De gevechten in de Argonnen van september 1914 tot medio 1916

Door J.H.Buitenhuis, Luitenant-Kolonel b.d

(Dit artikel verscheen eerder in het jaarboek van de Stichting Studiecentrum Eerste Wereldoorlog nr 11)

 

De algemene situatie in het najaar van 1914

De Duitse terugtocht na de slag aan de Marne in het begin van september 1914 had ook verstrekkende gevolgen voor het in het gebied van de Argonnen opruk-kende Duitse 5e Leger onder het bevel van de Kroonprins.

Door de toenemende Franse druk op de zuid- en westflank was het 5e Leger gedwon-gen om de bereikte lijn Ste. Ménehould - Les Islettes - Clermont-en-Argonne op te geven en terug te trekken op de lijn Gercourt - Montfaucon - Varennes, waarbij de noordelijke doorgangen door het heuvelachtige, met vrijwel ondoordringbaar struik-gewas begroeide Argonnenwoud toch in Duitse handen bleven Het bezit van de Argonnen was van grote tactische waarde omdat vanuit dit gebied onder meer de zuidwest flank van de Vesting Verdun kon worden bedreigd.

In dit artikel zullen de gevechten worden beschreven zoals die zich vooral afspeel-den in de regio van de heuvelrug Fille Morte en bij Hoogte 285.in september 1914 tot medio 1916.

Geografische gegevens van het gevechtsterrein

Om een beter inzicht in het gevechtsgebied van de Argonnen te verkrijgen zijn hier eerst enige geografische gegevens beschreven.

Afb 1: De oost-west verlopende dalen in de Argonnen

Als belangrijkste dal gold het dal waardoor de Biesme stroomt tussen de dorpjes Les Islettes en Vienne-le-Château.In dit deel van de Biesme monden aan de oostoever meerdere zijbeekjes uit waarvan de belangrijkste zijn (van zuid naar noord): de Courte Chausse-, de Meurisson-, de Hubert- en de Charmesbeek. Deze beekjes bezitten veelal moe-rassige oevers en stromen door diepe ravijnen met steile hellingen.

Het belangrijkste ravijn is het Meurissonravijn, waardoor een gedeeltelijke ver-harde weg liep van het gehucht Le Four de Paris naar Varennes.Het geheel verwoeste Le Four de Paris gold als een sleutelpositie in dit deel van de Argonnen en was door de Fransen zwaar versterkt. Het diende als centrum van de verdediging van het Biesmedal. Alle hooggelegen punten langs het dal en de beken waren in de verdedigingslijn opgenomen waardoor alle zijdalen in noordoostelijke en oostelijke richting tussen Vienne-le-Château en Les Islettes met vuur konden worden bestreken.

De enkele gehuchten en.kolenbrandershutten in deze linie waren door een net-werk van loopgraven en veldversterkingen onderling verbonden.waardoor het front bij Verdun met het front in de Champagne was verbonden.

Eind september 1914 hadden de Fransen zich in dit gebied reeds zo goed ter ver-dediging ingericht dat de eerste Duitse aanval vastliep op de vrijwel onneembare lijn van Boureuilles in het oosten via de kalksteenachtige heuvel (Hoogte 285) bij de Fille Morte naar een punt halverwege Vienne-le-Château en Binarville, al- waar deze lijn aansloot op de frontlijn in de Champagne.

De gevechten in de Argonnen

In de beukenwouden met hun dichte onderbegroeiing ontstond een bijzonder soort gevecht.

In het begin werd werd door de Fransen op de terugtocht van de Duitse troepen na de slag aan de Marne in september slechts gereageerd met het inzetten van zwakke infanterie-eenheden, die behoedzaam oprukten door de ravijnen in de bossen ten noorden van de spoorlijn Ste. Ménehould - Verdun. Eerst nadat de Duitse terugtocht eindigde legden de Fransen in het dichte struikgewas prikkel- draadhindernissen aan met daarachter diepe loopgraafstelsels en versterkte mi- trailleuropstellingen.

In het begin ontstonden toen gevechten van man tegen man waarbij men elkaar bestookte met geweervuur vanuit loopgraven en vanuit boomkruinen, maar langzamerhand veranderde het gevecht: men gebruikte handgranaten en na enige tijd ook mijnenwerpers, licht berggeschut en later zelfs zware artillerie die over nieuw aangelegde veldspoorbanen werd aangevoerd.

In oktober 1914 vielen de Duitsers voor de eerste maal met sterke eenheden aan en slaagden er in de Fransen terug te dringen naar de hoogten op de oevers van de Meurisson- en Charmesbeek en uiteindelijk in de richting van de weg van Varennes naar Le Four de Paris, waardoor dit gehucht begin december 1914 in het brandpunt van de gevechten kwam te liggen.

De verdediging van de Argonnen was tot dit tijdstip toevertrouwd aan het Franse 2e Legerkorps, dat na deze gevechten door de grote verliezen vrijwel had opge-houden te bestaan: binnen een paar maanden waren de verliezen opgelopen tot 4.000 gesneuvelden, 12 000 gewonden en 1 300 gevangenen. Aan Duitse zijde waren het 13e Legerkorps en van het 16e Legerkorps de 27e Infanteriedivisie in-gezet, die beide eveneens zeer zware verliezen leden.

Omdat de Duitsers in het begin van december 1914 nog altijd langzaam opruk-ten, zond Joffre het 5e Legerkorps ter versterking. De eenheden van dit leger-korps legden in de verdedigingslijn op de heuvels tussen het Bagatelle-Pavillon en het dorpje Servon zwaar versterkte steunpunten aan (o.a. Labordière, Martin, Central en Cimetière) en versterkten eveneens de troepen op de hellingen van de Charmesbeek.

Afb. 2: Franse steunpunten ten zuiden van het Bagatelle Pavillon

Op 17 december 1914 liep de frontlijn in de Argonnen, gezien van oost naar west , van Vauquois over Boureuilles naar de heuvelrug Fille Morte en van hier via de Bolante, een heuvelachtig bosgebied op de zuidhelling van het Meuris-sondal, in de richting van Le Four de Paris. Van hier boog de frontlijn in noorde-lijke richting naar de veldversterking St Hubert, kruiste de weg Servon - Mont-blainville, waardoor in de omgeving van Servon de aansluiting met de frontlijn in de Champagne.ontstond.

De Fransen waren in de Argonnen in het defensief gedrongen en voor Joffre kans zag.hierin verandering aan te brengen door ook een offensief in te zetten, vielen de Duitsers aan. Deze aanval werd ingeluid door het laten springen van een zware mijn op minder dan 1 km van Le Four de Paris De vijandelijke stellingen werden op dit punt opgeblazen en de restanten hiervan, evenals de randen van de mijn-krater, direct bezet door de Duitsers na een hevig man-tegen-man gevecht met Franse overlevenden.

Door deze Duitse verrassingsaanval kon het Franse offensief eerst op 21 december, dus vier dagen later dan was gepland, worden ingezet. Na een zware inleidende beschieting ontstonden langs de hele frontlijn van Boureuilles tot Servon felle infanteriegevechten die echter vrijwel geen terreinwinst opleverden.Integendeel: een Duitse tegenaanval wist de Fransen nog verder terug te dringen in de richting van het Biesmedal.

Op 27 december volgde een tweede Franse aanval vanuit het dal van de Meuris- son met weer het doel Le Four de Paris veilig te stellen. De strijd werd in de sombere, nevelige en met sneeuw bedekte wouden in alle hevigheid gevoerd met slechts geringe terreinwinst voor de Franse troepen en ten koste van zware verliezen voor beide partijen.

Aan deze gevechten werd ook deelgenomen door het 2e Bataljon van het Garibaldiregiment, dat uit Italiaanse vrijwilligers bestond. Hierbij sneuvelde de 2e luitenant Bruno Garibaldi, een kleinzoon van de Italiaanse vrijheidsstrijder Giuseppe Garibaldi die in 1870 met de Fransen tegen de Duitsers had gevochten.

Op 5 januari 1915 om 07.00 uur lieten de Fransen een serie van acht mijnen over een lengte van 600 meter in de Courte Chausse bij de Fille Morte springen waardoor veel Duitse verdedigers werden bedolven. Een Frans bataljon, weer versterkt door Italiaanse legionairs, tezamen 4000 man, bezette na de explosie de kraterranden en brak daarna door de Duitse eerste lijn. Onmiddellijk gingen de Duitsers tot de tegenaanval over en drongen de legionairs weer terug tot op de randen van de kraters waarna deze zich ingroeven. Tijdens deze gevechten sneuvelde ook Bruno Garibaldi’s broer Constante. Tussen 5 en 10 januari 1915 werd weer strijd geleverd om het bezit van een aantal Franse loopgraven bij de Courte Chaussebeek en aan de zuidzijde van de Bolante, welk gevecht in het voordeel van de Duitsers verliep.

In deze periode hergroepeerde Joffre zijn strijdkrachten in de Argonnen. Tussen het Bagatellepavillon en het dorpje Vienne-la-Ville werd het 2e Legerkorps, dat zware verliezen had geleden afgelost door het 32e Legerkorps, afkomstig uit de sector Ieper. De 40e Divisie van dit legerkorps richtte zich ter verdediging in op de rechtervleugel van de versterkingen Labordère, Central, Martin en Cimetière. Vòòr deze plaatsen werd een diepe versterkte loopgraaf aangelegd met twee hier-voor gelegen ondiepere loopgraven die als voorpostenlijn werden ingericht.In de tweede helft van januari 1915 viel de Duitse 27e Divisie deze versterkte lijn aan met als doel deFranse 40e Divisie uit dit beboste heuvelachtige gebied op La Harazée terug te dringen.

Deze aanval werd weer ingeluid door een serie mijnontploffingen onder Franse stellingen, waarna over een drie kilometer breed gebied de strijd ontbrandde. De aanvallers slaagden er in de Franse troepen uit de voorste loopgraven vóór de versterkingen te verdrijven. Tegenaanvallen door het 94e en het 150e Linie Regi- ment werden door de Duitsers afgeslagen, waarop de Fransen zich terugtrokken op de versterkingen Labordère, Central Cimetière en Bagatelle. In het oostelijke deel van de Argonnen bij Le Four de Paris en bij de Fille Morte werd doorlopend op kleinere schaal gevochten, waarbij tientallen grote en kleine mijnen tot ontploffing werden gebracht.

Het Lotharingse Infanterie Regiment 173 op de Fille Morte (IR 173)

De geschiedenis van de vele tunnels en onderkomens in de Argonnen is nauw verbonden met die van het Lotharingse Infanterie Regiment 173 (IR 173).Dit regiment loste in het oostelijke deel van het Argonnenwoud eenheden van de 33e Infanterie Divisie af die in de maanden juli tot september 1915 de heuvelrug

Bolante - Fille Morte - Hoogte 285 op de Fransen hadden veroverd. De reden was dat vanaf deze rug het Duitse achtergebied met daarin alle troepenverplaatsingen en stellingbouw kon worden geobserveerd .

De Fransen waren teruggedrongen naar de zuidhelling van de heuvelrug maar konden twee kleine tactisch zeer belangrijke gebieden behouden en wel de top van de Hoogte 285 en het zadel ten westen hiervan.

Voorlopig bestond de taak van de Duitse troepen in dit gedeelte van de Argonnen voornamelijk uit het uitoefenen van een constante druk op de Fransen door kleine plaatselijke aanvallen te doen teneinde de tegenstander te verhinderen troepen weg te halen voor inzet op andere frontdelen. Alleen om zwakke plekken in de frontlijn te verbeteren waren wat grotere offensieve acties van beperkte omvang toegestaan

De reden voor deze beperking was dat de algemene situatie aan de rest van het westelijk front een groot Duits offensief niet toeliet.

Op 5 november 1915 was het front van de Bolante tot de Fille Morte aan Duitse zijde bezet door de 86e Brigade van de 34e Infanterie Divisie, waartoe het IR 173 met zijn drie bataljons van elk ca. 900 man behoorde. Het front van de brigade was in vijf sectoren verdeeld en wel van west naar oost genummerd met 4, 5, 6,7 en 8.

afb. 3: De verdeling in sectoren van het front van de 86e Brigade.

Het Ie Bataljon (I/173) was bestemd voor sector 4, het IIIe (III/173) voor sector 6 en het IIe (II/173) bezette sector 7. Sector 5 was reeds langere tijd bezet door het Ie Bataljon van het 135e Infanterie Regiment (I/135)

Tussen 5 en 15 november betrokken het IIe en IIIe Bataljon de hun toegewezen sectoren. Het belang van deze sectoren bleek uit de voortdurende beschieting door Franse artillerie en mijnenwerpers.. Ook de noordelijke achterhelling van de Fille Morte, waar bataljonskeukens, enz. waren opgesteld en waar de achterwaartse ver-

bindingslijnen liepen werden vrijwel dag en nacht beschoten met zware granaten, shrapnels en vleugelmijnen.

Ook ondergronds waren de Fransen actief. Op 17 november lieten zij een grote mijn onder de Duitse stelling in sector 7 springen waardoor een enorme ovale krater ontstond. Ook op 24 november sprongen mijnen onder de beide vleugels van sector 6. Duitse pioniers waren ook actief en lieten in sector 9 een mijn springen die tot hun grote verrassing eveneens een gereedgemaakte Franse mijnlading in de nabijheid deed springen waardoor een enorme krater ontstond.

Het I/173 verliet op 11 december 1915 de Bolantestelling om de toegewezen sector 4 aan het front bij de Fille Morte te bezetten. Hier werd echter het front van de 86e Brigade teruggebracht van vier naar drie bataljonssectoren (zie afb. 3), waarbij de sector 5 werd opgedeeld tussen de sectoren 4 en 6.

Sector 4 werd overgenomen door compagnieën van het 135e Landwehr Regiment en het 135e Infanterie Regiment.

Zoals hiervoor reeds is beschreven bezette III/173 sector 6 en II/173 sector 7.

I/173 loste afwisselend een van de beide andere bataljons af gedurende de tijd dat dat betreffende bataljon in het rustkwartier in het dorp Champigneulle verbleef of in een reservestelling werkzaamheden verrichtte. Deze situatie bleef zo tot eind juli 1916 bestaan.

Voor het uitvoeren van pionierwerkzaamheden zoals het bouwen van onderkomens en het graven van tunnels, alsmede het opstellen en bedienen van mijnenwerpers was in sector 6 een compagnie van 16e Pionier Bataljon en in sector 7 een compagnie van het 20e Reserve Pionier Bataljon ingedeeld.

Mijnenwerpers stonden onder normale gevechtsomstandigheden onder bevel van de infanterie, maar werden door pioniers opgesteld en bediend. Bij grote offensie-ven waarbij de inleidende beschieting zowel door artillerie als mijnenwerpers werd afgegeven, stonden de mijnenwerpers onder bevel van de artillerie.

Door het lange verblijf in de sectoren waren vooral het IIe en het IIIe Bataljon vertrouwd geworden met de algehele situatie in hun sector en met die bij de vijand die tegenover hun gebied lag. Commandanten en manschappen kenden alle loop-graven, onderkomens, opstellingsplaatsen van mijnenwerpers, opslagplaatsen van materieel en munitie, wegen, paden en gevarenzones. Ook waren de bataljons langzamerhand op de hoogte van de wijze waarop de Franse tegenstanders, zowel boven- als ondergronds, het gevecht voerden. Mede door deze kennis wisten zij de grotere vuuruitwerking van de Franse wapens te ontwijken waardoor hun verliezen beperkt bleven. Het aantal batterijen en mijnenwerpers alsmede de beschikbare hoeveelheid munitie aan Franse zijde waren meer dan twee maal zo groot dan bij de Duitsers.

Ook had het regelmatig en langdurig verblijf van dezelfde eenheden in de hun toegewezen sector een goede invloed op het verder uitbouwen van veldverster-kingen, wapenopstellingen, loopgraven en onderkomens.. Er werden ondergrondse verblijven uitgebreid en de bovendekking hiervan versterkt om tegen vijandelijke granaatinslagen bestand te zijn. Steunpunten werden door ondergrondse gangen onderling verbonden. In het gebied achter de voorste stellingen werden tunnels gegraven om tijdens gevechtsacties aflossingen veilig het onder Frans spervuur lig-gend terrein te laten doorschrijden. Een voorbeeld hiervan zijn de Kaisertunnel en de Batailjonstunnel.

afb. 4: De Kaisertunnel en de Batailjonstunnel

Achter de frontlijn werd tegen en in de zuidhelling van het dal van de Meurisson een groot verzorgingsgebied ingericht. Hier lagen étagegewijs, deels bovengronds, deels ingegraven, onderkomens voor de troepen keukens, verbandplaatsen, opslag-plaatsen voormaterieel, munitie en voeding, badinrichtingen, enz.

Het bomenbestand was nog redelijk intact en werd om vijandelijke luchtwaarne-ming te bemoeilijken zoveel mogelijk ontzien: er werden geen bomen gekapt om het hout voor stellingbouw, enz. te gebruiken.

Omdat echter veel granaten bij het treffen van takken sprongen en een dodelijke regen van scherven veroorzaakten moesten de bomen toch sterk worden uitgedund.

De noordzijde van het Meurissondal werd gevormd door de geheel kaalgeschoten zuidhelling van een heuvel, door de troepen Schwarze Kuppe genoemd,die in de zomer van 1915 op de Fransen was veroverd (afb. 3).

Vanuit de onderkomens op de zuidhelling van het dal was nog een wirwar van oude Franse loopgraven en veldversterkingen te zien evenals lijken van Franse gesneuvelden. Nieuwsgierige Duitse soldaten die ondanks een verbod dit terrein te betreden toch op deze helling naar souvenirs zochten zoals koperen geleidebanden van granaten (om daarvan armbanden voor familieleden te maken) werden met grote regelmaat verrast door series van vier tot acht schoten van Frans veldgeschut.In oostelijke richting splitst het Meurissondal zich in twee kleine dalen die bij de Duitsers bekend stonden als Nordgrund en Südgrund. Tussen deze dalen ligt als een licht welvende heuvelrug die Kronprinzenhöhe die vanaf Hoogte 285 in westelijke richting verloopt.

De ondiepe Südgrund lag op 150 meter van de voorste loopgraaf op de Fille Morte.Elk spoor van begroeiing was hier, evenals op de Kronprinzenhöhe, door de voor-afgaande gevechten en beschietingen weggevaagd. Omdat vooral de Südgrund doorlopend onder Frans artillerie- en mijnenwerpervuur lag was dit dal overdekt met trechters.

Op het laagste punt van de inzinking lag een door granaten en mijnen omwoeld oud Frans kerkhof en in de nabijheid hiervan bevonden zich op de vrij vlakke zuidelijke helling van de Südgrund onderkomens voor reserve-eenheden en de commandopost van II/173. Ruimtegebrek belemmerde de uitbreiding van deze faciliteiten en was de oorzaak dat geen latrines of afvalputten konden worden gegraven. Het gehele gebied was bezaaid met granaattrechters, modderpoelen, keukenafval, , grafkruisen, beenderen, conservenblikken en ander vuil: kort sa- mengevat een eldorado voor ontelbare vette ratten. De dagelijkse beschieting door mijnenwerpers van het legeringsgebied van II/173 in de Südgrund en de onderkomens in de noordhelling van de Fille Morte had tot doel alle bewegingen in dit gebied onmogelijk te maken.

De Duitsers hadden speciale luisterposten opgesteld die door middel van fluitsig-nalen de eigen troepen waarschuwden zodra zij het specifieke geluid van het afvuren van een mijnenwerper hoorden. Mijnenwerpers hebben een kleine schoots-afstand en werden dus dicht achter de Franse voorste lijn opgesteld. Door de kleine aanvangssnelheid en de sterk gekromde baan van de mijn was de vluchttijd lang genoeg om snel gewaarschuwde troepen dekking te laten zoeken.

Uit de steeds toenemende sterkte van Franse beschietingen viel op te maken dat de Fransen op een Duitse aanval op de Fille Morte rekenden en wel speciaal in het gebied van de sectoren 6 tot 8. Zij hadden het vermoeden dat de Duitsers hun niet zouden toestaan vanuit hun hoog gelegen stellingen op de Fille Morte het terrein achter de voorste Duitse lijn te kunnen observeren. Dit vermoeden werd nog versterkt toen in de namiddag van 15 januari 1916 een batterij Duitse 15cm-houwitsers zich op de voorste Franse stellingen, gelegen voor de linkerhelft van sector 7, inschoot en de volgende dag eveneens Franse loopgraven voor de linkerhelft van sector 6 beschoot.

Toen bovendien in de vroege morgen van 12 januari 1916 drie zware mijnen onder Hoogte 285 tot ontploffing werden gebracht en Franse bunkers en mijnenwerpers ge- legen voor de sectoren 6 en 7 zwaar werden beschoten, waren de Fransen overtuigd dat een grote aanval werd voorbereid. Zij namen onmiddellijk tegenmaatregelen bestaande uit zware beschietingen van de voorste Duitse linies en het er achter gelegen terrein gedurende de resterende dagen van januari. Deze beschietingen richtte zeer zware schade aan in de Duitse loopgraven, aan veldversterkingen en aan onder-komens.

De Fransen versterkten ook hun draadversperringen en groeven vanuit de noordhel-ling van het Courte Chaussedal, dat direct achter hun voorste lijn lag, nieuwe tunnels

tot onder de Duitse stellingen om deze met mijnladingen te kunnen opblazen.

De Duitsers hadden ondergrondse luisterposten opgesteld om eventueel vijandelijk graafwerk onder hun stellingen te kunnen constateren. Indien dit het geval was namen zij tegenmaatregelen door in hun bedreigde stelling een verticale schacht te graven tot een zodanige diepte dat zij door het graven van horizontale ‘kruiptunnels’ onder de ontdekte Franse tunnel konden komen om deze vervolgens met een springlading op te blazen.

De Fransen handelden op dezelfde wijze en ontstaken tussen 16 en 31 januari 1916 alleen al in de sectoren 6 en 7 negen springladingen onder Duitse tunnels. Deze richtten echter weinig schade aan omdat zij niet goed waren voorbereid of te vroeg werden ontstoken. Na een vorstperiode, gepaard met hevige sneeuwval viel op 12 februari 1916 plotse- ling dooi in met veel regen. Alle loopgraven veranderden hierdoor in modderbeken en de onderkomens en mijngangen kregen te kampen met veel wateroverlast. Doorlopend moest water worden weggepompt of weggeschept en alle werkzaamhe-den aan tunnelbouw moest worden gestaakt.

De gevechten en beschietingen in de periode van maart tot juli 1916 waarbij IR 173 was betrokken , zullen niet verder worden beschreven . Alleen de gebeurtenissen in de laatste weken waarin het regiment nog in de Argonnen verbleef zullen nog worden vermeld.

IIn de zomer van 1916 was het gebied van de Fille Morte door de voortdurende beschietingen en door vele kleine en grote mijnexplosies in een desolaat trechterveld veranderd. Ook de ondergrondse oorlog woedde hier in volle omvang. Een Duitse pioniercompagnie had in vele maanden werken een groot aantal tunnels gegraven. Op veel plaatsen waren deze door dwarsverbindingen tot ondergrondse galerijen omge-vormd. Bovendien hadden de pioniers overal in dit gebied kruip- en luistertunnels tot onder en zelfs tot achter de Franse linies gegraven.

In de ochtend van 2 augustus 1916 brachten Franse pioniers een kleine lading onder een ontdekte Duitse mijnkamer tot ontploffing met het gevolg dat de daarin gereed-liggende lading van ong. 10 ton eveneens explodeerde. Omdat de Duitsers het voor-nemen hadden deze deze mijn enige uren later te laten springen hadden zij de stellin-gen in het gevarengebied reeds ontruimd waardoor zij geen verliezen leden.

Op 10 augustus om 05.30 uur werd de op een heuvel op de rechterflank van sector 8 gelegen Franse waarnemingspost door twee zware Duitse mijnladingen weggeblazen.Hierbij werd ook de voorste loopgraaf van twee Franse compagnieën vernield evenals hun verbindingsloopgraaf tussen de sectoren 7 en 8.

Het opblazen van elkanders stellingen ging de gehele maand door en zullen hier niet verder worden beschreven.

Op 13 augustus 1916 werd II/173 afgelost en op 14 augustus I/173 en III/173, waar-mede een einde kwam aan hun verblijf van bijna 22 maanden in de Argonnen waar-van ongeveer 10 bij de Fille Morte en Hoogte 285. Vanaf december 1915 had elk bataljon vijf gevechtsperioden op de Fille Morte en op Hoogte 285 doorgebracht, het IIIe Bataljon steeds in sector 6 en het IIe in sector 7. Tijdens het verblijf van een van deze twee bataljons in het achter het front gelegen rustcentrum in Champigneulle bezette het Ie Bataljon dan de sector van het afwezige bataljon.

Het Infanterie Regiment 173 heeft tijdens de gevechten in de Argonnen 27 officieren en 1287 onderofficieren en manschappen verloren, waarvan 12 officieren en 318 overigen bij de Fille Morte en Hoogte 285.

Het definitieve graf van reserve-luitenant Gerhard Otto, commandant van de 4e Compagnie van het Ie Bataljon van het Lotharingse Infanterie Regiment 135.(I/IR 135)

In de regimentsgeschiedenis van IR 135 wordt het sneuvelen van de reserve-luitenant Otto beschreven en met behulp van de Duitse Oorlogsgravenstichting (Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge), gevechtsverslagen en naspeuringen in het terrein is het gelukt om de laatste gang van deze officier te achterhalen. Het is een voorbeeld van de wijze waarop vele Duitse gesneuvelden in de Argonnen werden begraven en evt. herbegraven en de nauwgezetheid van de Duitse Oorlogsgravendienst.

Allereerst wordt het gevecht beschreven waarin Otto sneuvelde.

Op 16 februari 1915 voerde de 2e Compagnie van het 1e Bataljon van IR 135 tezamen met de compagnieën van het 5e Bataljon Jagers een stormaanval uit op de Franse voorste lijn in sector 8. Het doel van deze aanval was om Hoogte 285 te nemen maar slechts drie loopgraven konden worden veroverd. De Fransen verloren bij deze actie 100 gesneuvelden en 162 gevangenen en aan Duitse zijde vielen 10 doden en 53 gewonden.

Bij deze stormaanval werd de 4e Compagnie van I/IR 135 onder bevel van luitenant Otto ingezet op de rechtervleugel achter de bataljonsreserve van het 5e Bataljon Jagers met als opdracht eventuele openingen tussen de aanvallende compagnieën van dit bataljon te sluiten.

Tijdens de aanval trad de 4e Compagnie van Otto verspreid op in de onoverzichtelijke loopgraven in het door granaten verwoeste terrein. Het doorgeven van bevelen werd hierdoor erg bemoeilijkt met als gevolg dat delen van deze compagnie niet in de juiste richting oprukten. Hierdoor kwam het 3e Peloton, waarbij compagniescommandant Otto zich bevond, door een foutief doorgegeven mondeling bevel in de stormlijn van de Jagers terecht waarbij hij dodelijk werd getroffen door een schot in zijn hoofd.

In totaal bedroegen de verliezen van de 4e Compagnie op die dag 5 gesneuvelden onder wie Otto en 6 gewonden.

afb. 5: Het telegram waarin Otto’s sneuvelen werd vermeld en een rouwadvertentie in een Berlijns dagblad.

Gedurende de Eerste Wereldoorlog werden de meeste gesneuvelden in eerste instantie achter de voorste stellingen.in een zogenoemd veldgraf op een militaire noodbegraaf-plaats begraven. Dit vond vooral plaats in gebieden waarin geen burgerbegraafplaats. was waarop gesneuvelden (tijdelijk) konden worden begraven

Ook Gerhard Otto werd daags na zijn sneuvelen begraven op een noodbegraafplaats. Deze bevond zich op een kleine afstand achter de Duitse linie in het Ravin Perceval (Duitse benaming was Osson Schlucht). Dit ravijn bevindt zich op ongeveer 600 meter ten noorden van de Tranchée d’Oxholm en loopt hieraan evenwijdig.

afb. 6: Gebied waarin o.a. de Osson Schlucht, de Tranchée d’Oxholm en Hoogte 285.

Enige jaren na de oorlog werden de hier begraven gesneuvelden door de Franse gravendienst overgebracht naar het oorlogskerkhof L’Aigle waar Otto in graf 779 werd herbegraven. De opgeheven noodbegraafplaats in het Osson-ravijn is nu geheel overwoekerd. Alleen aan een aantal zeer ondiepe grafkuilen en wat kleine stukken steen op een enigszins hellend plateau van een paar honderd vierkante meter zijn nog met moeite te onderscheiden.

L’Aigle was het oorlogskerkhof van het 123e Regiment Grenadiers en van IR 124 en was gelegen aan de oude weg van Varennes naar Reims midden in het Argonnen-woud op ong. 8 km ten westen van Varennes.

afb.7: Ligging van het oorlogskerkhof L’Aigle en foto van een achtergelaten zerk van Eckstein van het IR 124

Tijdens de bezetting van Frankrijk in.de Tweede Wereldoorlog werd in 1943 door de Duitse militaire gravendienst kleinere erevelden ontruimd en de stoffelijke resten werden overgebracht naar zogenaamde verzamelkerkhoven en daar herbegraven.

De gesneuvelden van L’Aigle werden op de verzamelbegraafplaats bij Consenvoye op 17 kilometer ten noorden van Verdun herbegraven, waar luitenant Otto nu rust in blok 2 met grafnummer 2428. Deze gegevens zijn verstrekt door de Duitse Oorlogs-gravenstichting (afb.8).

afb. 8: De diverse herbegravingen en het laatste graf van luitenant Otto.

Argonnenliederen

De strijd in de met dicht struikgewas begroeide wouden van de heuvelachtige Argonnen verschilde wezenlijk van die op de andere delen van het westelijk front. Er werd hier voornamelijk gestreden met geweer, bajonet, handgranaat en mitrailleur, waarbij de artillerie niet de alles overheersende rol speelde zoals op andere zwaarte-punten van het westfront. Er speelde zich in de loopgraven en in de tunnels en mijn-gangen een soort „junglefighting”af waarbij geen van de partijen een belangrijke terreinwinst kon.behalen.

De soldaten aan Duitse en Franse zijde hebben deze gevechten in vele gedichten en liederen tot uitdrukking gebracht waarvan hier twee worden beschreven.

Argonnerwald Les Poilus de l’Argonne

(Albert Hessen, Bernhard Hilgers (A. Rameau en Alphonse Diepenbrock)
Andreas Schott en Hugo Seidlich (Geschreven 1916)
van een Pioniergruppe)
Ce sont les Poilus de l’Argonne,
La pipe au bec, les jeux fous,
Argonnerwald um Mitternacht Et dont l’allure vous étonne!
Ein Pionier steht auf der Wacht Ils viennent d’où l’on ce tamponne:
Ein Sternlein hoch am Himmel stand Ce sont les poilus de l’Argonne,
Bringt ihm ein Grusz aus fernem Heimatland Tous plus maigre que des coucous,
Und mit dem Spaten in der Hand, Sous leurs haillons, couvert de poux
Er vorne in der Sappe stand. Et souriant sous leur poil roux.
Mit Sehnsucht denkt er an sein Lieb, Ce sont les Poilus de l’Argonne,
Ob er sie wohl noch einmal wiedersieht. La bouffarde au bec, les yeux fous!

Und donnernd dröhnt die Artillerie, Ce sont les Poilus de l’Argonne
Wir stehen vor der Infanterie. Renfrognés comme des hiboux,
Granaten schlagen bei uns ein, Mais au fond leur âme chantonne
Der Franzmann will in unsere Stellung rein. Avec le cuivre qui claironne:
Ce sont les Poilus de l’Argonne,
Und stürmt der Feind auch noch so sehr, De gloire leurs vieux coeurs sont saouls!
Wir Deutschen fürchten ihn nicht mehr. Leurs flingots, précieux joujoux
Wir Deutschen aber halten stand Seuls leur font faire des yeux doux.
Für das geliebte, treue Vaterland. Ce sont les Poilus de l’Argonne,
Renfrognés comme des hiboux !
Der Stur m geht los, die Mine kracht,
Der Pionier steht auf die Wacht. Ce sont les Poilus de l’Argonne
Bis an den Feind schleicht er heran Qui vont se battre en casse-cou;
Und zündet dann die Handgranate an. Leur oeil est vif, leur front rayonne,
La mitraille les environne:
Die Infanterie steht auf der Wacht, Ce sont les Poilus de l’Argonne
Bis das die Handgranate kracht. „Tant mieux! Nous ferons des jaloux,
Im Sturm geht’s los bis an den Feind, ca va” crient-ils, c’est dans nos goûts !
Im Hurra nimmt sie dann die Stellung ein. Ce sont les Poilus de l’Argonne,
Qui vont se battre en casse-cou!
Der Franzmann ruft: ‘Pardon Musjöh’,
Hebt beide Hände in die Höh. Ce sont les Poilus de l’Argonne,
Und fleht uns dann um Gnade an, Peuple, qui vont mourir pour vous!
Die wir als Deutsche ihm gewähren dann. Ils vont sous le canon qui tonne.
Écraser la horde teutonne :
Und komm ich eins zum Himmelstür, Ce sont les Poilus de l’Argonne,
Der Engel Gottes spricht zu mir: Et courant au devant des coups,
‘Argonnenkämpfer, tritt herein, Ce sont les Poilus de l’Argonne
Für dich soll hier der e’wge Friede sein’. Ils vont déterrer de leurs trous
La louve germaine et ses loups!
Argonnenwald, Argonnenwald, Ce sont les Poilus de l’Argonne,
Ein stiller Friedhof wirst du bald. Peuple qui vont mourir pour vous !
In deiner kühlen Erde ruht
So manches tapfere Soldatenblut.

Literatuur

Regimentsgeschiedenis van het Lotharingse Infanterie Regiment 173

Schlachten des Weltkrieges

Aantekeningen van de Volksbund Deutsche Kriegsgräberfürsorge

overzicht: