het fort bescheen, uitgeschakeld. Ook explodeerde een Duitse gra-naat, die via een luchtkoker binnendrong, onder in het fort en verwondde een onder-luitenant ernstig.

Aan het einde van de eerste gevechtsdag, 8 september, bedroegen de verliezen onder de fortbezetting 1 gesneuvelde en 12 gewonden. Voorts waren de kanon-nen van 12cm onbruikbaar geworden en was de stalen toegangsdeur uit zijn scharnieren geblazen. De taluds weerstonden de beschieting redelijk goed zodat de fortmuren geen directe treffers hadden gekregen.

In de nacht van 8 0p 9 september verminderde de beschieting waardoor de be-zetting kans kreeg zich enigszins te verzorgen, te eten en te rusten en wat nood-zakelijke herstellingen, o.a. aan de bewapening, kon uitvoeren.

Vroeg in de ochtend van 9 september werd de beschieting in alle hevigheid hervat met vele salvo’s van vier schoten, afgevuurd door o.a. 21cm-houwitsers tot om 10.00 uur de beschieting plotseling eindigde.

Om 11.00 uur naderden drie Duitsers te paard, voorzien van een enorme witte vlag. Kapitein Heym liet ze tot op 30 meter van de fortgracht naderen. Het wa-ren twee artillerie-officieren en een trompetter, die als parlementairs de onvoor-waardelijke overgave van het fort met zijn bezetting en bewapening eisten. Bovendien eisten zij dat op hen gericht artillerievuur onmiddellijk werd gestaakt omdat dit in strijd was met het oorlogsrecht. Er bleek een door fort Génicourt afgevuurde granaat op 15 meter van de onderhandelaars te zijn ingeslagen! Heym vertelde hen dat hij geen verbinding had met Génicourt en deze beschieting dus niet kon tegenhouden. Hij deelde de Duitse onderhande-laars mee met een variatie op Van Speijk’s uitroep: „Nooit! Frankrijk heeft het fort aan mij toevertrouwd. Ik laat het liever in de lucht vliegen dan het over te geven”

Onmiddellijk na het vertrek van de Duitse delegatie werd de beschieting van het fort in alle hevigheid hervat, maar nu door de zware belegeringsartillerie met granaten van een kaliber van 28 en 30.5cm. Om nog meer verliezen te voorkomen gelastte Heym dat de bezetting zich moest terugtrekken in de schuilplaatsen onder in het fort waar ook de gewonden werden ondergebracht. De waarnemingsposten op het fort en op het glacis bleven echter doorlopend bezet.

Tegen het vallen van de avond ontdekten de waarnemers op het glacis gecamou-fleerde Duitsers die onopgemerkt de draadhindernissen voor het fort hadden weten te bereiken en met draadscharen bezig waren hierin doorgangen te maken Ook naderden groepen infanteristen in de richting van de zuidelijke caponnière die zich hadden gecamoufleerd met strohalmen die zij uit korenschoven op de omliggende velden hadden gehaald.

Om 20.00 uur begon de frontale aanval op het fort. De bezetting opende het vuur op de aanvallers met alle bruikbare kanonnen, mortieren, mitrailleurs en geweren. Kapitein Heym hield een peloton in reserve om dit eventueel op het meest bedreigde punt te kunnen inzetten. Toen een sterke aanvalsgolf tot op 600 meter was genaderd, schoot hij een lichtkogel af om de forten Génicourt en Les Paroches te waarschuwen dat Troyon werd aangevallen en vuursteun nodig had. Beide forten openden hierop onmiddellijk het vuur op de aanvallende Duitsers, die zich echter niet terugtrokken.

De aanval duurde tot het aanbreken van de dag. Het gelukte de verdedigers na veel moeilijkheden om een groep mitrailleursop de borstwering in stelling te brengen omdat deze door de beschietingen grotendeels was ingestort en onder een hagel van vijandelijk geweer- en mitrailleurvuur lag. Ook schoten de nog bruikbare kanonnen in een hoog tempo waarbij één, vurend met directe richting een voltreffer op een mitrailleur plaatste die meters hoog de lucht werd ingeslingerd. Bij het aanbreken van de dag trokken de aanvallers zich terug om de eigen artillerie gelegenheid te geven het fort opnieuw te beschieten.

De Franse verliezen tijdens deze aanval van 9 op 10 september bedroegen tien gewonden, en wel een stukscommandant, zes kanonniers en drie infanteristen. Van alle vuurmonden waren nog zes 90mm-kanonnen inzetbaar.

Op 10 september begon om 04.00 uur weer een beschieting door 30,5cm-hou-witsers, waarbij een granaat kapitein Heym vrij ernstig aan zijn benen en rug verwondde. Deze beschieting duurde, met een korte onderbreking tussen 12.00 en 14.00 uur, tot 19.00 uur. Om 18.00 uur sloeg een salvo van twee 30,5cm-gra- naten door het gemetselde gewelf van schuilplaats nr 9 waardoor zes van de daar opgeslagen granaten van 90mm explodeerden. Hierdoor werd de tunnel die naar de centrale caponnière leidde, door puin geblokkeerd en werden twee sol-daten bedolven.

Om 19.00 uur eindigde de beschieting. Voorposten ontdekten nu enige Duitse infanteristen bij de beschadigde prikkeldraadversperringen. Kapitein Heym liet hierop een rode lichtkogel afvuren waarmee weer artilleriesteun van de forten Génicourt en Les Paroches werd aangevraagd. Bij het zien van deze lichtkogel trokken de Duitsers zich hals over kop terug.

De nacht van 10 op 11 september was zeer donker en winderig waardoor waar-neming ernstig werd bemoeilijkt, maar verwachte vijandelijke acties bleven uit.

De Franse verliezen op 10 september bedroegen een gesneuvelde infanterist en twee gewonde artilleristen.

Op 11 september, de vierde dag waarop de Duitsers poogden het fort uit te scha-kelen, begon om 05.00 uur een beschieting door 21cm-houwitsers. Vele salvo’s van vier projectielen troffen het fort waarbij het zwaartepunt lag op het zuidelij-ke munitiemagazijn. De beschieting eindigde om 11.00 uur zonder dat één pro-jectiel tot in dit ondergrondse magazijn was doorgedrongen.

Om 13.00 uur werd de beschieting weer in alle hevigheid hervat. Het vuur was nu niet alleen op het zuidelijke munitiemagazijn gericht maar op het gehele fort.

De schade was aanzienlijk: van twee ondergrondse kazematten werden de ge-welven ingeschoten en twee luchtverversingskanalen werden vernield waardoor grote instortingen ontstonden. De situatie werd zodanig kritiek geacht dat Heym het bevel gaf alle belangrijke bescheiden, waaronder de codeboeken, te verbran-den.

Omdat de beschieting na 18.00 uur werd voortgezet verwachtte men weer een nachtaanval. Deze verwachting werd nog versterkt omdat de nacht van 11 op 12 september weer donker en winderig zou worden zodat.ook de eigen waarne-ming hierdoor weer werd bemoeilijkt. Heym liet het voorterrein regelmatig onder vuur nemen om de Duitsers te beletten dat zij ongezien de zwaar bescha-digde draadversperring konden passeren.Dit onder vuur nemen gebeurde door een gedeelte van de infanteriebezetting elke twintig minuten vier patronen per man te laten afvuren op mogelijke naderingwegen en per inzetbaar kanon twee of drie granaten.

De verwachte aanval bleef uit en bij het aanbreken van de dag hield het nachte- lijke Duitse storingsvuur op. Om 08.00 uur begon de beschieting van het fort weer, hoewel nu minder intensief. Om 10.00 uur op deze 12e september slaagde Franse veldartillerie met hun 7,5cm-snelvuurkanonnen erin Duitse vuurmonden die het fort beschoten, uit te schakelen. Deze veldartillerie was, te zamen met infanterie-eenheden, de Maas overgestoken ter versterking van de Franse troe-pen op de Maashoogten. Tegen de middag werd het fort weer beschoten door één 30,5cm-houwitser en deze beschieting ging, met een paar uren onderbre-king, door tot 02.30 uur op 13 september, waarna de rust terugkeerde.

Het fort was nu voor het overgrote deel veranderd in een puinhoop: alle gangen en ruimten waren ingestort of vol stenen en vernield materieel, waardoor het voor de bezetting vrijwel onmogelijk was zich hierin te verplaatsen.

Het tijdstip van 02.30 uur op 13 september werd beschouwd als het einde van de Duitse poging om Troyon.in handen te krijgen. Een Franse patrouille die tegen 07.00 uur bij het fort aankwam, meldde dat de Duitsers zich onder de druk van Franse tegenaanvallen terugtrokken met achterlating van veel mate-rieel. Het fort had een complete vijandelijke divisie belet de Maas te bereiken.

In de daarop volgende dagen werd het fort door de overgebleven bezetting weer enigszins gevechtswaardig gemaakt door noodzakelijke gangen en ruimten weer puinvrij te maken.

Tot 22 september werd Troyon vrijwel niet meer beschoten maar op 24 septem-ber om 15.00 uur werd het noordelijke munitiemagazijn getroffen door een 42cm-granaat. Bij deze explosie werden 18 manschappen gedood en onder het puin van het ingestorte magazijn bedolven. Tot op heden rusten zij nog steeds in dit ‘veldgraf’. Zij zijn met naam en rang vermeld.op een gedenkplaat die in de gang naar het ingestorte magazijn leidt.

De commandant, kapitein Heym, die bij de aanval van 10 september vrij zwaar gewond raakte, herstelde, maar sneuvelde op 27 maart 1915 bij Marchéville.

Literatuur

Deutsches Kriegsministerium: Der Weltkrieg 1914-1918

Colonel J.R.Rebold: La guerre forteresse

Heeres Artillerieschule: Deutsche Artillerie- und Minenwerfermunition

Reichsarchiv: Schlachten des Weltkrieges, Band 6: Von Nancy bis zum Camp des Romains

Otl.a.D.Herbert Jäger: German artillerie of WW 1

Marchand: Plans de concentration 1871-1914

Ian Hogg: The guns of 1914-1918

Christian Zentner; Illustrierte Geschichte des Ersten Weltkrieges.

Frossad: La fortification permanente pendant la guerre

Reichsarchiv:Die Bayern im Groszen Kriege 1914-1918

Duitse regimentsgeschiedenissen van deelnemende eenheden

overzicht: